act/provincie/2024/CVDR703568 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv27/2022/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2025-03-11 2025-03-11 /akn/nl/act/provincie/2024/CVDR703568/nld@2025-03-11 /join/
artikel 11.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.7 Toedeling nemen besluit sluiting jacht bij bijzondere weersomstandigheden
- Gedeputeerde Staten zijn belast met het nemen van een besluit op grond van artikel 11.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving om de jacht op wildsoorten in de gehele provincie of een gedeelte ervan te sluiten bij bijzondere weersomstandigheden.
- Gedeputeerde Staten kunnen op grond van Artikel 2.1 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 nadere regels stellen ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde besluit. Paragraaf 2.3.2 Faunabeheereenheid Artikel 2.8 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat aanvullende regels aan de faunabeheereenheid, zoals
artikel 8.1, derde lid, van de Omgevingswet. Artikel 2.9 Eisen aan de faunabeheereenheid Aanvullend op de eisen gesteld in artikel 6.1 van het Omgevingsbesluit voldoet de faunabeheereenheid aan de volgende eisen: a. bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen; b. de binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht:
- hebben een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 7.500 hectare;
- vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid; en
- zijn zo veel mogelijk aaneengesloten. het werkgebied van een faunabeheereenheid strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt. Artikel 2.10 Werkzaamheden en activiteiten faunabeheereenheden Een faunabeheereenheid is binnen diens werkgebied verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de achterban van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over ten minste de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen en actuele regelgevende en ecologische ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer. Artikel 2.11 Samenstelling faunabeheereenheid
- In het bestuur van de faunabeheereenheid zijn ten minste vertegenwoordigd: a. agrariërs; b. particuliere grondeigenaren; c. verenigingen van jagers; en d. minimaal twee maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, werkzaam binnen het werkgebied van de betreffende faunabeheereenheid; en e. een deskundige op het gebied van dierenwelzijn en diergedrag.
- De in het eerste lid, onder d, bedoelde maatschappelijke organisaties hebben gezamenlijk minimaal twee zetels in het bestuur van de faunabeheereenheid.
- De voorzitter van de faunabeheereenheid is niet als bestuurslid of werknemer verbonden aan de in het eerste lid genoemde partijen. Paragraaf 2.3.3 Wildbeheereenheden Artikel 2.12 Toepassingsbereik Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een oppervlakte van tenminste 7.500 hectare. Artikel 2.13 Minimale oppervlakte wildbeheereenheden Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een oppervlakte van tenminste 7.500 hectare. Artikel 2.14 Samenwerking tussen wildbeheereenheden en terreinbeherende organisaties Een wildbeheereenheid kan een platform organiseren waarin de relevante in haar werkgebied gelegen terreinbeherende organisaties en grondgebruikers samenkomen om af te stemmen hoe uitvoering van het faunabeheerplan plaatsvindt. Artikel 2.15 Begrenzing werkgebied wildbeheereenheden
- De begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid wordt door de betreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een kaart.
- Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt.
- Een wildbeheereenheid kan, in afstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen.
- De betrokken wildbeheereenheden informeren Gedeputeerde Staten schriftelijk indien sprake is van het wijzigen van een begrenzing zoals
het derde lid.
- Door tussenkomst van Gedeputeerde Staten van de provincie of provincies waarin het desbetreffende gebied is gelegen wordt de begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid bekendgemaakt in het provinciaal blad. Artikel 2.16 Informatieoverdracht wildbeheereenheden Het secretariaat van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane activiteiten, feiten en ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer. Hoofdstuk 3 Gereserveerd Hoofdstuk 4 Regels over activiteiten Afdeling 4.1 Algemeen Artikel 4.1 Gegevens en bescheiden
- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of het doen van een melding en het voldoen aan een informatieplicht zoals
dit hoofdstuk, worden de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in Bijlage
- In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen ten aanzien van de te verstrekken gegevens en bescheiden zoals
het eerste lid en deze opnemen in Bijlage 10. Artikel 4.2 Gelijkwaardigheid (gereserveerd) Afdeling 4.2 Natuur Paragraaf 4.2.1 Natura 2000-activiteiten Artikel 4.3 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat de aanwijzing van gevallen als
artikel 11.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist. Artikel 4.4 Aanwijzing vergunningsvrije gevallen Als gevallen als
artikel 11.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving binnen de werkingsgebieden natura2000 en Natura2000-bufferzone worden aangewezen de activiteiten en categorieën van activiteiten die genoemd zijn in Bijlage 4, tenzij aan deze activiteiten beperkingen zijn gesteld in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beheerplan Natura 2000. Paragraaf 4.2.2 Schadebestrijding Artikel 4.5 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat regels die het grondgebruikers mogelijk maken om, wanneer aan de voorwaarden is voldaan, schade die veroorzaakt wordt door een aantal in het wild levende diersoorten te voorkomen en bestrijden. Artikel 4.6 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen en bestrijden van schade. Artikel 4.7 Vergunningsvrije nestbehandeling vogels Het verbod in artikel 11.37, eerste lid, onder b en c van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het rapen, opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten en eieren van de in bijlage 5a aangewezen soorten als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. de activiteiten worden uitgevoerd op gronden van grondgebruiker dan wel op de bij hem in gebruik zijnde gronden of opstallen; en b. de activiteiten vinden plaats met het oog op het voorkomen van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied dan wel het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen als
artikel 11.44, tweede lid, onder c, onder 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.8 Vergunningsvrije directe schadebestrijding
- Het verbod van artikel 11.37, eerste lid, en artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het opzettelijk doden van de in bijlage 5b aangewezen soorten als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. de activiteiten vinden plaats met het oog op:
- het voorkomen van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op de gronden van de grondgebruiker dan wel op de bij hem in gebruik zijnde gronden of opstallen;
- het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen als
artikel 11.44, tweede lid, onder c, onder 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving of artikel 11.52, tweede lid, onder c, onder 2° van het Besluit activiteiten leefomgeving. b. de activiteiten worden uitsluitend uitgevoerd op gronden waarop schade is ontstaan, dreigt te ontstaan of de direct daaraan grenzende gronden of wateren. 2. De in bijlage 5b aangewezen soorten worden alleen gedood ter ondersteuning van verjaging. 3. De activiteiten,
het eerste lid, worden uitsluitend uitgevoerd ter voorkoming van de, per soort in bijlage 5b benoemde, schades. 4. De activiteiten
het eerste lid worden uitsluitend uitgevoerd in de, per soort in bijlage 5b benoemde, periode. 5. De activiteiten
het eerste lid worden, voor zover het kwetsbare gewassen betreft, uitsluitend uitgevoerd in aanvulling op het in werking hebben van tenminste twee preventieve maatregelen.
- Het eerste lid is niet van toepassing in door Gedeputeerde Staten aangewezen werkingsgebied foerageergebieden in de perioden zoals beschreven in Artikel 4.8, zevende lid.
- Voor het werkingsgebied Foerageergebieden geldt: a. een geldigheidsperiode van 1 november tot 1 april voor de grauwe gans en de kolgans; b. een geldigheidsperiode van 1 november tot 1 mei voor de brandgans; c. een geldigheidsperiode van 1 november tot 1 juni voor de rotgans.
- Er wordt uitsluitend gebruik gemaakt van: a. het geweer; b. honden, niet zijnde lange honden; en c. slag-, snij of steekwapens voor het doden van in nood verkerende, gewonde dieren wanneer het geweer om redenen van veiligheid niet kan worden gebruikt.
- Het verbod als
artikel 11.83, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet als de activiteiten worden uitgevoerd vanaf één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang. Artikel 4.9 Vergunningsvrije directe schadebestrijding - verjaagactie
- Gedode dieren worden voor het verlaten van het veld opgeruimd.
- Op de gronden waar de verjaagactie plaatsvindt, of op de direct daaraan grenzende gronden of wateren, worden per verjaagactie niet meer dan vier dieren per ingezet geweer gedood.
- Per verjaagactie worden maximaal vijf geweerdragers ingezet.
- Als de te verjagen dieren zijn verdreven, wordt een verjaagactie geacht te zijn beëindigd en vangt een nieuwe verjaagactie aan. Artikel 4.10 Vergunningsvrije ruimtelijke inrichting of bestendig beheer Artikel 11.54, eerste lid, onderdeel a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de soorten, genoemd in bijlage 5c bij deze verordening, als de activiteit nodig is: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; of b. het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, drinkwaterleidingen en infiltratiekanalen ten behoeve van drinkwaterproductie, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. Artikel 4.11 Melding en rapportage
- Direct voorafgaand aan de uitvoering van de activiteiten als
de Artikel 4.7, Artikel 4.8, Artikel 4.9 en Artikel 4.10 maakt de grondgebruiker of degene aan wie namens hem conform artikel 11.44, vijfde lid, artikel 11.52, vijfde lid, en artikel 11.58, zesde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving toestemming is verleend, hiervan melding bij het bevoegd gezag.
- Uiterlijk een maand na uitvoering wordt door de grondgebruiker of degene aan wie namens hem, conform artikel 11.44, vijfde lid, 11.52, vijfde lid, en 11.58, zesde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving toestemming is verleend, aan een faunabeheereenheid gerapporteerd over de uitvoering van de handelingen onder vermelding van de locatie, de afschotcijfers of aantal behandelde nesten en eieren en de data waarop uitvoering van de handelingen heeft plaatsgevonden.
