Samenvatting
Dit besluit van 26 oktober 1945 stelt regels vast met betrekking tot politieke delinquenten, dat wil zeggen personen die vallen onder het Besluit Buitengewoon Strafrecht of het Tribunaalbesluit. Het regelt de opsporing, de betrokken opsporingsambtenaren en officieren-fiscaal en de bevoegdheden bij aanhouding en inbeslagneming.
Wat het regelt
- De aanwijzing van opsporingsambtenaren en de leiding van de politieke recherche.
- De benoeming en eed van officieren-fiscaal.
- De bevoegdheden inzake opsporing, aanhouding, inbeslagneming en binnentreden.
Voor wie geldt dit
- Personen verdacht van feiten waarop het Besluit Buitengewoon Strafrecht van toepassing is of van gedragingen genoemd in artikel 1 van het Tribunaalbesluit.
- De aangewezen opsporingsambtenaren, hoofden van politieke recherche en officieren-fiscaal.
Kernpunten
- De opsporing berust bij de ambtenaren van artikel 141 Wetboek van Strafvordering en door de Minister aangewezen politieambtenaren, die zich richten naar de bevelen van de procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof (artikel 1).
- Tot officier-fiscaal zijn benoembaar Nederlanders en Nederlandse onderdanen, tevens ingezetenen, van ten minste 25 jaar (artikel 4); zij leggen vooraf een eed of belofte af (artikel 5).
- Verdachten mogen worden aangehouden en voor verhoor niet langer dan vierentwintig uur worden opgehouden (artikel 6a).
- Opsporingsambtenaren mogen te allen tijde roerende goederen in beslag nemen en de uitlevering vorderen (artikel 7); binnentreden in woningen tegen de wil van de bewoner mag alleen met schriftelijke last van de procureur-fiscaal, waarvan binnen tweemaal vierentwintig uur proces-verbaal wordt opgemaakt (artikel 8).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.