In het kort
De Verenwet (wet van 5 juli 1921) stelt voorschriften vast betreffende overzetveren en veerrechten. Hoofdstuk I regelt het ondernemen en het reguleren van overzetveren, hoofdstuk II het veerrecht: de inhoud, de tarieven, het verval en de opheffing tegen schadeloosstelling.
Belangrijkste punten
- **Geen vergunningplicht (artikel 1):** voor het ondernemen van een overzetveer is geen voorafgaande vergunning of bekrachtiging van tarieven vereist.
- **Regelgevende bevoegdheid (artikelen 2-4):** Provinciale Staten kunnen voor aangeduide wateren bij verordening voorschriften stellen over de veiligheid van reizigers en goederen, de bekendmaking van dienstregeling en tarief, het tegengaan van heffingen zonder of in strijd met een bekendgemaakt tarief, en afwijkingen daarvan. Zo'n verordening wordt ten minste een maand vóór inwerkingtreding meegedeeld aan de Minister van Verkeer en Waterstaat. Voor overige wateren komt die bevoegdheid toe aan de gemeenteraad. Overtreding wordt, voor zover uitdrukkelijk strafbaar gesteld, gestraft met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van de eerste categorie (artikel 3).
- **Veerrecht (artikelen 7-8):** het veerrecht is het recht om met uitsluiting van ieder ander personen en goederen over te zetten, alsmede het brug- of tolrecht waarin een veerrecht is omgezet. Het kan niet worden afgescheiden van de eigendom van de grond onder het water.
- **Tarieven en gesplitst veer (artikelen 9-10):** hoger veergeld heffen dan het geldende tarief toelaat is verboden. Bij gebrek, onvolledigheid of onduidelijkheid stellen Gedeputeerde Staten (of, bij gemeentelijk of waterschapswegbeheer, burgemeester en wethouders) het tarief naar billijkheid vast; zij kunnen machtiging geven tot een hoger tarief. Bij een in tweeën gesplitst veerrecht zet de gerechtigde aan de ene zijde reizigers over tegen het tarief van de andere zijde en keert daarvan de helft uit.
- **Verval en vervallenverklaring (artikelen 11-16):** veerrechten die uitsluitend aan het Rijk toebehoren vervallen bij inwerkingtreding van de wet (bij verpachting: bij einde van de pacht), evenals veren die vijf jaar feitelijk verlaten waren. Het veerrecht gaat teniet bij één jaar feitelijke verlating na inwerkingtreding. Gedeputeerde Staten kunnen het veerrecht vervallen verklaren bij herhaalde strijd met de artikelen 9 en 10, bij niet dagelijkse of onvoldoende bediening, bij slechte toegangen, of bij slecht onderhouden brug — telkens pas na aandringen respectievelijk een bevel met bekwame termijn, en niet als de gerechtigde redelijkerwijs geen schuld treft. Besluiten worden bekendgemaakt in het provinciaal blad.
- **Opheffing (artikelen 18-19):** opheffing van een veerrecht kan tegen schadeloosstelling geschieden door de met waterstaat belaste Minister ter uitvoering van een Koninklijk Besluit, of door Gedeputeerde Staten. Rechthebbenden moeten hun aanspraak schriftelijk aangeven bij de Commissaris in de provincie; tussen de mededeling en de aangiftedag ligt ten minste drie maanden.
Voor wie geldt dit
Voor veerexploitanten en gerechtigden tot een veerrecht (inclusief houders van daaruit omgezette brug- of tolrechten), voor provincies, gemeenten en waterschappen, en voor reizigers die veergeld betalen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.