Besluit ex artikel 6 Veewet
Waar gaat deze regeling over?
Dit Koninklijk Besluit van 23 februari 1922 voert de artikelen 6, 25, 30, 32 en 57 van de Veewet uit. Het geeft voorschriften over het reinigen en ontsmetten van openbare vervoermiddelen die zijn gebruikt voor vee en dierlijke producten, over ontsmetting bij het verlaten van gebouwen of terreinen waar een kenteken is geplaatst, en over het onschadelijk maken van ziek of gestorven vee en besmette voorwerpen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Vastgoed- en bouwrecht
- Artikelen
- 16
- Bron
- wetten.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Belangrijkste punten
- Vervoer per spoor (artikelen 1-3): vee mag langs spoorwegen alleen worden vervoerd in daartoe uitsluitend bestemde spoorvoertuigen. De spoorwegonderneming moet die voertuigen na elk gebruik laten reinigen en ontsmetten; hetzelfde geldt voor alle voorwerpen waarmee het vee of de goederen in aanraking zijn geweest en voor het laad- en losterrein. Gezagvoerders van schepen reinigen hun vaartuig of het afgezonderde gedeelte na elk gebruik, en ontsmetten voor zover de inspecteur-districtshoofd dat nodig acht. Uit het buitenland binnenkomende spoorvoertuigen worden aan het grensstation gereinigd en ontsmet.
- Kostenbijdrage (artikel 2, lid 4): de ondernemers mogen een geldelijke bijdrage vorderen van degenen wier vee of goederen zij vervoeren, ter dekking van de reinigings- en ontsmettingskosten.
- Uitzondering fokvee (artikel 4): jong of klein fokvee mag in andere spoorvoertuigen worden vervoerd, mits in goed onderhouden, reine hokken met het opschrift "fokvee", met een voor vocht ondoordringbare bodem en vers ligstro; de hokken worden na elk gebruik gereinigd en ontsmet. Vervoer samen met veevoeder of stro is verboden.
- Ontsmetting bij verlaten van besmette terreinen (artikel 4bis): wie een gebouw of terrein met een kenteken verlaat, moet verontreinigde handen en lichaamsdelen met warm water en zeep reinigen, kleding en schoeisel met heet zeepsop afborstelen en alles vervolgens ontsmetten met het aanwezige ontsmettingsmiddel. Meegevoerde dieren (hoeven, klauwen, huid) en voertuigen of voorwerpen worden eveneens gereinigd en ontsmet.
- Onschadelijk maken (artikelen 5-6): dit kan door koken of stomen tot verval van de weke delen, droge destillatie, chemische behandeling tot verval van de weke delen, of verbranden tot as. Alleen bij overwegende bezwaren, ter beoordeling van de inspecteur-districtshoofd, mag worden begraven. Begraven geschiedt zo diep dat het hoogste gedeelte ten minste 1 meter onder de rand van de kuil ligt; de bodem wordt bedekt met een kalklaag van 1 decimeter en huid en vlees worden vooraf onbruikbaar gemaakt door diepe, elkaar kruisende inkervingen.
Voor wie geldt dit
Voor spoorwegondernemingen en gezagvoerders van schepen die vee, vlees, huiden, hoornen, klauwen, hoeven, borstels, haar, wol, beenderen, vellen, mest of veevoeder vervoeren; voor personen die besmette gebouwen of terreinen betreden of verlaten; en voor houders van ziek of verdacht vee. Toezicht: de inspecteur-districtshoofd; uitvoering: de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel.
