In het kort
Dit Koninklijk Besluit van 23 maart 1920 organiseert het personeel voor de dienst der Justitiegebouwen. Het werkt terug tot 1 januari 1920 en vervangt de eerdere regelingen uit 1910 en 1917. Het besluit legt de personeelsformatie, de rangen en de benoemingsbevoegdheden vast.
Belangrijkste punten
- **Intrekking (artikel 1):** de Koninklijke besluiten van 21 mei 1910 (Stb. n°. 137), 17 augustus 1910 (Stb. n°. 405) en 10 april 1917 (Stb. n°. 282) zijn vervallen.
- **Formatie (artikel 2):** het personeel bestaat uit een Rijksbouwmeester, twee adjunct-Rijksbouwmeesters, vijf bouwkundige hoofdambtenaren, negentien bouwkundige ambtenaren (verdeeld in 1e klasse, 2e klasse en ambtenaar voor bijzondere diensten) en twee klerken. Bij het bureau van de Rijksbouwmeester kunnen daarnaast een concierge-bode en een vaste knecht werkzaam worden gesteld.
- **Overgangsregeling (artikel 3):** zittende hoofdopzichters krijgen de rang van bouwkundig hoofdambtenaar; opzichters 1e, 2e en 3e klasse gaan over naar de rangen genoemd onder artikel 2, sub 4°, respectievelijk a, b en c.
- **Benoeming (artikel 4):** de ambtenaren onder sub 1 tot en met 4 worden door de Koning benoemd, geschorst en ontslagen; de klerken, de concierge-bode en de vaste knecht door de Minister van Justitie.
- **Tijdelijk personeel (artikel 4a):** de Minister van Justitie mag tijdelijk personeel aanstellen onder een gewenste benaming. Bedraagt de bezoldiging meer dan tweehonderd gulden per maand, dan is een voordracht aan de Koning vereist.
- **Afwijkende titel (artikel 4b):** vaste ambtenaren kunnen onder een andere titel werkzaam worden gesteld; hun rang wordt door de Koning bepaald.
Voor wie geldt dit
Voor het bouwkundig en ondersteunend personeel in dienst van de Justitiegebouwen, en voor de Minister van Justitie, die met de uitvoering is belast. Afschrift ging naar de Minister van Financiën, de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.