In het kort
Het Tramwegreglement (Koninklijk Besluit van 24 februari 1920) stelt het reglement vast voor de tramwegen genoemd in artikel 1, eerste lid, letter b, van de Locaalspoor- en Tramwegwet, alsmede het Bijzonder Reglement Vervoer Tramwegen (B.R.V.T.). Het trok het Tramwegreglement 1902 en het Vereenvoudigd Locaalspoorwegreglement 1902 in. De hier weergegeven afdeling I regelt de weg en de seinen.
Belangrijkste punten
- **Onderhoud en elektrische tractie (artikelen 1-3):** weg en werken worden zo onderhouden dat zij veilig met de grootste toegelaten snelheid bereden kunnen worden; bij bovengrondse stroomtoevoer geldt dat ook voor de contactgeleidingen. Bij niet-automatische regeling van de doorhang wordt de spanning ten minste tweemaal per jaar (voor- en najaar) geregeld. Periodiek onderzoek betreft isolatieweerstand, weerstand van de terugleiding door de spoorstaven, aardverbindingen en afslijting van de contactgeleiding; de uitkomsten worden in een register aangetekend.
- **Schouwfrequentie (artikel 4):** sporen waarover reizigerstreinen rijden, met de daarin gelegen wissels, kruisingen en beweegbare bruggen, worden ten minste eenmaal per week geschouwd; sporen met uitsluitend goederentreinen eenmaal per maand, de wissels, kruisingen en beweegbare bruggen daarin driemaal per maand.
- **Vrije ruimte en bebouwing (artikelen 5, 14):** binnen de door de Minister vastgestelde profielen van vrije ruimte is het verboden zonder toestemming gebouwen, muren, schuttingen, aarden wallen of andere verheven voorwerpen op te richten, of binnen die profielen en een strook van 0,50 m daarlangs bomen of houtgewas te planten. Langs niet op openbare wegen aangelegde tramwegdelen gelden verboden binnen 5 m uit de as van het nabijgelegen spoor (rechte baan en buitenzijde boog), binnen 10 m aan de binnenzijde van een boog, en binnen 10 m over 25 m weerszijden van kruisende openbare wegen.
- **Seinen (artikelen 8-10):** plaats en inrichting van seinen behoeven instemming van de Minister. Treinen voeren 's nachts van voren ten minste twee witte lichten en van achteren ten minste een rood licht (bestaande treinen met één voorlicht: één wit licht). Alle seinen worden beschreven in een door bestuurders vastgesteld seinreglement; bij mist, sneeuwjacht of slecht zicht worden overdag ook de nachtseinen getoond.
- **Kruisingen en overwegen (artikelen 7, 11, 12):** bij gelijkvloerse kruising met een tram- of spoorweg houden treinen ten minste twintig meter vóór het kruispunt stil totdat een treinbeambte per sein bericht dat overgang veilig is; de Minister kan ontheffing verlenen. Op niet-openbare overwegen moet iedereen treinen, rangeerdelen en bijzondere voertuigen voor laten gaan, de overweg vrijlaten en mag men niet oprijden bij rood licht, rood knipperlicht of een stopteken.
- **Brandgevaar (artikel 13):** langs bos-, veen- of heidegronden kan de Minister maatregelen voorschrijven; bestuurders scheiden het terrein af door sloten, omspitten of bedekking met onbrandbare stoffen om overslaan van brand te beperken.
Voor wie geldt dit
Voor tramwegondernemingen en hun bestuurders, het rijdend en seinpersoneel, en voor eigenaren en gebruikers van gronden langs de tramweg. Toezicht en toestemmingen berusten bij de Minister (van Waterstaat).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.