Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Wet op de Sociaal-Economische Raad

Waar gaat deze regeling over?

Deze wet van 27 januari 1950 stelt de Sociaal-Economische Raad (SER) in als publiekrechtelijk lichaam voor het bedrijfsleven, en regelt zijn taak, samenstelling, werkwijze en verordenende bevoegdheid. De Raad heeft zijn zetel te 's-Gravenhage en is rechtspersoon.

Voor wie: De Sociaal-Economische Raad zelf, zijn leden en plaatsvervangers; De voorzitter, plaatsvervangende voorzitters, het dagelijks bestuur en het secretariaat (algemeen secretaris, secretarissen en personeel).

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
178
Bron
wetten.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De instelling en de taak van de Sociaal-Economische Raad: het bevorderen van een het algemeen belang dienende werkzaamheid van het bedrijfsleven en het behartigen van het belang van het bedrijfsleven en de daartoe behorende personen, naast een adviserende functie.
  • De samenstelling van de Raad: voorzitter, dagelijks bestuur, algemeen secretaris en eventueel commissies uit zijn midden.
  • De werkwijze: vergaderingen, quorum, stemmingen en besluitvorming.
  • De bevoegdheid van de Raad om verordeningen te maken en medewerking te verlenen aan de uitvoering van wetten.

Voor wie geldt deze regeling?

  • De Sociaal-Economische Raad zelf, zijn leden en plaatsvervangers.
  • De voorzitter, plaatsvervangende voorzitters, het dagelijks bestuur en het secretariaat (algemeen secretaris, secretarissen en personeel).
  • Door de Kroon aangewezen algemeen erkende centrale en representatieve organisaties van ondernemers en van werknemers, die leden benoemen.
  • Onze Ministers, die vergaderingen mogen bijwonen met een raadgevende stem.

Wat zijn de kernpunten?

