Mijnwerkersinvaliditeitswet
Waar gaat deze regeling over?
De Mijnwerkersinvaliditeitswet regelt de aanspraken van mijnarbeiders en hun nagelaten betrekkingen bij invaliditeit, ouderdom en overlijden tegenover het Fonds. Diverse artikelen zijn inmiddels vervallen.
Voor wie: Mijnarbeiders zoals bedoeld in artikel 3 van de wet; De nagelaten betrekkingen van overleden mijnarbeiders.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 21
- Bron
- wetten.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De aanspraken van mijnarbeiders tegenover het Fonds bij invaliditeit, ouderdom en overlijden (Artikel 4).
- De gelijkstelling van deze aanspraken met die uit de Invaliditeitswet en de Liquidatiewet invaliditeitswetten.
Voor wie geldt deze regeling?
- Mijnarbeiders zoals bedoeld in artikel 3 van de wet.
- De nagelaten betrekkingen van overleden mijnarbeiders.
Wat zijn de kernpunten?
- De mijnarbeider en zijn nagelaten betrekkingen hebben tegenover het Fonds ten minste dezelfde aanspraken als zij krachtens de Invaliditeitswet tegenover de Bank zouden kunnen doen gelden (Artikel 4, lid 1).
- De mijnarbeider wordt geacht rentezegels ter waarde van 60 centen in rekening te kunnen brengen voor zijn verzekering (Artikel 4, lid 2).
- De artikelen 1, 2 en 3 zijn vervallen.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (21)
- Artikel 1 Vervallen
- Artikel 2 Vervallen
- Artikel 3 Vervallen
- Artikel 4 1
- Artikel 5 Vervallen
- Artikel 6 Vervallen
- Artikel 7 Vervallen
- Artikel 8 Vervallen
- Artikel 9 1
- Artikel 10 Vervallen
- Artikel 11 Vervallen
- Artikel 12 Vervallen
- Artikel 13 Vervallen
- Artikel 14 Vervallen
- Artikel 15 Vervallen
- Artikel 16 Vervallen
- Artikel 17 Vervallen
- Artikel 18 Vervallen
- Artikel 19 Vervallen
- Artikel 20 Vervallen
- Artikel 21 Vervallen
Wet van den 21sten April 1933, tot verzekering van mijnarbeiders tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit en ouderdom Mijnwerkersinvaliditeitswet Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is, dat nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de verzekering van mijnarbeiders tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit en ouderdom;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1Vervallen
Artikel 2Vervallen
Artikel 3Vervallen
Artikel 41
De mijnarbeider, bedoeld in artikel 3, letters a en b, die niet ook uit anderen hoofde dan wegens het lidmaatschap van de pensioenkas van het Fonds niet-verzekeringsplichtig is krachtens de Invaliditeitswet, en bij diens overlijden zijn nagelaten betrekkingen, hebben tegenover het Fonds ten minste dezelfde aanspraken, welke zij krachtens de bepalingen der Invaliditeitswet in verbindig met die der Liquidatiewet invaliditeitswetten, ingeval van invaliditeit, ouderdom en overlijden tegenover de Bank zouden kunnen doen gelden, indien artikel 3 met betrekking tot dien arbeider niet zou hebben gegolden.
2 De in het voorgaand lid bedoelde mijnarbeider wordt voor de toepassing van dat lid geacht voor zijn verzekering in rekening te kunnen doen brengen zooveel maal rentezegels ter waarde van 60 centen als het aantal kalenderweken - een deel van een kalenderweek voor een volle week gerekend - bedraagt van den duur van zijn lidmaatschap van de pensioenkas van het Fonds voor 1 januari 1965.
Artikel 5Vervallen
Artikel 6Vervallen
Artikel 7Vervallen
Artikel 8Vervallen
Artikel 91
Het Rijk verleent aan het Fonds gedurende 75 jaren een uitkeering van € 181 512 per jaar als bijdrage in de lasten der verzekering van de mijnarbeiders, die op 31 December 1919 lid waren van de pensioenkas van het Fonds.
2 De storting der Rijksbijdrage heeft voor het eerst plaats in de maand, volgende op die, waarin deze wet in werking is getreden, en geschiedt verder jaarlijks in de maand Juli.
Artikel 10Vervallen
Artikel 11Vervallen
Artikel 12Vervallen
Artikel 13Vervallen
Artikel 14Vervallen
Artikel 15Vervallen
Artikel 16Vervallen
Artikel 17Vervallen
Artikel 18Vervallen
Artikel 19Vervallen
Artikel 20Vervallen
Artikel 21Vervallen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage den 21sten April 1933 WILHELMINA.
De Minister van Economische Zaken en Arbeid, T.J. Verschuur. den negenden Mei 1933 De Minister van Justitie, J. Donner