In het kort
Dit Koninklijk Besluit van 23 februari 1922 voert artikel 3 van de Veewet uit. Het wijst aan welke wetenschappelijke inrichtingen ten dienste van de veeartsenijkundige dienst worden gebezigd en regelt hoe de ambtenaren van die dienst met de leiders van die inrichtingen samenwerken.
Belangrijkste punten
- **Aangewezen inrichtingen (artikel 1):** het Instituut voor parasitaire en besmettelijke ziekten van de Veeartsenijkundige Hogeschool te Utrecht, en de Rijksseruminrichting.
- **Aanvullende aanwijzing (artikel 1):** de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel kan andere wetenschappelijke inrichtingen aanwijzen die ten dienste van de veeartsenijkundige dienst zullen worden gebezigd.
- **Omvang van de dienstverlening (artikel 2):** de inrichtingen staan slechts ten dienste van de veeartsenijkundige dienst voor zover zij daartoe door de Minister zijn aangewezen, met inachtneming van het doel waarvoor zij zijn gesticht.
- **Onderzoeksplicht (artikel 3, leden 1-2):** de leiders van deze inrichtingen onderzoeken het materiaal dat door ambtenaren van de veeartsenijkundige dienst ter onderzoek wordt toegezonden. Desgewenst stellen zij de inzender in de gelegenheid bij het onderzoek aanwezig te zijn of het zelf te verrichten.
- **Rapportage (artikel 3, leden 3-4):** van elk onderzoek wordt rapport uitgebracht. Betreft het ziektegevallen die uit een oogpunt van veeartsenijkundige politie van hoogst ernstige aard zijn, dan gaat een afschrift van het rapport naar de directeur en de inspecteur-districtshoofd; hetzelfde geldt wanneer de directeur van de veeartsenijkundige dienst om mededeling van het resultaat heeft verzocht.
Voor wie geldt dit
Voor de aangewezen wetenschappelijke inrichtingen en hun leiders, en voor de ambtenaren van de veeartsenijkundige dienst, in het bijzonder de directeur en de inspecteurs-districtshoofd. De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel is met de uitvoering belast.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.