Samenvatting
Deze wet van 24 juni 1939 waarborgt dat Nederland in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de beschikking behoudt over voldoende scheepsruimte. De kernbepalingen treden pas bij koninklijk besluit in werking, waarna de betrokken minister het vervreemden of buiten Nederland brengen van binnenschepen aan een vergunning kan binden.
Wat het regelt
- De inwerkingtredingsprocedure bij buitengewone omstandigheden en de parlementaire controle daarop.
- Het verbod om zonder vergunning bepaalde handelingen met in Nederland thuishorende binnenschepen te verrichten.
- De voorwaarden die aan zulke vergunningen kunnen worden verbonden.
Voor wie geldt dit
- Eigenaren, gebruikers en betrokkenen bij binnenschepen die in Nederland thuishoren (in de zin van Boek 8 BW).
Kernpunten
- De artikelen 2, 3, 4 en 8 kunnen bij koninklijk besluit, op voordracht van de Minister-President, in werking worden gesteld; daarna wordt onverwijld een wetsvoorstel over het voortduren aan de Tweede Kamer gezonden, en bij verwerping worden de bepalingen onverwijld buiten werking gesteld (artikel 1a).
- De Minister van Verkeer en Waterstaat kan verbieden dat een in Nederland thuishorend binnenschip zonder vergunning zijn hoedanigheid verliest, in eigendom/gebruik wordt overgedragen, of een vaart of reis aanvangt of vervolgt die niet geheel binnen Nederland valt (artikel 2).
- Dezelfde bevoegdheden komen toe aan de Minister van Defensie, die deze slechts gebruikt na overleg met de Minister van Verkeer en Waterstaat.
- Bij de vergunningaanvraag moeten vaart, reis of reeks van reizen nauwkeurig worden omschreven; beschikbaarstelling van scheepsruimte mag niet als voorschrift worden gesteld, en de vergunning laat de wettelijke bevoegdheid tot vordering van schepen onverlet (artikel 4).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.