- Uitvoering van de in de Artikel 4.7, Artikel 4.8 en Artikel 4.9 bedoelde handelingen vindt plaats overeenkomstig het daartoe door de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland vastgestelde en door Gedeputeerde Staten conform artikel 8.1, tweede lid, van de Omgevingswet goedgekeurde faunabeheerplan. Paragraaf 4.2.3 Houtopstanden en herbeplanting Artikel 4.12 Toepassingsbereik Deze paragraaf voorziet in provinciale regels die gelden bij het vellen van houtopstanden als
de Omgevingswet en is daarnaast mede van toepassing op het vellen van geknotte populieren of wilgen als
artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.13 Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op: a. Het vastleggen van de manier van melding bij het vellen van een houtopstand om uniforme en tijdige meldingen te ontvangen; b. Het stellen van eisen die gelden wanneer sprake is van een herplantingsplicht om zo een goede kwaliteit herplant te krijgen; c. Het vaststellen welke aandachtspunten Gedeputeerde Staten moeten betrekken bij het eventueel stellen van een maatwerkvoorschrift voor herbeplanting op andere gronden om zo een goed gewogen besluit te nemen; en d. Het stellen van voorwaarden waaronder de plicht tot herbeplanting niet geldt om regulier beheer en omvorming naar andere natuurdoeltypen conform provinciale ambities mogelijk te maken. Artikel 4.14 Melding vellen houtopstand In artikel 4.2 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten maatwerkregels kunnen stellen over de specifieke gegevens en bescheiden die moet worden ingediend bij een melding van het vellen van een houtopstand,
artikel 11.126 Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.15 Eisen aan herbeplanting 1. Van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting als
artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is sprake indien: a. de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; b. de aan te brengen herbeplanting kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of anderszins tenietgegane houtopstand; c. de te herplanten houtopstand, gelet op lokale ecologische omstandigheden, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; en d. geen gebruik wordt gemaakt van sierheesters, tuinsoorten, invasieve exotische soorten of andere soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse.
- Onverminderd het eerste lid geniet natuurlijke verjonging van de houtopstand bij inheemse soorten waar dat mogelijk is de voorkeur.
- Bij de uitvoering van maatregelen tot herbeplanting geldt dat: a. zeer terughoudend gebruik wordt gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen en meststoffen; en b. de bodemopbouw zoveel mogelijk intact wordt gehouden. Artikel 4.16 Uitzondering meldplicht en plicht tot herbeplanting
- Artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing op het kappen van bomen voor verjongingsgaten indien deze niet groter zijn dan drie maal de boomhoogte, waarbij de verjongingsgaten een maximum oppervlak hebben van 0,25 hectare en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel en het kappen maximaal één keer per vier jaar plaats vindt.
- Artikel 11.126 en 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing op: a. het vrijstellen van oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn; b. het door natuurlijke ontwikkelingen tenietgaan van houtopstanden bij vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen; c. maatregelen die plaatsvinden ter realisatie van het beheertype zoals dat voor de betreffende locatie is opgenomen op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan als
artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland. Artikel 4.17 Herbeplanting op andere gronden 1. Gedeputeerde Staten kunnen bij maatwerkvoorschrift,
artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving, herplanting op andere grond dan de grond
artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, toestaan als: a. de andere grond onbeplant is en vrij is van een herbeplantingsplicht als
artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de andere grond vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen; en c. geen beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden worden geschaad door de herbeplanting op deze andere grond. 2. Onverminderd het eerste lid betrekken Gedeputeerde Staten bij het stellen van een maatwerkvoorschrift of: a. de gevelde houtopstand een landschapselement of een andere houtopstand betreft met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie; b. hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt; c. de betreffende houtopstand deel uit maakt van een instandhoudingsdoel als
artikel 2.44 van de Omgevingswet; of d. de betreffende houtopstand is gelegen ter plaatse van het werkingsgebied Oude bosgroeiplaatsen. Paragraaf 4.2.4 Beoordelingsregels milieubelastende activiteit ammoniak en veehouderij Artikel 4.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat beoordelingsregels in verband met de gevolgen van de emissie van ammoniak op voor verzuring gevoelige gebieden waarmee rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens,
artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie,
artikel 3.202 van dat besluit, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf. Artikel 4.19 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van voor verzuring gevoelige gebieden tegen de gevolgen van de emissie van ammoniak op deze gebieden uit dierenverblijven van veehouderijen. Artikel 4.20 Weigering nieuwe veehouderij Een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens,
artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie,
artikel 3.202 van dat besluit, wordt geweigerd, als een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in het werkingsgebied Beoordeling veehouderij en ammoniak. Artikel 4.21 Uitzonderingen weigering nieuwe veehouderij
- In afwijking van Artikel 4.20 wordt een omgevingsvergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer viel, en: a. het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn; b. het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; c. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; d. het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a; e. het aantal dieren dat wordt gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, hoger is dan bedoeld onder a, of; f. het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a.
- In afwijking van Artikel 4.20 wordt een omgevingsvergunning eveneens niet geweigerd, indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Artikel 4.22 Weigering wijziging veehouderij Een omgevingsvergunning voor een wijziging in het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens,
artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een wijziging in het exploiteren van een andere milieubelastende installatie,
artikel 3.202 van dat besluit, wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in het werkingsgebied Beoordeling veehouderij en ammoniak. Artikel 4.23 Uitzonderingen weigering wijziging veehouderij
- In afwijking van Artikel 4.22 wordt de omgevingsvergunning niet geweigerd, voor zover: a. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:
- zou mogen veroorzaken indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;
- op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie, als bedoeld onder 1; b. in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij melkrundvee werd gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; c. de uitbreiding schapen of paarden betreft; d. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of; e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.
- Voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken, wordt de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder omgevingsvergunning is verleend met toepassing van het eerste lid, onder b tot en met e, dan wel Artikel 4.21, eerste lid, onder c tot en met f, niet meegerekend. Afdeling 4.3 Stiltegebieden Artikel 4.24 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord. Artikel 4.25 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van stilte in een gebied. Stilte heeft een positief effect op gezondheid en vergroot de belevingswaarde van landschap en natuur. Artikel 4.26 Vaststelling stiltegebieden Als stiltegebied als
artikel 2.18, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet wordt vastgesteld het werkingsgebied Stiltegebieden , bestaande uit de gebieden zoals opgenomen in bijlage 9b . Artikel 4.27 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.28 Specifieke zorgplicht
- Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het stiltegebied, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
- Voor activiteiten in het werkingsgebied stiltegebieden houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen verstoring van het stiltegebied worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; en c. geen significante verstoring wordt veroorzaakt. Artikel 4.29 Verboden activiteit
- Het is verboden in het werkingsgebied stiltegebieden vuurwerk te gebruiken.
- Het verbod geldt niet voor het gebruik van vuurwerk voor zover dit gebruik noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar. Artikel 4.30 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - gebruik toestellen
- Het is in het werkingsgebied stiltegebieden verboden zonder omgevingsvergunning een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in het werkingsgebied stiltegebieden kan worden verstoord.
- Tot een toestel als
het eerste lid behoren in elk geval: a. een knalapparaat; b. een toestel om geluid voort te brengen, al dan niet gekoppeld aan een versterker, zoals een muziekinstrument, omroepinstallatie, sirene en hoorn; c. een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen; d. een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; en e. een vuurwapen.
- Het verbod geldt niet voor het gebruik van een toestel: a. bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; b. door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; c. voor de openbare veiligheid, de afwending van dreigend gevaar of in geval van nood; d. bij de uitoefening van normale werkzaamheden in het kader van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; e. voor de openbare drinkwater- of energievoorziening; f. voor de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken of telecommunicatiewerken; g. ten behoeve van het bouwen of het onderhoud van gebouwen; h. ter bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied, inclusief dijkwerkzaamheden; of i. voor seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen.
- Het verbod geldt niet bij het gebruik van een knalapparaat indien dit wordt gebruikt voor beheer en schadebestrijding, met dien verstande dat het aantal knallen maximaal drie per uur per gebruiker is. Indien binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten gezamenlijk het maximum van totaal vier knallen per uur, waarbij elke gebruiker twee knallen per uur mag produceren.
- Het verbod geldt niet bij gebruik van een toestel als
het tweede lid onder a indien dit plaatsvindt in een woning, in of op het bijbehorende erf of tuin van een woning, dan wel een ander bij die woning behorend gebouw, mits het geluidsniveau op een afstand van 50 meter vanaf de activiteit minder dan LAeq,1h = 35 dB(A) bedraagt.
- Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vuurwapen indien dit wordt gebruikt: a. ingeval het een noodseinmiddel betreft: ingeval van nood; of b. ter uitvoering van een jachtgeweeractiviteit. Artikel 4.31 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - gebruik motorvoertuig
- Het is in het werkingsgebied Stiltegebieden verboden zonder omgevingsvergunning een motorvoertuig te gebruiken buiten: a. de openbare weg; b. voor bestemmingsverkeer openstaande wegen; en c. andere locaties met de functie “Verkeer”.
