← Nederland

Burgerlijk Wetboek Boek 4

Samenvatting

Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek regelt het erfrecht. Het behandelt de erfopvolging bij versterf, de positie van de langstlevende echtgenoot, uiterste wilsbeschikkingen (testamenten), de legitieme portie en de gevolgen van de erfopvolging. De artikelen lopen van 1 tot 233.

Wat het regelt

Voor wie geldt dit

Kernpunten

📄 Wettekst

Wetboek Boek 4 - BWBR0002761 Er is een groot aantal regelingen gewijzigd. Mogelijk zijn deze wijzigingen nog niet doorgevoerd in de geconsolideerde tekst en ziet u nog een oude versie. Raadpleeg bij t

wijfel de bekendmaking. Direct naar content Menu U bent nu hier: Wettenbank Primaire navigatie Andere sites binnen Overheid.nl Eenvoudig zoeken Uitgebreid zoeken Toekomstige regelgeving zoeken Zoeken in EU-richtlijnen Andere sites binnen Overheid.nl Berichten over uw Buurt Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving Rondom uw woonadres Rondom een zelfgekozen adres Dienstverlening Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies. Naar dienstverlening Beleid & regelgeving Officiële publicaties van de overheid. Naar beleid & regelgeving Contactgegevens overheden Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties. Naar overheidsorganisaties U bent hier: Zoeken Zoekresultaten Regeling Zoek opnieuw Burgerlijk Wetboek Boek 4 Geraadpleegd op 10-07-

  1. Geldend van 01-07-2025 t/m heden. Alles openklappen Alles dichtklappen Inhoudsopgave Boek 4 Erfrecht (Artikelen 1-233) Titel 1 Algemene bepalingen (Artikelen 1-8) Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Titel 2 Erfopvolging bij versterf (Artikelen 9-12) Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Titel 3 Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen alsmede andere wettelijke rechten (Artikelen 13-41) Afdeling 1 Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen (Artikelen 13-27) Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20 Artikel 21 Artikel 22 Artikel 23 Artikel 24 Artikel 25 Artikel 26 Artikel 27 Afdeling 2 Andere wettelijke rechten (Artikelen 28-41) Artikel 28 Artikel 29 Artikel 30 Artikel 31 Artikel 32 Artikel 33 Artikel 34 Artikel 35 Artikel 36 Artikel 37 Artikel 38 Artikel 39 Artikel 40 Artikel 41 Titel 4 Uiterste willen (Artikelen 42-114) Afdeling 1 Uiterste wilsbeschikkingen in het algemeen (Artikelen 42-54) Artikel 42 Artikel 43 Artikel 44 Artikel 45 Artikel 46 Artikel 47 Artikel 48 Artikel 49 Artikel 50 Artikel 51 Artikel 52 Artikel 53 Artikel 54 Afdeling 2 Wie uiterste wilsbeschikkingen kunnen maken en wie daaruit voordeel kunnen genieten (Artikelen 55-62) Artikel 55 Artikel 56 Artikel 57 Artikel 58 Artikel 59 Artikel 60 Artikel 61 Artikel 62 Afdeling 3 Legitieme portie (Artikelen 63-92) Paragraaf 1 Algemene bepalingen (Artikelen 63-64) Artikel 63 Artikel 64 Paragraaf 2 De omvang van de legitieme portie (Artikelen 65-78) Artikel 65 Artikel 66 Artikel 67 Artikel 68 Artikel 69 Artikel 70 Artikel 71 Artikel 72 Artikel 73 Artikel 74 Artikel 75 Artikel 76 Artikel 77 Artikel 78 Paragraaf 3 Het geldend maken van de legitieme portie (Artikelen 79-92) Artikel 79 Artikel 80 Artikel 81 Artikel 82 Artikel 83 Artikel 84 Artikel 85 Artikel 86 Artikel 87 Artikel 88 Artikel 89 Artikel 90 Artikel 91 Artikel 92 Afdeling 4 Vorm van uiterste willen (Artikelen 93-110) Artikel 93 Artikel 94 Artikel 95 Artikel 96 Artikel 97 Artikel 98 Artikel 99 Artikel 100 Artikel 101 Artikel 102 Artikel 103 Artikel 104 Artikel 105 Artikel 106 Artikel 107 Artikel 108 Artikel 109 Artikel 110 Afdeling 5 Herroeping van uiterste wilsbeschikkingen (Artikelen 111-114) Artikel 111 Artikel 112 Artikel 113 Artikel 114 Titel 5 Onderscheiden soorten van uiterste wilsbeschikkingen (Artikelen 115-181) Afdeling 1 Erfstellingen (Artikelen 115-116) Artikel 115 Artikel 116 Afdeling 2 Legaten (Artikelen 117-129) Paragraaf 1 Algemene bepalingen (Artikelen 117-125) Artikel 117 Artikel 118 Artikel 119 Artikel 120 Artikel 121 Artikel 122 Artikel 123 Artikel 124 Artikel 125 Paragraaf 2 Giften en andere handelingen die worden aangemerkt als legaten (Artikelen 126-129) Artikel 126 Artikel 127 Artikel 128 Artikel 129 Afdeling 3 Testamentaire lasten (Artikelen 130-134) Artikel 130 Artikel 131 Artikel 132 Artikel 133 Artikel 134 Afdeling 4 Stichtingen (Artikel 135) Artikel 135 Afdeling 5 Makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde (Artikelen 136-141) Artikel 136 Artikel 137 Artikel 138 Artikel 139 Artikel 140 Artikel 141 Afdeling 6 Executeurs (Artikelen 142-152) Artikel 142 Artikel 143 Artikel 144 Artikel 145 Artikel 146 Artikel 147 Artikel 148 Artikel 149 Artikel 150 Artikel 151 Artikel 152 Afdeling 7 Testamentair bewind (Artikelen 153-181) Paragraaf 1 Algemene bepalingen (Artikelen 153-156) Artikel 153 Artikel 154 Artikel 155 Artikel 156 Paragraaf 2 De bewindvoerder (Artikelen 157-165) Artikel 157 Artikel 158 Artikel 159 Artikel 160 Artikel 161 Artikel 162 Artikel 163 Artikel 164 Artikel 165 Paragraaf 3 De gevolgen van het bewind (Artikelen 166-176) Artikel 166 Artikel 167 Artikel 168 Artikel 169 Artikel 170 Artikel 171 Artikel 172 Artikel 173 Artikel 174 Artikel 175 Artikel 176 Paragraaf 4 Einde van het bewind (Artikelen 177-181) Artikel 177 Artikel 178 Artikel 179 Artikel 180 Artikel 181 Titel 6 Gevolgen van de erfopvolging (Artikelen 182-233) Afdeling 1 Algemene bepalingen (Artikelen 182-189) Artikel 182 Artikel 183 Artikel 184 Artikel 185 Artikel 186 Artikel 187 Artikel 188 Artikel 188a Artikel 189 Afdeling 2 Aanvaarding en verwerping van nalatenschappen en van legaten (Artikelen 190-201) Artikel 190 Artikel 191 Artikel 192 Artikel 193 Artikel 194 Artikel 194a Artikel 195 Artikel 196 Artikel 197 Artikel 198 Artikel 199 Artikel 200 Artikel 201 Afdeling 3 Vereffening van de nalatenschap (Artikelen 202-226) Artikel 202 Artikel 203 Artikel 204 Artikel 205 Artikel 206 Artikel 207 Artikel 208 Artikel 209 Artikel 210 Artikel 211 Artikel 212 Artikel 213 Artikel 214 Artikel 215 Artikel 216 Artikel 217 Artikel 218 Artikel 219 Artikel 220 Artikel 221 Artikel 222 Artikel 223 Artikel 224 Artikel 225 Artikel 226 Afdeling 4 Verdeling van de nalatenschap (Artikelen 227-233) Artikel 227 Artikel 228 Artikel 229 Artikel 230 Artikel 231 Artikel 232 Artikel 233 Burgerlijk Wetboek Boek 4 Geraadpleegd op 10-07-
  2. Geldend van 01-07-2025 t/m heden. Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie Vergelijk met andere versie tekst regeling Druk de regeling af Sla de regeling op Origineel opschrift en aanhef Burgerlijk Wetboek Boek 4, Erfrecht Boek
  3. Erfrecht Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Titel
  4. Algemene bepalingen Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 1 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Erfopvolging heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking. 2 Van de erfopvolging bij versterf kan worden afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt. Artikel 2 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Wanneer de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn overleden en valt aan de ene persoon geen voordeel uit de nalatenschap van de andere ten deel. 2 Indien een belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij het bewijs van de volgorde van overlijden, kan de rechter hem een of meermalen uitstel verlenen, zulks voor zover redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van het uitstel kan worden geleverd. Artikel 3 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Van rechtswege zijn onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken: a. hij die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht hem om te brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen; b. hij die onherroepelijk veroordeeld is wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren, dan wel wegens poging tot, voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk misdrijf; c. hij van wie bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vastgesteld dat hij tegen de erflater lasterlijk een beschuldiging van een misdrijf heeft ingebracht, waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is gesteld; d. hij die de overledene door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken; e. hij die de uiterste wil van de overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalst. 2 Rechten door derden te goeder trouw verkregen voordat de onwaardigheid is vastgesteld worden geëerbiedigd. In geval echter de goederen om niet zijn verkregen, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen. 3 Een onwaardigheid vervalt, wanneer de erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft vergeven. Artikel 4 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een voor het openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling is nietig, voor zover zij de strekking heeft een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen, welke hem krachtens dit Boek met betrekking tot die nalatenschap toekomen. 2 Overeenkomsten strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan, zijn nietig. Artikel 5 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Op verzoek van de schuldenaar kan de rechtbank wegens gewichtige redenen bepalen dat een geldsom die krachtens dit Boek of, in verband met de verdeling van de nalatenschap, krachtens titel 7 van Boek 3 is verschuldigd, al dan niet vermeerderd met een in de beschikking te bepalen rente, eerst na verloop van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij let de rechtbank op de belangen van beide partijen; aan een inwilliging kan de voorwaarde worden verbonden dat binnen een bepaalde tijd een door de rechtbank goedgekeurde zakelijke of persoonlijke zekerheid voor de voldoening van hoofdsom en rente wordt gesteld. 2 Een in het vorige lid bedoelde beschikking kan op verzoek van een der partijen, gegrond op ten tijde van die beschikking niet voorziene omstandigheden, door de in het vorige lid genoemde rechtbank worden gewijzigd. Artikel 6 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op In dit Boek wordt onder de waarde van de goederen der nalatenschap verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater, waarbij geen rekening wordt gehouden met het vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel 3 kan komen te rusten. Artikel 7 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Schulden van de nalatenschap zijn: a. de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i; b. de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene; c. de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar; d. de kosten van executele, met inbegrip van het loon van de executeur; e. de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten; f. de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 2 van titel 3 ; g. de schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens artikel 80 aanspraak wordt gemaakt; h. de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten; i. de schulden uit giften en andere handelingen die ingevolge artikel 126 worden aangemerkt als legaten. 2 Bij de voldoening van de schulden ten laste van de nalatenschap worden achtereenvolgens met voorrang voldaan: 1°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met e; 2°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder f; 3°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder g. Ontbreken schulden als bedoeld in lid 1 onder f, dan worden eerst de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met c, en vervolgens de schulden, bedoeld in lid 1 onder d, e en g, met voorrang voldaan. 3 In de nalatenschap van de langstlevende ouder, bedoeld in artikel 20 , en de stiefouder, bedoeld in artikel 22 , wordt een verplichting tot overdracht van goederen als bedoeld in die artikelen met een schuld als bedoeld in lid 1 onder a gelijkgesteld. Artikel 8 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 In dit Boek worden met echtgenoten gelijkgesteld geregistreerde partners. 2 Voor de toepassing van lid 1 is mede begrepen onder: a. huwelijk: geregistreerd partnerschap; b. gehuwd: als partner geregistreerd; c. huwelijksgemeenschap: gemeenschap van een geregistreerd partnerschap; d. trouwbeloften: beloften tot het aangaan van een geregistreerd partnerschap; e. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap op de wijze als bedoeld in artikel 80c onder c of d van Boek 1 . 3 Onder stiefkind van de erflater wordt in dit Boek verstaan een kind van de echtgenoot of geregistreerde partner van de erflater, van welk kind de erflater niet zelf ouder is. Zodanig kind blijft stiefkind, indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap is geëindigd. Titel