  • De Raad bestaat uit ten minste dertig en ten hoogste vijfenveertig leden; ten minste twee derden worden benoemd door aangewezen organisaties van ondernemers en werknemers, de overige door de Kroon.
  • Organisaties van werknemers benoemen evenveel leden als organisaties van ondernemers.
  • Leden en plaatsvervangers treden om de twee jaren tegelijk af en zijn terstond herbenoembaar.
  • Leden, voorzitter, bestuur en secretariaatspersoneel zijn verplicht tot geheimhouding van zaken- en bedrijfsgeheimen (artikel 10).
  • De Raad vergadert niet als niet meer dan de helft van de zitting hebbende leden aanwezig is; na tweemaal oproepen is de daarna uitgeschreven vergadering geldig ongeacht het aantal aanwezigen.
  • Voor de vaststelling van een verordening is een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen vereist; voor andere besluiten de volstrekte meerderheid.
  • Bij ontwerpen van algemeen bindende verordeningen geeft de Raad kennis in de Staatscourant en biedt hij gedurende vier weken gelegenheid tot schriftelijke bedenkingen.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (178)
  1. Artikel 1 1
  2. Artikel 2
  3. § 1 Algemene bepaling
  4. Artikel 3
  5. § 2 Van de Raad
  6. Artikel 4 1
  7. Artikel 5 1
  8. Artikel 6 1
  9. Artikel 7
  10. Artikel 8 1
  11. Artikel 9
  12. Artikel 10
  13. § 3 Van de voorzitter
  14. Artikel 11 1
  15. Artikel 12 1
  16. Artikel 13
  17. § 4 Van het dagelijks bestuur
  18. Artikel 14 1
  19. Artikel 15
  20. § 5 Van het secretariaat
  21. Artikel 16 1
  22. Artikel 17 1
  23. Artikel 18
  24. § 6 Van de commissies uit het midden van de Raad
  25. Artikel 19 1
  26. Artikel 20
  27. Artikel 21
  28. Artikel 22
  29. Artikel 23
  30. Artikel 24 1
  31. Artikel 25 1
  32. Artikel 26 1
  33. Artikel 27 1
  34. Artikel 28 1
  35. Artikel 29
  36. Artikel 30
  37. Artikel 31
  38. Artikel 32 1
  39. Artikel 33
  40. Artikel 34 Vervallen
  41. Artikel 35
  42. Artikel 36
  43. Artikel 37
  44. Artikel 38 1
  45. Artikel 38a Vervallen
  46. Artikel 39
  47. Artikel 40
  48. Artikel 41
  49. Artikel 42 1
  50. Artikel 43 1
  51. Artikel 44
  52. Artikel 45 1
  53. Artikel 46 1
  54. Artikel 47
  55. Artikel 48 1
  56. Artikel 49 1
  57. Artikel 50 Vervallen
  58. Artikel 51
  59. Artikel 52 1
  60. Artikel 53
  61. Artikel 54 1
  62. Artikel 55 1
  63. Artikel 56 1
  64. Artikel 57 Vervallen
  65. Artikel 58
  66. Artikel 59
  67. Artikel 60 Vervallen
  68. Artikel 61 Vervallen
  69. Artikel 62 Vervallen
  70. Artikel 63 Vervallen
  71. Artikel 64 Vervallen
  72. Artikel 65 1
  73. Artikel 66 Vervallen
  74. Artikel 67 Vervallen
  75. Artikel 68 Vervallen
  76. Artikel 69 Vervallen
  77. Artikel 70 Vervallen
  78. Artikel 71 Vervallen
  79. Artikel 72 Vervallen
  80. Artikel 73 Vervallen
  81. Artikel 74 Vervallen
  82. Artikel 75 Vervallen
  83. Artikel 76 Vervallen
  84. Artikel 77 Vervallen
  85. Artikel 78 Vervallen
  86. Artikel 79 Vervallen
  87. Artikel 80 Vervallen
  88. Artikel 81 Vervallen
  89. Artikel 82 Vervallen
  90. Artikel 83 Vervallen
  91. Artikel 84 Vervallen
  92. Artikel 85 Vervallen
  93. Artikel 86 Vervallen
  94. Artikel 87 Vervallen
  95. Artikel 88 Vervallen
  96. Artikel 88a Vervallen
  97. Artikel 89 Vervallen
  98. Artikel 90 Vervallen
  99. Artikel 91 Vervallen
  100. Artikel 92 Vervallen
  101. Artikel 92a Vervallen
  102. Artikel 93 Vervallen
  103. Artikel 94 Vervallen
  104. Artikel 95 Vervallen
  105. Artikel 96 Vervallen
  106. Artikel 97 Vervallen
  107. Artikel 98 Vervallen
  108. Artikel 99 Vervallen
  109. Artikel 100 Vervallen
  110. Artikel 101 Vervallen
  111. Artikel 102 Vervallen
  112. Artikel 103 Vervallen
  113. Artikel 104 Vervallen
  114. Artikel 105 Vervallen
  115. Artikel 106 Vervallen
  116. Artikel 106a Vervallen
  117. Artikel 107 Vervallen
  118. Artikel 108 Vervallen
  119. Artikel 109 Vervallen
  120. Artikel 110 Vervallen
  121. Artikel 111 Vervallen
  122. Artikel 112 Vervallen
  123. Artikel 113 Vervallen
  124. Artikel 114 Vervallen
  125. Artikel 115 Vervallen
  126. Artikel 116 Vervallen
  127. Artikel 117 Vervallen
  128. Artikel 118 Vervallen
  129. Artikel 119 Vervallen
  130. Artikel 120 Vervallen
  131. Artikel 121 Vervallen
  132. Artikel 122 Vervallen
  133. Artikel 122a Vervallen
  134. Artikel 123 Vervallen
  135. Artikel 124 Vervallen
  136. Artikel 125 Vervallen
  137. Artikel 125a Vervallen
  138. Artikel 126 Vervallen
  139. Artikel 127 Vervallen
  140. Artikel 127a Vervallen
  141. Artikel 128 Vervallen
  142. Artikel 128a Vervallen
  143. Artikel 129 Vervallen
  144. Artikel 130 Vervallen
  145. Artikel 131 Vervallen
  146. Artikel 132 Vervallen
  147. Artikel 133 Vervallen
  148. Artikel 134 Vervallen
  149. Artikel 135 Vervallen
  150. Artikel 136 Vervallen
  151. Artikel 137 Vervallen
  152. Artikel 137a Vervallen
  153. Artikel 138
  154. Artikel 139
  155. Artikel 140
  156. Artikel 142 Vervallen
  157. Artikel 143 Vervallen
  158. Artikel 144 Vervallen
  159. Artikel 145 Vervallen
  160. Artikel 146 Vervallen
  161. Artikel 147 Vervallen
  162. Artikel 148 Vervallen
  163. Artikel 149 Vervallen
  164. Artikel 150 Vervallen
  165. Artikel 151 Vervallen
  166. Artikel 152 Vervallen
  167. Artikel 153 Vervallen
  168. Artikel 154 Vervallen
  169. Artikel 155 Vervallen
  170. Artikel 156 Vervallen
  171. Artikel 157 Vervallen
  172. Artikel 158 Vervallen
  173. Artikel 159 Vervallen
  174. Artikel 160 Vervallen
  175. Artikel 161 Vervallen
  176. Artikel 162
  177. Artikel 163
  178. Artikel 164 Vervallen

