Wet opheffing particuliere banken van leening
Waar gaat deze regeling over?
Deze wet van 28 oktober 1946 regelt de opheffing van de particuliere banken van lening (pandhuizen). Er worden geen nieuwe toelatingen meer verleend en bestaande toelatingen worden na verloop van tijd geacht te zijn ingetrokken.
Voor wie: Houders van particuliere banken van lening (pandhuizen) toegelaten op grond van de Pandhuiswet 1910.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 6
- Bron
- wetten.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Het stopzetten van nieuwe toelatingen op grond van de Pandhuiswet 1910.
- Het van rechtswege intrekken van bestaande toelatingen.
- De kennisgevingsplicht van de bankhouder.
Voor wie geldt deze regeling?
- Houders van particuliere banken van lening (pandhuizen) toegelaten op grond van de Pandhuiswet 1910.
Wat zijn de kernpunten?
- Toelatingen als bedoeld in artikel 13 van de Pandhuiswet 1910 worden niet meer verleend (artikel 1).
- Vóór de inwerkingtreding verleende toelatingen worden geacht te zijn ingetrokken op de eerste dag van de zevende maand na inwerkingtreding van de wet (artikel 2).
- De bankhouder bevestigt binnen acht dagen een voor het publiek zichtbare kennisgeving met de datum waarop geen panden meer in belening mogen worden aangenomen (artikel 3); doet hij dit niet, dan wordt de toelating geacht te zijn ingetrokken op de negende dag na inwerkingtreding (artikel 4).
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
BWBR0002021_1946-11-20_0 Wet van 28 oktober 1946, betreffende opheffing particuliere banken van leening Wet opheffing particuliere banken van leening Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is regelingen te treffen betreffende de opheffing van de particuliere banken van leening;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Toelatingen, als bedoeld in artikel 13 der Pandhuiswet 1910, Staatsblad no. 321, worden niet meer verleend.
Artikel 2
De vóór de inwerkingtreding van deze wet verleende toelatingen worden geacht te zijn ingetrokken op den eersten dag van de zevende maand na de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 3
De houder van de Bank bevestigt binnen acht dagen na de inwerkingtreding van deze wet een voor het publiek duidelijk zichtbare kennisgeving aan het pandhuis, vermeldende den datum, waarop ingevolge deze wet geen panden meer in beleening mogen worden aangenomen.
Artikel 4
Indien de houder van de Bank niet voldoet aan het bij artikel 3 bepaalde, wordt de toelating geacht te zijn ingetrokken op den negenden dag na de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 5
Het besluit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van Binnenlandsche Zaken en van Justitie betreffende de beëindiging van de werkzaamheden der particuliere banken van leening van 24/27 November 1942 ( Nederlandsche Staatscourant 14 Januari 1943, no. 9) vervalt.
Artikel 6
Deze wet treedt in werking met ingang van den dag volgende op dien harer afkondiging.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo den 28sten October 1946 WILHELMINA.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, BEEL.
De Minister van Justitie, J. H. VAN MAARSEVEEN. den negentienden November 1946.
De Minister van Justitie, J. H. VAN MAARSEVEEN.