← Nederland

Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Amsterdam)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan van de gemeente Amsterdam regelt het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de gemeentegrenzen, met een focus op woonfuncties en aanverwante activiteiten. Het stelt regels vast voor wat wel en niet is toegestaan op specifieke locaties.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696291 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0363/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-01-08 2025-01-08 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696291/nld@2025-02-06 /join/id/proc

Artikel 2.1 Toepassingsbereik 1.

Dit hoofdstuk heeft betrekking op het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en het gebruik van gronden en bouwwerken.

  1. Afdeling 2.3 is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. Daar wordt het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken bepaald door de bestemming die op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan geldt. Artikel 2.2 Meet- en rekenregels
  2. Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
  3. Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing.
  4. Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak. Afdeling 2.2 ALGEMEEN VERBOD GRONDEN EN BOUWWERKEN TE GEBRUIKEN IN STRIJD MET REGELS OVER GEBRUIK Artikel 2.3 Vangnetbepaling strijdig gebruik
  5. Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk
  6. In afwijking van het eerste lid is het ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3, voor zover die van toepassing zijn.
  7. In afwijking van het eerste lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3, voor zover die van toepassing zijn.
  8. In aanvulling op het tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken.
  9. Tot een gebruik dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid, behoort in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor: a. groenvoorzieningen en waterpartijen; b. nutsvoorzieningen; c. ontsluitingsinfrastructuur ten behoeve van het gebruiksdoel; d. het voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Afdeling 2.3 GEBRUIKSDOELEN VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN, TOEGESTAAN GEBRUIK EN REGELS OVER DAT GEBRUIK Paragraaf 2.3.1 Wonen Subparagraaf 2.3.1.1 Algemene regels over wonen Artikel 2.4 Toepassingsbereik
  10. Paragraaf 2.3.1 is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'.
  11. Paragraaf 2.3.1 geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'. Artikel 2.5 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen', toegestaan gebruik
  12. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' hebben als gebruiksdoel wonen, en mogen worden gebruikt ten behoeve van wonen.
  13. Een ander gebruik van woonruimte dan voor wonen is uitsluitend toegestaan voor zover dit in deze paragraaf is aangegeven en met inachtneming van de daarvoor geldende regels. Artikel 2.6 Omvang en situering van wonen
  14. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte wonen' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van wonen mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
  15. Ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' is het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde.
  16. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin wonen is toegestaan' is wonen uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
  17. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin wonen niet is toegestaan' is wonen niet toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Artikel 2.7 Specifieke regels over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf
  18. Onverminderd artikel 3.5 is het verboden een bij een woonruimte behorend bijgebouw te gebruiken voor bewoning.
  19. In aanvulling op artikel 3.5 is het verboden een motorrijtuig op het bij een woonruimte behorend gebouwerf te parkeren, tenzij dit plaatsvindt: a. binnen een bouwwerk dat klaarblijkelijk is bedoeld voor het parkeren van een motorrijtuig; of b. buiten een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk, voor zover de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg hieraan niet in de weg staan.
  20. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeren op eigen terrein niet toegestaan' is, in afwijking van het tweede lid, onder b, het stallen van een motorrijtuig op het bij een woonruimte behorend erf, ongeacht de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg, niet toegestaan.
  21. Het in het tweede lid opgenomen verbod is niet van toepassing op een motorrijtuig op twee wielen of op een gehandicaptenvoertuig, bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
  22. Artikel 2.8 Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis
  23. Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan, maar uitsluitend voor zover: a. het gebruik van de woonruimte en het erf ten behoeve van bewoning overheersend blijft; en b. het beroep of bedrijf aan huis door de bewoner zelf wordt uitgeoefend.
  24. Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis dat gepaard gaat met geluidhinder of geurhinder is niet toegestaan.
  25. Het uitoefenen van bedrijfsmatige seksuele dienstverlening is niet toegestaan.
  26. Op degene die een beroep of bedrijf aan huis uitoefent berust de bijzondere zorgplicht datgene in het werk te stellen wat redelijkerwijze kan worden verlangd om hinder op de woonomgeving als gevolg van de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis te voorkomen.
  27. Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan. Artikel 2.9 Beperkende regel over waar short stay is toegestaan Het gebruik van woonruimte voor short stay is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'short stay toegestaan'. Artikel 2.10 Garageboxen
  28. Ter plaatse van de aanduiding 'garagebox’ geldt dat uitsluitend een of meer garageboxen zijn toegestaan.
  29. Het gebruik van de in het eerste lid bedoelde garagebox voor bewoning is niet toegestaan. Subparagraaf 2.3.1.2 Regels over specifieke woonvormen en doelgroepen Artikel 2.11 Locaties aangewezen voor bedrijfswoningen
  30. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is woonruimte aangewezen als bedrijfswoning.
  31. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is het verboden woonruimte op een andere wijze in gebruik te hebben dan als bedrijfswoning.
  32. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan.
  33. In afwijking van het derde lid, zijn ter plaatse van de aanduiding 'twee bedrijfswoningen toegestaan' twee bedrijfswoningen toegestaan. Artikel 2.12 Locaties aangewezen voor studentenhuisvesting Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend studentenwoningen’ mag woonruimte uitsluitend worden gebruikt als studentenwoning. Artikel 2.13 Locaties aangewezen voor zorgwoningen Ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoning' mag woonruimte uitsluitend worden gebruikt als zorgwoning. Artikel 2.14 Gereserveerd Artikel 2.15 Gereserveerd Artikel 2.16 Gereserveerd Artikel 2.17 Gereserveerd Artikel 2.18 Gereserveerd Subparagraaf 2.3.1.3 Regels over activiteiten waarvoor een vergunningplicht op grond van de Huisvestingsverordening geldt Artikel 2.19 Het gebruik van woonruimte of bijbehorende opstallen voor Bed and Breakfast
  34. Het is verboden woonruimte te gebruiken voor Bed and Breakfast, tenzij daarvoor de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde vergunning is verleend, en uitsluitend voor de duur van die vergunning.
  35. Het is verboden bij woonruimte behorende bijgebouwen te gebruiken voor Bed and Breakfast.
  36. Onverminderd het bepaalde in de Huisvestingsverordening geldt het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet ter plaatse van de aanduiding 'Bed and Breakfast toegestaan'. Artikel 2.20 Kamerverhuur
  37. Woonruimte is uitsluitend toegestaan in de vorm van zelfstandige woonruimte, tenzij: a. de woonruimte is gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor zover die vergunning voorziet in het realiseren van onzelfstandige woonruimten; of b. de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde omzettingsvergunning is verleend.
  38. In aanvulling op het eerste lid, onder a en b, is onzelfstandige woonruimte ook toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'onzelfstandige woonruimte toegestaan'.
  39. Als onzelfstandige woonruimte is toegestaan, is ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal onzelfstandige woonruimten' het minimum aantal onzelfstandige woonruimten de daar bepaalde waarde.
  40. Als onzelfstandige woonruimte is toegestaan, is ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal onzelfstandige woonruimten' het maximum aantal onzelfstandige woonruimten de daar bepaalde waarde. Artikel 2.21 Woningvorming Het is verboden een woonruimte te verbouwen tot twee of meer woonruimten, tenzij daarvoor de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde woningvormingsvergunning is verleend. Paragraaf 2.3.2 Maatschappelijke dienstverlening Subparagraaf 2.3.2.1 Algemene regels over maatschappelijke dienstverlening Artikel 2.22 Toepassingsbereik
  41. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening'.
  42. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening'. Artikel 2.23 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' hebben als gebruiksdoel maatschappelijke dienstverlening, en mogen worden gebruikt ten behoeve van het bieden van maatschappelijke dienstverlening. Artikel 2.24 Omvang en situering van maatschappelijke dienstverlening
  43. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlak maatschappelijke dienstverlening' is de maximum bruto-vloeroppervlakte van maatschappelijke dienstverlening de daar bepaalde waarde.
  44. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin maatschappelijke dienstverlening is toegestaan' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Subparagraaf 2.3.2.2 Regels over specifieke vormen van maatschappelijke dienstverlening Artikel 2.25 Kinderopvang
  45. Een kinderopvang is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kinderopvang toegestaan'.
  46. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend kinderopvang zonder bedgebied toegestaan' is uitsluitend kinderopvang zonder bedgebied toegestaan
  47. Ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan.
  48. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin kinderopvang is toegestaan' is kinderopvang uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
  49. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal kinderopvang' geldt dat per bouwblok maximum één kinderopvang is toegestaan. Artikel 2.26 Onderwijs
  50. Een basisschool is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'basisschool toegestaan'.
  51. Een instelling voor het bieden van voortgezet onderwijs is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'voortgezet onderwijs toegestaan'.