Vastgoed- en bouwrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (16)
- Artikel 1
- Artikel 2 1
- Artikel 3 1
- Artikel 4
- Artikel 4bis Personen, die gebouwen of terreinen, waar een kenteken is geplaatst, v
- Artikel 5 Het onschadelijk maken kan geschieden door:
- Artikel 6 1
- Artikel 7 1
- Artikel 8 Als reinigingsmiddel worden gebruikt:
- Artikel 9 Het reinigen geschiedt als volgt:
- Artikel 10 Het ontsmetten geschiedt met de volgende middelen:
- Artikel 11
- Artikel 12 1
- Artikel 13
- Artikel 14
- Artikel 15
BWBR0001912_1998-01-01_0 Besluit van 23 februari 1922, ter uitvoering der artikelen 6, 25, 30, 32 en 57 der Veewet Besluit ex artikel 6 Veewet Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel van 7 November 1921, Directie van den Landbouw, n°. 16412, 3de afdeeling;
Overwegende, dat volgens de artikelen 6, 25, 30, 32 en 57 der Veewet bij algemeenen maatregel van bestuur voorschriften zullen worden gegeven: a. betreffende het reinigen en ontsmetten van openbare middelen van vervoer, welke zijn gebruikt tot vervoer van vee, vleesch, huiden, hoornen, klauwen, hoeven, borstels, haar, wol, beenderen, vellen, mest of veevoeder; b. betreffende maatregelen van ontsmetting, welke zullen moeten worden toegepast bij het verlaten van gebouwen of terreinen, waar een kenteeken is geplaatst; c. omtrent het onschadelijk maken van ziek en verdacht vee, dat is afgemaakt of gestorven, en van andere voorwerpen, welke besmet zijn of welke kunnen worden verondersteld gevaar op te leveren voor besmetting; d. omtrent de ontsmetting van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest en roerende voorwerpen; e. omtrent het onschadelijk maken van honden en katten, welke overeenkomstig de bepalingen van titel IV der Veewet zijn afgemaakt of, aangetast door hondsdolheid, zijn gestorven en van besmette voorwerpen;
Den Raad van State gehoord (advies van 27 December 1921, n°. 27);
Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 20 Februari 1922, Directie van den Landbouw, n°. 2811, 3de afdeeling;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Titel I
De reiniging en ontsmetting van openbare middelen van vervoer, welke zijn gebruikt tot vervoer van vee, vleesch, huiden, hoornen, klauwen, hoeven, borstels, haar, wol, beenderen, vellen, mest of veevoeder
Artikel 1
Vervoer van vee langs spoorwegen mag alleen geschieden in daartoe uitsluitend bestemde spoorvoertuigen.
Artikel 21
De betrokken spoorwegonderneming is verplicht, spoorvoertuigen, waarin vee of voorwerpen, als bedoeld in artikel 6 der Veewet, zijn vervoerd, na elk gebruik te doen reinigen en ontsmetten.
2 De gezagvoerders van schepen zijn verplicht hunne vaartuigen of de afgezonderde gedeelten van die vaartuigen, waarin vee of voorwerpen, als bedoeld in artikel 6 der Veewet, zijn vervoerd, na elk gebruik te doen reinigen en, waar en voor zooveel als dit door den inspecteur-districtshoofd noodig wordt geacht, te doen ontsmetten.
3 Dezelfde verplichting bestaat ten opzichte van alle voorwerpen, waarmede het vee of de voorwerpen, bedoeld in artikel 6 der Veewet, in aanraking zijn geweest, en van het terrein, waar de in- en uitlading plaats heeft.
4 Ter voorziening in de kosten dier reiniging en ontsmetting kunnen de ondernemers van hen, wier vee of van wie zij een van de voorwerpen, bedoeld in artikel 6 der Veewet, vervoeren, eene geldelijke bijdrage vorderen.
Artikel 31
Spoorvoertuigen, waarin vee of voorwerpen, bedoeld in artikel 6 der Veewet, zijn vervoerd, uit den vreemde binnenkomende, worden aan het grensstation door de zorg van de betrokken spoorwegonderneming gereinigd en ontsmet.
2 De plaatsen, waar vee gestaan heeft, alsmede die, waar zich voorwerpen, bedoeld in artikel 6 der Veewet, hebben bevonden, aan boord van vaartuigen, uit den vreemde binnenkomende, worden door de zorg van de gezagvoerders gereinigd, en waar en voor zooveel dit door den inspecteur-districtshoofd wordt noodig geacht, ontsmet.
