Deze verordening regelt de fysieke leefomgeving in de provincie Noord-Holland en de activiteiten die daar invloed op hebben, met als doel een duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid en bescherming van het leefmilieu. Het verdeelt taken en bevoegdheden voor waterbeheer, vaarwegen, en fauna- en wildbeheer.
artikel 11.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.7 Toedeling nemen besluit sluiting jacht bij bijzondere weersomstandigheden
artikel 8.1, derde lid, van de Omgevingswet. Artikel 2.9 Eisen aan de faunabeheereenheid Aanvullend op de eisen gesteld in artikel 6.1 van het Omgevingsbesluit voldoet de faunabeheereenheid aan de volgende eisen: a. bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen; b. de binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht:
artikel 8.2, vijfde lid, van de Omgevingswet. Artikel 2.13 Minimale oppervlakte wildbeheereenheden Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een oppervlakte van ten minste 7.500 hectare. Artikel 2.14 Samenwerking tussen wildbeheereenheden en terreinbeherende organisaties Een wildbeheereenheid kan een platform organiseren waarin de relevante in haar werkgebied gelegen terreinbeherende organisaties en grondgebruikers samenkomen om af te stemmen hoe uitvoering van het faunabeheerplan plaatsvindt. Artikel 2.15 Begrenzing werkgebied wildbeheereenheden
het derde lid.
dit hoofdstuk, worden de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in Bijlage 10 Gegevens en bescheiden . 2. In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen ten aanzien van de te verstrekken gegevens en bescheiden zoals
het eerste lid en deze opnemen in Bijlage 10 Gegevens en bescheiden . Artikel 4.2 Gelijkwaardigheid (gereserveerd) Afdeling 4.2 Natuur Paragraaf 4.2.1 Natura 2000-activiteiten Artikel 4.3 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat de aanwijzing van gevallen als
artikel 11.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist. Artikel 4.4 Aanwijzing vergunningsvrije gevallen Als gevallen als
artikel 11.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving binnen de werkingsgebieden natura2000 en Natura2000-bufferzone worden aangewezen de activiteiten en categorieën van activiteiten die genoemd zijn in Bijlage 4, tenzij aan deze activiteiten beperkingen zijn gesteld in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beheerplan Natura 2000. Paragraaf 4.2.2 Schadebestrijding Artikel 4.5 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat regels die het grondgebruikers mogelijk maken om, wanneer aan de voorwaarden is voldaan, schade die veroorzaakt wordt door een aantal in het wild levende diersoorten te voorkomen en bestrijden. Artikel 4.6 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen en bestrijden van schade. Artikel 4.7 Vergunningsvrije nestbehandeling vogels Het verbod in artikel 11.37, eerste lid, onder b en c van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het rapen, opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten en eieren van de in bijlage 5a aangewezen soorten als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. de activiteiten worden uitgevoerd op gronden van de grondgebruiker dan wel op de bij hem in gebruik zijnde gronden of opstallen; en b. de activiteiten vinden plaats met het oog op het voorkomen van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied dan wel het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen als
artikel 11.44, tweede lid, onder c, onder 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.8 Vergunningsvrije directe schadebestrijding
artikel 11.44, tweede lid, onder c, onder 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving of artikel 11.52, tweede lid, onder c, onder 2° van het Besluit activiteiten leefomgeving. b. de activiteiten worden uitsluitend uitgevoerd op gronden waarop schade is ontstaan, dreigt te ontstaan of de direct daaraan grenzende gronden of wateren. 2. De in bijlage 5b aangewezen soorten worden alleen gedood ter ondersteuning van verjaging. 3. De activiteiten,
het eerste lid, worden uitsluitend uitgevoerd ter voorkoming van de, per soort in bijlage 5b benoemde, schades. 4. De activiteiten
het eerste lid worden uitsluitend uitgevoerd in de, per soort in bijlage 5b benoemde, periode. 5. De activiteiten
het eerste lid worden, voor zover het kwetsbare gewassen betreft, uitsluitend uitgevoerd in aanvulling op het in werking hebben van tenminste twee preventieve maatregelen.
artikel 11.83, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet als de activiteiten worden uitgevoerd vanaf één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang. Artikel 4.9 Vergunningsvrije directe schadebestrijding - verjaagactie
de Artikel 4.7, Artikel 4.8, Artikel 4.9 en Artikel 4.10 maakt de grondgebruiker of degene aan wie namens hem conform artikel 11.44, vijfde lid, artikel 11.52, vijfde lid, en artikel 11.58, zesde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving toestemming is verleend, hiervan melding bij het bevoegd gezag.
