In het kort
Deze wet van 2 juli 1923 treft afzonderlijke bepalingen voor de pensionering van reserve-adjudanten-onderofficier van de landmacht die op grond van hun betrekking geacht worden voortdurend in werkelijke dienst te zijn of te zijn geweest, alsmede voor de pensionering van hun weduwen en wezen.
Belangrijkste punten
- **Toepassing Pensioenwet landmacht (artikel 1):** op deze reserve-adjudanten-onderofficier worden de bepalingen van de Pensioenwet voor de landmacht (Staatsblad 1922 n°. 66) van toepassing verklaard. De tijd gedurende welke zij in die betrekking werkzaam zijn geweest, wordt beschouwd als onder de wapenen te zijn doorgebracht.
- **Weduwen- en wezenpensioen (artikel 2, lid 1):** zij worden beschouwd als vrijwillig dienende militairen in de zin van artikel 2 van de Militaire Weduwenwet 1922, ook indien zij als gepensioneerd militair al aanspraak voor hun weduwen en wezen zouden hebben op grond van die wet.
- **Gepensioneerden 1918-1922 (artikel 2, lid 2):** onderofficieren die in het tijdvak van 1 januari 1918 tot 1 juli 1922 als zodanig zijn gepensioneerd, worden vanaf 1 januari 1920 beschouwd als gepensioneerde militairen in de zin van artikel 3 onder a van de Militaire Weduwenwet 1922, ongeacht of zij al uitzicht hadden op pensioen ten laste van het weduwen- en wezenfonds.
- **Terugwerkende kracht en herziening (artikel 3):** artikel 1 wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 1920; pensioenen verleend tussen 1 januari 1918 en 1 januari 1920 worden vanaf laatstgenoemde datum herzien aan de hand van de Pensioenwet voor de landmacht, voor zover dit voor de belanghebbenden voordelig blijkt. Artikel 2 wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 juli 1922.
- **Nabestaanden van tussen 1920 en 1922 overledenen (artikel 3):** aan hun weduwen en wezen wordt vanaf 1 juli 1922 pensioen toegekend volgens de Militaire Weduwenwet 1922, ten laste van het in artikel 1 van die wet genoemde fonds, berekend naar de pensioensgrondslag die voor de overledene zou hebben gegolden bij pensionering op grond van de Pensioenwet voor de landmacht, ongeacht deelgenootschap in het voormalige weduwen- en wezenfonds.
Voor wie geldt dit
Voor reserve-adjudanten-onderofficier van de landmacht die krachtens hun betrekking geacht worden voortdurend in werkelijke dienst te zijn (geweest), en voor hun weduwen en wezen. De Ministers van Oorlog en van Financiën ondertekenden de wet.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.