Wet zwerfstromen
Waar gaat deze regeling over?
De Wet zwerfstromen (wet van 1 november 1924) bevat wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in de bodem door zwerfstromen afkomstig van de spoorstaven van elektrische spoor- en tramwegen. Zij vormt de grondslag voor het Reglement zwerfstromen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 6
- Bron
- wetten.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Belangrijkste punten
- Toepassingsgebied (artikel 1): de wet geldt voor spoor- en tramwegen bedoeld in de Spoorwegwet of in de artikelen 1, 6 of 8 van de Locaalspoor- en Tramwegwet, waarop vervoer plaatsvindt met als gelijkstroom opgewekte elektriciteit en met terugleiding van de stroom door de spoorstaven.
- Algemene maatregel van bestuur (artikel 2): bij algemene maatregel van bestuur worden bepalingen vastgesteld over de samenstelling van de bovenbouw van de spoor- en tramwegen en tegen afvloeiing van de elektrische stroom naar de bodem. Daarin wordt tevens omschreven in hoeverre ontheffing mogelijk is voor niet op openbare wegen aangelegde baangedeelten en voor spoor- en tramwegen die bij inwerkingtreding al in bedrijf waren.
- Kostenverdeling bij kruising en nadering (artikel 3): bij kruising van spoor- of tramwegen en bij onderlinge nadering tot de in de amvb bepaalde afstanden worden de kosten van de te treffen voorzieningen omgeslagen over de ondernemers. Bij gebrek aan overeenstemming beslist de Minister van Verkeer en Waterstaat.
- Strafbaarstelling (artikel 4): overtreding van de amvb wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie. Beambten en bedienden van een spoor- of tramwegdienst zijn niet strafbaar wanneer hun overtreding het gevolg is van een last van de bestuurders van die dienst. De strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
- Handhaving (artikel 5): opsporing berust, onverminderd artikel 141 Wetboek van Strafvordering, bij de door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren; zij sporen tevens de feiten van de artikelen 179 tot en met 182 en 184 Wetboek van Strafrecht op voor zover die hun eigen bevelen of handelingen betreffen. Het aanwijzingsbesluit wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 Awb zijn van overeenkomstige toepassing. De Minister kan een last onder bestuursdwang opleggen ter handhaving van de amvb en van de medewerkingsplicht van artikel 5:20 Awb.
Voor wie geldt dit
Voor ondernemers, bestuurders, beambten en bedienden van elektrische spoor- en tramwegdiensten met gelijkstroom en terugleiding via de spoorstaven, en indirect voor eigenaren van metalen voorwerpen in de bodem. Bevoegd gezag: de Minister van Verkeer en Waterstaat.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
BWBR0001921_1998-01-01_0 Wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen Wet zwerfstromen Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat wettelijke maatregelen noodig zijn tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Deze wet is van toepassing op de bij de Spoorwegwet of bij een der artikelen 1, 6 of 8 der Locaalspoor- en Tramwegwet bedoelde spoor- en tramwegen, op welke vervoer plaats heeft door middel van als gelijkstroom opgewekte electriciteit en met terugleiding van den stroom door de spoorstaven.
Artikel 21
Ter voorkoming van aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven, worden bij algemeenen maatregel van bestuur bepalingen vastgesteld betreffende de samenstelling van den bovenbouw der spoor- en tramwegen en tegen afvloeiing van den electrischen stroom naar den bodem.
2 In den algemeenen maatregel van bestuur wordt omschreven, in hoeverre van zijne bepalingen ontheffing kan worden verleend ten aanzien van niet op openbare wegen aangelegde gedeelten van spoor- en tramwegen, en ten aanzien van de spoor- en tramwegen, waarop bij het in werking treden dezer wet de dienst wordt uitgeoefend.
Artikel 31
Ingeval van kruising van spoor- of tramwegen en van onderlinge nadering tot bij den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij artikel 2, te bepalen afstanden worden de kosten van de krachtens dien algemeenen maatregel te treffen voorzieningen omgeslagen over de ondernemers.
2 Bij gebreke van overeenstemming beslist Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 41
Overtreding van de bij artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
2 De beambten en bedienden van een spoor- of tramwegdienst zijn niet strafbaar, zoo hunne overtreding een gevolg is van den last, door de bestuurders van zoodanigen dienst gegeven.
3 Vervallen.
4 De krachtens het eerste lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.
Artikel 51
Met de opsporing van overtredingen van de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3 De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren.
4 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur.
5 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan een krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaar.
Artikel 6
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo den 1sten November 1924 WILHELMINA.
De Minister van Waterstaat, G. J. VAN SWAAY. den zeventienden November 1924.
De Minister van Justitie, HEEMSKERK.