De Wet beschikbaarheid goederen van 10 juli 1952 stelt maatregelen mogelijk om te verzekeren dat goederen beschikbaar blijven in geval van oorlog, oorlogsgevaar of daarmee verband houdende buitengewone omstandigheden. Zij geeft de regering bevoegdheden om over goederen te beschikken ter voorbereiding op noodsituaties.
De wet definieert 'goederen' (in de zin van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek), 'rechthebbenden' (personen en lichamen met een recht op, of bezitter/houder van een goed) en 'bevel'. Iedere minister is, indien naar zijn oordeel noodzakelijk om goederen beschikbaar te houden, bevoegd om aan rechthebbenden bij algemeen of bijzonder bevel verplichtingen op te leggen: bijvoorbeeld geen (bepaalde) veranderingen aan te brengen aan een goed, de toestand, plaats of gebruikswijze ervan, zonder vergunning. De wet biedt daarmee een instrumentarium om voorraden en essentiële goederen veilig te stellen.
De wet geldt voor rechthebbenden op goederen (personen en bedrijven) aan wie bevelen kunnen worden opgelegd, en voor de ministers die deze bevoegdheden uitoefenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.