← Nederland

Waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden)

Kort samengevat

Deze verordening regelt activiteiten die van invloed kunnen zijn op waterstaatswerken, grondwaterlichamen en zuiveringtechnische werken binnen het beheergebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Het doel is het beschermen van de waterkwaliteit, waterkwantiteit en de functionaliteit van waterwerken.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/waterschap/2024/CVDR707248 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0636/2023/HDSRWSV /join/id/stop/work_019 2026-05-12 2026-05-12 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR707248/nld@2026-05-20 /join/id/proces

Artikel 2.9 Meet- en rekenbepalingen 1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  1. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  2. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN
  3. Artikel 2.10 Informatieplicht
  4. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
  5. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijkse bestuur van het waterschap.
  6. Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
  7. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over de kwaliteit van het te lozen grondwater die, voor zover van toepassing, op basis van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, naar voren zijn gekomen. Artikel 2.10a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  8. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te lozen bij ontwatering in beschermingszone V van een vispassage.
  9. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te lozen in een natuurvriendelijke oever.
  10. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te lozen in kwetsbaar water. Afdeling 2.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening Artikel 2.11 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvloeiend hemelwater dat: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving is. Artikel 2.12 Aanwijzing algemene regels
  11. Afvloeiend hemelwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het hemelwater niet afkomstig is van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen.
  12. Bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.13 en 2.14, als het gaat om het lozen van hemelwater dat afkomstig is van nieuw aan te leggen of te veranderen rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom.
  13. Bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.13, als het gaat om het lozen van hemelwater dat afkomstig is van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen. Artikel 2.13 Algemene regel
  14. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: het afvloeiende hemelwater wordt alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
  15. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam: het afvloeiende hemelwater wordt alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem, op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 2.14 Informatieplicht
  16. Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij horende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
  17. Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater Artikel 2.15 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.16 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  18. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning huishoudelijk afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. 2.

Artikel 2

.17 Algemene regel 1.

2.

3.

Artikel 2

.18 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater 1.

2.

3.

4.

Artikel 2

.19 Meet- en rekenbepalingen 1.

2.

3.

Artikel 2

.20 Informatieplicht 1.

2.

Afdeling 2

.5 Lozen van warmte of koude Artikel 2.21 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op: a. het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. op het lozen van warmte of koude ten behoeve van aquathermie, op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.22 Aanwijzing algemene regels

