Deze wet van 13 oktober 1950 regelt in hoeverre de Nederlandse Staat en andere publiekrechtelijke lichamen aansprakelijk of gebonden zijn voor handelingen die tijdens of ten gevolge van de Duitse bezetting (1940-1945) zijn verricht. Het uitgangspunt is dat de overheid niet gebonden is aan verplichtingen die voortvloeiden uit maatregelen van de bezetter, tenzij die maatregelen daadwerkelijk dienden voor het herstel of de handhaving van de openbare orde en het openbare leven.
De wet bepaalt dat de Staat niet gebonden is aan overeenkomsten die in bezet gebied zijn gesloten, niet aansprakelijk is voor schadeloosstelling wegens vordering of onteigening, en niet gehouden is tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen, indien de rechter (bedoeld in artikel 7) verklaart dat deze handelingen niet rechtstreeks voortvloeiden uit de plicht van de bezetter tot handhaving van de openbare orde. Een uitzondering geldt voor geldleningen die blijken uit een schuldbrief aan toonder of uit inschrijving in een Grootboek der Nationale Schuld. De rechter beoordeelt per geval het karakter van de betrokken bezettingshandeling.
De wet geldt voor de Staat en overige publiekrechtelijke lichamen, en raakt burgers, bedrijven en schuldeisers die tijdens de bezetting overeenkomsten sloten met of vorderingen hadden op de overheid.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.