Deze wet van 23 oktober 1952 geeft een nadere regeling voor de sluiting van de oude scheepsboekhouding die werd aangehouden krachtens het Koninklijk besluit van 21 juni 1836 (Stb. 41). Zij regelt de afwikkeling van oude voorrangsrechten op schepen die nog in deze verouderde boekhouding stonden.
De wet bepaalt dat wanneer aan een vordering een recht van voorrang is verbonden op grond van een pand- of verbandbrief ten laste van een schip in de oude scheepsboekhouding, en de eigenaar niet aan zijn wettelijke verplichtingen heeft voldaan noch binnen zes maanden een verklaring van eigendom in het scheepsregister heeft laten overschrijven, de vordering zes maanden na inwerkingtreding opeisbaar wordt en het recht van voorrang een jaar na inwerkingtreding vervalt. In afwijking daarvan blijft het voorrangsrecht in acht genomen bij verdeling van een executieopbrengst, vereffening van een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap of faillissement, indien het beslag, de nalatenschap of het faillissement dateert van vóór het verstrijken van dat jaar.
De wet geldt voor scheepseigenaren en voor schuldeisers met voorrangsrechten (pand- of verbandbrieven) op schepen die in de oude scheepsboekhouding waren opgenomen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.