  52. Een instelling voor het bieden van middelbaar beroepsonderwijs is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'middelbaar beroepsonderwijs toegestaan'.
  53. Een hogeschool of universiteit is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'hogeschool en universitair onderwijs toegestaan'.
  54. Ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan.
  55. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op het geven van avondonderwijs. Artikel 2.27 Ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare instellingen
  56. Het bieden van medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ziekenhuis toegestaan'.
  57. Ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Artikel 2.28 Verpleeghuizen en verzorgingshuizen
  58. Een verpleeghuis of verzorgingshuis is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verpleeghuis of verzorgingshuis toegestaan'.
  59. Ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Artikel 2.29 Overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied
  60. Voor overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie geldt dat die, voor zover het gaat om een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'overige instellingen met gezondheidszorgfunctie met bedgebied toegestaan'.
  61. Ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Artikel 2.30 Kinderboerderijen Een kinderboerderij is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kinderboerderij'. Artikel 2.31 Begraafplaatsen Een begraafplaats is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats toegestaan'. Artikel 2.32 Crematoria Een crematorium is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'crematorium toegestaan'. Artikel 2.33 Gereserveerd Artikel 2.34 Gereserveerd Artikel 2.35 Gereserveerd Artikel 2.36 Gereserveerd Artikel 2.37 Gereserveerd Subparagraaf 2.3.2.3 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn toegestaan Artikel 2.38 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend school(werk)tuin' Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend school(werk)tuin' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een school(werk)tuin toegestaan. Artikel 2.39 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend kinderboerderij' Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend kinderboerderij' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een kinderboerderij toegestaan. Paragraaf 2.3.3 Zakelijke en administratieve dienstverlening (kantoor) Artikel 2.40 Toepassingsbereik
  62. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening'.
  63. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening'. Artikel 2.41 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', toegestaan gebruik
  64. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening' hebben als gebruiksdoel zakelijke en administratieve dienstverlening, en mogen worden gebruikt ten behoeve van zakelijke en administratieve dienstverlening.
  65. Voor zover sprake is van dienstverlening met een meer dan ondergeschikte baliefunctie of met overwegend rechtstreeks contact met de klant, is sprake van consumentgerichte dienstverlening als bedoeld in paragraaf 2.3.4, en is dit gebruik niet in overeenstemming met het in het eerste lid bedoelde gebruiksdoel. Artikel 2.42 Omvang en situering van zakelijke en administratieve dienstverlening
  66. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte zakelijke en administratieve dienstverlening' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van zakelijke en administratieve dienstverlening mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
  67. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin zakelijke en administratieve dienstverlening is toegestaan' is zakelijke en administratieve dienstverlening uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Artikel 2.43 Beperkingen met betrekking tot baliefuncties
  68. Ter plaatse van de aanduiding 'baliefunctie uitgesloten' is zakelijke en administratieve dienstverlening met baliefunctie uitgesloten.
  69. Ter plaatse van de aanduiding 'baliefunctie uitsluitend op begane grond toegestaan' is zakelijke en administratieve dienstverlening met baliefunctie uitsluitend toegestaan in de eerste bouwlaag. Artikel 2.44 Aanbieden aan derden van vergader- en congresfaciliteiten
  70. Het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen is toegestaan voor zover dit ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van zakelijke en administratieve dienstverlening.
  71. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte verhuurbare vergader- en congresfaciliteiten' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve het aanbieden aan derden van faciliteiten voor het houden van vergaderingen en congressen mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde. Artikel 2.45 Gereserveerd Artikel 2.46 Gereserveerd Artikel 2.47 Gereserveerd Artikel 2.48 Gereserveerd Paragraaf 2.3.4 Detailhandel Subparagraaf 2.3.4.1 Algemene regels over detailhandel Artikel 2.49 Toepassingsbereik
  72. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel'.
  73. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel'. Artikel 2.50 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel' hebben als gebruiksdoel detailhandel en mogen worden gebruikt voor detailhandel. Artikel 2.51 Omvang en situering van detailhandel
  74. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van detailhandel mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
  75. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin detailhandel is toegestaan' is detailhandel uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Artikel 2.52 gereserveerd Artikel 2.53 gereserveerd Subparagraaf 2.3.4.2 Vormen van detailhandel die uitsluitend zijn toegestaan op aangewezen locaties Artikel 2.54 Beperkende regel over waar loketverkoop is toegestaan De uitoefening van loketverkoop is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'loketverkoop toegestaan'. Artikel 2.55 Beperkende regel over waar sekswinkels zijn toegestaan Een sekswinkel is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sekswinkel toegestaan'. Artikel 2.56 Beperkende regel over waar een verkooppunt motorbrandstoffen is toegestaan
  76. Een verkooppunt motorbrandstoffen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan'.
  77. Ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan' is de verkoop van LPG uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verkoop LPG toegestaan'. Artikel 2.57 Beperkende regel over waar smartshops, headshops, seedshops, growshops en naar de aard daarmee vergelijkebare vormen van detailhandel zijn toegestaan Een smartshop, headshop, seedshop, growshop en naar de aard daarmee vergelijkebare vormen van detailhandel zijn niet toegestaan, met uitzondering van: a. smartshops ter plaatse van de aanduiding 'smartshop'; b. headshops ter plaatse van de aanduiding 'headshop'; c. seedshops ter plaatse van de aanduiding 'seedshop'; d. growshops ter plaatse van de aanduiding 'growshop'. Subparagraaf 2.3.4.3 Regels over supermarkten Artikel 2.58 Beperkende regels over waar supermarkten en mini-supermarkten zijn toegestaan
  78. Detailhandel in de vorm van een supermarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt toegestaan'.
  79. Detailhandel in de vorm van een mini-supermarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'mini-supermarkt toegestaan'. Artikel 2.59 Locaties waar uitsluitend een supermarkt is toegestaan Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend supermarkt toegestaan' is detailhandel alleen in de vorm van een supermarkt toegestaan. Artikel 2.60 Omvang en situering van supermarkten
  80. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte supermarkt' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van een supermarkt mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
  81. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een supermarkt is toegestaan' is een supermarkt uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
  82. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal supermarkten' is het maximum aantal supermarkten dat is toegestaan de daar bepaalde waarde. Artikel 2.61 Omvang en situering van mini-supermarkten
  83. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte mini-supermarkt' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van een mini-supermarkt mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
  84. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een mini-supermarkt is toegestaan' is een mini-supermarkt uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Subparagraaf 2.3.4.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van detailhandel zijn toegestaan Artikel 2.62 Locaties bedoeld voor grootschalige detailhandelsvestigingen en perifere detailhandel
  85. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend grootschalige detailhandel' is detailhandel alleen in de vorm van een grootschalige detailhandelsvestiging toegestaan. Shop-in-shop en verkoop van dagelijkse artikelen zijn binnen een grootschalige detailhandelsvestiging niet toegestaan.
  86. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend perifere detailhandel' is detailhandel alleen in de vorm van perifere detailhandel toegestaan.
  87. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend ABC-goederen' is detailhandel alleen in de vorm van de verkoop van auto's, boten, caravans en tenten toegestaan.
  88. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend woninginrichting' is detailhandel alleen in de vorm van de verkoop van artikelen op het gebied van woninginrichting, waaronder keukens, badkamers en meubelen toegestaan.
  89. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend bouwmarkt' is detailhandel alleen in de vorm van doe-het-zelf bouwmarkten toegestaan.
  90. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend tuincentrum' is detailhandel alleen in de vorm van tuincentra toegestaan.
  91. Als aan een locatie meerdere van de in lid 1 tot en met lid 6 bedoelde aanduidingen zijn gegeven, dan zijn op die locatie al de desbetreffende vormen van detailhandel toegestaan, met uitsluiting van overige vormen van detailhandel. Artikel 2.63 Locaties waar uitsluitend een afhaaldepot van goederen is toegestaan Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend afhaaldepot goederen' is uitsluitend het leveren aan de consument van elders of elektronisch aangekochte goederen toegestaan. Subparagraaf 2.3.4.5 Gebiedsspecifieke beperkingen met betrekking tot detailhandel [gereserveerd] Artikel 2.64 Gereserveerd Artikel 2.65 Gereserveerd Artikel 2.66 Gereserveerd Artikel 2.67 Gereserveerd Artikel 2.68 Gereserveerd Paragraaf 2.3.5 Consumentgerichte dienstverlening Artikel 2.69 Toepassingsbereik
  92. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening'.
