Dit Koninklijk Besluit van 2 maart 1953 stelt een premieregeling vast voor sergeanten en korporaals die een verbintenis van een jaar bij het reserve-personeel van de Koninklijke Landmacht zijn aangegaan. Het voorziet in een financiële uitkering als beloning voor het vervullen van de verbintenis.
Het besluit bepaalt dat een militair met de rang van sergeant, korporaal der eerste klasse, korporaal of gelijkgestelde rang, die een voor ten minste zes maanden gesloten verbintenis (als omschreven in het Besluit verbintenissen reserve-personeel) volledig heeft volbracht, of buiten eigen schuld niet volledig heeft kunnen volbrengen en daarvan is ontheven, voor elke maand werkelijke dienst aanspraak heeft op een geldelijke uitkering (premie), tot ten hoogste achtenveertig maanden. Het besluit definieert het begrip 'maand' en is gebaseerd op de Militaire Ambtenarenwet 1931 en de Wet voor het reserve-personeel der landmacht 1905.
Het besluit geldt voor onderofficieren en korporaals (en gelijkgestelden) van het reserve-personeel van de Koninklijke Landmacht die een verbintenis van ten minste zes maanden zijn aangegaan.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.