Samenvatting
Het Groevenreglement 1947, vastgesteld bij besluit van 20 januari 1947 op grond van de Mijnwet 1903, regelt de vergunningplicht voor het ontginnen of anderszins in gebruik nemen van ondergrondse steengroeven. Het legt de nadruk op de veiligheid.
Wat het regelt
- De vergunningplicht voor ondergrondse steengroeven.
- De aanvraagprocedure en de over te leggen stukken.
- De rol van de gemeente en de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
Voor wie geldt dit
- Personen die ondergrondse steengroeven willen ontginnen of voor andere doeleinden in gebruik willen nemen.
Kernpunten
- Ondergrondse steengroeven mogen niet dan met vergunning van de Minister van Economische Zaken worden ontgonnen of in gebruik genomen; de vergunning wordt slechts geweigerd op gronden van veiligheid en kan met veiligheidsvoorwaarden worden verbonden (artikel 1).
- De aanvraag wordt via het gemeentebestuur ingediend bij de Inspecteur-Generaal der Mijnen; bij groeven onder meer dan één gemeente geldt de gemeente met het grootste deel of met de (hoofd)ingang (artikel 2).
- De aanvraag bevat naam en gegevens van de aanvrager, de kadastrale percelen en de ontginningswijze, en gaat vergezeld van een kaart in tweevoud (met omgeving tot ten minste 25 meter, aangesloten op het Rijksdriehoeksnet) en een kadastraal uittreksel (artikel 3).
- Vraagt een ander dan de eigenaar de vergunning aan, dan is een verklaring van de eigenaar nodig met toestemming voor ten minste vijftien jaar (artikel 3, derde lid).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.