BWBR0002058_2022-01-01_0 Wet van 27 januari 1950, tot toepassing ten aanzien van het bedrijfsleven van de artikelen 80 en 152 tot en met 154 van de Grondwet Wet op de Sociaal-Economische Raad Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten aanzien van het bedrijfsleven toepassing te geven aan de artikelen 80 en 152 tot en met 154 van de Grondwet;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Eerste hoofdstuk Van de Sociaal-Economische Raad

Titel I

Van de zetel en de taak

Artikel 11

Er is een Sociaal-Economische Raad, hierna genoemd Raad.

2 De Raad heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.

3 De Raad is rechtspersoon.

Artikel 2

De Raad heeft, onverminderd de hem bij de vijfde titel van dit hoofdstuk opgedragen adviserende functie, tot taak een het algemeen belang dienende werkzaamheid van het bedrijfsleven te bevorderen, alsmede het belang van het bedrijfsleven en de daartoe behorende personen te behartigen.

Titel II

Van de samenstelling en inrichting

§ 1Algemene bepaling

Artikel 3

De Raad heeft een voorzitter, een dagelijks bestuur, een algemeen secretaris en, bij toepassing van artikel 19, een of meer commissies uit zijn midden.

§ 2Van de Raad

Artikel 41

De Raad bestaat uit ten minste dertig en ten hoogste vijf en veertig leden.

2 Van de leden worden ten minste twee derden benoemd door de door Ons aan te wijzen organisaties van ondernemers en van werknemers en de overige door Ons. Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking naar Ons oordeel algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van ondernemers en naar Ons oordeel algemeen erkende centrale organisaties van werknemers.

3 Voor elk lid kan tevens een plaatsvervanger worden benoemd.

4 Door organisaties van werknemers worden evenveel leden benoemd als door organisaties van ondernemers.

5 Door Ons wordt bepaald: a. het aantal leden van de Raad; b. het aantal leden, dat elke door Ons aangewezen organisatie kan benoemen.

6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de benoeming van de leden en hun plaatsvervangers.

7 De Raad wordt gehoord, alvorens Ons een voordracht tot aanwijzing van een organisatie, als bedoeld in het tweede lid, of tot een besluit, als bedoeld in het vijfde lid, wordt gedaan.

Artikel 51

Lid of plaatsvervangend lid van de Raad kunnen alleen zijn zij die niet van de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen zijn ontzet, noch van de uitoefening van het kiesrecht bij zodanige verkiezingen zijn uitgesloten.

2 Van het lidmaatschap zijn uitgesloten zij, die zijn ontzet van het recht ambten of bepaalde ambten te bekleden, dan wel bepaalde beroepen of functies uit te oefenen.

Artikel 61

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de Raad met andere werkzaamheden.

2 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 7

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ter verzekering van de naleving van het bepaalde in artikel 5 en de krachtens artikel 6 gestelde regelen.

Artikel 81

De leden van de Raad en hun plaatsvervangers treden om de twee jaren tegelijk af en kunnen terstond opnieuw worden benoemd.

2 De leden van de Raad en hun plaatsvervangers kunnen te allen tijde ontslag bekomen door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter van de Raad.

3 Hij, die tot lid of plaatsvervangend lid is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.

4 Hij, die in het geval van zeteluitbreiding tot lid of plaatsvervangend lid is benoemd, treedt tegelijk met de overige leden van de Raad en hun plaatsvervangers af op het tijdstip, genoemd in het eerste lid.

Artikel 9

De leden van de Raad en hun plaatsvervangers kunnen een vergoeding genieten volgens regelen, door de Raad bij verordening te stellen.