  5. Erfopvolging bij versterf Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 9 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Ten einde als erfgenaam bij versterf te kunnen optreden, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Artikel 10 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De wet roept tot een nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens: a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater tezamen met diens kinderen; b. de ouders van de erflater tezamen met diens broers en zusters; c. de grootouders van de erflater; d. de overgrootouders van de erflater. 2 De afstammelingen van een kind, broer, zuster, grootouder of overgrootouder worden bij plaatsvervulling geroepen. 3 Alleen zij die tot de erflater in familierechtelijke betrekking stonden, worden tot de in de vorige leden genoemde bloedverwanten gerekend. Artikel 11 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Degenen die tezamen uit eigen hoofde tot een nalatenschap worden geroepen, erven voor gelijke delen. 2 In afwijking van lid 1 is het erfdeel van een halfbroer of halfzuster de helft van het erfdeel van een volle broer, een volle zuster of een ouder. 3 Wanneer het erfdeel van een ouder door toepassing van de leden 1 en 2 minder zou bedragen dan een kwart, wordt het verhoogd tot een kwart en worden de erfdelen van de overige erfgenamen naar evenredigheid verminderd. Artikel 12 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Plaatsvervulling geschiedt met betrekking tot personen die op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan, die onwaardig zijn, onterfd zijn of verwerpen of wier erfrecht is vervallen. 2 Zij die bij plaatsvervulling erven, worden staaksgewijze geroepen tot het erfdeel van degene wiens plaats zij vervullen. 3 Degenen die de erflater verder dan de zesde graad bestaan, erven niet. Titel
  6. Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen alsmede andere wettelijke rechten Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Afdeling
  7. Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 13 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De nalatenschap van de erflater die een echtgenoot en een of meer kinderen als erfgenamen achterlaat, wordt, tenzij de erflater bij uiterste wilsbeschikking heeft bepaald dat deze afdeling geheel buiten toepassing blijft, overeenkomstig de volgende leden verdeeld. 2 De echtgenoot verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap. De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor zijn rekening. Onder schulden van de nalatenschap zijn hier tevens begrepen de ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan testamentaire lasten. 3 Ieder van de kinderen verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een geldvordering ten laste van de echtgenoot, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel. Deze vordering is opeisbaar: a. indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard; b. wanneer de echtgenoot is overleden. De vordering is ook opeisbaar in door de erflater bij uiterste wilsbeschikking genoemde gevallen. 4 De in lid 3 bedoelde geldsom wordt, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald, vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen, bij welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen. 5 Is de vordering, bedoeld in lid 3, opeisbaar geworden doordat ten aanzien van de echtgenoot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan is de vordering, voor zover zij onvoldaan is gebleven, door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet wederom niet opeisbaar. Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing. 6 In deze titel wordt onder echtgenoot niet begrepen een van tafel en bed gescheiden echtgenoot. Artikel 14 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Indien de nalatenschap overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, is de echtgenoot van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht tot voldoening van de schulden der nalatenschap. In de onderlinge verhouding van de echtgenoot en de kinderen komen de schulden der nalatenschap voor rekening van de echtgenoot. 2 Voor schulden van de nalatenschap, alsmede voor schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren, neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de goederen die krachtens artikel 13 lid 2 aan de echtgenoot toebehoren, rang voor degenen die verhaal nemen voor andere schulden van de echtgenoot. 3 Voor schulden van de nalatenschap kunnen de goederen van een kind niet worden uitgewonnen, met uitzondering van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering. Uitwinning van die goederen is wel mogelijk voor zover de geldvordering van het kind is verminderd door betaling of door overdracht van goederen, tenzij het kind goederen van de echtgenoot aanwijst die voldoende verhaal bieden. 4 De uit lid 1, tweede zin, voortvloeiende draagplicht van de echtgenoot geldt mede wanneer de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen, onverminderd artikel 184 lid 2 . Artikel 15 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Voor zover de erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld. De artikelen 677 tot en met 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. 2 Indien bij de vaststelling van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering: a. omtrent de waarde van de goederen en de schulden van de nalatenschap is gedwaald en daardoor een erfgenaam voor meer dan een vierde is benadeeld, b. het saldo van de nalatenschap anderszins onjuist is berekend, dan wel c. de geldvordering niet is berekend overeenkomstig het deel waarop het kind aanspraak kon maken, wordt de vaststelling op verzoek van een kind of de echtgenoot dienovereenkomstig door de kantonrechter gewijzigd. Op de vaststelling is hetgeen omtrent verdeling is bepaald in de artikelen 196 leden 2, 3 en 4 , 199 en 200 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing. 3 Bij de vaststelling van de geldvordering zijn de artikelen 229 tot en met 233 van overeenkomstige toepassing. 4 De artikelen 187 en 188 van Boek 3 zijn op de vaststelling van overeenkomstige toepassing. Artikel 16 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De echtgenoot en ieder kind kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen en de schulden van de nalatenschap. 2 Heeft de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan levert zijn wettelijk vertegenwoordiger binnen een jaar na het overlijden van de erflater een ter bevestiging van haar deugdelijkheid door hem ondertekende boedelbeschrijving in ter griffie van de rechtbank van de woonplaats van de echtgenoot onderscheidenlijk het kind. De kantonrechter kan bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële akte dient te geschieden. 3 Op de boedelbeschrijving en de waardering zijn de artikelen 673 tot en met 676 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De echtgenoot en ieder kind zijn voor de toepassing van de in de vorige volzin genoemde bepalingen partij bij de boedelbeschrijving. 4 De echtgenoot en ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door hen desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden. Artikel 17 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De echtgenoot kan, behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3, de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering en de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een betaling wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de hoofdsom, vervolgens op de verhoging, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald. 2 Indien een kind een bevoegdheid toekomt tot het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 19 , 20 , 21 of 22 , gaan de echtgenoot of diens erfgenamen niet over tot voldoening dan na te hebben gehandeld overeenkomstig artikel 25 lid 3 . 3 Is het in lid 2 bedoelde kind minderjarig, of meerderjarig doch heeft dit niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan behoeft de voldoening de goedkeuring van de kantonrechter. Deze beslist naar de maatstaf van artikel 26 lid 1 . Artikel 18 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De echtgenoot kan binnen drie maanden vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen, door middel van een verklaring bij notariële akte, binnen die termijn gevolgd door inschrijving in het boedelregister, de verdeling overeenkomstig artikel 13 ongedaan maken. In naam van de echtgenoot kan de verklaring slechts krachtens uitdrukkelijke voor dit doel afgegeven schriftelijke volmacht worden afgelegd. 2 De verklaring werkt terug tot het tijdstip van het openvallen der nalatenschap. Voor het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn verkregen rechten van derden, mede-erfgenamen daaronder begrepen, worden geëerbiedigd. Indien de echtgenoot voor het afleggen van de verklaring op de voet van artikel 13 lid 2 betalingen heeft gedaan, worden deze tussen de echtgenoot en de kinderen verrekend. 3 De omstandigheid dat de echtgenoot onder curatele staat of dat de goederen die deze uit de nalatenschap van de erflater verkrijgt onder een bewind vallen, staat aan uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid niet in de weg. De bevoegdheid wordt alsdan uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor de curatele onderscheidenlijk het desbetreffende bewind gelden. Is de echtgenoot in staat van faillissement verklaard, is ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de curator, door de bewindvoerder, onderscheidenlijk door de echtgenoot met medewerking van de bewindvoerder. 4 Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is toegepast, loopt de in lid 1 genoemde termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1 , in kracht van gewijsde is gegaan. Artikel 19 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft verkregen, en die ouder aangifte heeft gedaan van zijn voornemen opnieuw een huwelijk te willen aangaan, is deze verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt, tenzij de ouder daarvan afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen. Artikel 20 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft verkregen en de langstlevende ouder bij diens overlijden gehuwd was, is de stiefouder verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. Wordt de nalatenschap van de langstlevende ouder niet overeenkomstig artikel 13 verdeeld, dan rust de in de vorige zin bedoelde verplichting op de erfgenamen van de langstlevende ouder. Artikel 21 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder heeft verkregen, is de stiefouder verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt, tenzij de stiefouder daarvan afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen. Artikel 22 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder heeft verkregen, en de stiefouder is overleden, zijn diens erfgenamen verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. Artikel 23 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Op het in de artikelen 19 en 21 bedoelde vruchtgebruik zijn de bepalingen van titel 8 van Boek 3 van toepassing, met dien verstande dat: a. de echtgenoot is vrijgesteld van de jaarlijkse opgave als bedoeld in artikel 205 lid 4 , alsmede van het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 206 lid 1 , en artikel 206 lid 2 niet van toepassing is; b. een machtiging als bedoeld in artikel 212 lid 3 ook gegeven kan worden voor zover de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot of de nakoming van zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 13 lid 2 dit nodig maakt. 