de Omgevingswet en is daarnaast mede van toepassing op het vellen van geknotte populieren of wilgen als
artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.13 Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op: a. Het vastleggen van de manier van melding bij het vellen van een houtopstand om uniforme en tijdige meldingen te ontvangen; b. Het stellen van eisen die gelden wanneer sprake is van een herplantingsplicht om zo een goede kwaliteit herplant te krijgen; c. Het vaststellen welke aandachtspunten Gedeputeerde Staten moeten betrekken bij het eventueel stellen van een maatwerkvoorschrift voor herbeplanting op andere gronden om zo een goed gewogen besluit te nemen; en d. Het stellen van voorwaarden waaronder de plicht tot herbeplanting niet geldt om regulier beheer en omvorming naar andere natuurdoeltypen conform provinciale ambities mogelijk te maken. Artikel 4.14 Melding vellen houtopstand In artikel 4.2 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten maatwerkregels kunnen stellen over de specifieke gegevens en bescheiden die moet worden ingediend bij een melding van het vellen van een houtopstand,
artikel 11.126 Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.15 Eisen aan herbeplanting 1. Van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting als
artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is sprake indien: a. de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; b. de aan te brengen herbeplanting kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of anderszins tenietgegane houtopstand; c. de te herplanten houtopstand, gelet op lokale ecologische omstandigheden, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; en d. geen gebruik wordt gemaakt van sierheesters, tuinsoorten, invasieve exotische soorten of andere soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse.
artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland. Artikel 4.17 Herbeplanting op andere gronden 1. Gedeputeerde Staten kunnen bij maatwerkvoorschrift,
artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving, herplanting op andere grond dan de grond
artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, toestaan als: a. de andere grond onbeplant is en vrij is van een herbeplantingsplicht als
artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de andere grond vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen; en c. geen beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden worden geschaad door de herbeplanting op deze andere grond. 2. Onverminderd het eerste lid betrekken Gedeputeerde Staten bij het stellen van een maatwerkvoorschrift of: a. de gevelde houtopstand een landschapselement of een andere houtopstand betreft met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie; b. hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt; c. de betreffende houtopstand deel uit maakt van een instandhoudingsdoel als
artikel 2.44 van de Omgevingswet; of d. de betreffende houtopstand is gelegen ter plaatse van het werkingsgebied Oude bosgroeiplaatsen. Paragraaf 4.2.4 Beoordelingsregels milieubelastende activiteit ammoniak en veehouderij Artikel 4.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat beoordelingsregels in verband met de gevolgen van de emissie van ammoniak op voor verzuring gevoelige gebieden waarmee rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens,
artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie,
artikel 3.202 van dat besluit, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf. Artikel 4.19 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van voor verzuring gevoelige gebieden tegen de gevolgen van de emissie van ammoniak op deze gebieden uit dierenverblijven van veehouderijen. Artikel 4.20 Weigering nieuwe veehouderij Een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens,
artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie,
artikel 3.202 van dat besluit, wordt geweigerd, als een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in het werkingsgebied Beoordeling veehouderij en ammoniak. Artikel 4.21 Uitzonderingen weigering nieuwe veehouderij
artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een wijziging in het exploiteren van een andere milieubelastende installatie,
artikel 3.202 van dat besluit, wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in het werkingsgebied Beoordeling veehouderij en ammoniak. Artikel 4.23 Uitzonderingen weigering wijziging veehouderij
artikel 2.18, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet wordt vastgesteld het werkingsgebied Stiltegebieden, bestaande uit de gebieden zoals opgenomen in bijlage 9b . Artikel 4.27 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.28 Specifieke zorgplicht
het eerste lid behoren in elk geval: a. een knalapparaat; b. een toestel om geluid voort te brengen, al dan niet gekoppeld aan een versterker, zoals een muziekinstrument, omroepinstallatie, sirene en hoorn; c. een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen; d. een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; en e. een vuurwapen.
het tweede lid onder a indien dit plaatsvindt in een woning, in of op het bijbehorende erf of tuin van een woning, dan wel een ander bij die woning behorend gebouw, mits het geluidsniveau op een afstand van 50 meter vanaf de activiteit minder dan LAeq,1h = 35 dB(A) bedraagt.