- Het verbod geldt niet voor het gebruik van een motorvoertuig: a. zonder verbrandings- of explosiemotor of dat elektrisch wordt aangedreven; b. bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; c. door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; d. voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; e. voor het vervoer van een mindervalide in een gehandicaptenvoertuig als
artikel 1.1 van de Regeling voertuigen; f. bij de uitoefening van normale werkzaamheden in het kader van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; g. voor de openbare drinkwater- of energievoorziening; h. voor de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken of telecommunicatiewerken; i. ten behoeve van het bouwen of het onderhoud van gebouwen; j. ter bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied, inclusief dijkwerkzaamheden; of k. voor seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen. Artikel 4.32 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - toertocht motorvoertuigen
- Het is in het werkingsgebied Stiltegebieden verboden zonder omgevingsvergunning een toertocht voor motorvoertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
- Het verbod geldt niet voor een toertocht met elektrisch aangedreven motorvoertuigen. Artikel 4.33 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - waterscooter en snel varen met een vaartuig
- Het is in het werkingsgebied Stiltegebieden verboden zonder omgevingsvergunning: a. met een waterscooter, jetski, of daarmee vergelijkbaar watersporttoestel te varen; of b. met een vaartuig sneller te varen dan 9 km per uur, met dien verstande dat in het stiltegebied Waddenzee niet sneller mag worden gevaren dan 20 km per uur.
- Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vaartuig: a. zonder verbrandings- of explosiemotor of dat elektrisch wordt aangedreven; b. bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; c. door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; of d. voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar. Artikel 4.34 Omgevingsvergunningplichtige overige stilteverstorende activiteiten Het is in het werkingsgebied stiltegebieden verboden zonder omgevingsvergunning een andere stilteverstorende activiteit dan
de Artikel 4.30 tot en met Artikel 4.33 te verrichten. Artikel 4.35 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1. Een omgevingsvergunning als
de Artikel 4.30 tot en met Artikel 4.34 kan slechts worden verleend indien de volgende belangen zich daar niet tegen verzetten: a. het belang om de natuurlijke geluiden in het werkingsgebied stiltegebieden te ervaren; en b. het belang van de natuurlijke rust in het werkingsgebied stiltegebieden.
- Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in elk geval getoetst aan de volgende criteria: a. nut en noodzaak; b. plaats van de activiteit; c. mate van verstoring; en d. tijdsduur en periode waarbinnen de activiteit zich afspeelt.
- Het aantal activiteiten waarvoor per stiltegebied per kalenderjaar omgevingsvergunningen kunnen worden verleend is maximaal 12, elk met een tijdsduur van maximaal 24 uur.
- Gedeputeerde Staten kunnen op grond van Artikel 4.3 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het derde lid.
- De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken indien het belang van de heersende natuurlijke rust in het stiltegebied dat vereist. Artikel 4.36 Instructieregel omgevingsvergunning en maatwerkvoorschrift milieubelastende activiteit Artikel 6.67 is van overeenkomstige toepassing op: a. het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. het stellen van maatwerkvoorschriften over milieubelastende activiteiten als
artikel 2.13 van het Besluit aciviteiten leefomgeving. Artikel 4.37 Plaatsing aanduiding stiltegebieden
- Gedeputeerde Staten maken de begrenzing van stiltegebieden op uniforme wijze kenbaar door een daartoe strekkende aanduiding ter plaatse.
- De aanduidingen worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het stiltegebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.
- Bijlage 9a bij deze verordening bevat het model voor de aanduiding. Afdeling 4.4 Bescherming waterwinning Paragraaf 4.4.1 Algemeen Artikel 4.38 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden. Artikel 4.39 Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op de bescherming van waterwinning. Artikel 4.40 Aanwijzing beschermingsgebieden
- Als beschermingsgebieden worden aangewezen het werkingsgebied Grondwaterbeschermingsgebied en het werkingsgebied Waterwingebied.
- Het betrokken drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die toegang geven tot een grondwaterbeschermingsgebied, dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grenzen van het gebied, borden waarvan een model is vastgesteld in bijlage 3a. Artikel 4.41 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.42 Specifieke zorgplicht
- Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
- Degene die een activiteit verricht of doet verrichten waarbij zich een ongewoon voorval voordoet, informeert terstond Gedeputeerde Staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf. Paragraaf 4.4.2 Grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 4.43 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden. Artikel 4.44 Verboden activiteiten Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in grondwaterbeschermingsgebieden: a. het winnen van mergel, zand of grind, kalkzandsteen, kalk, steenkolen, turf of andere delfstoffen; b. het opslaan, overslaan of bewerken van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen; c. het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen; d. het vervaardigen van cokes uit steenkool; e. het opslaan, overslaan, verbranden of op andere wijze verwijderen van afvalstoffen; f. vervallen g. het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen; h. het vervaardigen, onderhouden of repareren van schepen of het behandelen van de oppervlakte van schepen; i. het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer of de scheepvaart; j. het opslaan van vloeibare brandstoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of andere bodembelastende stoffen in ondergrondse opslagtanks; k. het reinigen van tankschepen; l. het inwendig reinigen van mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers; m. het bieden van gelegenheid voor het afmeren van pleziervaartuigen waarbij afgewerkte olie, bilgewater, huishoudelijk afvalwater of andere afvalstoffen worden opgeslagen; n. het exploiteren van zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwaterzuiveringen; o. het vissen of het kweken van siervis of consumptievis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater; p. het behandelen van de oppervlakte van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé of het aanbrengen van gesmolten metaal waarbij de gebruikte behandelingsbaden direct in of op de bodem zijn geplaatst; q. het exploiteren van schietbanen in de open lucht zonder gebruikmaking van kogelvangers, met vuurwapens of wapens werkend met luchtdruk of gasdruk; r. het winnen van aardolie of aardgas; s. het bewerken van splijt- en kweekstoffen; t. het parkeren van vervoerseenheden, waaronder in ieder geval begrepen voertuigen, opleggers dan wel containers, met gevaarlijke stoffen; u. het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht. Artikel 4.45 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - boorputten
- Het is in het werkingsgebied Grondwaterbeschermingsgebied verboden zonder omgevingsvergunning boorputten op te richten of te hebben.
- Het eerste lid geldt niet voor: a. boorputten voor de openbare drinkwatervoorziening; b. boorputten voor het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. tijdelijke bronbemaling ten behoeve van de uitvoering van werken, mits de BRL SIKB 2100 en protocol 2101 in acht wordt genomen; d. boorputten voor de levering van bluswater in het geval van een calamiteit; en e. boorputten voor de controle van de grondwaterstand; mits scheidende lagen rond de buis of buizen in de boorput worden hersteld.
- Het is verboden de activiteiten,
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden. Artikel 4.46 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - grond- of funderingswerken
- Het is verboden in het werkingsgebied Grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften: a. bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd en het bodemprofiel wordt aangevuld tot ten minste drie meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken; of b. voor het inbrengen van palen: indien geen palen met verbrede voet worden gebruikt.
- Het is verboden de activiteiten,
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden. Artikel 4.47 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - buisleidingen
- Het is verboden in het werkingsgebied Grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning een buisleiding voor transport van vloeistoffen of gassen te leggen of te hebben, die de bodem kunnen verontreinigen
- Het eerste lid geldt niet voor het leggen van rioleringsbuizen.
- Het is verboden de activiteit,
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden. Artikel 4.48 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - afstromend water
- Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning afstromend water op of in de bodem te lozen.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het lozen vanaf bouwwerken, wegen en parkeerplaatsen indien geen risico voor verontreiniging van het grondwater bestaat.
- Het is verboden de activiteit,
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor aanvang van de aanleg van het bouwwerk, de weg of de parkeerplaats te melden aan Gedeputeerde Staten.
- Het is verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen. Artikel 4.49 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - begraafplaats/uitstrooiveld
- Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning een begraafplaats of uitstrooiveld als
de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats aan te leggen.
- Het eerste lid geldt niet voor het uitbreiden van een bestaande begraafplaats of een bestaand uitstrooiveld.
- Het is verboden de activiteit,
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden aan Gedeputeerde Staten. Artikel 4.50 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - energietoevoeging en -onttrekking Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning werken tot stand te brengen of activiteiten te verrichten waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd. Artikel 4.51 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - verontreinigde grond en baggerspecie 1. Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning verontreinigde grond en baggerspecie toe te passen. 2. Het eerste lid geldt niet voor het toepassen van verontreinigde grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit minimaal zo goed is als de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem. 3. Het is verboden de activiteit,
het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin te melden aan Gedeputeerde Staten. Artikel 4.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1. De omgevingsvergunning als
het eerste lid van de artikelen Artikel 4.45 tot en met Artikel 4.51 kan worden verleend, indien: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. 2. Het bevoegd gezag stelt het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om omgevingsvergunning
het eerste lid. Artikel 4.53 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als
artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een vergunning als
deze paragraaf worden verbonden over Artikel 4.45 tot en met Artikel 4.
- Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als
deze paragraaf kan worden verbonden. Paragraaf 4.4.3 Waterwingebieden Artikel 4.54 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten in waterwingebieden. Artikel 4.55 Verboden activiteiten 1. Het is verboden om in het werkingsgebied waterwingebied de volgende activiteiten te verrichten: a. een milieubelastende activiteit als
hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het toepassen of aanwezig hebben van een voor de bodem schadelijke of potentieel schadelijke stof; c. het op of in de bodem oprichten van een constructie of werk van welke aard dan ook als daarmee verspreiding of lozing van een schadelijke of potentieel schadelijke stof in de bodem kan optreden of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; en d. het tot stand brengen van werken of het verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. het op of in de bodem toepassen van bouwstoffen indien daarmee geen verspreiding of lozing van een schadelijke of potentieel schadelijke stof in de bodem kan optreden of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; b. het graven in de bodem als
artikel 3.48d en artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving indien daarmee geen verspreiding of lozing van een schadelijke of potentieel schadelijke stof in de bodem kan optreden of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan. Artikel 4.46, tweede lid, aanhef en onder a, geldt voor deze activiteit onverkort; c. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden van hetgeen is
het eerste lid, onder b anders dan gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of hebben gediend voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits de stof wordt bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende is beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; d. het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie indien de kwaliteit minimaal zo goed is als de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem; e. de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien de betreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. 3. Het is verboden de activiteiten,
het tweede lid, onder a, b en d, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden. Afdeling 4.5 Ontgrondingen Artikel 4.56 Toepassingsbereik Deze afdeling regelt de gevallen waarin in afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit nodig is. Artikel 4.57 Oogmerk Deze afdeling stelt regels met het oog op de doelmatige uitvoering van ontgrondingsactiviteiten. Artikel 4.58 Aanwijzing vergunningsvrije gevallen 1. In het werkingsgebied ontgrondingen geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, in afwijking van artikel 16.7, onder a, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet voor de activiteiten,
artikel 16.7, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als niet meer dan 10.000 m3 wordt ontgraven. 2. In het werkingsgebied ontgrondingen geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, in aanvulling op artikel 16.7, onder g, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet voor zover het gaat om het aanleggen, veranderen of verwijderen van een haven, industrieterrein, bouwterrein, sportterrein, park of plantsoen. Afdeling 4.6 Gesloten stortplaatsen Artikel 4.59 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over activiteiten in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats binnen het werkingsgebied stortplaatsen Wet milieubeheer en het werkingsgebied beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer . Artikel 4.60 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de bescherming van het milieu tegen mogelijk nadelige gevolgen; b. de goede uitvoering van de zorg voor gesloten stortplaatsen als
artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waaronder:
- de bereikbaarheid van benodigde voorzieningen te garanderen;
- te voorkomen dat de werking van de voorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en
- te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd. Artikel 4.61 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.62 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten - stortplaatsen
- Het is verboden om in het werkingsgebied stortplaatsen Wet milieubeheer zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. werken te maken, te wijzigen of te behouden; b. zich te ontdoen van stoffen, mengsels of voorwerpen; of c. andere dan de onder a of b bedoelde activiteiten te verrichten als die activiteiten de uitvoering van de maatregelen,
artikel 8.49, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2. Onder activiteiten
het eerste lid, onder a, worden in ieder geval begrepen: a. bouwactiviteiten voor werken en kunstwerken; en b. civieltechnische werken, waaronder grondverzet, boringen, en aanbrengen van grondkerende constructies. 3. Onder activiteiten
het eerste lid, onder b, worden in ieder geval begrepen: a. het plaatsen van een container; en b. het deponeren van een partij grond. 4. Onder activiteiten
het eerste lid, onder c, worden in ieder geval begrepen: a. het verrichten van milieubelastende activiteiten dan wel de wijziging daarvan; b. grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter of waterbodembewerkingen; c. het onttrekken of inbrengen van grondwater of het anderszins wijzigen van de grondwaterstand; d. het betreden met voertuigen; en e. het ankeren van schepen. 5. Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als
artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
- Bij de aanvraag worden de algemene en specifieke gegevens en bescheiden verstrekt, zoals opgenomen in Bijlage
- Artikel 4.63 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten - beschermingszone
- Het is verboden in het werkingsgebied beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer zonder omgevingsvergunning activiteiten te verrichten als die activiteiten de uitvoering en werking van de maatregelen,
artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2. Onder de activiteiten
het eerste lid worden in ieder geval begrepen: onttrekken of inbrengen van grondwater of het anderszins wijzigen van de grondwaterstand welke enig effect kan hebben op de belangen zoals genoemd in Artikel 4.
- Bij de aanvraag worden de algemene en specifieke gegevens en bescheiden verstrekt, zoals opgenomen in Bijlage
- Artikel 4.64 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als
Artikel 4
.62 en Artikel 4.63 wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de in Artikel 4.60 genoemde belangen. Artikel 4.65 Voorschriften omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning als
Artikel 4.62 en Artikel 4.63 kunnen voorschriften worden verbonden over: a.
de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen; b. het voorkomen dat de werking van de nazorgvoorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en c. het voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd. Artikel 4.66 Informatieplicht ongewoon voorval
- Gedeputeerde Staten worden door een ieder onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval in het werkingsgebied stortplaatsen Wet milieubeheer.
- Zodra gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval als
het eerste lid bekend zijn, worden deze verstrekt aan Gedeputeerde Staten. Artikel 4.67 Uitsluitend recht Afvalzorg Bodemservice B.V. 1. Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht als
artikel 2.24, onderdeel a, van de Aanbestedingswet 2012 met betrekking tot de uitvoering van nazorgmaatregelen ter zake van op of na 1 september 1996 gesloten stortplaatsen. 2. Na afgifte van een verklaring van Gedeputeerde Staten tot sluiting van een stortplaats als
de wet wordt de provincie verantwoordelijk voor de uitvoering van de nazorgmaatregelen van deze stortplaats. Deze nazorgmaatregelen worden onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice B.V.
- Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de baggerstortplaats Amerikahaven te Amsterdam. Afdeling 4.7 Vervallen Artikel 4.68 Vervallen Vervallen Artikel 4.69 Vervallen Vervallen Artikel 4.70 Vervallen Vervallen Artikel 4.71 Vervallen Vervallen Artikel 4.72 Vervallen Vervallen Afdeling 4.8 Vaarwegen Artikel 4.73 Toepassingsbereik
- Deze afdeling gaat over activiteiten in het beperkingengebied aangeduid als werkingsgebied waarvan het vaarwegbeheer door Gedeputeerde Staten wordt uitgevoerd. Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel
- Deze afdeling is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten. Artikel 4.74 Oogmerk
- De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen.
- Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de vaarweg is gelegen: a. het beschermen van landschappelijke en aardkundige waarden; en b. de natuurbescherming. Artikel 4.75 Normadressaat Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over die activiteit. Artikel 4.76 Specifieke zorgplicht
- Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een vaarweg verricht en redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen,
Artikel 4.74, is verplicht: a.
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
- De zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. geen stoffen of voorwerpen in het beperkingengebied worden gebracht die schade toebrengen aan de vaarweg of het veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg; b. alle passende maatregelen worden genomen om hinder voor het scheepvaartverkeer te voorkomen; en c. houtgewas, bomen of takken van bomen worden geplaatst of onderhouden zodat deze geen hinder voor het scheepvaartverkeer kunnen veroorzaken. Artikel 4.77 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een vaarweg de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied met betrekking tot die vaarweg: a. een andere vaarweg op deze vaarwegen aan te sluiten; b. een vaarweg te verleggen, te versmallen, de diepte te wijzigen of op andere wijze te veranderen dan wel buiten gebruik te stellen; of c. een werk boven, op, in, over, onder of langs een vaarweg te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit te verrichten met betrekking tot een vaarweg door op, in, over, onder of langs een vaarweg vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen of deze te laten staan of liggen. Artikel 4.78 Specifieke gegevens en bescheiden aanvraag omgevingsvergunning Bij de aanvraag omgevingsvergunning worden de algemene en specifieke gegevens en bescheiden verstrekt, zoals opgenomen in Bijlage
- Artikel 4.79 Vervallen Vervallen Artikel 4.80 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
- De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met de belangen,
Artikel 4.74, eerste lid.
2. De omgevingsvergunning kan worden geweigerd als verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met de belangen,
Artikel 4.74, tweede lid.
Artikel 4.81 Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning wordt in elk geval het voorschrift verbonden dat de vergunninghouder: a. verplicht is de vergunde activiteiten te onderhouden; en b. bij het onderhoud de aanwijzingen van Gedeputeerde Staten opvolgt. Artikel 4.82 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als
artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als
deze afdeling worden verbonden. 2. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als
dit hoofdstuk kan worden verbonden.
- Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel van Artikel 4.80 van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.83 Informatieplicht ongewoon voorval
- Gedeputeerde Staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
- Zodra gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval als
het eerste lid bekend zijn, worden deze verstrekt aan Gedeputeerde Staten. Artikel 4.84 Onderhoudsplicht Een onderhoudsplichtige (vaarwegen) van een oever (vaarweg) langs een vaarweg houdt deze stevig en passend in de omgeving zodat deze in goede staat is. Afdeling 4.9 Provinciale wegen Artikel 4.85 Toepassingsbereik
- Deze afdeling gaat over activiteiten met betrekking tot wegen in beheer van de provincie in het beperkingengebied aangeduid als werkingsgebied Beperkingengebied provinciale wegen .
- Deze afdeling geldt niet voor activiteiten door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg. Artikel 4.86 Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op: a. het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer; en b. het beschermen van de provinciale infrastructuur, met inbegrip van het belang van het wegbeheer, onderhoud of de wijziging daarvan. Artikel 4.87 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.88 Specifieke zorgplicht
- Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij de provincie verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de infrastructuur verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen,
Artikel 4.86, is verplicht: a.