2 De kantonrechter kan op de in lid 1 onder b bedoelde grond, op verzoek van de echtgenoot aan deze de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering als bedoeld in artikel 215 van Boek 3 toekennen. De hoofdgerechtigde wordt in het geding geroepen. Bij de beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen. 3 In afwijking van de eerste zin van artikel 213 lid 1 van Boek 3 en van artikel 215 lid 1 van Boek 3 verkrijgt de hoofdgerechtigde, tenzij hij met de echtgenoot anders overeenkomt, op het tijdstip van vervreemding een vordering op de echtgenoot ter grootte van de waarde die het goed op dat tijdstip had. Op de vordering zijn de leden 3 en 4 van artikel 13 en lid 1 van artikel 15 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 13 lid 4 bedoelde vermeerdering wordt berekend vanaf het tijdstip van het ontstaan van de vordering. 4 Bij de vestiging van het vruchtgebruik of daarna kunnen nadere regelingen worden getroffen door de echtgenoot en de hoofdgerechtigde, dan wel door de kantonrechter op verzoek van een van hen. 5 De echtgenoot is niet bevoegd het vruchtgebruik over te dragen of te bezwaren. 6 Het vruchtgebruik kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden van de nalatenschap of schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren. In geval van zodanige uitwinning is artikel 282 van Boek 3 niet van toepassing. Artikel 24 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De in de artikelen 19 , 20 , 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht betreft goederen die deel hebben uitgemaakt van de nalatenschap van de erflater of van de door diens overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap. In afwijking van de eerste zin heeft de in de artikelen 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht geen betrekking op goederen die van de zijde van de stiefouder in de huwelijksgemeenschap met de erflater zijn gevallen. 2 De in de artikelen 19 , 20 , 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht betreft mede goederen die in de plaats zijn gekomen voor goederen als bedoeld in lid 1, eerste zin. Indien een goed is verkregen met middelen die voor minder dan de helft afkomstig zijn uit de in lid 1 bedoelde nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap, valt het niet onder de in de eerste zin bedoelde verplichting. Is een goed mede met middelen uit een lening verkregen, dan blijven deze middelen voor de toepassing van de tweede zin buiten beschouwing. 3 Een goed dat behoort tot het vermogen van degene die tot overdracht is verplicht of tot de huwelijksgemeenschap waarin deze is gehuwd, wordt vermoed deel te hebben uitgemaakt van de in lid 1, eerste zin, bedoelde nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap of voor zodanig goed in de plaats te zijn gekomen. Artikel 25 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De waarde van de over te dragen goederen, vast te stellen naar het tijdstip van de overdracht, wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de aan het kind verschuldigde hoofdsom en vervolgens op de verhoging, tenzij door de erflater of bij de overdracht anders is bepaald. Voor de toepassing van de artikelen 19 en 21 wordt de waarde van de goederen vastgesteld zonder daarbij het vruchtgebruik in aanmerking te nemen. 2 Een kind dat voornemens is een in de artikelen 19 , 20 , 21 en 22 bedoeld verzoek te doen, is gehouden de andere kinderen die een dergelijk verzoek kunnen doen, op een zodanig tijdstip van zijn voornemen in kennis te stellen dat zij tijdig kunnen beslissen eveneens een verzoek te doen. 3 Degene die tot overdracht van goederen verplicht kan worden, kan een kind een redelijke termijn stellen waarbinnen een verzoek als bedoeld in de artikelen 19 , 20 , 21 en 22 kan worden gedaan. Gaat hij daartoe over, dan stelt hij ook de andere kinderen die een zodanig verzoek kunnen doen, daarvan in kennis. 4 Bestaat tussen degene die tot overdracht van goederen verplicht is en het kind, of tussen twee of meer kinderen geen overeenstemming over de overdracht van een goed, dan beslist op verzoek van een hunner de kantonrechter, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen. 5 Voor zover een kind de in artikel 13 lid 3 bedoelde vordering aan een andere persoon overdraagt, gaat de in de artikelen 19 , 20 , 21 en 22 bedoelde bevoegdheid teniet. 6 Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 19 tot en met 22 , uitbreiden, beperken of opheffen. Artikel 26 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Indien een minderjarig kind een bevoegdheid heeft als in de artikelen 19 , 20 , 21 en 22 bedoeld, dient zijn wettelijke vertegenwoordiger binnen drie maanden na het verkrijgen van de bevoegdheid aan de kantonrechter schriftelijk zijn voornemen met betrekking tot de uitoefening van die bevoegdheid mede te delen. Heeft het kind geen wettelijke vertegenwoordiger, dan loopt deze termijn vanaf de dag van de benoeming. De kantonrechter verleent zijn goedkeuring aan het voornemen of onthoudt deze daaraan, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van het kind, de andere kinderen aan wie de bevoegdheid eveneens toekomt en van degene jegens wie de bevoegdheid bestaat. Hij kan aan de goedkeuring voorwaarden verbinden. Zo nodig neemt de kantonrechter een eigen beslissing. 2 Hetzelfde geldt indien het kind meerderjarig is doch het vrije beheer over zijn vermogen niet heeft. Staat de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering onder een bewind, dan wordt een in lid 1 bedoelde bevoegdheid uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor het desbetreffende bewind gelden. Is het kind in staat van faillissement verklaard, is ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan rust de verplichting op de curator, op de bewindvoerder, onderscheidenlijk op het kind met medewerking van de bewindvoerder. 3 Indien met goedkeuring van de kantonrechter is afgezien van het doen van een verzoek als genoemd in de artikelen 19 , 20 , 21 en 22 , kan zodanig verzoek nadien niet alsnog worden gedaan. Bij zijn goedkeuring kan de kantonrechter anders bepalen. Artikel 27 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater bepalen dat een stiefkind in een verdeling als bedoeld in artikel 13 als eigen kind wordt betrokken. In dat geval is deze afdeling van toepassing, behoudens voor zover de erflater anders heeft bepaald. De afstammelingen van het stiefkind worden bij plaatsvervulling geroepen. Afdeling
  8. Andere wettelijke rechten Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 28 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Indien de woning die de echtgenoot van de erflater bij diens overlijden bewoont, tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de erflater, anders dan krachtens huur, ten gebruike toekwam, is de echtgenoot jegens de erfgenamen bevoegd tot voortzetting van de bewoning gedurende een termijn van zes maanden onder gelijke voorwaarden als tevoren. De echtgenoot is op gelijke wijze en voor gelijke duur bevoegd tot voortzetting van het gebruik van de inboedel, voor zover die tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de erflater ten gebruike toekwam. 2 Jegens de erfgenamen en de echtgenoot van de erflater hebben degenen die tot diens overlijden met hem een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden, overeenkomstige bevoegdheden met betrekking tot het gebruik van de woning en de inboedel die tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren. Artikel 29 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Voor zover de echtgenoot van de erflater tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap van de erflater behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, zijn de erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op die woning en die inboedel ten behoeve van de echtgenoot, voor zover deze dit van hen verlangt. De eerste zin geldt niet voor zover de kantonrechter op een daartoe strekkend verzoek artikel 33 lid 2, onder a , heeft toegepast. 2 Zolang de echtgenoot een beroep op lid 1 toekomt, zijn de erfgenamen niet bevoegd tot beschikking over die goederen, noch tot verhuring of verpachting daarvan; gedurende dat tijdsbestek kunnen die goederen slechts worden uitgewonnen voor de in artikel 7 lid 1 onder a tot en met f genoemde schulden. 3 De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de legatarissen en de door een testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen die zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen. Artikel 30 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De erfgenamen zijn verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 29 ten behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor zover de echtgenoot daaraan, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging – daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende verplichtingen – behoefte heeft en die medewerking van hen verlangt. 2 Lid 1 is mede van toepassing met betrekking tot hetgeen moet worden geacht in de plaats te zijn gekomen van goederen van de nalatenschap. Voorts is lid 1 mede van toepassing op een geldvordering als bedoeld in artikel 13 lid 3 , indien de erflater bij uiterste wilsbeschikking de gronden voor opeisbaarheid heeft uitgebreid. Een vruchtgebruik op een geldvordering als bedoeld in de tweede zin eindigt in elk geval indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard. In het laatstbedoelde geval herleeft door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet het vruchtgebruik op de vordering, voorzover deze onvoldaan is gebleven. Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing. 3 De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de legatarissen en de door een testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen die zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen. Onder goederen als bedoeld in de eerste zin worden mede begrepen ingevolge een legaat of een testamentaire last verkregen geldsommen en beperkte rechten op goederen van de nalatenschap. 4 De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking goederen aanwijzen die vóór of na andere voor bezwaring met het vruchtgebruik in aanmerking komen. 5 Voor zover de erflater de in het vorige lid toegekende bevoegdheid niet heeft uitgeoefend, komen gelegateerde en krachtens een testamentaire last verkregen goederen slechts voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking, indien de overige goederen der nalatenschap tot verzorging van de echtgenoot onvoldoende zijn. Voor zover een making is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater, komt zij pas na de andere makingen voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking. 6 Voor zover de echtgenoot en degenen die hun medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik moeten verlenen, niet tot overeenstemming kunnen komen over de goederen waarop dit zal komen te rusten, gelast op verzoek van een hunner de kantonrechter de aanwijzing van die goederen of wijst hij deze zelf aan, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen. 7 Bij de bepaling van de behoefte aan verzorging wordt op hetgeen de echtgenoot toekomt, in mindering gebracht hetgeen hij krachtens erfrecht aan goederen uit de nalatenschap had kunnen verkrijgen met uitzondering van het vruchtgebruik dat hij ingevolge het vorige artikel had kunnen doen vestigen. Voorts komt daarop in mindering hetgeen hij had kunnen verkrijgen uit een sommenverzekering die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt. Artikel 31 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Op het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30 zijn de leden 1, 2, 4 en 5 van artikel 23 van overeenkomstige toepassing. Het vruchtgebruik kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met f . De uitwinning is echter niet toegelaten, indien de echtgenoot niet met vruchtgebruik belaste goederen der nalatenschap aanwijst die voldoende verhaal bieden. 