In het kort
Deze wet van 29 juni 1925 bevat een bijzondere regeling voor het verlenen van concessies tot ontginning van delfstoffen in terreinen waarin de Rijksopsporingsdienst van Delfstoffen de aanwezigheid van mineralen heeft aangetoond. De wet bestaat uit één enkel artikel.
Belangrijkste punten
- **Reikwijdte:** de regeling betreft de terreinen die zijn omschreven in artikel I, onder A en B, van de wet van 20 juni 1924 (Staatsblad n°. 307).
- **Vereiste van parlementaire goedkeuring:** voor die terreinen zal door de Koning geen concessie krachtens de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois n°. 285) worden verleend dan na voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal.
- **Doel:** de wet is gemaakt omdat het wenselijk werd geacht een bijzondere regeling te treffen voor concessieverlening in terreinen waar de Rijksopsporingsdienst van Delfstoffen de aanwezigheid van mineralen heeft aangetoond.
- **Verhouding tot de mijnwet van 1810:** de concessie zelf blijft berusten op de wet van 21 april 1810; deze wet voegt daaraan uitsluitend de eis van voorafgaande goedkeuring door de Staten-Generaal toe.
- **Uitvoering:** de wet werd ondertekend door de Minister van Waterstaat en in het Staatsblad geplaatst; alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren houden de hand aan de nauwkeurige uitvoering.
Voor wie geldt dit
Voor aanvragers van mijnconcessies en mijnbouwondernemingen die delfstoffen willen ontginnen in de in de wet van 20 juni 1924 (Stb. n°. 307), artikel I onder A en B, omschreven terreinen, alsmede voor de Kroon en de Staten-Generaal, die zulke concessies moeten goedkeuren.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.