  1. Bij het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.23 eerste lid en 2.24, als: a. het lozen van warmte of koude niet plaatsvindt op een kwetsbaar water; en b. het gaat om een gesloten TEO-systeem.
  2. Bij het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.23 tweede lid en 2.24a, als: a. het lozen van warmte of koude niet plaatsvindt op een kwetsbaar water; b. het niet gaat om een gesloten TEO-systeem; c. het lozen plaatsvindt in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam voor het lozen van warmte of koude; en d. de warmtevracht of koudevracht van de lozing maximaal 1000 kJ/s is.
  3. Bij het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.23 tweede lid en 2.24a, als: a. het lozen van warmte of koude niet plaatsvindt op een kwetsbaar water; b. het niet gaat om een gesloten TEO-systeem; c. het lozen plaatsvindt in een niet- aangewezen oppervlaktewaterlichaam voor het lozen van warmte of koude; en d. de warmtevracht of koudevracht van de lozing maximaal 10 kJ/s is. Artikel 2.23 Algemene regel
  4. De volgende voorschriften gelden bij het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam vanuit een gesloten TEO-systeem: a. het in het systeem te gebruiken medium bestaat alleen uit water vermengd met een anti-vriesmiddel dat bij lekkage geen schade toebrengt aan het aquatisch ecosysteem; en b. wanneer er een waterenergieplan voor het betreffende oppervlaktewater bestaat of ander beleid, waarin grenzen zijn gesteld aan de totale warmte-onttrekking, past de lozing daarbinnen.
  5. De volgende voorschriften gelden bij het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam vanuit een open TEO-systeem of een koelwatersysteem: a. de maximale temperatuur van de lozing is 25°C; b. het temperatuurverschil tussen het oppervlaktewater en het te lozen water is maximaal 7°C; c. tijdens de maanden maart, april en mei is het temperatuurverschil tussen het oppervlaktewater en het te lozen water maximaal 2°C; d. het maximale debiet van de lozing is 172 m3/uur; e. de lozing vindt plaats binnen hetzelfde peilgebied als een eventuele onttrekking van oppervlaktewater; f. aan de lozing worden geen chemicaliën toegevoegd; en g. wanneer er een waterenergieplan voor het betreffende oppervlaktewater bestaat of ander beleid, waarin grenzen zijn gesteld aan de totale warmte-onttrekking, moet de warmte-onttrekking behorend bij de lozing binnen deze grenzen passen. Artikel 2.24 Informatieplicht
  6. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de gegevens en bescheiden uit artikel 1.11 verstrekt.
  7. In aanvulling op de algemene gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.11 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening; b. de maximale warmtevracht of koudevracht in kJ/s; c. de capaciteit van de warmtepomp in kW; d. de locatie van de warmtewisselaar; en e. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  8. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap, waarbij de gewijzigde lozingsactiviteit voldoet aan artikel 2.22 . Artikel 2.24a Meldplicht
  9. Het is verboden warmte of koude te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit artikel 1.
  10. In aanvulling op de algemene gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.11 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening; b. het debiet van de lozing in m3 / u op het lozingspunt; c. de maximale warmtevracht of koudevracht in kJ/s; d. de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt kW; e. de locaties van het lozingspunt en onttrekkingspunt in X- en Y-coördinaten; f. tekening van de in- en uitstroomvoorzieningen; g. de locatie van de warmtewisselaar; en h. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  11. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap, waarbij de gewijzigde lozingsactiviteit voldoet aan artikel 2.22 . Artikel 2.24b Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  12. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning warmte of koude te lozen op een kwetsbaar water.
  13. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning warmte of koude te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het lozen van warmte of koude niet plaatsvindt op een kwetsbaar water; b. het niet gaat om een gesloten TEO-systeem; c. het lozen plaatsvindt in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam voor het lozen van warmte of koude; en d. de warmtevracht of koudevracht van de lozing groter is dan 1000 kJ/s.
  14. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning warmte of koude te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het lozen van warmte of koude niet plaatsvindt op een kwetsbaar water; b. het niet gaat om een gesloten TEO-systeem; c. het lozen plaatsvindt in een niet- aangewezen oppervlaktewaterlichaam voor het lozen van warmte of koude; en d. de warmtevracht of koudevracht van de lozing groter is dan 10 kJ/s.
  15. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning warmte of koude te lozen in een natuurvriendelijke oever.
  16. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning warmte of koude te lozen in beschermingszone V van een vispassage. Artikel 2.24c Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van warmte of koude worden, in aanvulling op artikel 2.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt a. een situatietekening; b. de maximale warmtevracht of koudevracht in kJ/s; en c. de capaciteit van de warmtepomp in kW. Afdeling 2.6 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken Artikel 2.25 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.26 Aanwijzing algemene regels
  17. Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het gaat om afvalwater afkomstig van: a. het afwassen met water; of b. het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
  18. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29 en 2.30, als a. het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid; en b. het gaat om reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
  19. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29, 2.30 en 2.31, als: a. het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid; en b. het niet gaat om reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
  20. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het conserveren van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29, 2.30 en 2.31, als het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid.
  21. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het bouwen, slopen of renoveren van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.28, 2.29, 2.30 en 2.
  22. Artikel 2.27 Werkinstructie bij reinigen en conserveren
  23. Bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
  24. In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt.
  25. Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s. Artikel 2.28 Werkinstructie bij bouwen en slopen Bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Artikel 2.29 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam Bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting. Artikel 2.30 Meet- en rekenbepalingen Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing. Artikel 2.31 Informatieplicht
  26. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.27; of b. voor het lozen afkomstig van het bouwen, slopen of renoveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.
  27. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.7 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen Artikel 2.32 Toepassingsbereik
  28. Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan en overslaan van inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam.
  29. Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas. Artikel 2.33 Aanwijzing algemene regels
  30. Afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het gaat om het overslaan van inerte goederen bij wonen.
