← Nederland

Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris

Samenvatting

Deze wet van 25 januari 1951 treft nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris, en regelt hoe de bevoegdheden en verplichtingen van departementshoofden op hen van toepassing zijn.

Wat het regelt

Voor wie geldt dit

Kernpunten

Wettekst

Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris Wet voorzieningen in verband met ambten van mi

nister zonder portefeuille en van staatssecretaris Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige nadere voorzieningen te treffen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I Algemene bepalingen Artikel 1 De bevoegdheden en verplichtingen, bij of krachtens de wet aan hoofden der ministeriële departementen in het algemeen verleend, onderscheidenlijk opgelegd, komen mede toe aan, onderscheidenlijk rusten mede op Onze ministers zonder portefeuille, en de staatssecretarissen, voorzover deze overeenkomstig de Grondwet als minister optreden. Artikel 2 De bevoegdheden en verplichtingen, bij of krachtens de wet aan een hoofd van een ministerieel departement in het bijzonder verleend, onderscheidenlijk opgelegd, komen mede toe aan, onderscheidenlijk rusten mede op een staatssecretaris bij dat departement, voorzover hij overeenkomstig de Grondwet als minister optreedt. Artikel 3 Onverminderd de overige gevallen, waarin de minister, voor wiens departement een staatssecretaris is benoemd, het nodig acht, dat de staatssecretaris in zijn plaats optreedt, maakt de minister in de Nederlandse Staatscourant bekend, met welke taak de staatssecretaris meer in het bijzonder zal zijn belast. Artikel 4 Buiten de gevallen van de artikelen 1 en 2 worden ministers zonder portefeuille en staatssecretarissen voor de toepassing of overeenkomstige toepassing van bij of krachtens de wet gestelde bepalingen met hoofden van ministeriële departementen gelijkgesteld. Titel II Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen § 1 Het salaris Artikel 5 Artikel 4 is niet van toepassing op de bezoldiging van staatssecretarissen. § 2 Het wachtgeld Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen § 3 Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen Artikel 25 Vervallen Artikel 26 Vervallen Artikel 27 Vervallen Artikel 28 Vervallen Artikel 29 Vervallen § 4 Algemene bepaling Artikel 30 Vervallen Titel III Slotbepaling Artikel 31 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na die harer afkondiging en heeft terugwerkende kracht tot 1 Januari 1949. Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven te 's-Gravenhage 25 Januari 1951. JULIANA. De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, W. DREES. De Minister zonder Portefeuille, J. R. H. VAN SCHAIK. De Minister van Binnenlandse Zaken, TEULINGS. De Minister van Buitenlandse Zaken, STIKKER. De Minister van Justitie, STRUYCKEN. De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, TH. RUTTEN. De Minister van Oorlog, H. L. s'JACOB. De Minister van Marine, H. L. s'JACOB. De Minister van Financiën, P. LIEFTINCK. De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, IN 'T VELD. De Minister van Verkeer en Waterstaat, D. G. W. SPITZEN. De Minister van Economische Zaken, VAN DEN BRINK. De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, MANSHOLT. De Minister van Sociale Zaken, A. M. JOEKES. De Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, J. H. VAN MAARSEVEEN. De Minister zonder Portefeuille, GÖTZEN. de negen en twintigste Januari 1951. De Minister van Justitie, STRUYCKEN.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.