2 De mogelijkheid om aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik vervalt, indien de echtgenoot niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk voor de toepassing van artikel 29 zes maanden en voor de toepassing van artikel 30 een jaar na het overlijden van de erflater heeft verklaard op de vestiging van het vruchtgebruik aanspraak te maken. 3 De rechtsvordering ingevolge de artikelen 29 en 30 verjaart door verloop van een jaar en drie maanden na het openvallen der nalatenschap. 4 Heeft de erflater bij uiterste wilsbeschikking aan zijn echtgenoot de bevoegdheid ontzegd om zich bij de overdracht van een goed ingevolge de artikelen 19 en 21 een vruchtgebruik voor te behouden, dan vervalt, in afwijking van lid 2, de mogelijkheid om ingevolge artikel 29 of 30 aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik op dat goed door verloop van drie maanden nadat op overdracht van het goed aanspraak is gemaakt. In dat geval verjaart de rechtsvordering tot vestiging van het vruchtgebruik door verloop van een jaar en drie maanden nadat op overdracht van het goed aanspraak is gemaakt. Artikel 32 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op De echtgenoot kan geen aanspraak maken op vestiging van het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30 , wanneer een procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed van de erflater en de echtgenoot meer dan een jaar voor het openvallen van de nalatenschap was aangevangen en de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed ten gevolge van het overlijden van de erflater niet meer tot stand heeft kunnen komen. De eerste zin blijft buiten toepassing indien de omstandigheid dat de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed niet meer tot stand heeft kunnen komen, niet in overwegende mate de echtgenoot kan worden aangerekend. Artikel 33 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De kantonrechter kan op verzoek van een hoofdgerechtigde, mits daardoor een zwaarwegend belang van deze wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de echtgenoot niet ernstig wordt geschaad: a. aan die hoofdgerechtigde een met vruchtgebruik belast goed uit de nalatenschap, al dan niet onder de last van het vruchtgebruik, toedelen; b. het vruchtgebruik van een of meer goederen beëindigen; c. aan het vruchtgebruik verbonden bevoegdheden van de echtgenoot beperken of hem deze ontzeggen; d. het vruchtgebruik in het belang van de hoofdgerechtigde onder bewind stellen. 2 De kantonrechter kan, onverminderd lid 1, voor zover de echtgenoot aan het vruchtgebruik, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging, daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende verplichtingen, geen behoefte heeft: a. op verzoek van een rechthebbende de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik opheffen, of b. op verzoek van een hoofdgerechtigde het vruchtgebruik beëindigen. 3 De andere rechthebbenden worden in het geding geroepen. Bij zijn beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen. 4 Een rechthebbende kan te allen tijde, ter afwering van een vordering of andere rechtsmaatregel, gericht op de nakoming van een verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik, een beroep in rechte doen op de in lid 2 genoemde grond voor opheffing van die verplichting. 5 De kantonrechter houdt bij de toepassing van lid 2 in ieder geval rekening met: a. de leeftijd van de echtgenoot; b. de samenstelling van de huishouding waartoe de echtgenoot behoort; c. de mogelijkheden van de echtgenoot om zelf in de verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen; d. hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan worden beschouwd. Artikel 34 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Voor zover de nalatenschap niet toereikend is tot voldoening van hetgeen de echtgenoot ingevolge de artikelen 29 en 30 toekomt, kan hij overgaan tot inkorting van de daarvoor vatbare giften, met overeenkomstige toepassing van artikel 89, leden 2 en 3 , en artikel 90, leden 1 en 3 . De artikelen 66 , 68 en 69 zijn van overeenkomstige toepassing. Verkrijgt de echtgenoot ook door deze inkorting niet hetgeen hem toekomt, dan kan hij zich verhalen op hetgeen een legitimaris door inkorting heeft verkregen. 2 De echtgenoot verkrijgt door uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in lid 1, het vruchtgebruik van de geldsom waarvoor de inkorting is geschied of waarvoor hij verhaal heeft genomen. Op het vruchtgebruik zijn de leden 1, 2, 4 en 5 van artikel 23 van overeenkomstige toepassing. 3 Zo nodig kan het vruchtgebruik van de echtgenoot zich uitstrekken over alle goederen der nalatenschap en alle geldsommen waarvoor de in lid 1 bedoelde giften kunnen worden ingekort. 4 Geschillen over de toepassing van het onderhavige artikel en de artikelen 35 tot en met 37 worden op verzoek van de meest gerede partij beslist door de kantonrechter. Artikel 35 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een kind van de erflater, een kind als bedoeld in artikel 394 van Boek 1 daaronder begrepen, kan aanspraak maken op een som ineens, voor zover deze nodig is voor: a. zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van achttien jaren; en voorts voor: b. zijn levensonderhoud en studie tot het bereiken van de leeftijd van een en twintig jaren. 2 De som ter zake van de verzorging en opvoeding komt het kind niet toe, voor zover de echtgenoot of een erfgenaam van de erflater krachtens wet of overeenkomst is gehouden om in de kosten daarvan te voorzien. De som ter zake van levensonderhoud en studie komt het kind niet toe, voor zover de echtgenoot van de erflater krachtens artikel 395a van Boek 1 verplicht is om in de kosten daarvan te voorzien. 3 Op de som ineens komt in mindering hetgeen de rechthebbende had kunnen verkrijgen krachtens erfrecht of krachtens een sommenverzekering die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt. Artikel 36 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een kind, stiefkind, pleegkind, behuwdkind of kleinkind van de erflater dat in diens huishouding of in het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf gedurende zijn meerderjarigheid arbeid heeft verricht zonder een voor die arbeid passende beloning te ontvangen, kan aanspraak maken op een som ineens, strekkend tot een billijke vergoeding. 2 Op de som komt in mindering hetgeen de rechthebbende van de erflater heeft ontvangen of krachtens making of sommenverzekering op het leven van de erflater verkrijgt of had kunnen verkrijgen, voor zover dat als een beloning voor zijn werkzaamheden kan worden beschouwd. Artikel 37 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Degene die krachtens de artikelen 35 en 36 aanspraak maakt op een som ineens, heeft een vordering op de gezamenlijke erfgenamen. De mogelijkheid om aanspraak te maken op een som ineens vervalt, indien de rechthebbende niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk negen maanden na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij de som ineens wenst te ontvangen. 2 De vordering is niet opeisbaar totdat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater. 3 De rechtsvordering verjaart door verloop van een jaar na het overlijden van de erflater. Indien die erflater een echtgenoot achterlaat, wordt voor degene die krachtens artikel 36 aanspraak op een som ineens heeft gemaakt, deze termijn verlengd tot een jaar na het overlijden van die echtgenoot. 4 De sommen ineens bedragen gezamenlijk ten hoogste de helft van de waarde der nalatenschap; voor zoveel nodig ondergaan zij elk een evenredige vermindering. Onder de waarde der nalatenschap wordt in dit artikel verstaan de waarde van de goederen der nalatenschap, verminderd met de in artikel 7 lid 1 onder a tot en met e vermelde schulden. 5 De voldoening van de sommen ineens komt ten laste van het gedeelte der nalatenschap waarover niet bij uiterste wilsbeschikking is beschikt, en vervolgens, zo dit onvoldoende is, van de makingen; artikel 87 lid 2, tweede zin , is op een inkorting van overeenkomstige toepassing. Artikel 38 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Op verzoek van een kind of stiefkind van de erflater kan de kantonrechter, mits daardoor een zwaarwegend belang van het kind of stiefkind wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de rechthebbende niet ernstig wordt geschaad, de rechthebbende verplichten tot overdracht tegen een redelijke prijs aan het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot, van de tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen die dienstbaar waren aan een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf dat door het kind of stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt voortgezet. Bij zijn beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen. 2 Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van aandelen in een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen hield, indien het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot ten tijde van het overlijden bestuurder van die vennootschap is of nadien die positie van de erflater voortzet. 3 Het vorige lid is slechts van toepassing voor zover de statutaire regels omtrent overdracht van aandelen zich daartegen niet verzetten. 4 Het recht om een verzoek als bedoeld in de leden 1 en 2 te doen, vervalt na verloop van een jaar na het overlijden van de erflater. 5 De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de echtgenoot van de erflater een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf voortzet, ook indien de echtgenoot ingevolge deze afdeling het vruchtgebruik van de desbetreffende goederen heeft of kan verkrijgen. Artikel 39 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Degene aan wie een in de artikelen 29 tot en met 33 , 35 , 36 en 38 bedoeld recht toekomt en niet erfgenaam is, heeft dezelfde bevoegdheden als in artikel 78 aan een legitimaris worden toegekend. Artikel 40 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid 1 van artikel 28 , de leden 2 en 3 van artikel 31 , de tweede zin van het eerste lid, de eerste zin van het tweede lid en de eerste zin van het derde lid van artikel 37 , alsmede het vierde lid van artikel 38 vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1 , in kracht van gewijsde is gegaan. Artikel 41 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Bij uiterste wilsbeschikking kan van het in deze afdeling bepaalde niet worden afgeweken. Titel
  9. Uiterste willen Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Afdeling
