Samenvatting
Dit besluit van 13 december 1948 stelt opnieuw een regeling vast voor geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigden van de land- en zeemacht, ter vervanging van de Koninklijke besluiten van 1931. Het kent uitkeringen toe aan gewezen vrijwillig dienende militairen die aan bepaalde diensttijdeisen voldoen.
Wat het regelt
- Het recht op een uitkering voor gewezen vrijwillig dienende militairen.
- De hoogte van de uitkering per rang en per dienstjaar.
- De ingangsdatum van de uitkering.
Voor wie geldt dit
- Vrijwillig dienende militairen van land- of zeemacht die vóór 1 juli 1925 zijn ontslagen en op de ontslagdatum een bepaalde werkelijke diensttijd konden aantonen.
Kernpunten
- Recht op een uitkering bestaat bij een werkelijke diensttijd van ten minste tien, zeven of vijf jaar, afhankelijk van de leeftijd, mits de betrokkene niet onder bepaalde omstandigheden is ontslagen en niet is herplaatst in een betrekking met pensioenuitzicht (artikel 1).
- De uitkering bedraagt per jaar geldige diensttijd een vast bedrag per rang, oplopend van 30 gulden voor een soldaat of matroos tot 83 gulden voor een majoor, luitenant ter zee eerste klasse of hoger; een diensttijdrest van zes maanden of meer telt als vol jaar (artikel 2).
- De uitkering gaat in beginsel in op de leeftijd van zestig jaar, of bij blijvende ongeschiktheid op de dag van de aanvraag, maar nooit vóór 1 januari 1947 (artikel 3).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.