  93. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening'. Artikel 2.70 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening' hebben als gebruiksdoel consumentgerichte dienstverlening en mogen worden gebruikt voor consumentgerichte dienstverlening. Artikel 2.71 Omvang en situering van consumentgerichte dienstverlening
  94. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte consumentgerichte dienstverlening' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van consumentgerichte dienstverlening mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
  95. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin consumentgerichte dienstverlening is toegestaan' is consumentgerichte dienstverlening uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Artikel 2.72 Beperkende regel over waar geldwisselkantoren zijn toegestaan Een geldwisselkantoren is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'geldwisselkantoor’. Artikel 2.73 Beperkende regel over waar telefoneerinrichtingen en belhuizen zijn toegestaan Een telefoneerinrichting of belhuis is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'telefoneerinrichting'. Artikel 2.74 Beperkende regel over waar internetcafés zijn toegestaan Een internetcafé is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'internetcafé'. Artikel 2.75 Gereserveerd Artikel 2.76 Gereserveerd Artikel 2.77 Gereserveerd Artikel 2.78 Gereserveerd Artikel 2.79 Gereserveerd Paragraaf 2.3.6 Bedrijf (industrie, ambacht, groothandel, opslag en transport) Subparagraaf 2.3.6.1 Algemene regels over bedrijven Artikel 2.80 Toepassingsbereik
  96. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'.
  97. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'.
  98. In deze paragraaf wordt onder bedrijf verstaan een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, verhuren, distributie van en groothandel in goederen.
  99. Onder bedrijf wordt niet verstaan het verhuren van goederen aan in hoofdzaak consumenten. In dat geval is sprake van detailhandel.
  100. In deze paragraaf wordt onder Lijst van bedrijfsactiviteiten verstaan de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage VI. Artikel 2.81 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf' hebben als gebruiksdoel bedrijf mogen worden gebruikt voor de uitoefening van bedrijf. Artikel 2.82 Regels over omvang en situering bedrijf
  101. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte bedrijf' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van bedrijf mag worden benut de daar bepaalde waarde.
  102. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf op de begane grond' is een bedrijf uitsluitend toegestaan in de eerste bouwlaag. Subparagraaf 2.3.6.2 Toegestane bedrijven in verband met milieuhinder Artikel 2.83 Toegestane bedrijven: milieuhindercategorieën Ter plaatse van de aanduiding 'maximale milieuhindercategorie' zijn bedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in de Lijst van bedrijfsactiviteiten vallen in een milieuhindercategorie die gelijk of lager is dan de ter plaatse van de aanduiding bepaalde maximale milieuhindercategorie. Artikel 2.84 Toegestane bedrijven: functiemenging Ter plaatse van de aanduiding 'functiemenging' zijn de volgende bedrijven en bedrijfsactiviteiten toegestaan: a. vervaardigen van kleding en toebehoren, anders dan het bewerken of verven van leer, met een maximum bruto-vloeroppervlakte van 200 m2; b. drukken en kopiëren, anders dan drukkerijen van dagbladen en drukkerijen met vlak of rotatie-diepdruk; c. grafisch afwerken en andere grafische activiteiten waaronder reproductie en zetten; d. binderijen; e. vervaardigen van glas, aardewerk, cement-, kalk- en gipsproducten, voor zover het vermogen van elektrische ovens gezamenlijk minder dan 40kW bedraagt; f. vervaardigen van medische en optische apparaten en instrumenten, met inbegrip van reparatiewerkzaamheden; g. stofferen van meubels met een maximum bruto-vloeroppervlakte van 200 m2; h. vervaardigen van sierraden en dergelijke; i. aannemersbedrijven met werkplaats, timmerwerkfabrieken (inclusief vervaardiging overige artikelen van hout) en meubelmakerijen met een maximum bruto-vloeroppervlakte van 200 m2; j. bekleden van het interieur van auto’s; k. repareren van goederen ten behoeve van particulieren, anders dan auto's, motorfietsen en gemotoriseerde vaartuigen; l. ontwikkelen van foto's en films; m. vervaardigen van producten van metaal (exclusief machines/transportmiddelen) in een gesloten gebouw, met een maximum bruto-vloeroppervlakte van 200 m
  103. Artikel 2.85 Toestaan bedrijven met maatwerkvoorschrift
  104. In afwijking van artikel 2.83 of 2.84 kan per maatwerkvoorschrift op verzoek of ambtshalve een bedrijf op een locatie worden toegestaan indien dat bedrijf niet meer geluid, geur en stof uitstoot dan bedrijven die op grond van artikel 2.83, respectievelijk artikel 2.84 op die locatie zijn toegestaan.
  105. Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens verstrekt: a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; b. een beschrijving van de te verwachten uitstoot van geluid, geur en stof; en c. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen om de uitstoot van geluid, geur en stof in de omgeving te beperken.
  106. Om te borgen dat er wordt voldaan aan het eerste lid kan het bevoegd gezag in het maatwerkvoorschrift onder meer: a. het treffen van maatregelen of voorzieningen verplichten; b. aan de bedrijfsactiviteit beperkingen stellen; c. aanwijzingen geven. Artikel 2.86 Bestaande bedrijven: eerbiedigende werking Onverminderd het bepaalde in artikel 2.83 en 2.84 zijn ook bedrijven toegestaan die in bijlage VII zijn opgenomen. Subparagraaf 2.3.6.3 Vormen van bedrijf die uitsluitend zijn toegestaan op aangewezen locaties Artikel 2.87 Beperkende regel over waar risicobedrijven zijn toegestaan
  107. Bedrijven waar een activiteit plaatsvindt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'risicobedrijf toegestaan'.
  108. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. windturbines; b. bedrijven waar een gasdrukregel- en meetstation staat, voor zover:
  109. de afstanden genoemd in tabel 4.421 van het Besluit activiteiten leefomgeving op het eigen terrein van het bedrijf blijven; en
  110. er wordt geen andere activiteit uitgevoerd die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen c. bedrijven waar een propaantank staat, voor zover:
  111. de afstanden genoemd in tabel 4.899 van het Besluit activiteiten leefomgeving en in Tabel A.7 van bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving op het eigen terrein van het bedrijf blijven; en
  112. er wordt geen andere activiteit uitgevoerd die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen. Artikel 2.88 Beperkende regel over waar activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zijn toegestaan Bedrijven die activiteiten uitoefenen die in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken'. Artikel 2.89 Beperkende regel over waar datacenters zijn toegestaan
  113. Een datacenter is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'datacenters toegestaan'.
  114. Ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aansluitvermogen datacenter' is het maximale aansluitvermogen van een datacenter in megavoltampère de daar bepaalde waarde.
  115. Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag nadere voorwaarden stellen met betrekking tot de volgende onderwerpen: a. ruimtelijke kwaliteit en inpassing; b. multifunctioneel ruimtegebruik; c. energie; d. watergebruik; e. restwarmte; f. monitoring. Artikel 2.90 Beperkende regel over waar windturbines zijn toegestaan Een windturbine is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'windturbine toegestaan'. Artikel 2.91 Beperkende regel over waar complexe bedrijven zijn toegestaan Bedrijven die milieubelastende activiteiten uitoefenen die in Afdeling 3.3 ('Complexe bedrijven') van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'complexe bedrijven toegestaan'. Artikel 2.92 Beperkende regel over waar Rie-bedrijven zijn toegestaan Bedrijven die in bijlage 1 van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334) zijn aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'Rie-bedrijven toegestaan'. Subparagraaf 2.3.6.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van bedrijf zijn toegestaan Artikel 2.93 Locaties bedoeld voor havengebonden bedrijven Ter plaatse van de aanduiding 'havengebonden bedrijf' zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die voor aan- en/of afvoer van goederen mede afhankelijk zijn van het vervoer over water. Artikel 2.94 Locaties bedoeld voor windturbines Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend windturbine toegestaan' zijn uitsluitend windturbines toegestaan. Artikel 2.95 Gereserveerd Artikel 2.96 Gereserveerd Artikel 2.97 Gereserveerd Artikel 2.98 Gereserveerd Artikel 2.99 Gereserveerd Paragraaf 2.3.7 Culturele voorziening Artikel 2.100 Toepassingsbereik
  116. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening'.
  117. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening''. Artikel 2.101 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerpen ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' hebben als gebruiksdoel culturele voorziening, en mogen worden gebruikt ten behoeve van een culturele voorziening. Artikel 2.102 Omvang en situering van culturele voorzieningen
  118. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte culturele voorzieningen' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van culturele voorzieningen mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
  119. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bezoekers culturele voorziening' is het maximum aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is binnen culturele voorzieningen de daar bepaalde waarde.
