De Stoomwet van 25 maart 1953 regelt het toezicht op het gebruik van stoom- en damptoestellen. Zij vervangt de oudere wet van 1896 en beoogt de veiligheid bij het gebruik van toestellen die onder druk staande stoom of damp bevatten te waarborgen.
De wet definieert de betrokken toestellen: 'toestellen' (waarin damp of vloeistof onder hogere druk dan de dampkring aanwezig kan zijn), 'stoomketels', 'stoomtoestellen', 'dampketels', 'damptoestellen' en 'toebehoren' (middelen voor veilig gebruik). Zij voorziet in voorschriften en toezicht op het gebruik van deze toestellen, waaronder keuringen en veiligheidseisen die bij of krachtens de wet worden vastgesteld. Doel is ongevallen door ontploffing of falen van stoom- en damptoestellen te voorkomen.
De wet geldt voor eigenaren en gebruikers van stoom- en damptoestellen, met name in industriële en bedrijfsmatige omgevingen, en voor de instanties die het toezicht en de keuringen uitvoeren.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.