Samenvatting
Deze wet van 13 mei 1948 heft de bijzondere gerechtshoven, de Bijzondere Raad van Cassatie en de tribunalen op en draagt hun rechtsmacht over aan de gewone rechterlijke macht. Zo wordt de berechting van politieke delinquenten voortgezet door de arrondissementsrechtbanken.
Wat het regelt
- De opheffing van de bijzondere gerechtshoven en de overgang van hun rechtsmacht.
- De vorming van bijzondere strafkamers bij de arrondissementsrechtbanken.
- De overbrenging van aanhangige zaken en de toepasselijke procesregels.
Voor wie geldt dit
- Personen die worden berecht voor misdrijven waarop het Besluit Buitengewoon Strafrecht van toepassing is, en politieke delinquenten onder het Tribunaalbesluit.
- De betrokken rechters, officieren van justitie en griffiers.
Kernpunten
- Een bijzonder gerechtshof wordt, na de president te hebben gehoord, op een nader te bepalen tijdstip opgeheven (artikel 1); daarna nemen de arrondissementsrechtbanken binnen het voormalige rechtsgebied kennis van de betreffende misdrijven (artikel 2).
- De rechtbanken vormen één of meer bijzondere strafkamers van drie rechters die deze misdrijven bij uitsluiting behandelen (artikel 3); dezelfde persoon kan bij meer dan één rechtbank als lid van een bijzondere strafkamer werkzaam zijn (artikel 5).
- Bij opheffing worden de aanhangige zaken overgebracht naar aangewezen arrondissementsrechtbanken, die daartoe bevoegd zijn in afwijking van de gewone bevoegdheidsregels (artikel 6).
- Op de rechtspleging zijn genoemde artikelen van het Besluit Buitengewone Rechtspleging van overeenkomstige toepassing (artikel 7).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.