  10. Uiterste wilsbeschikkingen in het algemeen Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 42 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt. 2 De erflater kan een uiterste wilsbeschikking steeds eenzijdig herroepen. 3 Een uiterste wilsbeschikking kan alleen bij uiterste wil en slechts door de erflater persoonlijk worden gemaakt en herroepen. Artikel 43 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een uiterste wilsbeschikking is niet vatbaar voor vernietiging op de grond dat zij door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen. 2 Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden, is slechts dan vernietigbaar, wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid dier veronderstelling had kennis gedragen. 3 Een uiterste wilsbeschikking kan niet op grond van bedreiging, bedrog of een onjuiste beweegreden worden vernietigd, wanneer de erflater haar heeft bevestigd nadat de invloed van de bedreiging heeft opgehouden te werken of het bedrog of de onjuistheid van de beweegreden is ontdekt. Artikel 44 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een uiterste wilsbeschikking waarvan de inhoud in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig. 2 Eveneens is een uiterste wilsbeschikking nietig, wanneer voor deze een in de uiterste wil vermelde beweegreden die in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, beslissend is geweest. Artikel 45 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een voorwaarde of een last die onmogelijk te vervullen is, of die in strijd is met de goede zeden, de openbare orde of een dwingende wetsbepaling, wordt voor niet geschreven gehouden. De beschikking waaraan de voorwaarde of de last is toegevoegd, is nietig, indien deze de beslissende beweegreden tot die beschikking is geweest. 2 Een voorwaarde of last die de strekking heeft de bevoegdheid tot vervreemding of bezwaring van goederen uit te sluiten, wordt voor niet geschreven gehouden. Artikel 46 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. 2 Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. 3 Wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, wordt de beschikking naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld. Artikel 47 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Wanneer de uitvoering van een beschikking, anders dan als gevolg van een na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheid, blijvend onmogelijk is, vervalt de beschikking, zonder dat een andere beschikking daarvoor in de plaats mag worden gesteld, tenzij de wet het tegendeel bepaalt, of uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater die andere beschikking zou hebben gemaakt, wanneer hem de onmogelijkheid bekend was geweest. Artikel 48 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Wanneer in eenzelfde uiterste wil twee of meer personen tot hetzelfde, al of niet voor bepaalde delen, zijn geroepen en de beschikking ten opzichte van een geroepene geen gevolg heeft, vindt ten behoeve van de overigen aanwas naar evenredigheid van de hun toekomende delen plaats, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden. Artikel 49 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een ten laste van een erfgenaam gemaakt legaat van een bepaald goed, of van een op een bepaald goed te vestigen recht, vervalt indien het goed bij het openvallen van de nalatenschap daartoe niet behoort, tenzij uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater de beschikking niettemin heeft gewild. 2 Kan in laatstgenoemd geval degene op wie de verplichting rust, zich het gelegateerde goed niet of slechts ten koste van een onevenredig grote opoffering verschaffen, dan is hij gehouden de waarde van het goed uit te keren. 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een goed geacht niet tot de nalatenschap te behoren, indien de erflater tot overdracht van het goed verplicht was en deze verbintenis niet met zijn dood is tenietgegaan. Artikel 50 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Tenzij de erflater anders heeft beschikt, wordt een gelegateerd goed geleverd in de staat waarin het zich op het ogenblik van overlijden van de erflater bevindt. 2 Mitsdien is een erfgenaam niet verplicht het vermaakte goed te bevrijden van enig beperkt recht dat daarop is gevestigd. 3 Is een vordering van de erflater op een erfgenaam, een beperkt recht van de erflater op een goed van een erfgenaam, of een goed van de erflater waarop een beperkt recht van een erfgenaam is gevestigd gelegateerd, dan vindt geen vermenging plaats, tenzij het legaat wordt verworpen. Artikel 51 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Wanneer een echtgenoot ten laste van zijn gezamenlijke erfgenamen een bepaald goed uit de huwelijksgemeenschap heeft vermaakt, kan de legataris levering van het gehele goed van hen vorderen, doch zij kunnen, voor zover het goed bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan de andere echtgenoot of diens erfgenamen wordt toebedeeld, volstaan met uitkering van de waarde van het goed. Deze bevoegdheid komt ook toe aan de andere echtgenoot die enig erfgenaam is, en diens erfgenamen. 2 Het vorige lid is alleen van toepassing indien de huwelijksgemeenschap op het ogenblik dat de beschikking werd gemaakt, nog niet ontbonden was. Artikel 52 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Een beschikking, getroffen ten voordele van degene met wie de erflater op het tijdstip van het maken van de uiterste wil gehuwd was of reeds trouwbeloften gewisseld had, vervalt door een daarna ingetreden echtscheiding of scheiding van tafel en bed, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden. Artikel 53 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Een uiterste wilsbeschikking ten voordele van de naaste bloedverwanten of het naaste bloed van de erflater, zonder nadere aanduiding, wordt vermoed gemaakt te zijn ten voordele van de door de wet geroepen bloedverwanten van de erflater naar evenredigheid van ieders aandeel bij versterf. Artikel 54 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Rechtsvorderingen tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking verjaren een jaar nadat de dood van de erflater alsmede de uiterste wilsbeschikking en de vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van hem die een beroep op deze grond kan doen, dan wel van zijn rechtsvoorganger. 2 De bevoegdheid om ter vernietiging van een uiterste wilsbeschikking een beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt buiten het geval bedoeld in artikel 51 lid 3 van Boek 3 uiterlijk drie jaren nadat de dood van de erflater en de uiterste wilsbeschikking ter kennis zijn gekomen van degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, dan wel van zijn rechtsvoorganger. Afdeling
  11. Wie uiterste wilsbeschikkingen kunnen maken en wie daaruit voordeel kunnen genieten Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 55 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Behalve zij die handelingsbekwaam zijn, kunnen ook minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt, en zij die op een andere grond dan wegens hun lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele zijn gesteld, uiterste wilsbeschikkingen maken. 2 Hij die wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele staat, kan slechts met toestemming van de kantonrechter uiterste wilsbeschikkingen maken. De kantonrechter kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. 3 De bekwaamheid van de erflater wordt beoordeeld naar de staat, waarin hij zich bevond op het ogenblik dat de beschikking werd gemaakt. Artikel 56 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Om aan een making een recht te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Rechten uit een making ten voordele van een rechtspersoon die voor dat ogenblik is opgehouden te bestaan ten gevolge van een fusie of een splitsing, komen toe aan de verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk de verkrijgende rechtspersoon waarvan de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving datbepaalt. Indien aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon in de plaats en de rechten treedt van de gesplitste rechtspersoon, is artikel 334s van Boek 2 van overeenkomstige toepassing. 2 Indien een erflater heeft bepaald dat hetgeen hij aan een afstammeling van een ouder van de erflater nalaat, bij het overlijden van de bevoordeelde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze, ontlenen dezen aan de making een recht, ook al bestonden zij nog niet bij het overlijden van de erflater. 3 Heeft een erflater bepaald dat hetgeen hij aan iemand nalaat, bij het overlijden van de bevoordeelde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan een afstammeling van een ouder van de erflater, en tevens dat indien die afstammeling dat tijdstip niet overleeft, diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze in diens plaats zullen treden, dan verkrijgen dezen dit recht, ook al bestonden zij nog niet bij het overlijden van de erflater. 4 Indien een erflater heeft bepaald dat hetgeen de bevoordeelde van het hem nagelatene bij zijn overlijden of op een eerder tijdstip onverteerd zal hebben gelaten, alsdan zal ten deel vallen aan een dan bestaande bloedverwant van de erflater in de erfelijke graad, verkrijgt deze dit recht, ook al bestond hij nog niet bij het overlijden van de erflater. Artikel 57 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een erflater kan geen uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van degene die op het tijdstip van het maken van de beschikking zijn voogd is. 2 Hij die voogd van de erflater is geweest, kan uit diens uiterste wilsbeschikkingen geen voordeel genieten, indien de erflater binnen het jaar na zijn meerderjarig worden en voor het afleggen en sluiten van de voogdijrekening is overleden. 3 Het in de vorige leden bepaalde is niet toepasselijk op bloedverwanten van de erflater in de opgaande lijn, die zijn voogden zijn of geweest zijn. Artikel 58 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Minderjarigen kunnen geen uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van hun leermeesters, met wie zij tezamen wonen. Artikel 59 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg, die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden, bijstand hebben verleend, alsmede de geestelijk verzorgers die hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die zodanig persoon gedurende de behandeling of de bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt. 2 Ook kan degene die een voor de verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden bestemde instelling exploiteert of die daarvan de leiding heeft of daarin werkzaam is, geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zodanig persoon gedurende een verblijf in die instelling te zijnen behoeve heeft gemaakt. Artikel 60 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Van het in de twee voorgaande artikelen bepaalde zijn uitgezonderd: a. de beschikkingen tot vergelding van bewezen diensten, bij wijze van legaat gemaakt, met inachtneming echter zowel van de gegoedheid van de maker, als van de diensten die aan deze zijn bewezen; b. de beschikkingen ten voordele van iemand die bloed- of aanverwant tot de vierde graad of de echtgenoot van de erflater is. Artikel 61 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op De notaris of andere persoon, die een uiterste wil of een akte van bewaargeving van een niet gesloten aangeboden onderhandse uiterste wil heeft verleden, en de getuigen die daarbij zijn tegenwoordig geweest, kunnen niet bij die uiterste wil worden bevoordeeld. Artikel 62 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een uiterste wilsbeschikking die in strijd is met het in de artikelen 57–61 bepaalde, is vernietigbaar. De vernietiging vindt slechts plaats voor zover deze nodig is tot opheffing van het nadeel van degene die zich op de vernietigingsgrond beroept. 2 Een beschikking ten behoeve van een tussenbeidekomende persoon is op gelijke wijze vernietigbaar als een ten behoeve van de uitgesloten persoon zelf. 3 De vader, de moeder, de afstammelingen en de echtgenoot van een uitgesloten persoon worden geacht tussenbeidekomende personen te zijn, behalve wanneer zij bloedverwant in de rechte lijn of echtgenoot van de erflater zijn. 4 Indien een legataris in verband met een krachtens de vorige leden vernietigbaar legaat gehouden is een tegenprestatie te verrichten, is artikel 54 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing. Afdeling
  12. Legitieme portie Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Paragraaf
  13. Algemene bepalingen Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 63 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De legitieme portie van een legitimaris is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater, waarop de legitimaris in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken. 2 Legitimarissen zijn de afstammelingen van de erflater die door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden geroepen, hetzij uit eigen hoofde, hetzij bij plaatsvervulling met betrekking tot personen die op het ogenblik van het openvallen der nalatenschap niet meer bestaan of die onwaardig zijn. 3 De legitimaris die de nalatenschap verwerpt, verliest zijn recht op de legitieme portie, tenzij hij bij het afleggen van de verklaring bedoeld in artikel 191 , tevens verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Artikel 64 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De legitieme portie van een kind van de erflater bedraagt de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal in artikel 10 lid 1 onder a genoemde, door de erflater achtergelaten personen. 2 Afstammelingen van een kind van de erflater dat op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaat, worden voor de toepassing van het eerste lid tezamen als een door de erflater achtergelaten kind geteld. Afstammelingen van een kind van de erflater die legitimaris zijn, kunnen ieder slechts voor hun deel opkomen. Paragraaf