Artikel 10

De leden van de Raad en hun plaatsvervangers zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken- en bedrijfsgeheimen, welke zij in hun hoedanigheid vernemen, en voorts van alle aangelegenheden, ten aanzien waarvan de Raad of de voorzitter geheimhouding heeft opgelegd, of waarvan zij het vertrouwelijke karakter moeten begrijpen.

§ 3Van de voorzitter

Artikel 111

De voorzitter wordt door Ons uit de leden van de Raad benoemd en kan door Ons worden geschorst en ontslagen. De Raad wordt gehoord, alvorens Ons een voordracht tot benoeming of ontslag wordt gedaan.

2 De voorzitter heeft twee plaatsvervangers, die door de Raad uit zijn midden worden benoemd en door deze kunnen worden geschorst en ontslagen.

3 De benoeming van de plaatsvervangende voorzitters geschiedt in dier voege, dat uit elk van de groepen: leden, benoemd door organisaties van ondernemers, leden, benoemd door organisaties van werknemers, en overige leden, met uitzondering van de groep, waaruit de voorzitter is benoemd, een hunner wordt benoemd.

Artikel 121

De benoeming van de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters geschiedt telkens voor ten hoogste twee jaren. Zij zijn terstond weder benoembaar.

2 De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters kunnen te allen tijde als zodanig ontslag bekomen door een schriftelijke kennisgeving aan Ons, onderscheidenlijk aan de voorzitter.

Artikel 13

De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters van overeenkomstige toepassing.

§ 4Van het dagelijks bestuur

Artikel 141

Behoudens het bepaalde in het volgende lid benoemt de Raad uit zijn midden de leden van het dagelijks bestuur.

2 De voorzitter van de Raad is lid en voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters zijn lid van het dagelijks bestuur.

3 Het dagelijks bestuur wordt zodanig samengesteld, dat het een afspiegeling vormt van de samenstelling van de Raad.

Artikel 15

De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van het dagelijks bestuur van overeenkomstige toepassing.

§ 5Van het secretariaat

Artikel 161

De Raad heeft een secretariaat, dat bestaat uit een algemeen secretaris, een of meer secretarissen en ander personeel.

2 De algemeen secretaris en de secretarissen worden in dienst genomen en kunnen worden ontslagen door de Raad.

3 Het personeel is in dienst op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Artikel 171

De algemeen secretaris en de secretarissen kunnen noch zelf een onderneming drijven, noch in dienst zijn van een natuurlijke of rechtspersoon, die een onderneming drijft, noch enige andere functie ten behoeve van zulk een natuurlijke of rechtspersoon vervullen, tenzij naar het oordeel van de Raad daardoor een goede vervulling van hun functie niet wordt belemmerd. Onder onderneming wordt mede verstaan een bedrijf, waarmede niet wordt beoogd het maken van winst.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld omtrent de onverenigbaarheid van een functie bij het secretariaat met andere werkzaamheden.

3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ter verzekering van de naleving van het bepaalde in het eerste lid en de krachtens het tweede lid gestelde regelen.

Artikel 18

Artikel 10 is ten aanzien van het personeel van het secretariaat van overeenkomstige toepassing.

§ 6Van de commissies uit het midden van de Raad

Artikel 191

De Raad is bevoegd voor bepaalde onderwerpen commissies uit zijn midden in te stellen.

2 De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van deze commissies van overeenkomstige toepassing.

Titel III

Van de werkwijze

Artikel 20

De Raad vergadert niet, indien blijkens de presentielijst niet meer dan de helft van de zitting hebbende leden is opgekomen. Nadat tweemaal tot een vergadering is opgeroepen, zonder dat meer dan de helft van de zitting hebbende leden is opgekomen, wordt de daarna uitgeschreven vergadering gehouden, ongeacht het aantal opgekomen leden.

Artikel 21

De leden van de Raad zijn niet gerechtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergaderingen hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 22

De leden van de Raad stemmen zonder last of ruggespraak.

Artikel 23

De leden van de Raad onthouden zich van medestemmen over zaken, die hun, hun echtgenoten of hun geregistreerde partners of hun bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten, persoonlijk aangaan.

Artikel 241

Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping, over personen bij gesloten en ongetekende briefjes gestemd.

