Samenvatting
Dit besluit van 6 september 1949 voert artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers uit. Het bepaalt hoe de op het pensioen te verrekenen inkomsten (het kortingsinkomen) worden vastgesteld.
Wat het regelt
- De begripsbepaling van het kortingsinkomen.
- De vaststelling van de verrekenbare inkomsten op het buitengewoon pensioen.
- De inkomsten die op het kortingsinkomen in mindering worden gebracht.
Voor wie geldt dit
- Gepensioneerden aan wie een buitengewoon pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers is toegekend.
Kernpunten
- Het "kortingsinkomen" is het inkomen uit werk en woning plus de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen, verminderd met genoemde forfaits, waaronder bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking 12% (minimaal 119 euro, maximaal 1605 euro per jaar) en bij loon uit vroegere dienstbetrekking 487 euro per jaar (artikel 1).
- Als verrekenbare inkomsten geldt het kortingsinkomen vermeerderd met de genoten kinderbijslag en verminderd met het buitengewoon pensioen en de in artikel 11, derde lid, van de wet bedoelde uitkeringen en pensioenen (artikel 2, eerste lid).
- Op het kortingsinkomen worden verder in mindering gebracht, indien daarin begrepen, onder meer inkomsten van kinderen jonger dan eenentwintig jaar, een eigenwoningbijdrage en huurtoeslag (artikel 2, tweede lid).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.