artikel 1.1 van de Regeling voertuigen; f. bij de uitoefening van normale werkzaamheden in het kader van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; g. voor de openbare drinkwater- of energievoorziening; h. voor de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken of telecommunicatiewerken; i. ten behoeve van het bouwen of het onderhoud van gebouwen; j. ter bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied, inclusief dijkwerkzaamheden; of k. voor seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen. Artikel 4.32 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - toertocht motorvoertuigen
de Artikel 4.30 tot en met Artikel 4.33 te verrichten. Artikel 4.35 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1. Een omgevingsvergunning als
de Artikel 4.30 tot en met Artikel 4.34 kan slechts worden verleend indien de volgende belangen zich daar niet tegen verzetten: a. het belang om de natuurlijke geluiden in het werkingsgebied stiltegebieden te ervaren; en b. het belang van de natuurlijke rust in het werkingsgebied stiltegebieden.
artikel 2.13 van het Besluit aciviteiten leefomgeving. Artikel 4.37 Plaatsing aanduiding stiltegebieden
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden. Artikel 4.46 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - grond- of funderingswerken
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden. Artikel 4.47 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - buisleidingen
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden. Artikel 4.48 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - afstromend water
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor aanvang van de aanleg van het bouwwerk, de weg of de parkeerplaats te melden aan Gedeputeerde Staten.
de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats aan te leggen.
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden aan Gedeputeerde Staten. Artikel 4.50 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - energietoevoeging en -onttrekking Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning werken tot stand te brengen of activiteiten te verrichten waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd. Artikel 4.51 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - verontreinigde grond en baggerspecie 1. Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning verontreinigde grond en baggerspecie toe te passen. 2. Het eerste lid geldt niet voor het toepassen van verontreinigde grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit minimaal zo goed is als de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem. 3. Het is verboden de activiteit,
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin te melden aan Gedeputeerde Staten. Artikel 4.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1. De omgevingsvergunning ,
het eerste lid van de artikelen Artikel 4.45 tot en met Artikel 4.51 kan worden verleend, indien: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. 2. Het bevoegd gezag stelt het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om omgevingsvergunning
het eerste lid. Artikel 4.53 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als
artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een vergunning als
deze paragraaf worden verbonden over Artikel 4.45 tot en met Artikel 4.
deze paragraaf kan worden verbonden. Paragraaf 4.4.3 Waterwingebieden Artikel 4.54 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten in het werkingsgebied waterwingebied . Artikel 4.55 Verboden activiteiten 1. Het is verboden om in een waterwingebied de volgende activiteiten te verrichten: a. een milieubelastende activiteit als
hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het toepassen of aanwezig hebben van een voor de bodem schadelijke of potentieel schadelijke stof; c. het op of in de bodem oprichten van een constructie of werk van welke aard dan ook als daarmee verspreiding of lozing van een schadelijke of potentieel schadelijke stof in de bodem kan optreden of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; en d. het tot stand brengen van werken of het verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. het op of in de bodem toepassen van bouwstoffen indien daarmee geen verspreiding of lozing van een schadelijke of potentieel schadelijke stof in de bodem kan optreden of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; b. het graven in de bodem als
artikel 3.48d en artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving indien daarmee geen verspreiding of lozing van een schadelijke of potentieel schadelijke stof in de bodem kan optreden of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan. Artikel 4.46, tweede lid, aanhef en onder a, geldt voor deze activiteit onverkort; c. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden van hetgeen is
het eerste lid, onder b anders dan gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of hebben gediend voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits de stof wordt bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende is beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; d. het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie indien de kwaliteit minimaal zo goed is als de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem; e. de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien de betreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. 3. Het is verboden de activiteiten,
het tweede lid, onder a, b en d te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden. Afdeling 4.5 Ontgrondingen Artikel 4.56 Toepassingsbereik Deze afdeling regelt de gevallen waarin in afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit nodig is. Artikel 4.57 Oogmerk Deze afdeling stelt regels met het oog op de doelmatige uitvoering van ontgrondingsactiviteiten. Artikel 4.58 Aanwijzing vergunningsvrije gevallen 1. In het werkingsgebied Ontgrondingen geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, in afwijking van artikel 16.7, onder a, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet voor de activiteiten,
artikel 16.7, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als niet meer dan 10.000 m3 wordt ontgraven.
artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Afdeling 4.6 Gesloten stortplaatsen Artikel 4.59 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over activiteiten in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats binnen het werkingsgebied stortplaatsen Wet milieubeheer en het werkingsgebied beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer . Artikel 4.60 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de bescherming van het milieu tegen mogelijk nadelige gevolgen; b. de goede uitvoering van de zorg voor een gesloten stortplaats als
artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waaronder:
artikel 8.49, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2. Onder activiteiten
het eerste lid, onder a, worden in ieder geval begrepen: a. bouwactiviteiten voor werken en kunstwerken; en b. het maken, wijzigen of behouden van civieltechnische werken, waaronder grondverzet, boringen, en aanbrengen van grondkerende constructies. 3. Onder activiteiten
het eerste lid, onder b, worden in ieder geval begrepen: a. het plaatsen van een container; en b. het deponeren van een partij grond. 4. Onder activiteiten
het eerste lid, onder c, worden in ieder geval begrepen: a. het verrichten van milieubelastende activiteiten dan wel de wijziging daarvan; b. grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter of waterbodembewerkingen; c. het onttrekken of inbrengen van grondwater of het anderszins wijzigen van de grondwaterstand; d. het betreden met voertuigen; en e. het ankeren van schepen. 5. Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als
artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2. Onder de activiteiten
het eerste lid worden in ieder geval begrepen: onttrekken of inbrengen van grondwater of het anderszins wijzigen van de grondwaterstand welke enig effect kan hebben op de belangen zoals genoemd in Artikel 4.
.62 en Artikel 4.63 wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de in Artikel 4.60 genoemde belangen. Artikel 4.65 Voorschriften omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning als
de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen; b. het voorkomen dat de werking van de nazorgvoorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en c. het voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd. Artikel 4.66 Informatieplicht ongewoon voorval
het eerste lid bekend zijn, worden deze verstrekt aan Gedeputeerde Staten. Artikel 4.67 Uitsluitend recht Afvalzorg Bodemservice B.V. 1. Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht als
artikel 2.24, onderdeel a, van de Aanbestedingswet 2012 met betrekking tot de uitvoering van nazorgmaatregelen ter zake van op of na 1 september 1996 gesloten stortplaatsen. 2. Na afgifte van een verklaring van Gedeputeerde Staten tot sluiting van een stortplaats als
de wet milieubeheer wordt de provincie verantwoordelijk voor de uitvoering van de nazorgmaatregelen van deze stortplaats. Deze nazorgmaatregelen worden onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice B.V.
.73, eerste lid verricht en redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen,
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
het eerste lid, onder c, geldt niet voor het maken, behouden, veranderen of verwijderen van: a. een verkeersbord; b. gemeentelijk straatmeubilair; c. losstaand tuinmeubilair; of d. andere werken, niet bedoeld als afmeervoorziening, van geringe omvang en makkelijk verplaatsbaar langs een vaarweg.
2. De omgevingsvergunning kan worden geweigerd als verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met de belangen,
Artikel 4.81 Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning wordt in elk geval het voorschrift verbonden dat de vergunninghouder: a. verplicht is hetgeen vergund wordt te onderhouden; en b. bij het onderhoud de aanwijzingen van Gedeputeerde Staten opvolgt. Artikel 4.82 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als
artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning worden verbonden. 2. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als
dit hoofdstuk kan worden verbonden.
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur wordt verzekerd; b. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als
artikel 19.1 van de Omgevingswet; en c. houtgewas, bomen of takken van bomen zodanig worden geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken. Artikel 4.89 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten
de aanvraag betrekking heeft op de eerste uitweg van het perceel of een tweede uitweg, als deze bijdraagt aan een verbetering van de verkeersveiligheid. Een perceel wordt in dit verband gezien als een samenhangend geheel van stukken grond. Bij beoordeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt dan ook gekeken naar het gebruik van het perceel als samenhangend geheel, waarbij dit perceel kan bestaan uit meerdere kadastrale percelen. Artikel 4.91 Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning wordt in elk geval het voorschrift verbonden dat de vergunninghouder: a. verplicht is de vergunde activiteiten te onderhouden; en b. bij het onderhoud de aanwijzingen van Gedeputeerde Staten opvolgt. Artikel 4.92 Melding gedenktekens Het is verboden in het werkingsgebied Beperkingengebied provinciale wegen een gedenkteken te plaatsen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Artikel 4.93 Algemene regels gedenktekens 1. Met het oog op het veilige gebruik van de provinciale weg wordt een gedenkteken niet aan wegmeubilair vastgemaakt. 2. Een gedenkteken neemt niet meer dan 1 m2 grond in beslag. 3. Een gedenkteken wordt uiterlijk 10 jaar na de datum van de melding verwijderd. Artikel 4.94 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als
artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als
deze paragraaf worden verbonden over Artikel 4.88 en Artikel 4.
deze paragraaf kan worden verbonden.