  120. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin culturele voorzieningen zijn toegestaan' zijn culturele voorzieningen uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Artikel 2.103 Beperkende regel over waar theaters en concertzalen zijn toegestaan Een theater of concertzaal is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'theater en concertzaal toegestaan'. Artikel 2.104 Beperkende regel over waar musea en expositieruimten zijn toegestaan Een museum of expositieruimte is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'museum en expositieruimte toegestaan'. Artikel 2.105 Beperkende regel over waar bioscopen en filmhuizen zijn toegestaan Een bioscoop of filmhuis is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bioscoop en filmhuis toegestaan'. Artikel 2.106 Beperkende regel over waar debatcentra zijn toegestaan Een debatcentrum is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'debatcentrum toegestaan'. Artikel 2.107 Waar culturele horeca met toepassing van subparagraaf [PM] kan worden toegestaan [gereserveerd] Artikel 2.108 Gereserveerd Artikel 2.109 Gereserveerd Artikel 2.110 Gereserveerd Artikel 2.111 Gereserveerd Artikel 2.112 Gereserveerd Paragraaf 2.3.8 Hotel Artikel 2.113 Toepassingsbereik
  121. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel'.
  122. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel'. Artikel 2.114 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel' hebben als gebruiksdoel hotel en mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een hotel. Artikel 2.115 Omvang en situering van hotels
  123. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte hotel' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van hotel mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
  124. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin hotel is toegestaan' is het exploiteren van een hotel uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
  125. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal hotelkamers' is het maximum aantal hotelkamers de daar bepaalde waarde.
  126. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedden' is het maximum aantal slaapplaatsen dat in het hotel is toegestaan de daar bepaalde waarde.
  127. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedden per kamer' is het maximum aantal slaapplaatsen dat per hotelkamer is toegestaan de daar bepaalde waarde. Artikel 2.116 Bijbehorende faciliteiten uitsluitend voor hotelgasten
  128. Bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten mogen uitsluitend door hotelgasten worden gebruikt.
  129. Ter plaatse van de aanduiding 'bijbehorende hotelfaciliteiten ook voor niet-hotelgasten' geldt dat bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten ook door niet-hotelgasten mogen worden gebruikt.
  130. Het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen is toegestaan voor zover dit ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van hotel.
  131. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte verhuurbare vergader- en congresfaciliteiten' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve het aanbieden van faciliteiten voor het houden van vergaderingen en congressen mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde. Artikel 2.117 Verboden gebruik bijbehorende gronden en bouwwerken
  132. Onverminderd artikel 3.5 is het verboden de bij een hotel behorende gronden en bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor: a. het aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten; b. bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en vergader- en congresfaciliteiten.
  133. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het gebruik van gronden als horecaterras voor hotelgasten, tenzij artikel 3.5, derde lid van toepassing is. Artikel 2.118 Mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften
  134. Het bevoegd gezag kan, voor zover zij die nodig acht ter voorkoming van onaanvaardbare overlast op de omgeving, een maatwerkvoorschrift stellen over: a. het gebruik van bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten door niet-hotelgasten; b. het gebruik van bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten.
  135. Een maatwerkvoorschrift over het gebruik van bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten kan inhouden een verbod om bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten te gebruiken. Artikel 2.119 Gereserveerd Artikel 2.120 Gereserveerd Artikel 2.121 Gereserveerd Artikel 2.122 Gereserveerd Artikel 2.123 Gereserveerd Paragraaf 2.3.9 Sportvoorziening Artikel 2.124 Toepassingsbereik
  136. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening'.
  137. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening'. Artikel 2.125 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' hebben als gebruiksdoel sportvoorziening en mogen worden gebruikt als sportvoorziening. Artikel 2.126 Omvang en situering van sportvoorzieningen
  138. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte sportvoorziening' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van sportvoorzieningen mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
  139. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bezoekers sportvoorziening' is het maximum aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is de daar bepaalde waarde.
  140. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin sportvoorzieningen zijn toegestaan' zijn sportvoorzieningen uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Artikel 2.127 Beperkende regel over waar maneges zijn toegestaan
  141. Een manege is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'manege toegestaan'.
  142. Niet-overdekte paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'niet-overdekte paardenbak toegestaan'. Artikel 2.128 Beperkende regel over waar kunstijsbanen zijn toegestaan Een kunstijsbaan is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kunstijsbaan toegestaan'. Artikel 2.129 Beperkende regel over waar sportscholen en fitnesscentra zijn toegestaan Sportscholen en fitnesscentra zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sportschool toegestaan'. Artikel 2.130 Beperkende regel over waar zwembaden zijn toegestaan
  143. Zwembaden zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'zwembad toegestaan'.
  144. Onder een zwembad wordt in deze paragraaf verstaan een al dan niet overdekte voorziening voor het lesgeven in zwemmen, de zwemsport en het recreatief zwemmen.
  145. Niet-overdekte zwembaden zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'niet-overdekt zwembad toegestaan'. Artikel 2.131 Locaties bedoeld voor watersport-gerelateerde faciliteiten Ter plaatse van de aanduiding 'watersportvoorzieningen' zijn geen andere sportvoorzieningen dan watersport-gerelateerde faciliteiten toegestaan. Artikel 2.132 Gereserveerd Artikel 2.133 Gereserveerd Artikel 2.134 Gereserveerd Artikel 2.135 Gereserveerd Artikel 2.136 Gereserveerd Paragraaf 2.3.10 Faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak Artikel 2.137 Toepassingsbereik
  146. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak'.
  147. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak'. Artikel 2.138 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak' hebben als gebruiksdoel ontspanning en vermaak en mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak. Artikel 2.139 Omvang en situering van faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak
  148. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte faciliteiten voor ontspanning en vermaak' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
  149. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bezoekers faciliteiten voor ontspanning en vermaak' is het maximum aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is de daar bepaalde waarde.
  150. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin faciliteiten voor ontspanning en vermaak is' zijn faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Artikel 2.140 Beperkende regel over waar faciliteiten op het gebied van spel en vermaak zijn toegestaan Een faciliteit gericht op spel en vermaak is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spel en vermaak toegestaan'. Artikel 2.141 Beperkende regel over waar kartbanen zijn toegestaan Een kartbaan is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kartbaan toegestaan'. Artikel 2.142 Beperkende regel over waar dierentuinen zijn toegestaan Een dierentuin is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'dierentuin toegestaan'. Artikel 2.143 Beperkende regel over waar speelautomatenhallen zijn toegestaan Een speelautomatenhal is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'speelautomatenhal toegestaan'. Artikel 2.144 Beperkende regel over waar casino's zijn toegestaan Een casino is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'casino toegestaan'. Artikel 2.145 Beperkende regel over waar wellness is toegestaan Een wellness is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wellness toegestaan'. Artikel 2.146 Gereserveerd Artikel 2.147 Gereserveerd Artikel 2.148 Gereserveerd Artikel 2.149 Gereserveerd Artikel 2.150 Gereserveerd Paragraaf 2.3.11 Seks en erotiek Subparagraaf 2.3.11.1 Prostitutiebedrijf Artikel 2.151 Toepassingsbereik
  151. Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf'.
  152. Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf'. Artikel 2.152 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf' hebben als gebruiksdoel prostitutiebedrijf en mogen worden gebruikt voor een prostitutiebedrijf. Artikel 2.153 Beperkende regel over waar raamprostitutie is toegestaan
  153. Het exploiteren van een raamprostitutiebedrijf is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'raamprostitutiebedrijf toegestaan'.
  154. Ter plaatse van de aanduiding 'raamprostitutiebedrijf toegestaan' is het exploiteren van een prostitutiebedrijf uitsluitend in de vorm van een raamprostitutiebedrijf toegestaan. Artikel 2.154 Omvang en situering prostitutiebedrijf
  155. Het exploiteren van een prostitutiebedrijf is uitsluitend toegestaan in een hoofdgebouw. Op het eventueel bij het hoofdgebouw behorend erf en in de daarop aanwezige erfbebouwing is, in afwijking van artikel 3.5, eerste lid, een bedrijfsmatig gebruik voor een prostitutiebedrijf niet toegestaan.
