De Pleegkinderenwet van 21 december 1951 treft voorzieningen voor het toezicht op de verzorging en opvoeding van pleegkinderen. Zij beoogt kinderen te beschermen die worden opgevoed door anderen dan hun eigen ouders, voogd of naaste bloed- en aanverwanten.
De wet definieert het begrip 'pleegkind': een door aspirant-adoptiefouders opgenomen buitenlands kind (als bedoeld in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie), dan wel een minderjarige die wordt verzorgd en opgevoed bij anderen dan zijn ouders, voogd of bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad. Uitgezonderd zijn minderjarigen op wie krachtens een andere wet reeds toezicht wordt uitgeoefend, of die in een inrichting verblijven die al onder ander toezicht valt of daarvan is vrijgesteld. De wet regelt het toezicht, onder meer door ambtenaren van de raad voor de kinderbescherming, en legt verplichtingen op aan pleegouders en aan hoofden (bestuurders, ondernemers en beheerders) van inrichtingen.
De wet geldt voor pleegouders, aspirant-adoptiefouders van buitenlandse kinderen, en hoofden van inrichtingen waar pleegkinderen worden verzorgd, alsmede voor de raad voor de kinderbescherming die het toezicht uitoefent.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.