Artikel 4
In afwijking van het in bovengenoemde artikelen bepaalde wordt toegestaan, dat jong of klein fokvee langs spoorwegen wordt vervoerd in andere, dan uitsluitend voor het vervoer van vee bestemde spoorvoertuigen en dat de spoorvoertuigen, waarin dat fokvee langs spoorwegen is vervoerd, niet na elk gebruik worden gereinigd en ontsmet, onder voorwaarde, dat daarbij de volgende bepalingen worden in acht genomen: a. het vervoer geschiedt in goed onderhouden, reine hokken van voldoende ruimte, voorzien van het opschrift "fokvee"; b. de hokken moeten een voor vocht ondoordringbaren bodem hebben en van versch ligstroo zijn voorzien; c. de hokken moeten na elk gebruik gereinigd en ontsmet worden.
Indien de inspecteur-districtshoofd het noodig acht, moet ook het spoorvoertuig gereinigd en ontsmet worden; d. het vervoer mag niet geschieden in spoorvoertuigen of afgezonderde gedeelten van spoorvoertuigen, waarin tevens veevoeder of stroo geladen is.
Titel IBIS Maatregelen van ontsmetting, welke moeten worden toegepast bij het verlaten van gebouwen of terreinen, waar een kenteken is geplaatst
Artikel 4bisPersonen, die gebouwen of terreinen, waar een kenteken is geplaatst, verlaten, moeten
a. hun handen en andere lichaamsdelen, voorzover deze verontreinigd zijn, met warm water en zeep zorgvuldig reinigen, hun kleding en schoeisel, voorzover deze verontreinigd zijn en niet verwisseld worden, door afborstelen met heet zeepsop van aanklevend vuil ontdoen en vervolgens bedoelde lichaamsdelen, kleding en schoeisel met het aanwezige ontsmettingsmiddel ontsmetten; b. indien zij dieren met zich mede voeren, de hoeven en klauwen daarvan en de huid dezer dieren, voorzover deze verontreinigd is, zorgvuldig reinigen door borstelen en wassen en daarna met het aanwezige ontsmettingsmiddel ontsmetten; c. indien zij voertuigen of andere voorwerpen met zich mede voeren, deze zorgvuldig reinigen en daarna met het aanwezige ontsmettingsmiddel ontsmetten.
Titel II
Het onschadelijk maken van ziek en verdacht vee, dat is afgemaakt of gestorven, van honden en katten, welke overeenkomstig de bepalingen van Titel IV der veewet zijn afgemaakt of, aangetast door hondsdolheid, zijn gestorven, en van besmette voorwerpen
Artikel 5Het onschadelijk maken kan geschieden door:
a. koken of stoomen, totdat verval der weeke deelen is ingetreden; b. droge destillatie; c. behandeling langs chemischen weg, totdat verval der weeke deelen is ingetreden; d. verbranden tot asch.
Slechts indien tegen de in het vorig lid aangegeven methoden overwegende bezwaren bestaan, zulks ter beoordeeling van den inspecteur-districtshoofd, kan het onschadelijk maken geschieden door: e. begraven.
Artikel 61
Het begraven geschiedt op zoodanige diepte, dat de afstand van het hoogste gedeelte van hetgeen begraven wordt tot aan den rand van den kuil ten minste 1 Meter bedraagt.
2 De bodem van den kuil wordt met een laag kalk ter dikte van 1 decimeter bedekt. De huid en het vleesch worden te voren geheel onbruikbaar gemaakt door elkander kruisende inkervingen, die tot diep in het vleesch moeten doordringen, vervolgens overgoten met teer, petroleum of een ander tot onbruikbaarmaking geschikt middel, daarna gelijkmatig bestrooid met een laag gebrande kalk ter dikte van 1 decimeter, om ten slotte met een laag aarde tot aan den rand van de kuil te worden bedekt.
3 Verontreinigde plaatsen in de omgeving van den kuil worden afgestoken en de afgestoken laag wordt mede begraven.
Titel III
Het ontsmetten van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest en roerende voorwerpen
Artikel 71
Aan de ontsmetting moet steeds reiniging voorafgaan, wanneer hetgeen ontsmet moet worden bedekt is met onreinheden, welke eene grondige ontsmetting bemoeilijken of verhinderen, behoudens die gevallen, waarbij, ter beoordeeling van den inspecteur-districtshoofd, wegens besmettingsgevaar voor de personen, met het reinigen belast, in de allereerste plaats ontsmetting dient te geschieden.