  156. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een prostitutiebedrijf is toegestaan' is een prostitutiebedrijf uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
  157. De bestaande bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van het exploiteren van een prostitutiebedrijf wordt gebruikt, mag niet worden vergroot: a. in het gebied aangeduid met 'peildatum bvo prostitutiebedrijf 1' ten opzichte van de bruto-vloeroppervlakte op datum [PM]; b. in het gebied aangeduid met 'peildatum bvo prostitutiebedrijf 2' ten opzichte van de bruto-vloeroppervlakte op datum [PM]; c. in het gebied aangeduid met 'peildatum bvo prostitutiebedrijf 3' ten opzichte van de bruto-vloeroppervlakte op datum [PM].
  158. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal prostitutieramen' is het maximum aantal ramen waar achter een prostituee zich presenteert het daar bepaalde aantal. Artikel 2.155 Gereserveerd Artikel 2.156 Gereserveerd Artikel 2.157 Gereserveerd Subparagraaf 2.3.11.2 Seksinrichting Artikel 2.158 Toepassingsbereik
  159. Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting'.
  160. Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting'. Artikel 2.159 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting' hebben als gebruiksdoel seksinrichting, en mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een seksinrichting. Artikel 2.160 Omvang en situering seksinrichtingen
  161. Het exploiteren van een seksinrichting is uitsluitend toegestaan in een hoofdgebouw. Op het eventueel bij het hoofdgebouw behorend erf en in de daarop aanwezige erfbebouwing is, in afwijking van artikel 3.5, eerste lid, een bedrijfsmatig gebruik voor een seksinrichting niet toegestaan.
  162. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een seksinrichting is toegestaan' is het exploiteren van een seksinrichting uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
  163. De bestaande bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van het exploiteren van een seksinrichting wordt gebruikt, mag niet worden vergroot: a. in het gebied aangeduid met 'peildatum bvo seksinrichting 1' ten opzichte van de bruto-vloeroppervlakte op datum [PM]; b. in het gebied aangeduid met 'peildatum bvo seksinrichting 2' ten opzichte van de bruto-vloeroppervlakte op datum [PM]; c. in het gebied aangeduid met 'peildatum bvo seksinrichting 3' ten opzichte van de bruto-vloeroppervlakte op datum [PM]. Artikel 2.161 Gereserveerd Artikel 2.162 Gereserveerd Artikel 2.163 Gereserveerd Paragraaf 2.3.12 Agrarisch bedrijf Subparagraaf 2.3.12.1 Veehouderij en paardenfokkerij Artikel 2.164 Toepassingsbereik
  164. Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij'.
  165. Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij'. Artikel 2.165 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij' hebben als gebruiksdoel veehouderij of paardenfokkerij en mogen worden gebruikt ten behoeve van het uitoefenen van een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij of paardenfokkerij. Artikel 2.166 Beperking met betrekking tot intensieve veehouderijen De uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', waarbij ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren. Artikel 2.167 Beperking met betrekking tot opslag Opslag is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'. Artikel 2.168 Beperking met betrekking tot paardenbakken
  166. Paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van het agrarisch bedrijf, en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'.
  167. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlak paardenbak' is de maximum bruto-vloeroppervlakte van de paardenbak de daar bepaalde waarde. Artikel 2.169 Beperking met betrekking tot de teelt van ruwvoedergewassen De teelt van ruwvoedergewassen is toegestaan tot maximaal 10% van de gronden behorende bij een agrarisch bedrijf waarbij de gronden duurzaam in gebruik zijn en de teelt bedoeld is voor de eigen bedrijfsvoering. Tot gronden die duurzaam in gebruik zijn behoren zowel de gronden die in eigendom zijn als gronden die langdurig via huur of pacht deel uitmaken van het bedrijf. Artikel 2.170 Gereserveerd Artikel 2.171 Gereserveerd Artikel 2.172 Gereserveerd Subparagraaf 2.3.12.2 Gewassenteelt in de open lucht Artikel 2.173 Toepassingsbereik
  168. Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht'.
  169. Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht'. Artikel 2.174 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht' hebben als gebruiksdoel gewassenteelt in de open lucht, en mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf gericht op het telen van gewassen in de open lucht, niet zijnde bosbouw, sier- en fruitteelt. Artikel 2.175 Beperking met betrekking tot opslag Opslag is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'. Artikel 2.176 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen Het aanbrengen en aangebracht houden van teeltondersteunende voorzieningen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. Artikel 2.177 Gereserveerd Artikel 2.178 Gereserveerd Artikel 2.179 Gereserveerd Subparagraaf 2.3.12.3 Glastuinbouw Artikel 2.180 Toepassingsbereik
  170. Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel van de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw'.
  171. Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw'. Artikel 2.181 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw' hebben als gebruiksdoel glastuinbouw, en mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw. Artikel 2.182 Beperking met betrekking tot kassen Een kas is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kas toegestaan'. Artikel 2.183 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen Het aanbrengen en aangebracht houden van teeltondersteunende voorzieningen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. Artikel 2.184 Gereserveerd Artikel 2.185 Gereserveerd Artikel 2.186 Gereserveerd Paragraaf 2.3.13 Water Artikel 2.187 Toepassingsbereik
  172. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water'.
  173. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water'. Artikel 2.188 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', toegestaan gebruik
  174. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' hebben als gebruiksdoel waterberging, waterhuishouding en het realiseren, in stand houden en gebruiken van watervoorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen en overige waterpartijen.
  175. Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' in elk geval bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a. bruggen; b. beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken; c. groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang; d. nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen; e. waterstaatkundige werken.
  176. Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.
  177. Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is. Artikel 2.189 Gereserveerd Artikel 2.190 Gereserveerd Artikel 2.191 Gereserveerd Artikel 2.192 Gereserveerd Artikel 2.193 Gereserveerd Paragraaf 2.3.14 Verkeer Subparagraaf 2.3.14.1 Algemene regels over het gebruiksdoel verkeer Artikel 2.194 Toepassingsbereik
  178. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'.
  179. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'. Artikel 2.195 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', toegestaan gebruik
  180. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' hebben als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van wegen, stationsvoorzieningen, spoorwegen, metrolijnen, trambanen, woonerven, parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden en pleinen.
  181. Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' in elk geval bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a. bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen; b. beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare ondergeschikte werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken; c. groenvoorzieningen en watervoorzieningen; d. nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen.
  182. Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.
  183. Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is. Artikel 2.196 Gereserveerd Artikel 2.197 Gereserveerd Artikel 2.198 Gereserveerd Artikel 2.199 Gereserveerd Artikel 2.200 Gereserveerd Subparagraaf 2.3.14.2 Aanvullende regels over waar wegen en spoorwegen zijn toegestaan Artikel 2.201 Beperkende regels over wegen
  184. Een rijbaan is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan'.
  185. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, of als een maximumsnelheid geldt van 30km/u.
  186. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal rijstroken' bedraagt het maximum aantal rijstroken dat is toegestaan de daar bepaalde waarde. Artikel 2.202 Beperkende regels over spoorwegen Spoorwegen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spoorweg toegestaan'. Artikel 2.203 Beperkende regels over tram- en metrolijnen
  187. Bovengrondse metrolijnen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bovengrondse metro toegestaan'.
  188. Ondergrondse metrolijnen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ondergrondse metro toegestaan'.
  189. Tramlijnen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'tram toegestaan. Artikel 2.204 Vergunningplicht voor het aanleggen of wijzigen van gemeentewegen en waterschapswegen Onverminderd deze subparagraaf is op het aanleggen of het wijzigen van een gemeenteweg, een waterschapsweg of een lokale spoorweg en op het wijzigen van het gebruik van een lokale spoorweg hoofdstuk 7 onverkort van toepassing. Subparagraaf 2.3.14.3 Aanvullende regels over publiektoegankelijke parkeervoorzieningen en fietsstalling Artikel 2.205 Publiektoegankelijke parkeervoorzieningen
  190. Gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorziening'.
  191. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' moeten de gronden worden ingericht en gebruikt als parkeerterrein.
  192. Ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen' bedraagt het minimum aantal parkeerplaatsen dat in ieder geval beschikbaar dient te zijn voor publiektoegankelijk gebruik de daar bepaalde waarde.
  193. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen' bedraagt het maximum aantal parkeerplaatsen dat publiektoegankelijk mag zijn de daar bepaalde waarde. Artikel 2.206 Publiektoegankelijke fietsstalling
  194. Ter plaatse van de aanduiding 'publiektoegankelijke (brom)fietsstalling' moet een publiektoegankelijke (brom)fietsstalling worden gerealiseerd en in stand gehouden.