2 Indien bij het nemen van een besluit over een zaak geen der leden stemming vraagt, wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen.

Artikel 251

Een stemming is nietig, indien niet meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, die zich niet van medestemmen moeten onthouden, aan de stemming heeft deelgenomen.

2 Bij stemming over personen worden leden, die blanco briefjes hebben ingeleverd, voor de toepassing van dit artikel geacht aan de stemming te hebben deelgenomen.

3 In geval van een nietige stemming vindt in een volgende vergadering herstemming plaats. Deze is geldig, ongeacht het aantal leden, dat er aan heeft deelgenomen.

4 Een stemming, gehouden in een vergadering, als bedoeld in de tweede volzin van artikel 20, is geldig, ongeacht het aantal leden, dat aan de stemming heeft deelgenomen.

Artikel 261

Ieder lid kan één stem uitbrengen.

2 Voor de vaststelling van een verordening is een meerderheid van twee derden, voor het tot stand komen van een ander besluit de volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen vereist. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht.

Artikel 271

Bij staking van stemmen in een voltallige vergadering wordt, indien het zaken betreft, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen, en beslist, indien het personen betreft, het lot.

2 Bij staking van stemmen in een andere dan een voltallige vergadering wordt het nemen van een besluit tot een volgende vergadering uitgesteld, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. Indien de stemmen dan opnieuw staken, is het voorgaande lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 281

Onze Ministers zijn bevoegd de door de Raad en de commissies uit zijn midden te houden vergaderingen bij te wonen en zich daarin door een of meer door hen aan te wijzen personen te doen bijstaan, dan wel zich daarin door een of meer zodanige personen te doen vertegenwoordigen. Zowel zij als hun vertegenwoordigers hebben in deze vergaderingen een raadgevende stem.

2 Aan Onze Ministers wordt tijdig kennis gegeven van de in dat lid bedoelde vergaderingen.

Artikel 29

De artikelen 20 tot en met 27 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het dagelijks bestuur.

Artikel 30

De Raad vraagt de adviezen, welke hij voor de vervulling van zijn taak nodig acht.

Artikel 31

De Raad kan bij verordening nadere regelen stellen betreffende zijn werkwijze.

Titel IV

Van de vervulling van de taak

Artikel 321

De Raad maakt ten aanzien van de onderwerpen, waarvan de regeling of nadere regeling bij de wet aan hem is overgelaten, de verordeningen, die hij ter vervulling van zijn in artikel 2 omschreven taak nodig oordeelt.

2 Bij deze verordeningen kunnen overtredingen van het bij of krachtens haar bepaalde worden aangewezen als strafbare feiten.

Artikel 33

De wet bepaalt, voor wie de verordeningen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, bindende regelen kunnen inhouden.

Artikel 34Vervallen

Artikel 35

De Raad kan met betrekking tot de vervulling van zijn in artikel 2 omschreven taak, bij verordening zijn bevoegdheden - met uitzondering van de bevoegdheid tot het maken van verordeningen en die tot het vaststellen ingevolge artikel 52, derde lid, van het bedrag der inkomsten en uitgaven -, delegeren aan de voorzitter, het dagelijks bestuur of een commissie uit zijn midden.

Artikel 36

De Raad verleent de bij of krachtens een wet tot uitvoering daarvan gevorderde medewerking. Tot de gevorderde medewerking kan mede behoren het stellen van nadere regelen bij verordening.

Artikel 37

Tenzij het voorschrift, waarbij de medewerking wordt ingeroepen, anders bepaalt, kan de Raad bij verordening zijn bevoegdheden, voortvloeiend uit de gevorderde medewerking, met uitzondering van het stellen van nadere regelen bij verordening, delegeren aan een commissie uit zijn midden.

Artikel 381

Tenzij naar zijn oordeel dringende redenen zich daartegen verzetten, geeft de Raad kennis van de ontwerpen van verordeningen welke algemeen bindende regelen inhouden, in de Staatscourant en geeft hij gedurende vier weken gelegenheid daartegen schriftelijk bedenkingen aan te voeren.

2 Over de vaststelling van verordeningen beraadslaagt en beslist de Raad in het openbaar.

3 Verordeningen als bedoeld in het eerste lid behoeven de goedkeuring van Onze betrokken Ministers.

Artikel 38aVervallen

Artikel 39

De voorzitter vertegenwoordigt de Raad in en buiten rechte.

