Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

Waar gaat deze regeling over?

De Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie van 16 september 1954 regelt het beroep tegen besluiten en handelingen van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties. Zij stelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven in als de bevoegde rechter.

Voor wie: De wet geldt voor ondernemingen, ondernemers en anderen die in beroep willen gaan tegen besluiten van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties, en voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
33
Bron
wetten.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

De wet stelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven in, gevestigd te 's-Gravenhage, en regelt de samenstelling ervan met leden die met rechtspraak zijn belast (senior raadsheren, raadsheren en raadsheren-plaatsvervangers) en gerechtsambtenaren. Zij verklaart delen van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing op het College en regelt het bestuur ervan. Daarmee vormt zij het procesrechtelijke kader waarbinnen belanghebbenden kunnen opkomen tegen besluiten van bedrijfslichamen en andere organen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie.

Voor wie geldt deze regeling?

De wet geldt voor ondernemingen, ondernemers en anderen die in beroep willen gaan tegen besluiten van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties, en voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Wat zijn de kernpunten?

  • Regeling van het beroep tegen besluiten van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties.
  • Instelling van het College van Beroep voor het bedrijfsleven ('s-Gravenhage).
  • Samenstelling met raadsheren en gerechtsambtenaren.
  • Overeenkomstige toepassing van delen van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (33)
  1. Artikel 1 Vervallen
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3 1
  4. Artikel 4
  5. Artikel 4a
  6. Artikel 5 1
  7. Artikel 5a
  8. Artikel 6
  9. Artikel 7
  10. Artikel 8 Vervallen
  11. Artikel 9 Vervallen
  12. Artikel 10 Vervallen
  13. Artikel 11 Vervallen
  14. Artikel 12 Vervallen
  15. Artikel 13 Vervallen
  16. Artikel 14 Vervallen
  17. Artikel 15 Vervallen
  18. Artikel 16 Vervallen
  19. Artikel 17 Vervallen
  20. Artikel 18 Vervallen
  21. Artikel 19 Vervallen
  22. Artikel 20 Vervallen
  23. Artikel 21 Vervallen
  24. Artikel 22 Vervallen
  25. Artikel 23 Vervallen
  26. Artikel 24 Vervallen
  27. Artikel 25 Vervallen
  28. Artikel 26 Vervallen
  29. Artikel 27 Vervallen
  30. Artikel 28 Vervallen
  31. Artikel 29 Vervallen
  32. Artikel 30 Vervallen
  33. Artikel 31

Wet van 16 september 1954, houdende administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te geven omtrent het beroep tegen besluiten en handelingen van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Titel I

Algemene bepaling

Artikel 1Vervallen

Titel II

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven

Artikel 2

Er is een College van Beroep voor het bedrijfsleven, verder te noemen het College, gevestigd te 's-Gravenhage.

Artikel 31

Bij het College zijn werkzaam: a. leden met rechtspraak belast, en b. gerechtsambtenaren.

2 De leden met rechtspraak belast, werkzaam bij het College zijn: a. senior raadsheren; b. raadsheren; c. raadsheren-plaatsvervangers.

Artikel 4

Het bepaalde bij en krachtens de afdelingen 1, 1A, 2 en 6 van hoofdstuk 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie is, met uitzondering van de artikelen 2, 3, 9, 11, 20, tweede lid, 21, 21b, 21c en 23a, van overeenkomstige toepassing op het College, met dien verstande dat: a. het bestuur bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter, waarbij geldt dat twee leden, waaronder de voorzitter, leden met rechtspraak belast van het College als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a of b, zijn; b. de voorzitter onderscheidenlijk het andere rechterlijk lid gedurende zijn benoemingsduur als voorzitter onderscheidenlijk ander rechterlijk lid, in plaats van zijn salaris overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de artikelen 1ab en 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen salaris behorende bij de vervulling van de functie van voorzitter onderscheidenlijk ander rechterlijk lid ontvangt; c. de voorzitter onderscheidenlijk het andere rechterlijk lid na het verstrijken van een benoemingsduur van ten minste zes aaneengesloten jaren, met ingang van de datum waarop hij zijn werkzaamheden als zodanig beëindigt, gedurende drie jaren een toelage ontvangt op het salaris dat hij overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de artikelen 1ab en 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren geniet, waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen dat salaris en de bij algemene maatregel van bestuur voor de functie van voorzitter onderscheidenlijk ander rechterlijk lid vast te stellen salarishoogte; d. bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het salaris van de leden van het bestuur en de onkostenvergoeding van de voorzitter en het andere rechterlijk lid; e. de griffie alle werkdagen gedurende ten minste zes uren per dag is geopend; f. de voorzitter en het andere rechterlijk lid tevens staatsraad of staatsraad in buitengewone dienst kunnen zijn; g. de voorzitter en het andere rechterlijk lid van het bestuur niet tevens lid kunnen zijn van het bestuur van een rechtbank, het bestuur van een gerechtshof of het bestuur van de Centrale Raad van Beroep, behoudens het geval van tijdelijke waarneming, en het niet-rechterlijk lid van het bestuur, naast het geval van tijdelijke waarneming, slechts in bijzondere gevallen tevens lid kan zijn van het bestuur van één rechtbank, het bestuur van één gerechtshof of het bestuur van de Centrale Raad van Beroep.