  195. Ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal publiektoegankelijke fietsstallingsplaatsen' bedraagt het minimum aantal fietsstallingsplaatsen dat in ieder geval beschikbaar dient te zijn voor publiektoegankelijk gebruik de daar bepaalde waarde. Paragraaf 2.3.15 Groen Artikel 2.207 Toepassingsbereik
  196. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'.
  197. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'. Artikel 2.208 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik
  198. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' heeft als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen.
  199. Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mede bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a. voet- en fietspaden, speelplekken en speelvoorzieningen, straatmeubilair, objecten van beeldende kunst, en overige naar aard en omvang ondergeschikte bouwwerken en verhardingen; b. faciliteiten en bouwwerken in de openbare ruimte ten behoeve buitensportactiviteiten, zoals skateboarden, panna, freestyle footbal en urban sport parcours; c. vijvers, sloten, waterlopen, waterwegen en overige waterpartijen met bijbehorende beschoeiingen, (aanleg)steigers, bruggen en daarmee vergelijkbare naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken die zich verdragen met het in het tweede lid, gestelde doel; d. nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen; e. waterstaatkundige werken.
  200. Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.
  201. Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is. Artikel 2.209 Gereserveerd Artikel 2.210 Gereserveerd Artikel 2.211 Gereserveerd Artikel 2.212 Gereserveerd Artikel 2.213 Gereserveerd Paragraaf 2.3.16 Hoogspanningsverbinding Artikel 2.214 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de volgende aanduidingen: a. 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV'; b. gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV; c. 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV'. Artikel 2.215 Gebruiksdoel bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' hebben als gebruiksdoel een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, en mogen worden gebruikt voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, met inbegrip van de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen. Artikel 2.216 Gebruiksdoel ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' hebben als gebruiksdoel een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, en mogen worden gebruikt voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, met inbegrip van de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen. Artikel 2.217 Gebruiksdoel bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 110 kV of 150 kV De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV' hebben als gebruiksdoel een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV, en mogen worden gebruikt voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV, met inbegrip van de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen. Artikel 2.218 Gereserveerd Artikel 2.219 Gereserveerd Artikel 2.220 Gereserveerd Paragraaf 2.3.17 Buisleiding met gevaarlijke stoffen Artikel 2.221 Toepassingsbereik en oogmerk
  202. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen'.
  203. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen'.
  204. De regels in deze paragraaf zijn gesteld in verband met het externe veiligheidsrisico van de buisleiding met gevaarlijke stoffen voor de omgeving. Artikel 2.222 Gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen' De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen' hebben als gebruiksdoel buisleiding gevaarlijke stoffen, en mogen worden gebruikt als tracé van een buisleiding met gevaarlijke stoffen. Artikel 2.223 Gereserveerd Artikel 2.224 Gereserveerd Artikel 2.225 Gereserveerd Artikel 2.226 Gereserveerd Paragraaf 2.3.18 Ambulante handel, anders dan venten Artikel 2.227 Toepassingsbereik
  205. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel'.
  206. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel'. Artikel 2.228 Gebruiksdoel van gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' hebben als gebruiksdoel ambulante handel, en mogen worden gebruikt ten behoeve van ambulante handel. Artikel 2.229 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van ambulante handel om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan. Artikel 2.230 Waar markten zijn toegestaan
  207. Een dagmarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'dagmarkt'.
  208. Een weekmarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'weekmarkt'.
  209. Een periodieke markt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'periodieke markt'. Artikel 2.231 Waar staan- of ligplaatsen ambulante handel buiten de markt zijn toegestaan Ambulante handel vanaf een staan- of ligplaats ambulante handel is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt'. Artikel 2.232 Maximum aantal marktplaatsen, staan- of ligplaatsen buiten de markt
  210. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal marktplaatsen' is het maximum aantal marktplaatsen de daar bepaalde waarde.
  211. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel' is het maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel de daar bepaalde waarde. Artikel 2.233 Gereserveerd Artikel 2.234 Gereserveerd Artikel 2.235 Gereserveerd Paragraaf 2.3.19 Volkstuinpark Artikel 2.236 Toepassingsbereik van de regels over 'volkstuinpark'
  212. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark'.
  213. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark'. Artikel 2.237 Gebruiksdoel van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' hebben als gebruiksdoel volkstuinpark en mogen worden gebruikt ten behoeve van een volkstuinpark. Artikel 2.238 Gebruik van een gebouw als verenigingsgebouw Het gebruik van een gebouw voor ontmoeting en administratie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verenigingsgebouw'. Artikel 2.239 Gebruik van een gebouw als gemeenschappelijk gebouw Het gebruik van een gebouw voor stalling en opslag van gemeenschappelijke machines en voorraden is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gemeenschappelijk gebouw'. Artikel 2.240 Beperking met betrekking tot overnachten
  214. Overnachten is uitsluitend toegestaan op de eigen volkstuin.
  215. Ter plaatse van de aanduiding 'overnachten niet toegestaan' is overnachten niet toegestaan. Artikel 2.241 Gereserveerd Artikel 2.242 Gereserveerd Artikel 2.243 Gereserveerd Paragraaf 2.3.20 Horecazaak [gereserveerd] Paragraaf 2.3.21 Darkstore [gereserveerd] Paragraaf 2.3.22 Evenementenlocaties en gebouwen, bedoeld voor het houden van evenementen [gereserveerd] Paragraaf 2.3.23 Kampeerterrein en vakantiepark [gereserveerd] Paragraaf 2.3.24 Vergader- en congresfaciliteit [gereserveerd] Hoofdstuk 3 OVERIGE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN Afdeling 3.

Artikel 3

.1 Toepassingsbereik De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 3.2 Meet- en rekenregels

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
  2. Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing.
  3. Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing. Afdeling 3.2 ALGEMENE REGELS VAN RUIMTELIJKE AARD OVER GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN Paragraaf 3.2.

Artikel 3

.3 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken. Paragraaf 3.2.2 Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing Artikel 3.4 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
  2. Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de betreffende regels van het TAM-omgevingsplan van toepassing. Artikel 3.5 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing
  3. Het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf is in overeenstemming met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel.
  4. Onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.
  5. Ter plaatse van de aanduiding 'tuin' geldt, in afwijking van het tweede lid, dat een bedrijfsmatig gebruik van het bijbehorend erf niet is toegestaan. Onder bedrijfsmatig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruik voor opslag. Paragraaf 3.2.3 Parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling Subparagraaf 3.2.3.1 Parkeernormering auto's Artikel 3.6 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan
  6. Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
  7. Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de betreffende regels van het TAM-omgevingsplan van toepassing. Artikel 3.7 Van toepassing zijnde parkeernormen
  8. Voor de toepassing van deze subparagraaf zijn de geldende parkeernormen over het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken feitelijk op eigen terrein beschikbaar is en moet blijven ten behoeve van dat gebruik de normen zoals opgenomen in bijlage IV.
  9. Ter plaatse van de aanduiding 'A-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een A-locatie.
  10. Ter plaatse van de aanduiding 'B-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een B-locatie.
  11. Ter plaatse van de aanduiding 'C-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een C-locatie.
  12. In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van de aanduiding 'aantal autoparkeerplaatsen' de daar bepaalde waarde als norm voor het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar moet zijn. Artikel 3.8 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties Voor een legaal bestaande situatie geldt dat bij ongewijzigd gebruik van gronden en bouwwerken het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk aanwezig is op het moment dat deze subparagraaf in werking treedt niet in overeenstemming hoeft te worden gebracht met de normen als bedoeld in artikel 3.
  13. Artikel 3.9 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik
  14. Onverminderd artikel 2.3 is het verboden het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende parkeernorm.
  15. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor zover het gaat om een van de volgende wijzigingen: a. een wijziging van wonen naar een ander gebruik dan wonen; b. een wijziging van zakelijke en administratieve dienstverlening naar een ander gebruik dan zakelijke en administratieve dienstverlening; c. een wijziging van een vorm van gebruik, niet zijnde wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening, naar wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening. Artikel 3.10 Regels over het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein
  16. Het is verboden het aantal parkeerplaatsen, dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is, te wijzigen.
  17. Het is eerste lid is niet van toepassing als: a. het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein passend wordt of blijft binnen de voor het legaal bestaand gebruik geldende parkeernorm; b. het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein meer aansluit bij de voor het legaal bestaand gebruik geldende parkeernorm.