het eerste lid bekend zijn, worden deze verstrekt aan Gedeputeerde Staten. Afdeling 4.10 Regionale luchthavens Paragraaf 4.10.1 Algemeen Artikel 4.96 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het luchthavengebied en het beperkingengebied van luchthavens van regionale betekenis met een luchthavenbesluit als
afdeling 8.3.2 van de Wet luchtvaart. Artikel 4.97 Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op het bieden van voldoende faciliteiten voor klein zakelijk vliegverkeer en helikopters, het bieden van voldoende faciliteiten aan de recreatieve functie van luchtvaart en in samenhang hiermee het in stand houden van een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving. Paragraaf 4.10.2 Luchthaven Hilversum Artikel 4.98 Luchthavengebied Luchthaven Hilversum 1. Als luchthavengebied, als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart, wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Hilversum. 2. In het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Hilversum zijn gelegen: a. een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 069°-249°, met een lengte van 600 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; b. een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 179°-359°, met een lengte van 730 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; c. een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 123°-303°, met een lengte van 730 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; d. drie zweefvliegbanen, gelegen in de geografische richting 069°-249°, 179°-359° en 123°-303°. Artikel 4.99 Gebruik Luchthaven Hilversum Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied Luchthaven Hilversum, als
De luchthavenexploitant is Stichting Vliegveld Hilversum of diens rechtsopvolger. b. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel: Baan Baankop X-coördinaat Y-coördinaat Grenswaarden enkel vliegtuigen met vaste vleugel in handhavingspunten Grenswaarden vliegtuigen en helikopters samen in handhavingspunten 07/25 07 138.081 466.988 57,43 dB(A) Lden 57,75 dB(A) Lden 25 138.833 467.261 52,96 dB(A) Lden 54,65 dB(A) Lden 13/31 13 138.008 467.168 52,62 dB(A) Lden 53,54 dB(A) Lden 31 138.781 466.650 53,74 dB(A) Lden 53,90 dB(A) Lden 18/36 18 138.647 467.528 53,04 dB(A) Lden 53,78 dB(A) Lden 36 138.653 466.596 54,19 dB(A) Lden 54,68 dB(A) Lden c. Voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels:
deel 5 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening EU 923/2012 onder SERA.5005, binnen de daglichtperiode;
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied luchthavengebied luchthaven Hilversum: a. de 10-5 plaatsgebonden risicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-5 risicocontour luchthaven Hilversum; b. de 10-6 plaatsgebonden risicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 risicocontour luchthaven Hilversum; c. de geluidscontour van 48 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 48 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum; d. de geluidscontour van 56 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder c, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 56 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum; e. de veiligheidsgebieden, als
artikel 13 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied Veiligheidsgebieden luchthaven Hilversum; en f. een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, als
artikel 14 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied hoogtebeperkingen luchthaven Hilversum. Paragraaf 4.10.3 Luchthaven Texel Artikel 4.101 Luchthavengebied luchthaven Texel 1. Als luchthavengebied als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Texel. 2. In het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Texel zijn gelegen: a. een onverharde baan, gelegen in de geografische richting 036°-216°, met een lengte van 1.109 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchtverkeer ingedeeld in codenummer 2 en codeletter C, zoals vermeld in bijlage 14 van de Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; b. een onverharde baan, gelegen in de geografische richting 126°-306°, met een lengte van 622 meter en een breedte van minimaal 30 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in bijlage 14 van de Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; c. een landingsplaats ter grootte van 30 bij 30 meter voor het landen en opstijgen met helikopters. Artikel 4.102 Gebruik Luchthaven Texel Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Texel als
Luchthavenexploitant is Texel Airport NV of diens rechtsopvolger. b. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel: Baan Baanlengte Baankop Coordinaten X handhavingspunten Coordinaten Y handhavingspunten Grenswaarden 04-22 1.109m 04 117.403 569.549 63,0 dB(A) Lden 22 118.166 570.612 63,7 dB(A) Lden 13-31 622m 13 117.238 569.868 50,3 dB(A) Lden 31 117.905 569.390 50,3 dB(A) Lden c. Voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels: 1. op de luchthaven is uitsluitend burgerluchtverkeer toegestaan. 2. in afwijking van regel 1 zijn op de luchthaven per gebruiksjaar maximaal 100 vliegbewegingen met militaire vliegtuigen en militaire helikopters toegestaan; 3. de havenmeester dient vooraf toestemming te verlenen voor het gebruik van het luchthavengebied voor zweefvliegtuigen; 4. het gebruik van de luchthaven vindt plaats overeenkomstig de zichtvliegvoorschriften,
