De Jachtwet van 3 november 1954 stelt bepalingen vast betreffende de jacht. Zij regelt de uitoefening van de jacht, de schade door wild en het behoud van een wildstand die met de belangen van de landbouw verenigbaar is.
De wet definieert kernbegrippen zoals 'jagen' (het opsporen, bemachtigen of doden van wild en pogingen daartoe), 'jachthouder' (degene die het genot van de jacht heeft), 'landbouw', 'grondgebruiker' en 'jachtopzichter'. Zij regelt wie het jachtrecht heeft en onder welke voorwaarden, de aanwijzing van wildsoorten en jachtseizoenen, de eisen aan jachtakten en de vergoeding of voorkoming van schade die door wild aan de landbouw wordt toegebracht. Doel is een evenwicht tussen de jacht, de bescherming van het wild en de belangen van de landbouw.
De wet geldt voor jachthouders, jagers, grondgebruikers en jachtopzichters, en voor de Minister van Landbouw die de nadere regels vaststelt.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.