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur wordt verzekerd; b. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als
artikel 19.1 van de Omgevingswet; en c. houtgewas, bomen of takken van bomen zodanig worden geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken. Artikel 4.89 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten
- Het is verboden om in het werkingsgebied beperkingengebied provinciale wegen zonder omgevingsvergunning een beperkingenactiviteit te verrichten door: a. een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, waaronder het aansluiten van een weg op een provinciale weg; b. een uitweg op een provinciale weg te maken, te hebben, te wijzigen of te verwijderen; c. het gebruik van een uitweg op een provinciale weg te intensiveren, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de verandering niet leidt tot een groter risico voor de verkeersveiligheid; d. aanduidingen of licht- of geluidgevende voorzieningen in welke vorm dan ook te hebben, plaatsen of te wijzigen, anders dan in het kader van een veilig gebruik van de weg; e. handelsreclame of strokenborden in welke vorm dan ook te hebben, plaatsen of wijzigen; f. werken te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen; g. stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen, neer te leggen of te laten staan.
- Het verbod geldt niet voor het plaatsen en hebben van een gedenkteken langs de weg. Artikel 4.90 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
- De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met het veilig en doelmatig gebruik van provinciale infrastructuur overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer; b. verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met het belang van de bescherming van de provinciale infrastructuur, met inbegrip van wegbeheer en wegonderhoud; of c. de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe uitweg op een provinciale weg.
- In afwijking van het eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning worden verleend, als: a. de uitweg ontsluit op een gebiedsontsluitingsweg of een erftoegangsweg; b. er geen andere uitwegmogelijkheid beschikbaar is dan wel er sprake is van een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven beschikbaar zijn en de uitweg aantoonbaar zo verkeersveilig mogelijk is; c. verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met de belangen,
Artikel 4.86; en d.
de aanvraag betrekking heeft op de eerste uitweg van het perceel of een tweede uitweg, als deze bijdraagt aan een verbetering van de verkeersveiligheid. Artikel 4.91 Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning wordt in elk geval het voorschrift verbonden dat de vergunninghouder: a. verplicht is de vergunde activiteiten te onderhouden; en b. bij het onderhoud de aanwijzingen van Gedeputeerde Staten opvolgt. Artikel 4.92 Melding gedenktekens Het is verboden in het werkingsgebied beperkingengebied provinciale wegen een gedenkteken te plaatsen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Artikel 4.93 Algemene regels gedenktekens 1. Met het oog op het veilige gebruik van de provinciale weg wordt een gedenkteken niet aan wegmeubilair vastgemaakt. 2. Een gedenkteken neemt niet meer dan 1 m2 grond in beslag. 3. Een gedenkteken wordt uiterlijk 10 jaar na de datum van de melding verwijderd. Artikel 4.94 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als
artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als
deze paragraaf worden verbonden over Artikel 4.88 en Artikel 4.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van Artikel 4.
- Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als
deze paragraaf kan worden verbonden.
- Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel van Artikel 4.90 van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.95 Informatieplicht ongewoon voorval
- Gedeputeerde Staten wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
- Zodra gegevens en bescheiden betreffende het ongewoon voorval als
het eerste lid bekend zijn, worden deze verstrekt aan Gedeputeerde Staten. Afdeling 4.10 Regionale luchthavens Paragraaf 4.10.1 Algemeen Artikel 4.96 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het luchthavengebied en het beperkingengebied van luchthavens van regionale betekenis met een luchthavenbesluit als
afdeling 8.3.2 van de Wet luchtvaart. Artikel 4.97 Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op het bieden van voldoende faciliteiten voor klein zakelijk vliegverkeer en helikopters, het bieden van voldoende faciliteiten aan de recreatieve functie van luchtvaart en in samenhang hiermee het in stand houden van een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving. Paragraaf 4.10.2 Luchthaven Hilversum Artikel 4.98 Luchthavengebied Luchthaven Hilversum 1. Als luchthavengebied, als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart, wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Hilversum. 2. In het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Hilversum zijn gelegen: a. een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 069°-249°, met een lengte van 600 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; b. een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 179°-359°, met een lengte van 730 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; c. een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 123°-303°, met een lengte van 730 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; d. drie zweefvliegbanen, gelegen in de geografische richting 069°-249°, 179°-359° en 123°-303°. Artikel 4.99 Gebruik Luchthaven Hilversum Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied Luchthaven Hilversum, als
Artikel 4.98, gelden de volgende regels: a.
De luchthavenexploitant is Stichting Vliegveld Hilversum of diens rechtsopvolger. b. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel: Baan Baankop X-coördinaat Y-coördinaat Grenswaarden enkel vliegtuigen met vaste vleugel in handhavingspunten Grenswaarden vliegtuigen en helikopters samen in handhavingspunten 07/25 07 138.081 466.988 57,43 dB(A) Lden 57,75 dB(A) Lden 25 138.833 467.261 52,96 dB(A) Lden 54,65 dB(A) Lden 13/31 13 138.008 467.168 52,62 dB(A) Lden 53,54 dB(A) Lden 31 138.781 466.650 53,74 dB(A) Lden 53,90 dB(A) Lden 18/36 18 138.647 467.528 53,04 dB(A) Lden 53,78 dB(A) Lden 36 138.653 466.596 54,19 dB(A) Lden 54,68 dB(A) Lden c. Voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels:
- op de luchthaven is uitsluitend burgerluchtverkeer toegestaan, waarbij incidenteel gebruik door militaire vliegtuigen ook is toegestaan;
- op de luchthaven zijn luchtvaartuigen met een maximum startgewicht van 6.000 kg toegestaan;
- op de luchthaven zijn per gebruiksjaar maximaal 2.000 bewegingen met helikopters met een maximum startgewicht van 6.000 kg toegestaan;
- het is toegestaan, na toestemming van de havenmeester, om de luchthaven incidenteel te doen gebruiken door helikopters met een maximaal startgewicht van groter dan 6.000 kg;
- het gebruik van de luchthaven vindt plaats overeenkomstig de zichtvliegvoorschriften,
deel 5 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening EU 923/2012 onder SERA.5005, binnen de daglichtperiode;
- het is de luchthavenexploitant toegestaan om het luchthavengebied te doen of te laten gebruiken 24 uur per dag voor het uitvoeren van helikoptervluchten van maatschappelijk belang alsmede voor het uitvoeren van daarmee verband houdende vluchten gericht op het innemen van brandstof. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: I. uitgevoerde vluchten worden meegeteld in de berekening van geluidsbelasting; II. uitgevoerde vluchten worden niet meegeteld bij het aantal vliegbewegingen als bedoeld onder c; en III. de luchthavenexploitant draagt zorg voor sluitende afspraken met de helikopter-operator over het veilig gebruik van de luchthaven buiten de daglichtperiode.
- het uitvoeren van circuitvluchten ten behoeve van het oefenen of het lesgeven in starten of landen en het uitvoeren van oefennaderingen met luchtvaartuigen, is verboden: I. op werkdagen vóór 08.00 uur; II. op zaterdagen vóór 08.00 uur en na 16.00 uur; en III. op zon- en erkende feestdagen vóór 11.00 uur en na 16.00 uur.
- het uitvoeren van vluchten met luchtvaartuigen met het doel valschermspringen te laten beoefenen is verboden: I. op werkdagen vóór 08.00 uur; II. op zaterdagen vóór 08.00 uur en na 18.00 uur, waarbij geldt dat vluchten na 18.00 uur wel zijn toegestaan, voor zover de frequentie na dat tijdstip die van vier vliegtuigbewegingen per kwartier niet te boven gaat en hoogte wordt gewonnen buiten gebieden met aaneengesloten bebouwing; en III. op zon- en erkende feestdagen vóór 11.00 uur en na 18.00 uur.
- het uitvoeren van rondvluchten met luchtvaartuigen is verboden: I. op werkdagen vóór 08.00 uur; II. op zaterdagen vóór 08.00 uur en na 19.00 uur; en III. op zon- en erkende feestdagen vóór 11.00 uur en na 19.00 uur.
- sub 7 tot en met 9 zijn niet van toepassing voor het uitvoeren van vluchten met luchtvaartuigen, waarvan de voortgebrachte hoeveelheid geluid, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 6 van bijlage 16, volume I, bij de Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, minder dan 60 dB(A) bedraagt;
- sub 7 tot en met 9 zijn niet van toepassing voor het uitvoeren van vluchten met luchtvaartuigen, waarvan de voortgebrachte hoeveelheid geluid, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 10 van bijlage 16, volume I, bij deVerdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, minder dan 66 dB(A) bedraagt.
- binnen twee weken na het einde van elk kwartaal overlegt de exploitant een rapportage aan Gedeputeerde Staten over het gebruik van de luchthaven over de periode van het begin van het gebruiksjaar tot het einde van het kwartaal. Het gebruiksjaar betreft hierbij de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel 4.100 Beperkingengebieden Luchthaven Hilversum Als beperkingengebieden als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied luchthavengebied luchthaven Hilversum: a. de 10-5 plaatsgebonden risicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-5 risicocontour luchthaven Hilversum; b. de 10-6 plaatsgebonden risicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 risicocontour luchthaven Hilversum; c. de geluidscontour van 48 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 48 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum; d. de geluidscontour van 56 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder c, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 56 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum; e. de veiligheidsgebieden, als
artikel 13 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied veiligheidsgebieden luchthaven Hilversum; en f. een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, als
artikel 14 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied hoogtebeperkingen luchthaven Hilversum. Paragraaf 4.10.3 Luchthaven Texel Artikel 4.101 Luchthavengebied luchthaven Texel 1. Als luchthavengebied als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Texel. 2. In het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Texel zijn gelegen: a. een onverharde baan, gelegen in de geografische richting 036°-216°, met een lengte van 1.109 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchtverkeer ingedeeld in codenummer 2 en codeletter C, zoals vermeld in bijlage 14 van de Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; b. een onverharde baan, gelegen in de geografische richting 126°-306°, met een lengte van 622 meter en een breedte van minimaal 30 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in bijlage 14 van de Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; c. een landingsplaats ter grootte van 30 bij 30 meter voor het landen en opstijgen met helikopters. Artikel 4.102 Gebruik Luchthaven Texel Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Texel als
Artikel 4.101 gelden de volgende regels: a.