Artikel 40

De Raad dient desgevraagd Onze Ministers van bericht over alle aangelegenheden de Raad betreffende.

Titel V

Van de adviezen van de Raad

Artikel 41

De Raad adviseert op schriftelijk verzoek van Onze Ministers of van een van beide Kamers der Staten-Generaal en kan Onze Ministers uit eigen beweging adviseren over de uitvoering van deze wet en andere aangelegenheden van sociale of economische aard. Indien Onze Ministers de Raad advies vragen, geven zij daarbij aan binnen welke termijn het advies wordt verwacht. Artikel 20, tweede, vijfde en zesde lid, alsmede artikel 23, van de Kaderwet adviescolleges is voor de toepassing van deze titel niet van toepassing.

Artikel 421

De Raad kan commissies, waarin ook personen buiten de Raad zitting kunnen hebben, instellen ter voorbereiding van door hem uit te brengen adviezen.

2 De artikelen 9, 10 en 28 zijn ten aanzien van deze commissies van overeenkomstige toepassing.

Artikel 431

In afwijking van de Kaderwet adviescolleges stelt de Raad, op verzoek van Onze betrokken Ministers, commissies ter behandeling van bepaalde onderwerpen in. De samenstelling van deze commissies, waarin ook personen buiten de Raad zitting kunnen hebben, geschiedt in overleg met Onze Ministers.

2 De Raad legt desgevraagd bij zijn advies dat van een overeenkomstig het voorgaande lid ingestelde commissie over.

3 Indien Onze betrokken Ministers het advies van een zodanige commissie hebben gevraagd, brengt zij dit rechtstreeks aan hen uit. Van het advies wordt kennis gegeven aan de Raad.

4 De artikelen 9, 10 en 28 zijn ten aanzien van deze commissies van overeenkomstige toepassing.

Artikel 44

De Raad kan de commissies, bedoeld in de artikelen 42 en 43, machtigen namens hem van advies te dienen. Zodanige machtiging wordt niet verleend voor een op verzoek van een Onzer Ministers uit te brengen advies, waarvan deze bepaaldelijk heeft verzocht, dat het door de Raad zelf wordt uitgebracht.

Artikel 451

De adviezen van de Raad en zijn commissies worden opgesteld overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid der vergadering.

2 In de adviezen wordt van afwijkende gevoelens van de minderheid desverlangd melding gemaakt.

3 De leden zijn bevoegd minderheidsnota’s bij het advies te voegen, indien het daarin uitgesproken gevoelen is verdedigd in de vergadering, waarin het uit te brengen advies werd behandeld.

Titel VI

Van de geldmiddelen

§ 1Van de begroting

Artikel 461

Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks voor 1 October aan de Raad een begroting der inkomsten en uitgaven in het komende kalenderjaar aan, vergezeld van de nodige toelichting en bescheiden.

2 De begroting wordt, zodra zij is aangeboden, ten kantore van het secretariaat voor een ieder ter lezing nedergelegd en, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

3 Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving, welke tenminste twee weken voorafgaat aan de behandeling der begroting in de Raad.

Artikel 47

De begroting wordt vastgesteld door de Raad en behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 481

De door de Raad vastgestelde begroting wordt Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor 15 November ter goedkeuring aangeboden.

2 Indien zij niet voor de aanvang van het jaar, waarvoor zij moet dienen, is goedgekeurd, kan de Raad door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden gemachtigd uitgaven te doen uit die posten, alsmede die inkomsten te innen, waartegen bij Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geen bedenking bestaat.

Artikel 491

Indien de Raad weigert de hem bij de wet opgelegde uitgaven op de begroting te brengen, geschiedt dit door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2 Indien in dat geval de geraamde inkomsten niet toereikend zijn en de Raad weigert nieuwe middelen tot dekking voor te dragen, worden de overige niet bij de wet aan de Raad opgelegde uitgaven door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zodanige reden verminderd, dat tussen de inkomsten en uitgaven evenwicht is.

Artikel 50Vervallen

§ 2Van het beheer en de rekening en verantwoording

Artikel 51

Het dagelijks bestuur beheert het vermogen en de inkomsten en uitgaven van de Raad, met dien verstande, dat de Raad ter zake bij verordening regelen kan stellen.