  14. De omvang van de legitieme portie Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 65 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op De legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f . Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder i zijn ontstaan. Artikel 66 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Voor de toepassing van deze afdeling worden giften gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie, behoudens het in de volgende leden bepaalde. Met een mogelijkheid dat de erflater de gift had kunnen herroepen wordt geen rekening gehouden. 2 Giften waarbij de erflater zich het genot van het geschonkene gedurende zijn leven heeft voorbehouden, en andere giften van een voordeel bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten, worden geschat naar de waarde onmiddellijk na zijn overlijden. Hetzelfde geldt voor giften van prestaties die de erflater bij zijn overlijden nog niet had verricht, met dien verstande dat met deze giften, evenals met de uit dien hoofde nagelaten schulden, geen rekening wordt gehouden voor zover de nalatenschap niet toereikend is. Een gift die bestaat in de aanwijzing van een begunstigde bij sommenverzekering, wordt in aanmerking genomen tot haar waarde overeenkomstig artikel 188 leden 2 en 3 van Boek
  15. 3 Giften, bestaande in de vervreemding van een goed door de erflater tegen verschaffing door de wederpartij van een aan het leven van de erflater gebonden recht, worden gewaardeerd als een gift van dat goed, verminderd met de waarde van de door de erflater ontvangen of hem bij zijn overlijden nog verschuldigde prestaties, voor zover deze niet bestonden in genot van dat goed. Artikel 67 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Bij de berekening van de legitieme porties worden de volgende door de erflater gedane giften in aanmerking genomen: a. giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld; b. giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard; c. giften van een voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten; d. giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is; e. andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor zijn overlijden is geschied. Artikel 68 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Giften van de erflater aan zijn echtgenoot worden voor de toepassing van deze afdeling buiten beschouwing gelaten voor zover zich, ten gevolge van een gemeenschap van goederen waarin de erflater en de echtgenoot ten tijde van de gift gehuwd waren of ten gevolge van een tussen hen op dat tijdstip geldend verrekenbeding, geen verrijking ten koste van het vermogen van de gever heeft voorgedaan. Artikel 69 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Voor de toepassing van deze afdeling worden niet als giften beschouwd: a. giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming waren met het inkomen en het vermogen van de erflater; b. gebruikelijke giften voor zover zij niet bovenmatig waren. 2 Lid 1 is niet van toepassing op giften als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder i . Artikel 70 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De waarde van giften, door de erflater aan een legitimaris gedaan, komt in mindering van diens legitieme portie. 2 Voor de toepassing van het vorige lid worden giften aan een afstammeling die legitimaris zou zijn geweest indien hij de erflater had overleefd of niet onwaardig was geweest, aangemerkt als giften aan de van hem afstammende legitimarissen, naar evenredigheid van hun legitieme portie. 3 Met een gift wordt gelijkgesteld hetgeen een legitimaris verkrijgt of kan verkrijgen uit een door de erflater ter nakoming van een natuurlijke verbintenis gesloten sommenverzekering die geen pensioenverzekering is en die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt. Artikel 71 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op De waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering van zijn legitieme portie. Artikel 72 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op De waarde van hetgeen een legitimaris als erfgenaam kan verkrijgen, komt ook in mindering van zijn legitieme portie wanneer hij de nalatenschap verwerpt, tenzij a. de goederen onder een voorwaarde, een last of een bewind zijn nagelaten, of b. ten laste van de legitimaris legaten zijn gemaakt die verplichten tot iets anders dan betaling van een geldsom of overdracht van goederen der nalatenschap, en de verwerping binnen drie maanden na het overlijden van de erflater geschiedt. Artikel 73 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De waarde van een legaat aan een legitimaris van een bepaalde geldsom of van niet in een vorderingsrecht bestaande goederen der nalatenschap komt ook in mindering van zijn legitieme portie wanneer hij het legaat verwerpt, tenzij a. het legaat onder een voorwaarde, een last of een bewind is gemaakt, of b. ten laste van de legitimaris sublegaten zijn gemaakt die verplichten tot iets anders dan betaling van een geldsom, of c. het legaat later dan zes maanden na het overlijden van de erflater, of indien de legitimaris mede-erfgenaam is, pas na de verdeling der nalatenschap opeisbaar wordt, of d. het legaat ten laste komt van een of meer erfgenamen wier erfdelen ontoereikend zijn om het legaat daaruit te voldoen, en de verwerping binnen drie maanden na het overlijden van de erflater geschiedt. 2 Heeft de erflater de in artikel 125 lid 2 bedoelde bevoegdheid ontzegd aan een legitimaris, dan kan deze het legaat binnen drie maanden na het overlijden van de erflater verwerpen, zonder dat de waarde ervan in mindering komt van zijn legitieme portie. Artikel 74 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De contante waarde van een aan een legitimaris gemaakt legaat van een in termijnen te betalen geldsom komt ook bij verwerping in mindering van zijn legitieme portie, indien in de uiterste wil is vermeld dat zonder deze beschikking de voortzetting van een beroep of bedrijf van de erflater in ernstige mate zou worden bemoeilijkt. Met een beroep of bedrijf van de erflater wordt gelijkgesteld een onderneming, gedreven door een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen hield. 2 Is de vermelde grond onjuist, dan kan de legitimaris binnen drie maanden na het overlijden van de erflater verklaren dat hij betaling van de contante waarde ineens verlangt. Degene die de juistheid van de grond staande houdt, moet haar bewijzen. Is de opgegeven grond juist, doch laat deze een snellere afbetaling toe, dan kan de rechter de verbintenis uit het legaat in die zin wijzigen. 3 Indien de legitimaris zulks binnen drie maanden na het overlijden van de erflater verzoekt, kan de kantonrechter de met het legaat belaste personen bevelen zekerheid te stellen; de kantonrechter stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast. Wordt daaraan niet voldaan binnen de door de kantonrechter daarvoor gestelde termijn, dan komt het legaat niet in mindering van zijn legitieme portie indien de legitimaris het alsnog verwerpt. Artikel 75 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De waarde van hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht onder bewind kan verkrijgen, komt ook bij verwerping in mindering van zijn legitieme portie, indien het bewind is ingesteld op de in de uiterste wil vermelde grond: a. dat de legitimaris ongeschikt of onmachtig is in het beheer te voorzien, of b. dat zonder bewind de goederen hoofdzakelijk diens schuldeisers zouden ten goede komen. 2 De legitimaris die de nalatenschap of het legaat heeft aanvaard is gedurende drie maanden na het overlijden van de erflater bevoegd de juistheid van de opgegeven grond te betwisten; alsdan moet degene die haar staande houdt haar bewijzen. Is de opgegeven grond juist, doch rechtvaardigt dit de door de erflater vastgestelde regels van het bewind niet, dan kan de rechter die regels wijzigen of zelfs ten dele opheffen. 3 Is vermelde grond onjuist, dan kan de legitimaris binnen een maand nadat de uitspraak waarbij de onjuistheid is vastgesteld, in kracht van gewijsde is gegaan, schriftelijk aan de bewindvoerder verklaren dat hij zijn legitieme in geld wenst te ontvangen. De bewindvoerder maakt daartoe het onder bewind gestelde met overeenkomstige toepassing van artikel 147 voor zover nodig te gelde; het restant van de goederen keert hij uit aan degenen aan wie deze zouden zijn toegekomen indien de legitimaris de nalatenschap of het legaat had verworpen. 4 Staan goederen onder bewind waarvan de waarde krachtens artikel 70 in mindering van de legitieme komt en vermeldt de akte waarbij het bewind is ingesteld een grond als bedoeld in lid 1, dan zijn de leden 2 en 3 van overeenkomstige toepassing. Vermeldt de akte niet een grond als bedoeld in lid 1, dan kan de legitimaris aanspraak maken op ontvangst van zijn legitieme in geld op de wijze als voorzien in lid 3, met dien verstande dat de aldaar bedoelde verklaring binnen drie maanden na het overlijden van de erflater moet worden afgelegd. 5 Bij de vaststelling van de op de legitieme portie toe te rekenen waarde wordt met het bewind slechts rekening gehouden, indien de vermelde grond onjuist is verklaard doch de legitimaris geen gebruik maakt van de hem in lid 3, eerste zin, verleende bevoegdheid. Artikel 76 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Bij de vaststelling van de waarde van hetgeen overeenkomstig de artikelen 70 tot en met 75 op de legitieme portie in mindering komt, wordt geen rekening gehouden met het vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel 3 kan komen te rusten. Artikel 77 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op De in de artikelen 72 , 73 lid 1, laatste zinsnede, en lid 2 , 74 leden 2 en 3 en 75 leden 2 en 4 bedoelde termijnen kunnen door de kantonrechter een of meermalen op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd, zelfs nadat de termijn reeds was verlopen. Artikel 78 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een legitimaris die niet erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen. 2 Op zijn verzoek kan de kantonrechter een of meer der erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs doen oproepen ten einde de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving in tegenwoordigheid van de verzoeker onder ede te bevestigen. Paragraaf
  16. Het geldend maken van de legitieme portie Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 79 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Terzake van zijn legitieme portie kan de legitimaris een vordering verkrijgen: a. op de gezamenlijke erfgenamen dan wel de echtgenoot van de erflater, door daarop aanspraak te maken overeenkomstig artikel 80 lid 1 , dan wel b. op een begiftigde, door inkorting als bedoeld in artikel 89 . Artikel 80 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een legitimaris die daarop aanspraak maakt, heeft terzake van hetgeen hem met inachtneming van de artikelen 70 tot en met 76 als legitieme portie toekomt, een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen dan wel, wanneer de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13 , op de als erfgenaam achtergelaten echtgenoot van de erflater. 2 De erfgenamen en, na verdeling overeenkomstig artikel 13 , de echtgenoot zijn niet verplicht de vorderingen te voldoen, voor zover deze tezamen de waarde der nalatenschap te boven gaan; voor zover nodig ondergaan de vorderingen elk een evenredige vermindering. Onder de waarde van de nalatenschap wordt hier verstaan de waarde van de goederen van de nalatenschap, verminderd met de in artikel 7 lid 1 onder a, b, c en f vermelde schulden. Artikel 81 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De vordering is niet opeisbaar voordat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater. 2 Voor zover nodig in afwijking van lid 1 is de vordering, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13 , opeisbaar indien: a. de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard; b. de echtgenoot is overleden. Voorzover de vordering ten laste komt van een legaat aan een ander dan de echtgenoot, leidt de eerste zin niet tot een later tijdstip van opeisbaarheid dan voortvloeit uit lid