Luchthavenexploitant is Texel Airport NV of diens rechtsopvolger. b. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel: Baan Baanlengte Baankop Coordinaten X handhavingspunten Coordinaten Y handhavingspunten Grenswaarden 04-22 1.109m 04 117.403 569.549 63,0 dB(A) Lden 22 118.166 570.612 63,7 dB(A) Lden 13-31 622m 13 117.238 569.868 50,3 dB(A) Lden 31 117.905 569.390 50,3 dB(A) Lden c. Voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels: 1. op de luchthaven is uitsluitend burgerluchtverkeer toegestaan. 2. in afwijking van regel 1 zijn op de luchthaven per gebruiksjaar maximaal 100 vliegbewegingen met militaire vliegtuigen en militaire helikopters toegestaan; 3. de havenmeester dient vooraf toestemming te verlenen voor het gebruik van het luchthavengebied voor zweefvliegtuigen; 4. het gebruik van de luchthaven vindt plaats overeenkomstig de zichtvliegvoorschriften,
hoofdstuk 3, afdeling 3, van het Luchtverkeersreglement, binnen de daglichtperiode, en overeenkomstig de instrumentvliegvoorschriften,
hoofdstuk 3, afdeling 4, van het Luchtverkeersreglement, tussen 07.00 en 21.00 uur plaatselijke tijd, voor zover deze periode buiten de uniforme daglichtperiode valt, uitsluitend voor het landen en opstijgen van helikopters die zijn uitgerust met blindvlieginstrumenten, met dien verstande dat dit geen les- en oefenvluchten zijn;
- het is de luchthavenexploitant toegestaan om het luchthavengebied te doen of te laten gebruiken 24 uur per dag voor het uitvoeren van helikoptervluchten van maatschappelijk belang alsmede voor het uitvoeren van daarmee verband houdende vluchten gericht op het innemen van brandstof. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: I. uitgevoerde vluchten worden meegeteld in de berekening van geluidsbelasting; en II. de luchthavenexploitant draagt zorg voor sluitende afspraken met de helikopter-operator over het veilig gebruik van de luchthaven buiten de daglichtperiode.
- binnen twee weken na het einde van elk kwartaal overlegt de exploitant een rapportage aan Gedeputeerde Staten over het gebruik van de luchthaven over de periode van het begin van het gebruiksjaar tot het einde van het kwartaal. Het gebruiksjaar betreft hierbij de periode van 1 januari tot en met 31 december. d. Voor het overige gebruik van de luchthaven gelden de volgende regels:
- de hoogte van de te gebruiken werk- en voertuigen, alsmede eventueel te plaatsen opstallen, beplantingen of anderszins, mag de betreffende door ICAO aangegeven hindernisvrije vlakken niet te boven gaan;
- alvorens het gebied rondom de VDF-pijler wordt betreden dient contact te worden opgenomen met de Luchtverkeersleiding Nederland te Schiphol in verband met de werking van de ter plaatse aanwezige VDF-pijler;
- indien bij of in de onmiddellijke omgeving van LVNL-kabels ten behoeve van de luchtvaarthulp- en/of communicatiemiddelen werkzaamheden worden uitgevoerd, dient tijdig overleg plaats te vinden met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Directie Luchtvaart, afdeling Luchtvaartveiligheid. Artikel 4.103 Beperkingengebieden luchthaven Texel Als beperkingengebieden als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied luchthavengebied luchthaven Texel: a. de 10-5 plaatsgebondenrisicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-5 risicocontour luchthaven Texel; b. de 10-6 plaatsgebondenrisicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 risicocontour luchthaven Texel; c. de geluidscontour van 48 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 48 dB(A) geluidscontour luchthaven Texel; d. de geluidscontour van 56 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder c, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 56 dB(A) geluidscontour luchthaven Texel; e. de veiligheidsgebieden als
artikel 13 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied veiligheidsgebieden luchthaven Texel; en f. een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, als
artikel 14 van het Besluit burgerluchthavens ter plaatse van het werkingsgebied hoogtebeperkingen luchthaven Texel. Paragraaf 4.10.4 Luchthaven Loodswezen IJmuiden Artikel 4.104 Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden 1. Als luchthavengebied als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden. 2. Op de luchthaven is gelegen een landingsplaats ter grootte van 14 bij 14 meter, omgeven door een safety area van 7 meter, voor het landen en opstijgen met helikopters. Artikel 4.105 Gebruik Luchthaven Loodswezen IJmuiden Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden als
Artikel 4.104 gelden de volgende regels: a.
De luchthavenexploitant is het Nederlands Loodswezen B.V. of diens rechtsopvolger. b. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel: Handhavingspunt X Y Grenswaarde Oost 101158 498328 68,1 dB(A) Lden West 100961 498289 68,1 dB(A) Lden c. voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels: d. op de luchthaven zijn uitsluitend helikopters die worden ingezet voor het beloodsen van zeeschepen toegestaan, waarbij geldt dat incidenteel gebruik door niet-commerciële, niet-particuliere helikopters, na toestemming van de exploitant, is toegestaan; e. het gebruik van de luchthaven vindt voor dagoperaties plaats zonder beperkingen; f. het gebruik van de luchthaven vindt voor nachtoperaties plaats onder VMC (Visual Meteorological Conditions) en onder de voorwaarden gesteld bij de ontheffing van het VFR (Visual Flight Rules) vliegverbod bij nacht; g. de luchthavenexploitant staat geen starts en landingen toe indien het in bedrijf zijn van een of meer windturbines van “Windpark Spuisluis” gelet op de windsnelheid en windrichting een risico vormt voor een veilige vluchtuitvoering; h. binnen twee weken na het einde van elk kwartaal overlegt de exploitant een rapportage aan Gedeputeerde Staten over het gebruik van de luchthaven over de periode van het begin van het gebruiksjaar tot het einde van het kwartaal. Het gebruiksjaar betreft hierbij de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel 4.106 Beperkingengebieden Luchthaven Loodswezen IJmuiden Als beperkingengebieden als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden: a. de 10-6 plaatsgebondenrisicocontouren, als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 risicocontour luchthaven Loodswezen IJmuiden; b. de geluidscontour van 48 dB(A) Lden, als
artikel 9, eerste lid, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 48 dB(A) geluidscontour luchthaven Loodswezen IJmuiden; c. de geluidscontour van 56 dB(A) Lden, als
artikel 9, eerste lid, onder c, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 56 dB(A) geluidscontour luchthaven Loodswezen IJmuiden; d. een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, ter plaatse van het werkingsgebied hoogtebeperkingen luchthaven Loodswezen IJmuiden. Paragraaf 4.10.5 Luchthaven Amsterdam Heliport Artikel 4.107 Luchthavengebied Amsterdam Heliport 1. Als luchthavengebied, als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart, wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport. 2. In het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport zijn gelegen: een landingsplaats ter grootte van 24 bij 24 meter, omgeven door een safety area van 12 meter, voor het landen en opstijgen met helikopters. Artikel 4.108 Gebruik Amsterdam Heliport Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport als
Artikel 4.107 gelden de volgende regels: a.
De luchthavenexploitant is Amsterdam Heliport B.V. of diens rechtsopvolger. b. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven vliegbewegingen toe binnen de vastgestelde aantallen genoemd onder 3 zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden, zoals opgenomen in deze tabel: Ligging en grenswaarden in de handhavingspunten Handhavingspunt X Y Grenswaarde Noordoost 115405 492122 78,49 dB(A) Lden Zuidwest 115349 491929 74,90 dB(A) Lden c. Voor het luchtverkeer gelden de volgende regels:
- Op de luchthaven zijn uitsluitend VTOL (Vertical Take-Off and Landing) vluchten toegestaan.
- Op de luchthaven zijn jaarlijks ten hoogste 3.420 vliegbewegingen ten behoeve van commerciële of maatschappelijke helikopter toepassingen, niet zijnde rondvluchten, toegestaan.
- Op de luchthaven zijn jaarlijks ten hoogste 5.400 vliegbewegingen voor HEMS-vluchten toegestaan.
- Vliegbewegingen zoals bedoeld onder 2 mogen alleen uitgevoerd worden tijdens de dag- en avondperiode, waarbij per etmaal ten hoogste 60 vliegbewegingen mogen worden uitgevoerd waarvan ten hoogste 15 in de avondperiode.