Artikel 521

Het dagelijks bestuur doet aan de Raad rekening en verantwoording van het beheer over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de rekening der inkomsten en uitgaven.

2 De jaarrekening wordt, met alle daarbij behorende bescheiden en met vermelding van hetgeen het dagelijks bestuur tot zijn verantwoording dienstig acht, aan de Raad overgelegd voor 1 april van het jaar volgend op het jaar, waarop zij betrekking heeft. Zij wordt ten kantore van het secretariaat voor een ieder ter lezing nedergelegd en, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving, welke ten minste twee weken voorafgaat aan de beraadslagingen, bedoeld in het vierde lid.

3 De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de Raad aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring heeft mede betrekking op de rechtmatige verkrijging en besteding van de middelen.

4 De Raad onderzoekt de rekening en stelt het bedrag der inkomsten en uitgaven vast. De beraadslagingen en de stemming geschieden in het openbaar. De leden van het dagelijks bestuur kunnen bij de beraadslagingen tegenwoordig zijn, doch onthouden zich van medestemmen.

5 Het besluit van de Raad tot vaststelling van de jaarrekening behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 53

De Raad is verplicht aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de door hem aangewezen deskundigen alle door hen met betrekking tot de inkomsten en uitgaven gevraagde inlichtingen te verstrekken en desgevraagd inzage in de boeken te geven.

§ 3Middelen

Artikel 541

De middelen ter dekking van uitgaven van de Raad, voor zover die niet door andere inkomsten worden gedekt, komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen.

2 De Raad stelt in de begroting het bedrag dat ten laste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds, vast.

3 De Raad verstrekt voor 1 juli van het kalenderjaar, voorafgaande aan het jaar waar de begroting betrekking op heeft, een raming van de inkomsten en uitgaven van de Raad aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

4 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld voor dit artikel.

Artikel 551

De Raad kan beschikken over de financiële middelen in de rekening-courant die de Raad aanhoudt bij Onze Minister van Financiën.

2 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere regels worden gesteld voor dit artikel.

Titel VII

Van het toezicht op de Raad

Artikel 561

Indien een verordening of een ander besluit van de Raad Onze goedkeuring of die van Onze betrokken ministers behoeft, kan de goedkeuring worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

2 Het niet tijdig bekendmaken van een besluit omtrent goedkeuring of een besluit tot verdaging van goedkeuring heeft niet tot gevolg dat een besluit tot goedkeuring geacht wordt te zijn genomen.

Artikel 57Vervallen

Artikel 58

De besluiten van de Raad, de voorzitter, het dagelijks bestuur en de commissies uit het midden van de Raad kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd.

Artikel 59

Het koninklijk besluit tot vernietiging of tot schorsing, dan wel tot verlenging of opheffing van een schorsing wordt in het Staatsblad geplaatst.

Artikel 60Vervallen

Artikel 61Vervallen

Artikel 62Vervallen

Artikel 63Vervallen

Artikel 64Vervallen

Artikel 651

De Raad brengt jaarlijks voor 1 april aan Onze Ministers verslag uit omtrent zijn werkzaamheden en die van de commissies, bedoeld in de artikelen 19, 42 en 43, in het afgelopen kalenderjaar.

2 Het verslag wordt, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

3 De Raad houdt het verslag gedurende ten minste twee jaren op elektronische wijze ter inzage.

Tweede hoofdstuk Van de bedrijfslichamen

Titel I

Van de instelling en de taak

Artikel 66Vervallen

Artikel 67Vervallen

Artikel 68Vervallen

Artikel 69Vervallen

Artikel 70Vervallen

Artikel 70A

Vervallen

Artikel 71Vervallen

Titel II

Van de samenstelling en inrichting

§ 1Algemene bepaling

Artikel 72Vervallen

§ 2Van het bestuur

Artikel 73Vervallen

Artikel 74Vervallen

Artikel 75Vervallen

Artikel 76Vervallen

Artikel 77Vervallen

§ 3Van de voorzitter

Artikel 78Vervallen

Artikel 79Vervallen

Artikel 80Vervallen

Artikel 81Vervallen

Artikel 82Vervallen

Artikel 83Vervallen

§ 4Van het dagelijks bestuur

Artikel 84Vervallen

Artikel 85Vervallen

§ 5Van het secretariaat

Artikel 86Vervallen

Artikel 87Vervallen

§ 6

Van de commissies uit het midden van het bestuur en van de andere organen, bedoeld in artikel 72, eerste lid