  17. 3 Zolang goederen der nalatenschap kunnen worden belast met een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30 , is de vordering niet opeisbaar. Bij de toepassing van de eerste zin blijft artikel 31 lid 4 , eerste zin, buiten beschouwing. 4 Zolang een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat, is de vordering niet opeisbaar, voor zover de echtgenoot daarvoor is verbonden. In geval van faillissement van de echtgenoot of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen wordt de vordering opeisbaar, voor zover de echtgenoot daarvoor is verbonden. 5 Voor zover voor de vordering anderen dan de echtgenoot zijn verbonden, kan, zolang een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat, van elk van die anderen slechts het gedeelte van de vordering worden opgeëist dat overeenkomt met het gedeelte dat zijn aandeel in de niet met vruchtgebruik belaste goederen van de nalatenschap uitmaakt van de goederen van de nalatenschap. 6 Is de vordering, bedoeld in artikel 80 lid 1 , opeisbaar geworden doordat ten aanzien van de echtgenoot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan is de vordering, voor zover zij onvoldaan is gebleven, door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet wederom niet opeisbaar. Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing. Artikel 82 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Een erflater kan aan een uiterste wilsbeschikking ten behoeve van zijn niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot de voorwaarde verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot, eerst opeisbaar is na diens overlijden. Een voorwaarde als bedoeld in de vorige zin kan op overeenkomstige wijze worden verbonden aan een making ten behoeve van een andere levensgezel, indien deze met de erflater een gemeenschappelijke huishouding voert en een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst is aangegaan. Artikel 83 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater de opeisbaarheid van de vordering van de legitimaris, voorzover deze ten laste zou komen van de echtgenoot of de in artikel 82, tweede zin , bedoelde andere levensgezel, ook doen afhangen van andere omstandigheden dan die welke genoemd zijn in de artikelen 81 lid 2 en 82 . Artikel 84 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op De vorderingen worden verhoogd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop aanspraak op de legitieme portie is gemaakt, bij welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen. Artikel 85 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt, indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. 2 Indien negen maanden na het overlijden van de erflater niet vaststaat in hoeverre diens echtgenoot aanspraak zal maken op vestiging van een vruchtgebruik krachtens artikel 30 , vervalt het deel van de vordering dat ten laste van de echtgenoot zou komen, tenzij de legitimaris binnen die termijn aan de echtgenoot heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Artikel 77 is op deze termijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 86 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid 1 van artikel 81 en de leden 1 en 2 van artikel 85 vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1 , in kracht van gewijsde is gegaan. Artikel 87 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De voldoening van de schulden aan de legitimarissen komt als eerste ten laste van het gedeelte der nalatenschap waarover de erflater niet door erfstellingen of legaten heeft beschikt. Erft een afstammeling van een onterfde legitimaris bij plaatsvervulling, dan wordt voor de vordering van die legitimaris als eerste het aan de afstammeling toekomende gedeelte van de nalatenschap ingekort, tenzij uit de uiterste wil iets anders voortvloeit. 2 Indien inkorting overeenkomstig lid 1 onvoldoende is, worden de makingen ingekort. Tenzij uit de uiterste wil iets anders voortvloeit, komen alle erfstellingen en legaten gelijkelijk naar evenredigheid van hun waarde voor inkorting in aanmerking, met dien verstande dat voor zover een making is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater, zij pas na de andere makingen voor inkorting in aanmerking komt. 3 Het gedeelte van de nalatenschap dat aan een legitimaris toekomt en zijn legitieme portie niet te boven gaat, kan in afwijking van de leden 1 en 2 pas als laatste worden ingekort. De inkorting van dat gedeelte geschiedt alsdan, met vermindering van de vordering waarvoor wordt ingekort, zodanig dat beide legitimarissen een zelfde evenredig deel van hun legitieme porties verkrijgen. 4 Inkorting van een legaat geschiedt door een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen of, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13 , de echtgenoot van de erflater. Artikel 120 lid 4 , tweede zin, is van overeenkomstige toepassing. 5 Voor zover de schuld aan een legitimaris ten laste komt van het erfdeel van de echtgenoot of andere levensgezel van de erflater en haar voldoening eerst kan worden verlangd op een met toepassing van artikel 81 lid 2 , 82 of 83 vast te stellen tijdstip, is de echtgenoot of andere levensgezel daarvoor met zijn gehele vermogen aansprakelijk, ook als hij de nalatenschap beneficiair had aanvaard. 6 Voor zover de schuld aan een legitimaris ten laste komt van een aan de echtgenoot of andere levensgezel gemaakt legaat waaraan een voorwaarde als bedoeld in artikel 82 of 83 is verbonden, komt zij, onder de bedoelde voorwaarde, door voldoening van het legaat en een verklaring overeenkomstig lid 4 op de echtgenoot of andere levensgezel te rusten. 7 Voor de toepassing van dit artikel wordt een last die strekt tot een uitgave van geld of een goed uit de nalatenschap, gelijkgesteld met een legaat. Artikel 88 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Voor zover de vordering van de legitimaris ingevolge artikel 81 lid 2 of een voorwaarde als bedoeld in artikel 82 niet opeisbaar is, is de echtgenoot of de andere levensgezel, bedoeld in artikel 82 , op verzoek van de legitimaris verplicht tot voldoening voor hem van de belasting, geheven ter zake van de verkrijging van zijn vordering. De vordering van de legitimaris wordt verminderd met het ingevolge de eerste zin voor de legitimaris voldane bedrag. Artikel 89 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Is hetgeen een legitimaris op grond van zijn in artikel 80 lid 1 bedoelde vordering kan verkrijgen onvoldoende om hem zijn legitieme portie te verschaffen, dan kan hij de daarvoor vatbare giften inkorten, voor zover zij aan zijn legitieme portie afbreuk doen. Bij de bepaling van de vordering, bedoeld in de eerste zin, wordt rekening gehouden met een eventuele vermindering ingevolge de artikelen 80 lid 2 en 87 lid 3 . Buiten beschouwing blijven de verhoging, bedoeld in artikel 84 , alsmede het deel van de vordering dat ingevolge artikel 85 lid 2 is vervallen. 2 Voor inkorting vatbaar zijn de in artikel 67 bedoelde giften. 3 Een gift komt voor inkorting slechts in aanmerking, voor zover de legitimaris zijn legitieme portie niet door inkorting van jongere giften kan verkrijgen. Giften van een voordeel bestemd om pas na het overlijden van de erflater ten volle te worden genoten, worden hierbij beschouwd als giften op het tijdstip van zijn overlijden. Artikel 90 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Inkorting van een gift geschiedt door een verklaring aan de begiftigde. Deze is verplicht de waarde van het ingekorte gedeelte van de gift aan de legitimaris te vergoeden, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is. 2 Een gift kan niet worden ingekort voor zover zij in mindering van de legitieme portie van een mede-legitimaris komt. 3 De bevoegdheid van een legitimaris tot inkorting van een gift vervalt na verloop van een hem daarvoor door de begiftigde gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater. Artikel 91 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Indien de erflater makingen of giften heeft gedaan aan een stiefkind, wordt in afwijking van de artikelen 80 tot en met 89 op die makingen en giften niet ingekort, behoudens voorzover de waarde daarvan hoger is dan twee maal hetgeen de legitieme portie van een kind van de erflater had belopen, indien de door de erflater aldus bevoordeelde stiefkinderen diens eigen kinderen waren geweest. De in de eerste zin bedoelde waarde wordt vermeerderd met de waarde van hetgeen alsdan overeenkomstig artikel 70 lid 3 met een gift gelijkgesteld zou worden. 2 Voorzover voor de in artikel 80 bedoelde vordering van de legitimaris in verband met lid 1 niet overeenkomstig artikel 87 kan worden ingekort, wordt deze verminderd. 3 De erflater kan bij een gift aan een stiefkind of bij uiterste wilsbeschikking bepalen dat lid 1 geheel of ten dele buiten toepassing blijft. Artikel 92 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Na het overlijden van de legitimaris komen zijn bevoegdheden toe aan hen die tot zijn nalatenschap gerechtigd zijn. 2 In het geval van faillissement van de legitimaris of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen kunnen zijn bevoegdheden worden uitgeoefend door de curator in het faillissement onderscheidenlijk de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling. 3 De bevoegdheden van een legitimaris kunnen slechts tezamen met zijn erfdeel worden overgedragen. Afdeling
  18. Vorm van uiterste willen Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 93 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Een uiterste wil die bij dezelfde akte door twee of meer personen is gemaakt, is nietig. Artikel 94 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Behoudens hetgeen in de artikelen 97-107 is bepaald, kan een uiterste wil alleen worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte. Artikel 95 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een onderhandse uiterste wil kan niet geldig worden gemaakt door hem die door onkunde of door andere oorzaken niet in staat is geweest de uiterste wil te lezen. 2 Een bij onderhandse akte gemaakte uiterste wil moet door de erflater zijn ondertekend. Is de uiterste wil door een ander dan de erflater of met mechanische middelen geschreven, en bestaat de wil uit meer dan één bladzijde, dan moet iedere bladzijde zijn genummerd en door de handtekening van de erflater zijn gewaarmerkt. 3 Een onderhandse uiterste wil wordt door de erflater aan een notaris ter hand gesteld. De erflater moet daarbij verklaren dat het aangeboden stuk zijn uiterste wil bevat en dat aan de vereisten van het vorige lid is voldaan. Indien het stuk gesloten wordt aangeboden, kan de erflater bij de aanbieding tevens verklaren dat het stuk slechts mag worden geopend, indien bepaalde door hem genoemde voorwaarden op de dag van zijn overlijden zijn vervuld. 4 Van de bewaargeving en de verklaringen van de erflater maakt de notaris een akte op die door de erflater en de notaris wordt ondertekend. 5 Wanneer de erflater verklaart dat hij door een met name door hem genoemde, na de ondertekening van de uiterste wil opgekomen oorzaak verhinderd wordt de akte van bewaargeving te ondertekenen, vervangt die verklaring zijn ondertekening van de akte van bewaargeving, mits zij daarin wordt opgenomen. 