Samenvatting
Deze wet van 25 januari 1951 treft nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris, en regelt hoe de bevoegdheden en verplichtingen van departementshoofden op hen van toepassing zijn.
Wat het regelt
- De toepassing van de wettelijke bevoegdheden en verplichtingen van hoofden van ministeriele departementen op ministers zonder portefeuille en staatssecretarissen.
- De bekendmaking van de bijzondere taak van een staatssecretaris.
- De gelijkstelling van deze ambtsdragers met departementshoofden voor de toepassing van wettelijke bepalingen.
Voor wie geldt dit
- Ministers zonder portefeuille.
- Staatssecretarissen, voor zover zij overeenkomstig de Grondwet als minister optreden.
- De minister voor wiens departement een staatssecretaris is benoemd.
Kernpunten
- De algemene bevoegdheden en verplichtingen van departementshoofden komen mede toe aan, onderscheidenlijk rusten mede op ministers zonder portefeuille en staatssecretarissen die overeenkomstig de Grondwet als minister optreden.
- Bijzondere, aan een bepaald departementshoofd verleende bevoegdheden komen mede toe aan een staatssecretaris bij dat departement, voor zover hij als minister optreedt.
- De minister maakt in de Nederlandse Staatscourant bekend met welke taak de staatssecretaris meer in het bijzonder is belast.
- Buiten deze gevallen worden ministers zonder portefeuille en staatssecretarissen voor de toepassing van wettelijke bepalingen met departementshoofden gelijkgesteld.
- De gelijkstelling geldt niet voor de bezoldiging van staatssecretarissen.
- De wet treedt in werking op de dag na haar afkondiging en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 1949.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.