hoofdstuk 3, afdeling 3, van het Luchtverkeersreglement, binnen de daglichtperiode, en overeenkomstig de instrumentvliegvoorschriften,
hoofdstuk 3, afdeling 4, van het Luchtverkeersreglement, tussen 07.00 en 21.00 uur plaatselijke tijd, voor zover deze periode buiten de uniforme daglichtperiode valt, uitsluitend voor het landen en opstijgen van helikopters die zijn uitgerust met blindvlieginstrumenten, met dien verstande dat dit geen les- en oefenvluchten zijn;
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied luchthavengebied luchthaven Texel: a. de 10-5 plaatsgebondenrisicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-5 risicocontour luchthaven Texel; b. de 10-6 plaatsgebondenrisicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 risicocontour luchthaven Texel; c. de geluidscontour van 48 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 48 dB(A) geluidscontour luchthaven Texel; d. de geluidscontour van 56 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder c, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 56 dB(A) geluidscontour luchthaven Texel; e. de veiligheidsgebieden als
artikel 13 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied veiligheidsgebieden luchthaven Texel; en f. een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, als
artikel 14 van het Besluit burgerluchthavens ter plaatse van het werkingsgebied hoogtebeperkingen luchthaven Texel. Paragraaf 4.10.4 Luchthaven Loodswezen IJmuiden Artikel 4.104 Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden 1. Als luchthavengebied als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden. 2. Op de luchthaven is gelegen een landingsplaats ter grootte van 14 bij 14 meter, omgeven door een safety area van 7 meter, voor het landen en opstijgen met helikopters. Artikel 4.105 Gebruik Luchthaven Loodswezen IJmuiden Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden als
De luchthavenexploitant is het Nederlands Loodswezen B.V. of diens rechtsopvolger. b. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel: Handhavingspunt X Y Grenswaarde Oost 101158 498328 68,1 dB(A) Lden West 100961 498289 68,1 dB(A) Lden c. voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels: d. op de luchthaven zijn uitsluitend helikopters die worden ingezet voor het beloodsen van zeeschepen toegestaan, waarbij geldt dat incidenteel gebruik door niet-commerciële, niet-particuliere helikopters, na toestemming van de exploitant, is toegestaan; e. het gebruik van de luchthaven vindt voor dagoperaties plaats zonder beperkingen; f. het gebruik van de luchthaven vindt voor nachtoperaties plaats onder VMC (Visual Meteorological Conditions) en onder de voorwaarden gesteld bij de ontheffing van het VFR (Visual Flight Rules) vliegverbod bij nacht; g. de luchthavenexploitant staat geen starts en landingen toe indien het in bedrijf zijn van een of meer windturbines van “Windpark Spuisluis” gelet op de windsnelheid en windrichting een risico vormt voor een veilige vluchtuitvoering; h. binnen twee weken na het einde van elk kwartaal overlegt de exploitant een rapportage aan Gedeputeerde Staten over het gebruik van de luchthaven over de periode van het begin van het gebruiksjaar tot het einde van het kwartaal. Het gebruiksjaar betreft hierbij de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel 4.106 Beperkingengebieden Luchthaven Loodswezen IJmuiden Als beperkingengebieden als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden: a. de 10-6 plaatsgebondenrisicocontouren, als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 risicocontour luchthaven Loodswezen IJmuiden; b. de geluidscontour van 48 dB(A) Lden, als
artikel 9, eerste lid, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 48 dB(A) geluidscontour luchthaven Loodswezen IJmuiden; c. de geluidscontour van 56 dB(A) Lden, als
artikel 9, eerste lid, onder c, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 56 dB(A) geluidscontour luchthaven Loodswezen IJmuiden; d. een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, ter plaatse van het werkingsgebied hoogtebeperkingen luchthaven Loodswezen IJmuiden. Paragraaf 4.10.5 Luchthaven Amsterdam Heliport Artikel 4.107 Luchthavengebied Amsterdam Heliport 1. Als luchthavengebied, als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart, wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport. 2. In het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport zijn gelegen: een landingsplaats ter grootte van 24 bij 24 meter, omgeven door een safety area van 12 meter, voor het landen en opstijgen met helikopters. Artikel 4.108 Gebruik Amsterdam Heliport Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport als
De luchthavenexploitant is Amsterdam Heliport B.V. of diens rechtsopvolger. b. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven vliegbewegingen toe binnen de vastgestelde aantallen genoemd onder 3 zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden, zoals opgenomen in deze tabel: Ligging en grenswaarden in de handhavingspunten Handhavingspunt X Y Grenswaarde Noordoost 115405 492122 78,49 dB(A) Lden Zuidwest 115349 491929 74,90 dB(A) Lden c. Voor het luchtverkeer gelden de volgende regels:
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport: a. De 10-5 plaatsgebonden risicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-5 risicocontour Amsterdam Heliport; b. De 10-6 plaatsgebonden risicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 risicocontour Amsterdam Heliport; c. De geluidscontour van 48 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 48 dB(A) Geluidscontour Amsterdam Heliport; d. De geluidscontour van 56 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder c, van het Besluitburgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 56 dB(A) geluidscontour Amsterdam Heliport; e. De geluidscontour van 70 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder d, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 70 dB(A) geluidscontour Amsterdam Heliport; f. Het gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, als
artikel 9, eerste lid, onder f, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied Hoogtebeperkingen Amsterdam Heliport. Afdeling 4.11 Open bodemenergiesystemen Artikel 4.110 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen. Artikel 4.111 Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater en het vervullen van de functies van grondwaterlichamen. Artikel 4.112 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.113 Aanwijzing vergunningsvrije open bodemenergiesystemen 1. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit voor een open bodemenergiesysteem als
artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is buiten door gemeenten in omgevingsplan of interferentieverordening aangewezen gebieden niet vereist voor bodemenergiesystemen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan tien kubieke meter per uur. 2. In door gemeenten in een omgevingsplan of interferentieverordening aangewezen gebieden, dient bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit voor een open bodemenergiesysteem als
artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het beoordelen daarvan rekening te worden gehouden met het op deze gebieden van toepassing zijnde bodemenergiebeleid en de bijbehorende beleidsregels. Artikel 4.114 Informatieplicht Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit
.113 worden aan het bevoegd gezag verstrekt de algemene en specifieke gegevens en bescheiden zoals opgenomen in Bijlage 10 Gegevens en bescheiden. Artikel 4.114a Jaarlijks verstrekken gegevens en bescheiden Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, indien de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, wordt voor alle open bodemenergiesystemen opgave gedaan aan het bevoegd gezag over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. Afdeling 4.12 Grondwaterverontreiniging Artikel 4.115 Informatieplicht toevalsvondst Burgemeester en wethouders informeren terstond Gedeputeerde Staten bij het signaleren van een nog onbekende grondwaterverontreiniging met een volume van meer dan 6000 m
artikel 2.24, onderdeel a, van de Aanbestedingswet 2012 in geval van nazorg en beheer in het kader van grond- en grondwatersaneringen in opdracht van de provincie. 2. Indien na sanering door, namens, in opdracht van of op verzoek van de provincie verontreiniging in de bodem is achtergebleven en hierop nazorg- of beheersmaatregelen, zowel lokaal als gebiedsgericht, noodzakelijk zijn, die op basis van langdurige afkoopafspraken door of namens de provincie worden uitgevoerd of van de provincie worden overgenomen, worden deze maatregelen onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice B.V. Afdeling 4.13 Zwemwater Artikel 4.119 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling zijn van toepassing op door Gedeputeerde Staten aangewezen zwemlocaties, als
artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 4.120 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid van zwemlocaties en de gezondheid van gebruikers van zwemlocaties. Artikel 4.121 Aanwijzen houder zwemlocatie Gedeputeerde Staten wijzen jaarlijks een houder aan voor elke door hen aangewezen zwemlocatie. Artikel 4.122 Verplichtingen houder zwemlocatie De houder van een door Gedeputeerde Staten aangewezen zwemlocatie: a. draagt zorg voor de veiligheid van de zwemlocatie en het beschermen van de gezondheid van bezoekers van de zwemlocatie en neemt daartoe maatregelen die redelijkerwijs van diegene mogen worden verwacht; b. plaatst gedurende het badseizoen borden om bezoekers van de zwemlocatie te informeren over een waarschuwing of negatief zwemadvies; en c. stelt Gedeputeerde Staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam onverwijld op de hoogte van onverwachte situaties die negatieve gevolgen hebben of redelijkerwijs kunnen hebben voor de kwaliteit van de zwemlocatie of de gezondheid van bezoekers van de zwemlocatie. Artikel 4.123 Maatwerkvoorschriften 1. Gedeputeerde Staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen over de verplichtingen van de houder van een zwemlocatie. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van Artikel 4.122. Afdeling 4.14 Wateronttrekking Artikel 4.124 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningsplichtige wateronttrekkingsactiviteit voor industriële toepassingen van meer dan 150.000 m3/jaar of voor de openbare drinkwatervoorziening als
artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: a. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; of b. het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening. Artikel 4.125 Meetverplichting kwantiteit onttrekken van grondwater en infiltratie van water 1. Bij het verrichten van een activiteit,
.124, wordt de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of in de bodem gebracht water gemeten met een nauwkeurigheid van tenminste 95%.