2 De onreinheden worden door afvegen, afschuren, afkrabben, afschaven, enz. en verder door afspuiten, afwasschen, afschrobben enz. met koud of heet water verwijderd.
Artikel 8Als reinigingsmiddel worden gebruikt:
a. groene zeep-oplossing (zeepsop), bereid door 1 deel groene zeep op te lossen in 20 deelen kokend water; b. potasch- of sodaloog-oplossing, bereid door 1 deel ruwe potasch of ruwe soda op te lossen in 20 deelen kokend water; c. andere, nader door Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel aangewezen reinigingsmiddelen.
Artikel 9Het reinigen geschiedt als volgt:
a.
Personen. Handen en andere verontreinigde lichaamsdeelen worden, zoo noodig na voorloopige ontsmetting, met warm water en zeep goed afgewasschen, terwijl kleeding en schoeisel, voor zooverre deze niet verwisseld worden, door afborstelen met heet zeepsop van aanklevend vuil moeten worden ontdaan. b.
Dieren. De huid, met inbegrip van hoeven en klauwen, wordt zorgvuldig gereinigd door borstelen en wasschen. Zoo noodig worden de hoeven en klauwen uitgesneden of afgeraspt. c.
Stallen en andere gebouwen en zich daarin bevindende voorwerpen.
Uit de stallen en andere gebouwen worden eerst verwijderd en met de noodige voorzorgen tegen verspreiding van smetstof vervoerd naar de voor onschadelijkmaking bestemde plaats: mest, strooisel, voor onschadelijkmaking bestemd voedsel en voedselresten, alle andere voor onschadelijkmaking bestemde voorwerpen, alsmede het grove vuil, dat van de zoldering, wanden en vloer kan worden afgenomen. In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den inspecteur-districtshoofd, kan het verwijderen der mest beperkt blijven tot de bovenste laag.
1.
Houtwerk als: houten ruiven en kribben, alsook houten wandbekleedingen enz. wordt zoo noodig verwijderd ter afzonderlijke reiniging.
Houtwerk, dat sterk gesplinterd of ruw is, moet worden bijgewerkt. De afgestooten houtdeeltjes worden, evenals verrot of vermolmd hout, verbrand.
2.
Muur-, steen- en pleisterwerken worden gereinigd met heet zeepsop of wel met heete potasch- of sodaloog-oplossing afgeschrobd.
3.
Aarden vloeren worden ten minste 20 centimeter diep uitgegraven en daarna ter dikte van de uitgegraven laag met nieuwen grond of versch zand aangevuld en daarna vast aangestampt.
4.
De uitgegraven grond wordt als mest behandeld.
5.
Losse steenen vloeren worden opgebroken en de ondergrond als aarden vloer behandeld met reiniging en ontsmetting van de weder te bezigen steenen of wel in de voegen diep uitgekrabd en daarna door afschrobben met heet zeepsop of met heete potasch-loog gereinigd.
6.
Gemetselde- en cementvloeren en goten worden eveneens door afschrobben met heet zeepsop of met heete potasch- of sodaloog-oplossing gereinigd.
7.
Houten vloeren worden zoo noodig opgebroken, de ondergrond als aarden vloer behandeld en het niet voor verbranden of begraven bestemde houtwerk op de gewone wijze gereinigd.
8.
Plafond of zoldering en wanden, kribben, troggen, ruiven en alle houtwerk als deurposten, deuren, vensters, enz. alsmede goten, groepen, vaste roosters, zinkgaten, riolen en putten tot afvoer of verzameling van uitwerpselen, stalwater, enz. worden gereinigd door grondig afborstelen met heete potasch- of sodaloog-oplossing of heet zeepsop.
9.
De reiniging kan slechts dan volledig genoemd worden, indien alle uitwerpselen van zieke en verdachte dieren en alle aanwezige vuil is verwijderd. Aanbeveling verdient hierbij het gebruik van schuurzand. De reiniging moet alle deelen van den stal omvatten. Bijzonder moet daarbij aandacht worden geschonken aan kuilen, gaten en verhevenheden van den vloer, nissen, voegen, spleten, hoeken enz.