Artikel 4a

Het College vormt en bezet op voorstel van de president grote kamers. Deze bestaan uit vijf leden, van wie een als voorzitter optreedt.

Artikel 51

Op de leden met rechtspraak belast is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, voor zover betrekking hebbend op rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, met uitzondering van de artikelen 5a, 5b, 5c, vierde tot en met zesde lid, en 5g, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. het bestuur wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit; b. zij met betrekking tot hun benoeming en salaris worden gelijkgesteld met degenen die hetzelfde ambt vervullen bij een gerechtshof; c. het bestuur de lijst van aanbeveling opmaakt bij het openvallen van een plaats van senior raadsheer, raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger en de Raad voor de rechtspraak deze lijst telkens, onder medezending van een advies hierover, aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie doorzendt met het oog op een voordracht voor benoeming overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren; d. het bestuur de werkzaamheden van de leden met rechtspraak belast verdeelt; en e. het lid met rechtspraak belast, dat tevens president is van het College, ten aanzien van hen bevoegd is tot het opleggen van de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping, het verrichten van de beoordeling, bedoeld in artikel 44, zesde lid, en het doen van een verzoek aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad, bedoeld in artikel 46o, tweede lid.

2 Op de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, voor zover betrekking hebbend op senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, met uitzondering van artikel 5b, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. het bestuur wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit; b. het bestuur de werkzaamheden van de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs verdeelt; en c. door vernummering vervallen.

3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de overeenkomstige toepassing van het krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde ten aanzien van de in het eerste en tweede lid genoemde leden met rechtspraak belast, senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs.

Artikel 5a

De leden met rechtspraak belast worden voor de overeenkomstige toepassing van artikel 54a van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gelijkgesteld met een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2° en 3°, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Artikel 6

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de werkwijze van het College.

Artikel 7

De rechtbanken en de presidenten geven inlichtingen wanneer die door de president van het College voor de behandeling van een zaak noodzakelijk worden geacht.

Artikel 8Vervallen

Artikel 9Vervallen

Artikel 10Vervallen

Artikel 11Vervallen

Artikel 12Vervallen

Artikel 13Vervallen

Artikel 14Vervallen

Artikel 15Vervallen

Artikel 16Vervallen

Artikel 17Vervallen

TITEL III

BEROEP EN HOGER BEROEP BIJ HET COLLEGE

HOOFDSTUK I

BEROEP

Artikel 18Vervallen

Artikel 19Vervallen

HOOFDSTUK II

HOGER BEROEP

Artikel 20Vervallen

Artikel 21Vervallen

Artikel 22Vervallen

Artikel 23Vervallen

Artikel 24Vervallen

Artikel 25Vervallen

Artikel 26Vervallen

Artikel 27Vervallen

Artikel 28Vervallen

Artikel 29Vervallen

Artikel 30Vervallen

Titel IV

Citeertitel

Artikel 31

Deze wet wordt aangehaald als: Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk 16 September 1954 JULIANA.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, A. C. DE BRUIJN.

De Minister van Economische Zaken, J. ZIJLSTRA.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken, A. A. VAN RHIJN.

De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, MANSHOLT.

De Minister van Financiën, VAN DE KIEFT.

De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, H. WITTE. de acht en twintigste September 1954.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

Bijlage bij de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie Vervallen

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.