- Binnen twee weken na het einde van elk kwartaal overlegt de exploitant een rapportage aan Gedeputeerde Staten over het gebruik van de luchthaven over de periode van het begin van het gebruiksjaar tot het einde van het kwartaal. Het gebruiksjaar betreft hierbij de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel 4.109 Beperkingengebieden Amsterdam Heliport Als beperkingengebieden als
artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport: a. De 10-5 plaatsgebonden risicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-5 risicocontour Amsterdam Heliport; b. De 10-6 plaatsgebonden risicocontouren als
artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 risicocontour Amsterdam Heliport; c. De geluidscontour van 48 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 48 dB(A) Geluidscontour Amsterdam Heliport; d. De geluidscontour van 56 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder c, van het Besluitburgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 56 dB(A) geluidscontour Amsterdam Heliport; e. De geluidscontour van 70 dB(A) Lden als
artikel 9, eerste lid, onder d, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 70 dB(A) geluidscontour Amsterdam Heliport; f. Het gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, als
artikel 9, eerste lid, onder f, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied Hoogtebeperkingen Amsterdam Heliport. Afdeling 4.11 Open bodemenergiesystemen Artikel 4.110 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen. Artikel 4.111 Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater en het vervullen van de functies van grondwaterlichamen. Artikel 4.112 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.113 Aanwijzing vergunningsvrije open bodemenergiesystemen Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit voor een open bodemenergiesysteem als
artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is buiten interferentiegebieden niet vereist voor bodemenergiesystemen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan tien kubieke meter per uur. Artikel 4.114 Informatieplicht Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit
Artikel 4
.113 worden aan het bevoegd gezag verstrekt de algemene en specifieke gegevens en bescheiden zoals opgenomen in Bijlage 10 Gegevens en bescheiden. Artikel 4.114a Jaarlijks verstrekken gegevens en bescheiden Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, indien de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, wordt voor alle open bodemenergiesystemen opgave gedaan aan het bevoegd gezag over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. Afdeling 4.12 Grondwaterverontreiniging Artikel 4.115 Informatieplicht toevalsvondst Burgemeester en wethouders informeren terstond Gedeputeerde Staten bij het signaleren van een nog onbekende grondwaterverontreiniging met een volume van meer dan 6000 m
- Artikel 4.116 Informatieplicht bij sanering historische gevallen van verontreiniging Degene die een historische bodemverontreiniging saneert, informeert terstond Gedeputeerde Staten indien de grondwaterverontreiniging groter blijkt te zijn dan 6000 m3 en dit nog niet bekend is. Artikel 4.117 Rapportageplicht grote gemeenten over aanpak van historische gevallen Burgemeester en wethouders van de gemeenten Alkmaar, Amsterdam, Haarlem en Zaanstad rapporteren jaarlijks vóór 1 maart aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van de aanpak van verontreinigingen met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico. Artikel 4.118 Uitsluitend recht Afvalzorg Bodemservice BV
- Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht als
artikel 2.24, onderdeel a, van de Aanbestedingswet 2012 in geval van nazorg en beheer in het kader van grond- en grondwatersaneringen in opdracht van de provincie. 2. Indien na sanering door, namens, in opdracht van of op verzoek van de provincie verontreiniging in de bodem is achtergebleven en hierop nazorg- of beheersmaatregelen, zowel lokaal als gebiedsgericht, noodzakelijk zijn, die op basis van langdurige afkoopafspraken door of namens de provincie worden uitgevoerd of van de provincie worden overgenomen, worden deze maatregelen onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice B.V. Afdeling 4.13 Zwemwater Artikel 4.119 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling zijn van toepassing op door Gedeputeerde Staten aangewezen zwemlocaties, als
artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 4.120 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid van zwemlocaties en de gezondheid van gebruikers van zwemlocaties. Artikel 4.121 Aanwijzen houder zwemlocatie Gedeputeerde Staten wijzen jaarlijks een houder aan voor elke door hen aangewezen zwemlocatie. Artikel 4.122 Verplichtingen houder zwemlocatie De houder van een door Gedeputeerde Staten aangewezen zwemlocatie: a. draagt zorg voor de veiligheid van de zwemlocatie en het beschermen van de gezondheid van bezoekers van de zwemlocatie en neemt daartoe maatregelen die redelijkerwijs van diegene mogen worden verwacht; b. plaatst gedurende het badseizoen borden om bezoekers van de zwemlocatie te informeren over een waarschuwing of negatief zwemadvies; en c. stelt Gedeputeerde Staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam onverwijld op de hoogte van onverwachte situaties die negatieve gevolgen hebben of redelijkerwijs kunnen hebben voor de kwaliteit van de zwemlocatie of de gezondheid van bezoekers van de zwemlocatie. Artikel 4.123 Maatwerkvoorschriften 1. Gedeputeerde Staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen over de verplichtingen van de houder van een zwemlocatie. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van Artikel 4.122. Afdeling 4.14 Wateronttrekking Artikel 4.124 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningsplichtige wateronttrekkingsactiviteit voor industriële toepassingen van meer dan 150.000 m3/jaar of voor de openbare drinkwatervoorziening als
artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: a. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; of b. het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening. Artikel 4.125 Meetverplichting kwantiteit onttrekken van grondwater en infiltratie van water 1. Bij het verrichten van een activiteit,
Artikel 4
.124, wordt de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of in de bodem gebracht water gemeten met een nauwkeurigheid van tenminste 95%.
- Voor kortdurende of seizoensgebonden grondwateronttrekkingen of infiltraties kunnen gedeputeerde staten in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten. Artikel 4.126 Meetverplichting kwaliteit infiltratie van water
- Bij het verrichten van de activiteit,
Artikel 4
.124, aanhef en onder b, wordt de kwaliteit van het in de bodem te brengen water gemeten en geanalyseerd volgens de in Bijlage 3b opgenomen parameters met de daarbij aangegeven frequentie.
- De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig Bijlage 4 van de Drinkwaterregeling Artikel 4.127 Jaarlijks verstrekken van gegevens en bescheiden Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de wateronttrekkingsactiviteit is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan Gedeputeerde Staten de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en in de bodem gebracht water; en b. de kwaliteit van het in de bodem gebrachte water. Artikel 4.128 Water: niet onttrekken
- Waterschaarste en dreigende waterschaarste zijn bijzondere omstandigheden als
artikel 19.0 van de Omgevingswet. 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor activiteiten als
Artikel 4
.124 bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid als
het eerste lid voordoet. 3. Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als
het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet. Hoofdstuk 5 Omgevingswaarden Afdeling 5.1 Omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen Artikel 5.1 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over regionale waterkeringen in beheer van de waterschappen. Artikel 5.2 Omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen
- Ter plaatse van de in de tabel opgenomen werkingsgebieden geldt als omgevingswaarde veiligheid, aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar, de in de tabel vastgelegde waarde. werkingsgebied Omgevingswaarde veiligheid Regionale waterkering klasse I 1/10 jaar Regionale waterkering klasse II 1/30 jaar Regionale waterkering klasse III 1/100 jaar Regionale waterkering klasse IV 1/300 jaar Regionale waterkering klasse V 1/1000 jaar Regionale waterkering klasse VI 1/4000 jaar
- De omgevingswaarde veiligheid is een resultaatverplichting.
- Gedeputeerde Staten hebben op grond van artikel 5.2 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 nadere regels gesteld in Artikel 7.1B Omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen van bijlage 11 over het vastgestelde tijdstip waarop de verschillende regionale waterkeringen moeten voldoen aan de veiligheidsnorm,
het eerste lid. 4. Het waterschapsbestuur kan Gedeputeerde Staten gemotiveerd verzoeken tot wijziging van het tijdstip
het derde lid voor een regionale waterkering, indien: a. het voldoen aan de omgevingswaarde op het desbetreffende tijdstip onevenredig kostbaar is; b. door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschapsbestuur de resultaten van de beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkering zo wijzigen dat op het desbetreffende tijdstip niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of c. ondanks de verrichte handelingen daartoe niet op het desbetreffende tijdstip is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde. Artikel 5.3 Technische leidraad en voorschriften veiligheid regionale waterkeringen
- Gedeputeerde Staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor het waterschap.
- Gedeputeerde Staten hebben op grond van artikel 5.2 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 nadere regels gesteld in artikel 7.2 van bijlage 11 aan de door het dagelijks bestuur van het waterschap te verrichten beoordeling van het waterkerend vermogen van de regionale waterkeringen en ten behoeve van die beoordeling de maatgevende hoogwaterstanden vaststellen. Afdeling 5.2 Omgevingswaarden voor wateroverlast Artikel 5.4 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over regionale wateren in beheer van de waterschappen. Artikel 5.5 Omgevingswaarden wateroverlast
- Als omgevingswaarde gemiddelde kans op overstroming per jaar geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom als norm: a. 1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen met maaiveldcriterium 0%; b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw met maaiveldcriterium 1%; c. 1/10 per jaar voor het overige gebied met maaiveldcriterium 5%.
- Als omgevingswaarde gemiddelde kans op overstroming per jaar geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom als norm: a. 1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen met maaiveldcriterium van 0%; b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw met maaiveldcriterium 1%; c. 1/25 per jaar voor akkerbouw met maaiveldcriterium 1%; d. 1/10 per jaar voor grasland, gedurende de periode van 1 maart tot 1 oktober met maaiveldcriterium 5%.
- In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a geldt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland voor bebouwing gelegen buiten de bebouwde kom de norm van het omringend landgebruik genoemd in het tweede lid, aanhef, onder b, c of d.
- In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder d geldt binnen de beheersgebieden van Waterschap Amstel, Gooi en vecht en Hoogheemraadschap van Rijnland voor grasland de norm van 1/10 per jaar met maaiveldcriterium 10%.
- In afwijking van het eerste en tweede lid gelden ter plaatse van het werkingsgebied Omgevingswaarde wateroverlast de ter plaatse van het werkingsgebied als normen en maaiveldcriteria vastgelegde gebiedswaarden.
