In het kort
Dit Koninklijk Besluit van 11 juni 1926 regelt de toekenning van een vergoeding aan leden van commissies wanneer zij in hun woonplaats vergaderen. Het gaat om een vergoeding van maaltijdkosten bij vergaderdagen met korte pauzen.
Belangrijkste punten
- **Kring van rechthebbenden:** voorzitters, leden en secretarissen van commissies die zijn ingesteld bij wet, Koninklijk besluit of ministeriële beschikking, hun plaatsvervangers, en aan een commissie toegevoegde deskundigen.
- **Voorwaarde van uitsluiting:** de regeling geldt alleen voor wie niet in het genot is gesteld van vacatiegeld of van een vaste beloning als bedoeld in het Koninklijk besluit van 29 december 1921 (Stb. no. 1452), gewijzigd bij besluit van 13 november 1922 (Stb. no. 597), en die evenmin aanspraak kan maken op vergoeding wegens verblijfkosten ingevolge het Reisbesluit 1916.
- **Voorwaarde van korte pauze:** vergoeding is mogelijk indien de pauze tussen een ochtend- en een middagvergadering, of tussen een middag- en een avondvergadering van dezelfde dag, ter wille van het dienstbelang zo kort is gesteld dat betrokkene de maaltijden niet thuis kan gebruiken.
- **Maximumbedragen:** de werkelijk gemaakte kosten wegens koffiedrinken respectievelijk middagmaal kunnen aan het Rijk in rekening worden gebracht tot een maximum van € 1,13 respectievelijk € 1,82 per keer.
- **Geen bewijsstukken (tweede lid):** tot staving van de werkelijk gedane uitgaven behoeven bij de in te dienen declaraties geen bewijsstukken te worden overgelegd.
Voor wie geldt dit
Voor voorzitters, leden, secretarissen, plaatsvervangers en toegevoegde deskundigen van bij wet, Koninklijk besluit of ministeriële beschikking ingestelde commissies, die in hun woonplaats vergaderen en geen vacatiegeld, vaste beloning of verblijfkostenvergoeding ontvangen. De Ministers zijn ieder voor zover het hen betreft met de uitvoering belast.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.