Artikel 88Vervallen

Artikel 88aVervallen

Titel III

Van de werkwijze der organen

Artikel 89Vervallen

Artikel 90Vervallen

Artikel 91Vervallen

Artikel 92Vervallen

Artikel 92aVervallen

Titel IV

Van de vervulling van de taak

Artikel 93Vervallen

Artikel 94Vervallen

Artikel 95Vervallen

Artikel 96Vervallen

Artikel 97Vervallen

Artikel 98Vervallen

Artikel 99Vervallen

Artikel 100Vervallen

Artikel 101Vervallen

Artikel 102Vervallen

Artikel 103Vervallen

Artikel 104Vervallen

Artikel 105Vervallen

Artikel 106Vervallen

Artikel 106aVervallen

Artikel 107Vervallen

Artikel 108Vervallen

Titel V

Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van belangen van bedrijfslichamen

Artikel 109Vervallen

Artikel 110Vervallen

Artikel 111Vervallen

Artikel 112Vervallen

Artikel 113Vervallen

Artikel 114Vervallen

Artikel 115Vervallen

Artikel 116Vervallen

Artikel 117Vervallen

Titel VI

Van de geldmiddelen

§ 1Van de begroting

Artikel 118Vervallen

Artikel 119Vervallen

Artikel 120Vervallen

Artikel 121Vervallen

Artikel 122Vervallen

Artikel 122aVervallen

§ 2Van het beheer en de rekening en verantwoording

Artikel 123Vervallen

Artikel 124Vervallen

Artikel 125Vervallen

Artikel 125aVervallen

§ 3Van de inkomsten

Artikel 126Vervallen

Artikel 127Vervallen

Artikel 127aVervallen

Titel VII

Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 128Vervallen

Artikel 128aVervallen

Artikel 129Vervallen

Artikel 130Vervallen

Artikel 131Vervallen

Artikel 132Vervallen

Artikel 133Vervallen

Artikel 134Vervallen

Artikel 135Vervallen

Artikel 136Vervallen

Artikel 137Vervallen

Artikel 137aVervallen

Derde hoofdstuk Slotbepalingen

Artikel 138

Voor oprichting van of deelneming in andere rechtspersonen behoeft de Raad de toestemming van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 139

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties draagt zorg voor de elektronische toegankelijkheid van de teksten van verordeningen die op grond van artikel 106a van deze wet, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het is vervallen, in geconsolideerde vorm voor een ieder beschikbaar zijn gesteld door middel van plaatsing op internet.

Artikel 140

Het beroep tegen besluiten en handelingen van de Raad wordt door de wet geregeld.

Artikel 142Vervallen

Artikel 143Vervallen

Artikel 144Vervallen

Artikel 145Vervallen

Artikel 146Vervallen

Artikel 147Vervallen

Artikel 148Vervallen

Artikel 149Vervallen

Artikel 150Vervallen

Artikel 151Vervallen

Artikel 152Vervallen

Artikel 153Vervallen

Artikel 154Vervallen

Artikel 155Vervallen

Artikel 156Vervallen

Artikel 157Vervallen

Artikel 158Vervallen

Artikel 159Vervallen

Artikel 160Vervallen

Artikel 161Vervallen

Artikel 162

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet.

Artikel 163

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Sociaal-Economische Raad.

Artikel 164Vervallen

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk 27 Januari 1950.

JULIANA De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, W. DREES.

De Minister van Economische Zaken, VAN DEN BRINK.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, W. C. L. VAN DER GRINTEN.

De Minister van Sociale Zaken, A. M. JOEKES.

De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening a.i., VAN DEN BRINK.

De Minister van Justitie, WIJERS.

De Minister van Binnenlandse Zaken TEULINGS.

De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, TH. RUTTEN.

De Minister van Financiën, P. LIEFTINCK.

De Minister van Oorlog, SCHOKKING.

De Minister van Marine, SCHOKKING.

De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, J. IN 'T VELD.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, D. G. W. SPITZEN de veertiende Februari 1950.

De Minister van Justitie, WIJERS.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.