Samenvatting
Dit Koninklijk Besluit van 24 maart 1951 verhoogt de uitkeringen die zijn verleend krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (Staatsblad 1948, I 543) met een toeslag, zowel over 1950 als vanaf 1 januari 1951.
Wat het regelt
- Een ambtshalve toeslag op bestaande uitkeringen aan niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht.
- De hoogte van de toeslag, gestaffeld naar de hoogte van de uitkering.
- De samenloop met een bijzondere toeslag krachtens de wet van 9 november 1950 (Staatsblad K 502).
- Een extra-toeslag ter hoogte van de kindertoelage, met verrekening van kinderbijslag.
Voor wie geldt dit
- Militairen, mindere geemployeerden, werklieden of bedienden die hebben behoord tot of werkzaam zijn geweest bij een inrichting van de Koninklijke landmacht of de zeemacht en een uitkering krachtens genoemde regeling genieten.
- De Minister van Oorlog of van Marine, die de toeslag toekent al naar gelang de betrokkene tot de landmacht of de zeemacht behoorde.
Kernpunten
- Over 1950: ambtshalve verhoging met een toeslag van f 50,- per jaar, mits het recht op de uitkering op 1 januari 1950 niet was vervallen.
- Vanaf 1 januari 1951 bedraagt de toeslag per jaar: tot f 251,- : 30% van de uitkering; van f 251,- tot f 376,- : f 75,-; van f 376,- tot f 751,- : 20% van de uitkering; van f 751,- tot f 1500,- : f 150,-.
- De procentuele toeslagen worden naar boven afgerond tot volle guldens.
- Bij samenloop met de bijzondere toeslag (Staatsblad K 502) bestaat slechts aanspraak voor zover de toeslag meer bedraagt dan die bijzondere toeslag.
- De toeslag wordt slechts genoten over de tijdvakken waarover ook de uitkering wordt genoten.
- Uitkering en toeslag worden als een eenheid beschouwd.
- Het besluit treedt in werking op de tweede dag na dagtekening van het Staatsblad waarin het is geplaatst.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.