  31. Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  32. Bij het lozen van afvalwater bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.34, als het niet gaat om het overslaan van inerte goederen bij wonen. Artikel 2.34 Algemene regel De volgende voorschriften gelden bij het lozen van afvalwater bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht op een oppervlaktewaterlichaam: a. bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken; en b. aan dit voorkomen wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: 1°. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of 2°. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. Afdeling 2.8 Lozen bij opslaan en overslaan van andere dan inerte goederen Artikel 2.35 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.36 Aanwijzing algemene regels
  33. Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het overslaan van niet-inerte goederen in de buitenlucht wordt voldaan aan de artikelen 2.37 tweede lid, en 2.39, als het gaat om het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen.
  34. Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het overslaan van niet-inerte goederen in de buitenlucht wordt voldaan aan artikel 2.37 tweede lid, als het gaat om afvalwater afkomstig van het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; of b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk of nodig zijn in een werk.
  35. In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen voldaan aan de artikelen 2.37 eerste lid, 2.38 en 2.39, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 2.37 Algemene regel
  36. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l
  37. De volgende voorschriften gelden bij het lozen van afvalwater afkomstig van het overslaan van niet-inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam: a. bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken; en b. aan het tweede lid, onder a, wordt in ieder geval voldaan als: 1°. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of 2°. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of morsklep. Artikel 2.38 Meet- en rekenbepalingen
  38. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  39. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  40. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-
  41. Artikel 2.39 Informatieplicht
  42. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
  43. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.9 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater Artikel 2.40 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.41 Aanwijzing algemene regels
  44. Bij het lozen van afvalwater uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.42 eerste lid.
  45. Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.42 tweede lid. Artikel 2.42 Algemene regel
  46. Het afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die voorzieningen en maatregelen en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
  47. Het afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
  48. Een plan of programma als bedoeld in het eerste en tweede lid of een uitvoeringsprogramma ter uitvoering daarvan bevat in ieder geval: a. een overzicht van de in de gemeente aanwezige: 1°. voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Omgevingswet; 2°. voorzieningen voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater als bedoel in artikel 2.16, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Omgevingswet; en 3°. maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de op de grond uitgevoerde activiteit zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Omgevingswet; b. een aanduiding van het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn; c. een overzicht van de in de door het plan of programma bestreken periode aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder a; d. een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen, bedoeld onder a en c, worden of zullen worden beheerd; en e. een beschrijving van de gevolgen van de aanwezige voorzieningen en van de in het plan of programma aangekondigde activiteiten. Afdeling 2.10 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam Artikel 2.43 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.44 Aanwijzing algemene regels
  49. Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.
  50. Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden uitgevoerd namens de waterbeheerder of door derden waarbij het gaat om werkzaamheden ter uitvoering van de onderhoudsverplichting, als bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet wordt voldaan aan artikel 2.
  51. Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden uitgevoerd namens de waterbeheerder of door derden waarbij het niet gaat om werkzaamheden ter uitvoering van de onderhoudsverplichting, als bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet wordt voldaan aan de artikelen 2.45 en 2.
  52. Algen of bacteriën kunnen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als: a. het niet gaat om ontgravingen of baggerwerkzaamheden; en b. de werkzaamheden verricht worden door of namens de waterbeheerder.
  53. Er kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als: a. het niet gaat om ontgravingen of baggerwerkzaamheden; b. de werkzaamheden uitgevoerd worden door of namens de waterbeheerder; en c. het niet gaat om lozen van algen of bacteriën. Artikel 2.45 Werkinstructie verontreinigde waterbodem Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd', bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, wordt een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek, en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze. Artikel 2.46 Informatieplicht
  54. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. een nadere specificatie van de locatie waar de baggerspecie toegepast wordt; c. als de waterbodem de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd', bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.45; en d. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  55. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.11 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen Artikel 2.47 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen. Artikel 2.48 Aanwijzing algemene regels Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.
  56. Artikel 2.49 Algemene regel Het volgende voorschrift geldt voor het lozen bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen: aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd. Artikel 2.49a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen te lozen in een kwetsbaar water of in een natuurvriendelijke oever. Afdeling 2.12 Lozen bij calamiteitenoefeningen Artikel 2.50 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij calamiteitenoefeningen. Artikel 2.50a Aanwijzing meldplicht Bij het lozen van afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening, wordt voldaan aan artikel 2.50b, als: a. er niet geloosd wordt in: 1°. een kwetsbaar water; of 2°. een natuurvriendelijke oever; of b. bij de oefening water wordt toegepast. Artikel 2.50b Meldplicht Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. Artikel 2.51 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  57. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van calamiteitenoefeningen te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, als er bij de oefening andere middelen dan water worden toegepast.
  58. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van calamiteitenoefeningen te lozen in beschermingszone V van een vispassage.
  59. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van calamiteitenoefeningen te lozen in een natuurvriendelijke oever.