In den regel worden in stallen en andere gebouwen eerst de zolder, daarna de wanden enz., stalgereedschappen en het laatst de vloer gereinigd.
De zolder en de hooger gelegen deelen der stalwanden, welke niet door smetstof van zieke dieren zijn verontreinigd, kunnen op aanwijzing van den inspecteur-districts-hoofd met heet zeepsop of met heet water worden gereinigd.
In sommige gevallen, ter beoordeeling van den inspecteur-districtshoofd, kan hiertoe ook koud water onder sterken druk worden aangewend (waterleiding, handbrandspuit, tuinspuit).
10.
Brandbare voorwerpen worden, ter beoordeeling van den inspecteur-districtshoofd, verbrand.
11.
Houten stalgereedschappen en andere voorwerpen, in het bedrijf gebezigd, als voederkisten, emmers, bezemstelen, hooivorken, schoppen, voedselwannen, spoorvoertuigen, sleepen, tuigen, klompen, enz. moeten met heet zeepsop of heete potasch- of sodaloog-oplossing grondig worden afgeborsteld.
12.
Gereedschap van ijzer of ander metaal: kettingen, ringen, vorken, schoppen, roskammen, gebitten, muilkorven, troggen, voedsel- en drinkbakken en ander vaatwerk, kooien, enz., moeten, voor zoover zij ter ontsmetting niet afgeschroeid worden, grondig worden afgeborsteld en met kokend water worden afgespoeld.
13.
Voorwerpen van leder of gummi (halsters, singels, toomen, tuigdeelen, zadels, riemen, kussenbekleedsels, schoenen, hondenhalsbanden, muilkorven, zwepen, enz.) moeten met zeepsop worden afgeborsteld.
14.
Voorwerpen, vervaardigd van katoen, linnen, wol, hennep, enz., als dekens, singels, halsters, touwen, kussenbekleedsels, kleedingstukken, beddegoed, enz., moeten door afborstelen met heet zeepsop van vuil worden ontdaan. d.
Slachtplaatsen, scheepsruimten, veren, enz.
Deze worden gereinigd op de wijze, als onder c in dit artikel is aangegeven. e.
Veemarkten.
Eerst wordt de mest der dieren verzameld, gemetselde terreinen worden daarna zorgvuldig schoongeveegd en met water afgespoeld, niet-gemetselde terreinen worden door harken gelijk gemaakt.
De palen, staven, ringen, enz., waaraan de dieren vastgebonden zijn geweest, worden met water afgespoeld en afgewasschen. f.
Wegen en straten.
Deze worden overeenkomstig hare gesteldheid als veemarktplaatsen gereinigd. g.
Verzamelplaatsen van vee in de weiden (drinkplaatsen, loopplaatsen, melkplaatsen, enz.).
Deze worden overeenkomstig hunne gesteldheid als veemarktplaatsen gereinigd.
Artikel 10Het ontsmetten geschiedt met de volgende middelen:
a. hitte in den vorm van:
Hiervoor kan men gebruiken 1 pastille van 1 gram op 1 liter warm water.
Artikel 11
Het ontsmetten moet gebaseerd zijn op het weerstandsvermogen en op de mogelijkheid tot verspreiding van de smetstof, waarbij elk geval op zich zelf dient te worden beoordeeld en geschiedt op de volgende wijze: a. bij besmettelijke veeziekten, waarvan de smetstof weinig weerstandbiedend is en die in hoofdzaak door de zieke dieren wordt overgebracht, is het voldoende den zolder van den stal, de wanden, deurposten, schotten, deuren, vloer, groep, voer- en drinkbakken en gereedschappen, na voorafgaande reiniging te bestrijken met creoline of kalkmelk.
Houten, steenen en ijzeren staldeelen kunnen met creoline of een ander ontsmettingsmiddel worden afgewasschen. b. bij besmettelijke veeziekten, waarvan de smetstof meer weerstandsvermogen heeft, gevaar voor den mensch oplevert of de kans op verspreiding groot is, worden de volgende maatregelen getroffen:
Het onschadelijk maken van mestvaalten geschiedt bij voorkeur door broeien, door de mest naar bouwland te vervoeren en onmiddellijk onder te ploegen, of door ze te overgieten met een daarvoor geschikt ontsmettingsmiddel of ze te bestrooien met gebrande kalk of chloorkalk.