  18. De uitzondering, bedoeld in het tweede lid, geldt niet ter plaatse van de aanduiding 'aantal autoparkeerplaatsen'. Daar dient het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is te blijven voldoen aan de daar bepaalde waarde. Artikel 3.11 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen
  19. Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee kan worden afgeweken van artikel 3.9 en artikel 3.10, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien; b. sprake is van een legaal bestaand gebouw of van legaal bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of c. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:
  20. een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw;
  21. een te verwachten meer of minder dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers.
  22. Aan het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift kunnen de voorschriften worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen.
  23. Bij een verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: a. het planologisch gebruik dat plaatsvindt en de omvang daarvan, en het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen dat daarbij op eigen terrein aanwezig is; b. een omschrijving van de beoogde wijziging waarop verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en c. een motivering van het verzoek. Subparagraaf 3.2.3.2 Normering fietsstalling Artikel 3.12 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan
  24. Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
  25. Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de betreffende regels van het TAM-omgevingsplan van toepassing. Artikel 3.13 Van toepassing zijnde normen voor fietsstalling
  26. Voor de toepassing van deze subparagraaf zijn de geldende fietsstallingsnormen over het aantal plaatsen voor fietsstalling dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken minimaal feitelijk beschikbaar moet zijn ten behoeve van dat gebruik de normen zoals opgenomen in bijlage V.
  27. Ter plaatse van de aanduiding 'Zone 1: hoge stallingsnorm fiets' gelden de bijlage V aangegeven normen voor Zone 1: hoog fietsgebruik.
  28. Ter plaatse van de aanduiding 'Zone 2: gemiddelde stallingsnorm fiets' gelden de in bijlage V aangegeven normen voor Zone 2: gemiddeld fietsgebruik.
  29. Ter plaatse van de aanduiding 'Zone 3: lage stallingsnorm fiets' gelden de in bijlage V aangegeven normen voor Zone 3: laag fietsgebruik.
  30. In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal fietsstallingsplaatsen' de daar bepaalde waarde als norm voor het minimum aantal plaatsen voor fietsstalling dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar moet zijn. Artikel 3.14 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties Voor een legaal bestaande situatie geldt dat bij een ongewijzigd gebruik van gronden en bouwwerken het aantal plaatsen voor fietsstalling dat feitelijk aanwezig is op het moment dat deze subparagraaf in werking treedt, niet in overeenstemming hoeft te worden gebracht met de normen, bedoeld in artikel 3.
  31. Artikel 3.15 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik In aanvulling op artikel 2.3 is het verboden het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende fietsstallingsnorm. Artikel 3.16 Regels over het wijzigen van het aantal plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein Het is verboden het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein te verminderen, tenzij voldaan blijft worden aan de minimum norm, bedoeld in artikel 3.
  32. Artikel 3.17 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal fietsstallingsplaatsen
  33. Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee wordt afgeweken van artikel 3.15 voor zover sprake is van een wijziging van gebruik naar een andere vorm van gebruik, niet zijnde wonen, en naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. op andere wijze in voldoende mate in stallingsgelegenheid wordt voorzien; b. het redelijkerwijs onmogelijk is voldoende stallingsplaatsen op eigen terrein te realiseren; of c. de impact van de stallingsbehoefte op de openbare ruimte klein is.
  34. Aan het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift kunnen de voorschriften worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal plaatsen voor fietsstalling te waarborgen.
  35. Bij een verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: a. het planologisch gebruik dat plaatsvindt en de omvang daarvan, en het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling dat daarbij aanwezig is; b. een omschrijving van de beoogde wijziging waarop het verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en c. een motivering van het verzoek. Paragraaf 3.2.4 Ondergeschikt kantoorgebruik Artikel 3.18 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan
  36. Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
  37. Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de betreffende regels van het TAM-omgevingsplan van toepassing. Artikel 3.19 Ondergeschikt kantoorgebruik
  38. Het inrichten en in gebruik te nemen van bedrijfsruimte voor ondergeschikt kantoorgebruik is toegestaan, maar uitsluitend onder de volgende voorwaarden: a. het gaat om niet-zelfstandige kantoorruimte die ondersteunend is aan de eigen bedrijfsuitoefening; en b. tot een maximum van 30% kantoorvloer per bedrijf, gerekend over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen.
  39. Het percentage kantoorvloer wordt bepaald over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen. Ruimten voor algemeen gebruik zoals gangen, toiletruimten, trappenhuizen, verblijfsruimte en dergelijke worden naar evenredigheid toegekend aan de ondergeschikte kantoorruimte en overige bedrijfsruimte, waarbij de verdeling op basis van vierkante meters plaatsvindt.
  40. Ter plaatse van de aanduiding 'afwijkend maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' geldt in afwijking van het eerste lid, onder b, als maximum percentage kantoorvloer per bedrijf de daar bepaalde waarde, gerekend over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen.
  41. Ter plaatse van de aanduiding 'uitzondering maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' is het in het eerste lid, onder b, genoemde maximum percentage niet van toepassing op bedrijven die zich uitsluitend of overwegend bezighouden met opslag in de open lucht. Paragraaf 3.2.5 Ondergeschikte detailhandel Artikel 3.20 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan
  42. Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
  43. Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de betreffende regels van het TAM-omgevingsplan van toepassing. Artikel 3.21 Ondergeschikte detailhandel
  44. Op een locatie waar gelet op afdeling 2.3 detailhandel niet is toegestaan, is het uitoefenen van ondergeschikte vormen van detailhandel toegestaan, maar uitsluitend als: a. de uitoefening van ondergeschikte detailhandel plaatsvindt binnen een ambachtelijk bedrijf, consumentgerichte dienstverlening, alcoholvrije horeca of een culturele instelling; b. het assortiment ligt in het verlengde van de onder a bedoelde bedrijfsuitoefening; en c. het gaat om maximaal 20% van de bruto-vloeroppervlakte van het onder a bedoelde bedrijf, tot een maximum van 50 m
  45. De omvang van de ondergeschikte detailhandel wordt bepaald door het deel van het bruto-vloeroppervlak van een gebouw dat daadwerkelijk wordt gebruikt voor verkoopdoeleinden.
  46. Het bevoegd gezag kan over het eerste lid een maatwerkvoorschrift geven en daarbij afwijken van het eerste lid, onder c, maar uitsluitend als: a. de omvang van de niet-zelfstandige detailhandel ondergeschikt blijft aan de in het eerste lid bedoelde bedrijfsuitoefening; en b. het voldoen aan het bepaalde in het eerste lid door bijzondere omstandigheden niet op overwegende bezwaren stuit.
  47. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift wordt inzicht gegeven in: a. de beoogde aard en omvang van de niet-zelfstandige detailhandel en de aard en omvang van de gehele bedrijfsuitoefening; b. de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het derde lid, onder b. Paragraaf 3.2.6 Het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie Artikel 3.22 Geografisch werkingsgebied
  48. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk'.
  49. Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk'. Artikel 3.23 Toepassingsbereik
  50. Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een: a. woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan, uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.
  51. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
  52. Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling voor de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld.
  53. Deze paragraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 3.24 Meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing. Artikel 3.25 Waar waarden gelden De waarden voor het geluid gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen vandat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte. Artikel 3.26 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een: a. woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan. Artikel 3.27 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, wordt alleen verleend als: a. het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3; en b. het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is. Artikel 3.28 Wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde
  54. Van een aanvaardbaar geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw is in elk geval sprake als het geluid op de gevel niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.28: Tabel 3.28: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort Geluidbronsoort Grenswaarde Provinciale wegen en rijkswegen 50 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 53 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 55 Lden Industrieterreinen 50 Lden 40 Lnight
  55. Artikel 5.78t, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
  56. Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 3.28 gelezen voor «Lden»: »Lde».
  57. Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 3.28 gelezen voor «Lden»: «Lday». Artikel 3.29 Overschrijding van de standaardwaarde
  58. Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 3.28 bedoelde standaardwaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.29: Tabel 3.29: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort Geluidbronsoort Grenswaarde Provinciale wegen en rijkswegen 60 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 70 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 65 Lden Industrieterreinen 55 Lden 45 Lnight
  59. Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
  60. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen, gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbare geluidbelasting als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.28, is berekend.
  61. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.28, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als: a. elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en b. zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.
  62. Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
  63. Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 3.29 gelezen voor «Lden»: »Lde».
  64. Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 3.29 gelezen voor «Lden»: «Lday». Artikel 3.30 Belang van een geluidluwe gevel Bij de toepassing van artikel 3.29 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken. Artikel 3.31 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
  65. Bij de toepassing van artikel 3.29 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
  66. Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg ofindustrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldendegeluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontourvan een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, eenluchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op eenindustrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, eenmilitaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
  67. Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Artikel 3.32 Bepalen van gezamenlijk geluid Bij de toepassing van artikel 3.29 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, vastgelegd. Artikel 3.33 Vergunningvoorschriften
  68. Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder.