  60. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van calamiteitenoefeningen te lozen in kwetsbaar water. Artikel 2.52 Specifieke aanvraagvereisten vergunningplicht Als het gaat om het lozen van afvalwater bij een calamiteitenoefening worden, in aanvulling op artikel 2.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; b. welke stoffen dat blusschuim bevat ; en c. welke brandstof er wordt gebruikt en welke stoffen daarbij vrij kunnen komen. Afdeling 2.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen Artikel 2.53 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen. Artikel 2.54 Aanwijzing algemene regels
  61. In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55 eerste en zesde lid , 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van: a. telen of kweken van gewassen in een gebouw anders dan een kas; b. een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en c. een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m.
  62. In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55 tweede en zesde lid , 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van: a. spoelen van biologisch geteelde gewassen; b. een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en c. een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m.
  63. In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55 eerste en zesde lid , 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van sorteren van biologisch geteelde gewassen.
  64. Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.55 derde en zesde lid , 2.56 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van zuivering van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten.
  65. Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.55 vierde en zesde lid , 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van: a. ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten; b. een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en c. een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m.
  66. In afwijking van artikel 4.796 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van biologische teelt of van teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt, voldaan aan artikel 2.55 vijfde lid. Artikel 2.55 Algemene regel: emissiegrenswaarden
  67. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het telen of kweken van gewassen anders dan in een kas of bij het sorteren van biologisch geteelde gewassen: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Onopgeloste stoffen voor niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam 20 mg/l Onopgeloste stoffen voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen 50 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen 20 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen 30 mg/l Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen 100 mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 33,33 mg/l voor totaal organisch koolstof Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen 150 mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 50 mg/l voor totaal organisch koolstof
  68. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij het spoelen van biologisch geteelde gewassen op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster. Table 2.7 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Onopgeloste stoffen voor niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen 20 mg/l Onopgeloste stoffen voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen 50 mg/l
  69. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij zuivering van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.8 gemeten in een steekmonster. Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Chloride 200 mg/l IJzer 2 mg/l
  70. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
  71. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater afkomstig van biologische teelt of van teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.9 gemeten in een steekmonster. Table 2.9 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Onopgeloste stoffen voor niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam 20 mg/l Onopgeloste stoffen voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen 50 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen 20 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen 30 mg/l Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen 100 mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 33,33 mg/l voor totaal organisch koolstof Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen 150 mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 50 mg/l voor totaal organisch koolstof
  72. Het afvalwater kan geloosd worden op een oppervlaktewaterlichaam als: a. het lozen van dit afvalwater in de bodem niet mogelijk is; b. het gelijkmatig verspreiden van dit afvalwater over landbouwgrond niet mogelijk is; en c. er geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden bij de teelt zijn toegepast. Artikel 2.56 Algemene regel: uitzondering Bal De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing. Artikel 2.57 Algemene regel: bepalen afstand
  73. De afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  74. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 2.58 Meet- en rekenbepaling
  75. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  76. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  77. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-
  78. Artikel 2.59 Informatieplicht
  79. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  80. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Artikel 2.59a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen te lozen in een kwetsbaar water en in natuurvriendelijke oevers. Afdeling 2.14 Lozen bij het maken van betonmortel en het uitwassen van beton Artikel 2.60 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het maken van betonmortel en het uitwassen van beton. Artikel 2.61 Algemene regel
  81. Afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton kan, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of op de riolering als dit is toegestaan in het omgevingsplan.
  82. In afwijking van de artikelen 4.141, tweede lid, en 4.159 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden voor het lozen van afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en van producten met betonmortel op een oppervlaktewaterlichaam de volgende emissiegrenswaarden, gemeten in een steekmonster: a. de zuurgraad is ten hoogste pH 8.5; b. 50 mg/l onopgeloste bestanddelen voor een aangewezen oppervlaktewaterlichaam; en c. 20 mg/l onopgeloste bestanddelen voor een niet- aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
  83. In afwijking van artikel 4.159 van het Besluit activiteiten kan in plaats van de emissiegrenswaarde voor chemisch zuurstofverbruik ook een emissiegrenswaarde van 33,33 mg/l voor het totaal gebonden koolstof gehanteerd worden. Artikel 2.61a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  84. In aanvulling op de artikelen 4.135, vierde lid en 4.153 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en van producten met betonmortel te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, als er bij het maken van het beton chemische ontkistingsmiddelen en toevoegmaterialen worden toegepast.
  85. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en van producten met betonmortel te lozen in een natuurvriendelijke oever.
  86. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en van producten met betonmortel te lozen in een kwetsbaar water. Afdeling 2.15 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding Artikel 2.62 Toepassingsbereik
  87. Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater bij niet-industriële voedselbereiding.
  88. Deze afdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Artikel 2.63 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van niet-industriële voedselbereiding te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.64 Algemene regel: bereiden van voedingsmiddelen Artikel 2.65 Informatieplicht 1.