6 De onderhandse uiterste wil blijft berusten onder de minuten van de notaris die deze akte heeft ontvangen. Artikel 96 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Op degene die de geldigheid van een in bewaring gegeven uiterste wil bestrijdt op grond dat de erflater de wil niet eigenhandig heeft ondertekend of geschreven of de bladzijden waaruit de wil bestaat niet eigenhandig heeft gewaarmerkt, rust de bewijslast daarvan. Artikel 97 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Bij een onderhands, door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk kunnen zonder verdere formaliteiten beschikkingen worden gemaakt tot: a. het maken van legaten van: 1°. kleren, lijfstoebehoren en bepaalde lijfsieraden; 2°. bepaalde tot de inboedel behorende zaken en bepaalde boeken; b. bepaling dat goederen, bedoeld onder a, buiten een huwelijksgemeenschap vallen; c. aanwijzing van een persoon als bedoeld in artikel 25, tweede en vierde lid, van de Auteurswet en artikel 5, tweede lid, van de Wet op de naburige rechten . Artikel 98 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 In geval van oorlog of burgeroorlog kunnen militairen en andere tot de krijgsmacht behorende personen een uiterste wil maken ten overstaan van een officier van de krijgsmacht. 2 Ook buiten het geval van oorlog of burgeroorlog kan op deze wijze een uiterste wil worden gemaakt door militairen en andere personen, die behoren tot een gedeelte van de krijgsmacht dat is aangewezen: a. ter deelneming aan een militaire expeditie; b. ter bestrijding van een vijandelijke macht; c. ter handhaving van de onzijdigheid van de Staat; d. tot enig optreden hetzij tot collectieve of individuele zelfverdediging, hetzij tot handhaving of herstel van de internationale orde en veiligheid; of e. ter voldoening aan een vordering van het bevoegde gezag in geval van oproerige beweging. 3 In krijgsgevangenschap kan in plaats van een officier ook een onderofficier optreden. 4 Officieren en onderofficieren mogen hun medewerking slechts verlenen, indien de erflater zich niet tot een bevoegde notaris of consulaire ambtenaar kan wenden. Niet-inachtneming van dit voorschrift schaadt de geldigheid van de uiterste wil niet. Artikel 99 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op [Vervallen per 01-05-2004] Artikel 100 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De in artikel 98 lid 1 vermelde mogelijkheid blijft bestaan, totdat de Koning heeft vastgesteld dat voor de toepassing van die bepaling de oorlog of de burgeroorlog als geëindigd moet worden beschouwd. 2 De in artikel 98 lid 2 vermelde mogelijkheid blijft bestaan, totdat op de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze is bekendgemaakt dat de aanwijzing is geëindigd. Artikel 101 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Zij die zich op een reis aan boord van een zeeschip of luchtvaartuig bevinden, kunnen een uiterste wil maken ten overstaan van de gezagvoerder of de eerste officier, of bij gebreke van deze personen ten overstaan van hem die hun plaats vervult. Artikel 102 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Op plaatsen waar voor de erflater het normale verkeer met een notaris of bevoegde consulaire ambtenaar verboden of verbroken is als gevolg van rampen, crises, gevechtshandelingen, besmettelijke ziekten of andere buitengewone omstandigheden, kan hij een uiterste wil maken ten overstaan van een Nederlandse consulaire ambtenaar, ook indien deze niet krachtens de gewone regelen bevoegd is, of de burgemeester, de secretaris of een wethouder der gemeente, een kandidaat-notaris, een advocaat, een officier van de krijgsmacht of van een gemeentelijke of regionale brandweer, of een daartoe door de minister van justitie bevoegd verklaarde ambtenaar. Artikel 103 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De uiterste willen, bedoeld in de artikelen 98 , 101 en 102 , worden verleden in tegenwoordigheid van twee getuigen. Zij worden op behoorlijke wijze op schrift gesteld en door de erflater, alsmede door de getuigen en degene te wiens overstaan zij zijn verleden, ondertekend. 2 De getuigen moeten meerderjarig zijn en de taal verstaan, waarin de uiterste wil is opgesteld. In de gevallen van de artikelen 98 en 102 geldt het vereiste van meerderjarigheid niet voor getuigen die militairen zijn of deelnemen aan het bestrijden van een ramp of het beheersen van een crisis. 3 Indien de erflater of een van de getuigen verklaart door onkunde of een andere met name door hem genoemde oorzaak niet te kunnen ondertekenen, vervangt die verklaring zijn ondertekening, mits zij in de akte wordt opgenomen. Artikel 104 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De erflater is in de gevallen van de artikelen 98 , 101 en 102 ook bevoegd een door hem ondertekende onderhandse uiterste wil te maken, die hij in tegenwoordigheid van twee getuigen in bewaring geeft aan een persoon te wiens overstaan hij ingevolge die artikelen een uiterste wil kan doen verlijden. Deze persoon maakt daarvan onmiddellijk een akte van bewaargeving op, hetzij op het papier van de uiterste wil, hetzij op de omslag daarvan, hetzij op een afzonderlijk papier; het vorige artikel is op die akte van overeenkomstige toepassing. 2 De artikelen 98 lid 4 en 100 zijn van overeenkomstige toepassing. 3 Op degene die de geldigheid van de in bewaring gegeven uiterste wil bestrijdt op grond dat de erflater de wil niet eigenhandig heeft ondertekend, rust de bewijslast daarvan. Artikel 105 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Indien in een geval, bedoeld in het vorige artikel, de onderhandse uiterste wil is gedagtekend en de erflater overlijdt zonder dat de uiterste wil overeenkomstig de wet in bewaring is gegeven, is de uiterste wil niettemin geldig, tenzij de erflater redelijkerwijze alsnog een uiterste wil overeenkomstig de voorgaande artikelen van deze afdeling had kunnen maken. Artikel 106 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Hij die een akte van uiterste wil, van bewaargeving of van terugneming, als bedoeld in de artikelen 98 , 100 tot en met 105 en 113 , onder zich heeft, zendt de akte zo spoedig mogelijk in gesloten omslag naar het testamentenregister te 's-Gravenhage. 2 Het vorige lid geldt niet voor akten, opgemaakt door of ten overstaan van een volgens de gewone regelen bevoegde notaris of consulaire ambtenaar, en voor de door dezen in bewaring genomen akten van uiterste wil. Artikel 107 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 De uiterste willen, bedoeld in de artikelen 98 en 100 tot en met 104 , zijn vernietigbaar, indien de erflater overlijdt meer dan zes maanden nadat voor hem de mogelijkheid is geëindigd, een uiterste wil te maken op een van de in die artikelen genoemde wijzen. 2 De termijn wordt telkens met een maand verlengd, indien de erflater redelijkerwijze niet in staat is geweest in de laatstverstreken maand een uiterste wil te maken. Artikel 108 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Een uiterste wil die op een in een der artikelen 98 , 101 , 102 en 104 vermelde wijze, doch niet onder de daar aangegeven omstandigheden is gemaakt, is, indien de erflater binnen zes maanden daarna overlijdt, niet van rechtswege nietig, doch vernietigbaar. Artikel 109 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een uiterste wil is nietig, indien aan de akte van uiterste wil of aan de akte van bewaargeving, zo deze voorgeschreven is, de vereiste ondertekening door de erflater ontbreekt. 2 Een uiterste wil die ten overstaan van een notaris moet worden gemaakt is nietig, indien de akte van uiterste wil niet door een notaris is ondertekend. Een uiterste wil, die aan een notaris in bewaring moet worden gegeven, is nietig, indien een door een notaris ondertekende akte van bewaargeving ontbreekt. Is echter, in dit laatste geval, de akte van uiterste wil door een notaris ondertekend, dan is de uiterste wil vernietigbaar. 3 Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op een uiterste wil die ten overstaan van een in de artikelen 98 , 101 en 102 genoemde persoon moet worden gemaakt of aan een aldaar genoemde persoon in bewaring moet worden gegeven. 4 Het niet inachtnemen van andere door de wet voor de geldigheid van de uiterste wil gestelde vormvereisten maakt de uiterste wil vernietigbaar. Artikel 110 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Het bepaalde in artikel 54 is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot vernietiging van een uiterste wil. Afdeling
  19. Herroeping van uiterste wilsbeschikkingen Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 111 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Voor het herroepen van een uiterste wilsbeschikking gelden dezelfde vormvoorschriften als voor het maken van die beschikking. Artikel 112 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Een latere uiterste wilsbeschikking die een vroegere niet uitdrukkelijk herroept, doet deze vervallen voor zover zij door de latere beschikking onuitvoerbaar is geworden of vervangen is. Artikel 113 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Een erflater kan te allen tijde zijn onderhandse, in bewaring gegeven uiterste wil terugvorderen, mits hij ter verantwoording van de notaris of andere persoon die de akte krachtens wettelijk voorschrift onder zich heeft, van de teruggave doet blijken bij een ten overstaan van die notaris of, met overeenkomstige toepassing van artikel 103 , ten overstaan van die persoon verleden akte. Door de teruggave wordt de onderhandse uiterste wil herroepen. Artikel 114 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Een uiterste wilsbeschikking die geldig bij een onderhands en niet in bewaring gegeven stuk getroffen is, wordt herroepen wanneer de erflater dit stuk vernietigt. Is het stuk vernietigd, dan wordt dit vermoed door de erflater te zijn geschied. Titel
  20. Onderscheiden soorten van uiterste wilsbeschikkingen Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Afdeling
  21. Erfstellingen Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 115 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Een erfstelling is een uiterste wilsbeschikking, krachtens welke de erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat. Artikel 116 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Bij uiterste wilsbeschikking ingestelde erfgenamen hebben gelijke rechten en verplichtingen als erfgenamen bij versterf. Afdeling
  22. Legaten Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Paragraaf
  23. Algemene bepalingen Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op Artikel 117 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Een legaat is een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan een of meer personen een vorderingsrecht toekent. 2 Een legaat komt, tenzij het aan een of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen is opgelegd, ten laste van de gezamenlijke erfgenamen. 3 Is de prestatie deelbaar, dan zijn de belaste erfgenamen ieder voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel, verbonden, tenzij de erflater anders heeft beschikt. Artikel 118 Toon relaties in LiDO Maak een permanente link Toon wetstechnische informatie ... Druk het regelingonderdeel af Sla het regelingonderdeel op 1 Is een bepaalde persoon die als erfgenaam met een legaat is belast, niet erfgenaam geworden of is zijn erfrecht vervallen, en voorziet de uiterste wil hierin niet, dan rust de hem opgelegde verplichting, tenzij uit haar aard iets anders voortvloeit, op degenen aan wie zijn erfdeel toevalt; zij kunnen echter volstaan met uitkering aan de legataris van hetgeen zij in de plaats van de belaste persoon uit de nalatenschap genieten of van de waarde daarvan. 2 Is een met een sublegaat belaste persoon niet legataris geworden of is zijn recht uit het hem gemaakte legaat vervallen, en voorziet de uiterste wil hierin niet,

⚖️ Rechtspraak over deze regeling (2368)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.