  69. Voor zover de in het eerste lid bedoelde voorschriften betrekking hebben op het nemen van bouwkundige maatregelen, waarvoor op grond van hoofdstuk 4 een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt, dan is hoofdstuk 4 op het verrichten van die omgevingsplanactiviteit bouwwerken onverkort van toepassing. Artikel 3.34 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, wordt een rapport verstrekt: a. waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en b. waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid. Paragraaf 3.2.7 Huisvesting in verband met mantelzorg Artikel 3.35 Vergunningplicht huisvesting in verband met mantelzorg in een bestaand bouwwerk
  70. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bestaand bouwwerk te gebruiken voor huisvesting in verband met mantelzorg.
  71. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een gebouw voor het moment dat dit artikel in werking is getreden rechtmatig is gebouwd en in gebruik is genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg.
  72. Het eerste lid is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'huisvesting mantelzorg toegestaan'.
  73. Het eerste lid is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen', voor zover huisvesting in verband met mantelzorg op grond van het nog geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is toegestaan. Artikel 3.36 Beoordelingsregels
  74. De in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het gebouw rechtmatig is gebouwd; b. het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is; en c. het gebruik van het bestaande bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg niet leidt tot beperkingen bij de bestaande uitoefening van milieubelastende activiteiten, bedoeld in afdeling 9.
  75. Op de aanvraag en de beoordeling of het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is, is paragraaf 3.2.6 van overeenkomstige toepassing, zij het dat de in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning niet wordt geweigerd wegens strijd met artikel 2.3, eerste of tweede lid.
  76. De in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning wordt in afwijking van het eerste lid geweigerd als de activiteit wordt verricht: a. ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'; b. ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'; c. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringsgebied vuurwerk'; d. ter plaatse van de aanduiding 'explosieaandachtsgebied vuurwerk'; e. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringsgebied ontplofbare stoffen voor civiel gebruik'; f. ter plaatse van de aanduiding 'civiel explosieaandachtsgebied'.
  77. Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt de in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid geweigerd als de activiteit wordt verricht: a. op een locatie waar de activiteit op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; b. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
  78. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
  79. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  80. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  81. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  82. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  83. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  84. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  85. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  86. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  87. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  88. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  89. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  90. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
  91. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
  92. artikel 4.1042, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  93. bijlage VIII, onder A en B het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  94. artikel 4.1051, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, of derde lid van dat artikel van toepassing is; of
  95. bijlage IX, onder A tot en met C bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.37 Aanvraagvereisten
  96. Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, is artikel 3.34 van overeenkomstige toepassing.
  97. In aanvulling op het eerste lid wordt bij de aanvraag om omgevingsvergunning een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur verstrekt, waaruit de behoefte aan mantelzorg blijkt. Paragraaf 3.2.8 Het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof Artikel 3.38 Vergunningplicht voor het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof Het is verboden zonder omgevingsvergunning de leiding, de druk of de vervoerde stof te wijzigen voor zover de wijziging leidt tot een wijziging van het aandachtsgebied bedoeld in artikel 5.12 en 5.13 Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.39 Beoordelingsregel omgevingsvergunning buisleiding gevaarlijke stoffen
  98. De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.38, wordt alleen verleend als de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen met een buisleiding met gevaarlijke stoffen te voorkomen en de eventuele gevolgen van ongevallen voor de omgeving te beperken.
  99. Bij de toepassing van het eerste lid wordt in ieder geval rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de buisleiding voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied, voor zover dat gebied niet is gelegen binnen een risicogebied externe veiligheid.
  100. Op de beoordeling, bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 5.12 en 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
  101. Bij het beoordelen van de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio. Artikel 3.40 Aanvraagvereisten
  102. Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.38 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging; en b. de resultaten van de berekeningen van:
  103. de afstand vanaf de buisleiding tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is; en
  104. de afstand voor het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
  105. Op het berekenen van het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii van de Omgevingsregeling van toepassing. Artikel 3.41 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 2.221, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.38, voorschriften worden verbonden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving van de buisleiding. Paragraaf 3.2.9 Wijzigen gebruik van ambachtelijke bedrijven Artikel 3.42 Geografisch werkingsgebied, toepassingsbereik en oogmerk
  106. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'vergunningplicht bij wijziging ambachtelijk bedrijf'.
  107. Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'ambachtelijk bedrijf'.
  108. Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van een legaal bestaand gebruik als ambachtelijk bedrijf naar een ander gebruik, uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.
  109. Deze paragraaf heeft het doel een divers functieaanbod te garanderen en ambachtelijke bedrijven te behouden in centrumgebieden waar de druk op de leefbaarheid groot is. Artikel 3.43 Vergunningplicht wijziging ambachtelijk bedrijf naar ander gebruik Het is verboden zonder omgevingsvergunning het bestaand gebruik te wijzigen van een ambachtelijk bedrijf naar ander gebruik. Artikel 3.44 Beoordelingsregel De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de beoogd ander gebruik niet in strijd is met artikel 2.3; en b. het beoogd ander gebruik bijdraagt aan een divers en lokaal aanbod aan voorzieningen, passend bij het karakter van het gebied. Artikel 3.45 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.43 wordt in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van het bestaande gebruik; b. een beschrijving van het voorgenomen gebruik; c. een onderbouwing in welke mate het voorgenomen gebruik bijdraagt aan het aanbod aan voorzieningen als bedoeld in artikel 3.44, onder b. Paragraaf 3.2.10 Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico Artikel 3.46 Geografisch werkingsgebied en oogmerk
  110. Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.
  111. Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.
  112. De regels in deze paragraaf zijn gesteld om kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare gebouwen te beschermen. Artikel 3.47 Verbod gebruik kwetsbaar gebouw
  113. Het is verboden om een gebouw te gebruiken als een kwetsbaar gebouw.
  114. Het verbod geldt niet voor kwetsbare gebouwen die functionele binding hebben met de activiteit waarvoor de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' is opgenomen. Artikel 3.48 Vergunningplicht wijziging naar beperkt kwetsbaar gebouw
  115. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. het wijzigen van het gebruik van een gebouw of een deel van een gebouw dat geen kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw is naar een gebruik als beperkt kwetsbaar gebouw; b. het wijzigen van het gebruik van een beperkt kwetsbaar gebouw naar een andere beperkt kwetsbare gebruiksfunctie waardoor het aantal aanwezige personen toeneemt.
  116. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een beperkt kwetsbaar gebouw dat functionele binding heeft met de activiteit waarvoor de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' is opgenomen. Artikel 3.49 Beoordelingsregels
  117. De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, wordt alleen verleend als: a. de wijziging naar een beperkt kwetsbaar gebouw niet in strijd is met artikel 2.3; b. zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen; c. alle redelijke maatregelen om de gevolgen van een ramp te bestrijden zijn getroffen; en d. er zijn voldoende mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied.
  118. Bij het beoordelen van de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.
  119. In aanvulling op het eerste lid geldt dat de omgevingsvergunning niet wordt verleend indien het beperkt kwetsbare gebouw geheel of gedeeltelijk staat ter plaatse van de aanduiding 'plaatsgebonden risico 10-5 windturbine'. Artikel 3.50 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen. Artikel 3.51 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, voor het toelaten van een beperkt kwetsbaar gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen voor de realisatie van het beperkt kwetsbare gebouw of het gebruik van de gronden; b. alle redelijke maatregelen die worden getroffen om de gevolgen van een ramp te bestrijden; en c. gegevens over de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied. Paragraaf 3.2.11 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied vuurwerk [gereserveerd] Paragraaf 3.2.12 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied ontplofbare stoffen [gereserveerd] Paragraaf 3.2.13 Ondergeschikte horeca-activiteiten [gereserveerd] Paragraaf 3.2.14 [gereserveerd] Hoofdstuk 4 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN Afdeling 4.

Artikel 4.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van: a.

een omgevingsplanactiviteit bouwwerken; b. een omgevingsplanactiviteit slopen. Artikel 4.2 Meet en rekenregels

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over bouwwerken in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
  2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  3. Voor de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
  4. Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing.
  5. Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak.
  6. Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing. Artikel 4.3 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
  7. Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
  8. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het eerste lid, waarmee kan worden afgeweken van het eerste lid. Artikel 4.4 Overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  9. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  10. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 4.5 Overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Artikel 4.13, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderd

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.