.124, aanhef en onder b, wordt de kwaliteit van het in de bodem te brengen water gemeten en geanalyseerd volgens de in Bijlage 3b opgenomen parameters met de daarbij aangegeven frequentie.
artikel 19.0 van de Omgevingswet. 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor activiteiten als
.124 bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid als
het eerste lid voordoet. 3. Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als
het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet. Hoofdstuk 5 Omgevingswaarden Afdeling 5.1 Omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen Artikel 5.1 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over regionale waterkeringen in beheer van de waterschappen. Artikel 5.2 Omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen
het eerste lid. 4. Het waterschapsbestuur kan Gedeputeerde Staten gemotiveerd verzoeken tot wijziging van het tijdstip
het derde lid voor een regionale waterkering, indien: a. het voldoen aan de omgevingswaarde op het desbetreffende tijdstip onevenredig kostbaar is; b. door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschapsbestuur de resultaten van de beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkering zo wijzigen dat op het desbetreffende tijdstip niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of c. ondanks de verrichte handelingen daartoe niet op het desbetreffende tijdstip is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde. Artikel 5.3 Technische leidraad en voorschriften veiligheid regionale waterkeringen
artikel 5.5 van deze verordening.
artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. een beschrijving van de mate waarin de in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad; e. de streefstand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten; f. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht ter voorkoming van schade aan de belangen ten behoeve waarvan die handelingen zijn verricht. Deze beschrijving bevat ten minste de volgende gegevens:
onderdeel h omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; en j. per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, als
artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving deze activiteit dient. Artikel 6.5 Eisen aan een faunabeheerplan - algemeen 1. Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens: a. de omvang van het werkingsgebied van het faunabeheerplan; b. en een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven; c. en de door dierenwelzijnsorganisaties uitgebrachte adviezen als
2. Een faunabeheerplan voldoet aan de volgende eisen: a. in het plan gebruikte gegevens zijn gevalideerd en op kloppende en congruente wijze overgenomen uit de gebruikte bronnen; b. gebruikte telgegevens van voorgaande jaren welke zijn gebaseerd op een vastgesteld telprotocol en zijn gecontroleerd door de verschillende partijen in het bestuur van een faunabeheereenheid, in samenspraak met de rechtstreeks aan het bestuur adviserende partijen als
relevante wetenschappelijke literatuur is gebruikt om conclusies te ondersteunen; en d. bronvermeldingen en referenties zijn conform wetenschappelijke richtlijnen op heldere en gestructureerde wijze vermeld en een literatuurlijst is aanwezig. 3. Een faunabeheereenheid nodigt in ieder geval de volgende organisaties uit te adviseren op de faunabeheerplannen: a. Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren; b. Stichting De Faunabescherming; en c. Vogelbescherming Nederland. Artikel 6.6 Eisen aan een faunabeheerplan - bestrijding van schade Indien sprake is van schadebestrijding, bevat een faunabeheerplan tevens: a. een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties; b. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied; c. een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als
artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad; e. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; f. een beschrijving van de staat van instandhouding en hoe de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd wordt; g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals
onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken; h. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen; i. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald; j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; k. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende omgevingsvergunning op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als
onderdeel j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; l. per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving deze activiteit dient; en m. een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen. Artikel 6.7 Eisen aan een faunabeheerplan - uitoefening jacht Een faunabeheerplan bevat met betrekking tot de uitoefening van de jacht tevens: a. kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt; en b. een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan. Artikel 6.8 Uitzonderingsbepaling Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere situaties in individuele gevallen besluiten om geen toepassing te geven aan, dan wel af te wijken van, een of meerdere bepalingen van deze paragraaf, voor zover toepassing van die bepalingen, gelet op de betrokken belangen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Paragraaf 6.1.4 Actieprogramma geluid Afdeling 6.2 Omgevingsplannen Paragraaf 6.2.1 Algemeen Artikel 6.9 (gereserveerd) Artikel 6.10 Bestaande situaties 1. Voor zover in deze afdeling gebruik wordt gemaakt van het begrip bestaand wordt hieronder begrepen: a. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling rechtmatig aanwezig; b. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een omgevingsvergunning toegestaan of waarvoor op dat tijdstip een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die op grond van het toepasselijke omgevingsplan moet of kan worden verleend; of c. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een geldend omgevingsplan toegestaan. 2. Indien het eerste lid van toepassing is op bebouwing, kan het omgevingsplan het vervangen van deze bebouwing door bebouwing van gelijke aard en omvang toestaan. Artikel 6.11 Ontheffingsbevoegdheid 1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen als
artikel 2.32, eerste lid van de Omgevingswet, van de regels gesteld bij of krachtens Afdeling 6.2 2. Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als
het eerste lid voorschriften verbinden indien de belangen die gediend worden met de regels waarvan ontheffing wordt verleend dat noodzakelijk maken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.