Dit Koninklijk Besluit van 16 maart 1951 geeft uitvoering aan het vijfde hoofdstuk van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en bepaalt welke gegevens en bewijsstukken bij een aanvraag om buitengewoon pensioen moeten worden overgelegd.
Besluit van 16 maart 1951, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, en 46 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Besluit tot uitvoering van het vijfde hoofdstuk der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Financiën en van Sociale Zaken van 18 Januari 1951, afdeling Maatschappelijke Zorg II, bureau 4, No. 30162; Gelet op de artikelen 3 en 46 van de "Wet buitengewoon pensioen 1940-1945" (Staatsblad 1947, No. H 313); Gezien de adviezen van de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 6 Februari 1951, No. 26); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 14 Maart 1951, afdeling Maatschappelijke Zorg II, bureau 4, No. 32430; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: de wet: de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1986, 575); de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen; de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; pensioen: buitengewoon pensioen te verlenen krachtens de wet; deelnemer: de deelnemer aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet, alsmede degene die behoort tot een van de categorieën van personen, bedoeld in artikel 1, tweede lid, der wet; gewezen echtgenote: de vrouw, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet; gewezen echtgenoot: de man, bedoeld in artikel 14, vierde lid, eerste volzin, onder b, van de wet. Artikel 2 Bij een aanvrage om in het genot te worden gesteld van pensioen behoren te worden overgelegd: 1. de gegevens, nodig voor het vaststellen van de pensioengrondslag van de deelnemer. Deze gegevens, waarvan de juistheid met bewijsstukken gestaafd dan wel op andere wijze aangetoond dient te worden, worden verstrekt op een daartoe door de Raad vastgesteld formulier; 2. een extract uit het geboortenregister betreffende de deelnemer. Artikel 3 Bij een aanvrage om in het genot te worden gesteld van pensioen als bedoeld in artikel 4 der wet (deelnemer) worden bovendien overgelegd: 1. een verklaring van de deelnemer, houdende mededelingen omtrent het ontstaan dan wel de verergering van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, op grond waarvan hij aan de wet recht op pensioen meent te kunnen ontlenen; 2. een opgave van de inkomsten uit arbeid of bedrijf en/of uit vermogen van hem, die aanspraak op toekenning van pensioen meent te kunnen doen gelden, geschat per jaar naar de toestand op het tijdstip van indiening van de aanvrage. Artikel 4 Bij een aanvrage om in het genot te worden gesteld van pensioen als bedoeld in artikel 14, eerste en tweede lid, der wet (de weduwe onderscheidenlijk de gewezen echtgenote van een deelnemer) dan wel artikel 14, vierde lid, der wet (de weduwnaar of de gewezen echtgenoot van de vrouwelijke deelnemer) worden bovendien overgelegd: 1. een extract uit het register van huwelijken en echtscheidingen afgegeven nà het overlijden van de deelnemer, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente, waar het huwelijk voltrokken is of is ingeschreven; 2. een extract uit het overlijdensregister betreffende de deelnemer; 3. een extract uit het geboortenregister betreffende degene die aanspraak maakt op pensioen; 4. een opgave van de inkomsten uit arbeid of bedrijf en/of uit vermogen van degene, die aanspraak op toekenning van pensioen meent te kunnen doen gelden, geschat per jaar naar de toestand op het tijdstip van indiening van de aanvrage. Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Bij een aanvrage om pensioen ten behoeve van de wettige kinderen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a, en tweede lid, der wet worden bovendien overgelegd: 1. de in artikel 4, onder 1 en 2, vermelde stukken, voorzover die niet reeds zijn overgelegd ingevolge het bepaalde in dat artikel; 2. extracten uit het geboortenregister betreffende die kinderen; 3. zo mogelijk een gewaarmerkt afschrift van de akte van benoeming tot en beëdiging als voogd(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.