Het broeien van mest geschiedt als volgt: de bodem wordt bedekt met een laag stroo of turfstrooisel, ter dikte van ongeveer 25 centimeter, ter breedte van 1½ à 2 Meter en lang naar behoefte. De voor ontsmetting bestemde mest wordt hierop opgehoopt tot een hoogte van ongeveer 1,25 Meter met schuin afloopende zijvlakten, vervolgens bedekt met een laag stroo of turfstrooisel ter dikte van 10 centimeter, waarna op het geheel een laag aarde ter dikte van 10 centimeter wordt aangebracht. Het geheel moet ten minste 3 weken in dezen toestand worden gelaten.
IJzeren deelen of voorwerpen worden sterk afgezengd of geflambeerd, dan wel met creoline of een ander ontsmettingsmiddel behandeld.
Kleedingstukken, die slechts in geringe mate besmet zijn, kunnen door bevochtigen en nat afborstelen met een ontsmettingsmiddel ontsmet worden.
Titel IV
Het reinigen en ontsmetten van veewagens, gereedschappen en ladingsterreinen van spoorwegen
Artikel 121
De veewagens worden na besproeiing van wanden en vloer met een ontsmettingsmiddel ontledigd van strooisel, mest, voeder, enz. en door afkrabben en uitvegen van het grove vuil ontdaan.
2 Daarna worden de wanden en vloer met water afgeschrobd en vervolgens begoten of bespoten, totdat zij geheel rein zijn. Voor zooveel noodig, moet het afschrobben geschieden met heet zeepsop of met heete potasch- of sodaloog-oplossing. Wandbekleedingen van leder of linnen worden met warm zeepsop of, zoo noodig, met warme potasch- of sodaloog-oplossing afgewasschen.
3 De goed gereinigde wanden en vloer worden ontsmet door witten met kalkmelk of chloorkalkmelk, of door bestrijken met creoline of lysol, of door stoom van ten minste 2 atmosfeeren (120° C) op alle te ontsmetten plaatsen van nabij in een straal te doen inwerken.
4 Op overeenkomstige wijze worden gereinigd en ontsmet loopplanken, voederbakken, emmers, touwen en andere voorwerpen, waarmede het vervoerde vee in aanraking geweest is.
5 Op de terreinen van in- en uitlading worden mest, gebruikt strooisel, enz. zorgvuldig bijeengeveegd, de aarden bodem met water afgespoeld en de bestratingen en houtbekleedingen met water afgeschrobd. Na reiniging wordt de bodem met creoline begoten.
6 De uit de spoorvoertuigen en van de voorwerpen verwijderde en de op de terreinen bijeengeveegde stoffen worden naar eene daarvoor bestemde bergplaats vervoerd en aldaar met gebrande kalk bestrooid.
Titel V
Slotbepalingen
Artikel 13
De inspecteur-districtshoofd beslist in overleg met den burgemeester op welke wijze in elk bijzonder geval het onschadelijk maken en het ontsmetten zal geschieden en welke reinigings- en ontsmettingsmiddelen daarbij moeten worden gebruikt. Inzonderheid wordt daarbij bepaald, of de ontsmetting zal geschieden overeenkomstig de voorschriften, genoemd onder a dan wel volgens die, genoemd onder b van artikel 11.
Artikel 14
Het onschadelijk maken en de ontsmetting moeten geschieden onder leiding en toezicht van daartoe door den inspecteur-districtshoofd in overleg met den burgemeester aangewezen personen.
Artikel 15
In gevallen, waarin dit besluit niet voorziet, beslist de inspecteur-districtshoofd.
Onze Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State. 's-Gravenhage den 23sten Februari 1922 WILHELMINA.
De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, H. A. VAN IJSSELSTEIJN. den twee en twintigsten Mei 1922.
De Minister van Justitie, HEEMSKERK.