- De omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.
- Aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari
- In artikel 5.2 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de noodzaak van het voorkomen van bodemdaling en inklinking. Artikel 5.6 Bepaling landgebruik omgevingswaarde wateroverlast
- Voor de toepassing van Artikel 5.5, tweede lid, is wat betreft het landgebruik de situatie zoals vastgelegd in het omgevingsplan bepalend. Indien een omgevingsplan onvoldoende duidelijkheid verschaft omtrent het type landgebruik dan kan het landgebruik ook worden bepaald met behulp van het meest recente Landelijk Grondgebruikersbestand Nederland van Wageningen Universiteit en Researchcentrum.
- Voor de bepaling van het landgebruik natuur mag gebruik worden gemaakt van de meest recente voortgangskaart realisatie Natuurnetwerk waarop gebieden zijn aangeduid als Natuurnetwerk gerealiseerd of van het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland van Wageningen Universiteit en Researchcentrum. Afdeling 5.3 Omgevingswaarden geluidproductie Artikel 5.7 Geluidproductieplafonds provinciale wegen
- Als wegen in beheer bij de provincie waarvoor Provinciale Staten aan weerszijden geluidproductieplafonds vaststellen, wordt aangewezen het werkingsgebied Wegen met provinciale geluidproductieplafonds.
- In artikel 5.3 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de geluidproductieplafonds vaststellen. Artikel 5.8 Geluidproductieplafonds industrieterreinen
- Als industrieterreinen waarvoor Provinciale Staten geluidproductieplafonds vaststellen, wordt aangewezen het werkingsgebied Industrieterrein met provinciale geluidproductieplafonds.
- In artikel 5.3 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de geluidproductieplafonds vaststellen. Hoofdstuk 6 Instructieregels Afdeling 6.1 Programma's Paragraaf 6.1.1 Waterprogramma's Artikel 6.1 Waterbeheerprogramma
- Het waterbeheerprogramma bevat, naast het bepaalde in artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste: a. de beschrijving van de bestaande toestand van de watersystemen waarover het beheer zich uitstrekt; b. het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; c. de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren; d. een raming van de kosten van de gedurende de programmaperiode te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de programmaperiode; en e. een beschrijving van de wijze waarop het watersysteem is getoetst aan de omgevingswaarde met het oog op het voorkomen en beperken van wateroverlast als
artikel 5.5 van deze verordening.
- Bij de motivering van het waterbeheerprogramma worden in ieder geval betrokken: a. de aan het programma ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken; b. welke maatregelen in het regionaal waterprogramma worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid onder c genoemde maatregelen. Paragraaf 6.1.2 Beheerplannen Natura 2000 Paragraaf 6.1.3 Faunabeheer Artikel 6.2 Toepassingsbereik Artikel 6.3 Inhoud, reikwijdte en geldigheidsduur faunabeheerplan
- Een faunabeheerplan bevat: a. een beschrijving van het planmatig, doelmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren; b. een beschrijving van de planmatige, doelmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schade veroorzaakt door in het wild levende dieren; en/of c. een rapportage van de uitoefening van de jacht.
- Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5.000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.
- Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren.
- Gedeputeerde Staten kunnen eenmaal instemmen met een verzoek van de faunabeheereenheid om de geldigheidsduur van een faunabeheerplan te verlengen voor de duur van maximaal een jaar. Artikel 6.4 Eisen aan een faunabeheerplan - duurzaam beheer van populaties Indien sprake is van duurzaam beheer van populaties, bevat een faunabeheerplan tevens: a. een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties; b. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied; c. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van populaties van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als
artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. een beschrijving van de mate waarin de in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad; e. de streefstand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten; f. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht ter voorkoming van schade aan de belangen ten behoeve waarvan die handelingen zijn verricht. Deze beschrijving bevat ten minste de volgende gegevens:
- een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de in het faunabeheerplan beschreven diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan;
- een beschrijving van de mate waarin de belangen ten behoeve waarvan de handelingen worden verricht zijn geschaad in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan; en
- per diersoort en gewas een beschrijving van de effectiviteit van de handelingen, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn. g. voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dierensoorten alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; h. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; i. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende omgevingsvergunning op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als
onderdeel h omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; en j. per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, als
artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving deze activiteit dient. Artikel 6.5 Eisen aan een faunabeheerplan - algemeen 1. Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens: a. de omvang van het werkingsgebied van het faunabeheerplan; b. en een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven; c. en de door dierenwelzijnsorganisaties uitgebrachte adviezen als
Artikel 2.11, derde lid.
2. Een faunabeheerplan voldoet aan de volgende eisen: a. in het plan gebruikte gegevens zijn gevalideerd en op kloppende en congruente wijze overgenomen uit de gebruikte bronnen; b. gebruikte telgegevens van voorgaande jaren welke zijn gebaseerd op een vastgesteld telprotocol en zijn gecontroleerd door de verschillende partijen in het bestuur van een faunabeheereenheid, in samenspraak met de rechtstreeks aan het bestuur adviserende partijen als
Artikel 2.11; c.
relevante wetenschappelijke literatuur is gebruikt om conclusies te ondersteunen; en d. bronvermeldingen en referenties zijn conform wetenschappelijke richtlijnen op heldere en gestructureerde wijze vermeld en een literatuurlijst is aanwezig. 3. Een faunabeheereenheid nodigt in ieder geval de volgende organisaties uit te adviseren op de faunabeheerplannen: a. Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren; b. Stichting De Faunabescherming; en c. Vogelbescherming Nederland. Artikel 6.6 Eisen aan een faunabeheerplan - bestrijding van schade Indien sprake is van schadebestrijding, bevat een faunabeheerplan tevens: a. een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties; b. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied; c. een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als
artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad; e. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; f. een beschrijving van de staat van instandhouding en hoe de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd wordt; g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals
onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken; h. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen; i. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald; j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; k. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende omgevingsvergunning op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als
onderdeel j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; l. per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving deze activiteit dient; en m. een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen. Artikel 6.7 Eisen aan een faunabeheerplan - uitoefening jacht Een faunabeheerplan bevat met betrekking tot de uitoefening van de jacht tevens: a. kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt; en b. een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan. Artikel 6.8 Uitzonderingsbepaling Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere situaties in individuele gevallen besluiten om geen toepassing te geven aan, dan wel af te wijken van, een of meerdere bepalingen van deze paragraaf, voor zover toepassing van die bepalingen, gelet op de betrokken belangen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Paragraaf 6.1.4 Actieprogramma geluid Afdeling 6.2 Omgevingsplannen Paragraaf 6.2.1 Algemeen Artikel 6.9 (gereserveerd) Artikel 6.10 Bestaande situaties 1. Voor zover in deze afdeling gebruik wordt gemaakt van het begrip bestaand wordt hieronder begrepen: a. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling rechtmatig aanwezig; b. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een omgevingsvergunning toegestaan of waarvoor op dat tijdstip een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die op grond van het toepasselijke omgevingsplan moet of kan worden verleend; of c. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een geldend omgevingsplan toegestaan. 2. Indien het eerste lid van toepassing is op bebouwing, kan het omgevingsplan het vervangen van deze bebouwing door bebouwing van gelijke aard en omvang toestaan. Artikel 6.11 Ontheffingsbevoegdheid 1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen als
artikel 2.32, eerste lid van de Omgevingswet, van de regels gesteld bij of krachtens Afdeling 6.2 2. Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als
het eerste lid voorschriften verbinden indien de belangen die gediend worden met de regels waarvan ontheffing wordt verleend dat noodzakelijk maken.
- Een verleende ontheffing vervalt indien niet binnen twee jaar na het verlenen van de ontheffing een omgevingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing.
- Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de redenen waarom ontheffing wordt gevraagd; b. een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de regels waarvan ontheffing wordt gevraagd; en c. een verbeelding van het beoogde werkingsgebied van de gevraagde ontheffing. Paragraaf 6.2.2 Stedelijke functies Subparagraaf 6.2.2.1 Regionale afstemming Artikel 6.12 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over regionale afstemming bij nieuwe stedelijke functies. Artikel 6.13 Regionale afspraken nieuwe stedelijke functies
- Een omgevingsplan kan uitsluitend voorzien in nieuwe stedelijke functies als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio daarover gemaakte schriftelijke afspraken.
- Het eerste lid is niet van toepassing op: a. ontwikkelingen met de functie wonen tot en met 25 woningen, voor zover gelegen buiten het werkingsgebied landelijk gebied; b. nieuwe stedelijke functies, niet zijnde wonen, met een bebouwd oppervlak van minder dan 500 m
- Gedeputeerde Staten hebben op grond van Artikel 6.1 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 nadere regels gesteld in afdeling 5 van bijlage
- Subparagraaf 6.2.2.2 Stedelijke functies in Landelijk gebied Artikel 6.14 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over: a. nieuwe kleinschalige stedelijke functies, niet zijnde wonen, in het werkingsgebied Landelijk gebied; b. woningbouwontwikkelingen en transformatie van stedelijke voorzieningen naar wonen in het werkingsgebied Landelijk gebied; c. transformatie van agrarische bouwpercelen naar stedelijke functies in het werkingsgebied Landelijk gebied. Artikel 6.14a Kleinschalige nieuwe stedelijke functies, niet zijnde wonen, in Landelijk gebied
- Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het uitsluitend voorzien in een nieuwe