2.

Afdeling 2

.16 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Artikel 2.66 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van spuiwater uit recreatieve visvijvers. Artikel 2.66a Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in de artikelen 1.9 en 2.2, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Voor het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers houdt de zorgplicht in ieder geval in dat er bij het lozen alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om het ontsnappen van dieren, larven en eitjes naar het oppervlaktewater te voorkomen. Artikel 2.67 Aanwijzing algemene regels Spuiwater uit recreatieve visvijvers kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam , hierbij wordt voldaan aan artikel 2.

  1. Artikel 2.68 Meldplicht
  2. Het is verboden om spuiwater uit recreatieve visvijvers te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  3. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Artikel 2.68a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  4. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning spuiwater afkomstig uit recreatieve visvijvers te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het gaat om een recreatieve visvijver waar uitheemse vissoorten gehouden worden; b. de vissen in de recreatieve visvijver worden bijgevoerd; of c. er medicijnen worden toegevoegd aan de recreatieve visvijver.
  5. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning spuiwater afkomstig uit recreatieve visvijvers te lozen in beschermingszone V van een vispassage.
  6. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning spuiwater afkomstig uit recreatieve visvijvers te lozen in kwetsbaar water.
  7. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning spuiwater afkomstig uit recreatieve visvijvers te lozen in een natuurvriendelijke oever. Artikel 2.68b Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers wordt, in aanvulling op artikel 2.3, een overzicht van de uitheemse vissoorten die in de recreatieve visvijver leven verstrekt. Afdeling 2.17 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind Artikel 2.69 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind. Artikel 2.70 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig op een oppervlaktewaterlichaam te lozen, als er: a. afvalwater vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; of b. afvalwater vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind. Afdeling 2.18 Asverstrooiing Artikel 2.71 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op asverstrooiing in een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.72 Algemene regel As kan individueel verstrooid worden op een oppervlaktewaterlichaam door de nabestaande die de zorg heeft voor de asbus, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging. Afdeling 2.19 Andere lozingen Artikel 2.73 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en op een zuiveringtechnisch werk. Artikel 2.74 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  8. Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen, warmte of koude worden geloosd en er geen sprake is van: a. het lozen van stoffen, warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen, bedoeld in de afdelingen 2.2 tot en met 2.18; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en d. het lozen van stoffen, warmte of koude afkomstig van wonen.
  9. Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten als er geen sprake is van het lozen van stoffen, water, warmte of koude op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  10. Het eerste lid is niet van toepassing op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die wordt verricht ter uitvoering van een natuurbeschermings- of verbeteringsmaatregel die is opgenomen in een beheerplan Natura 2000 en wordt uitgevoerd met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Hoofdstuk 3 Wateronttrekkingsactiviteiten Afdeling 3.1 Algemeen Artikel 3.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten in het beheergebied van het waterschap, tenzij in dit hoofdstuk anders bepaald. Artikel 3.2 Specifieke gegevens en bescheiden bij een meldplicht wateronttrekkingsactiviteit(grondwater)
  11. In aanvulling op de algemene gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.11, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater: 1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; 2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; 3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking; 4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken.
  12. Het eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.3 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit (grondwater)
  13. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden in aanvulling op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekstelsel van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het NAP; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater: 1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; 2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; 3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking; 4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
  14. Het eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.4 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit (oppervlaktewater) Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, wordt in aanvulling op artikel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, een locatietekening met daarop de te beregenen percelen inclusief het aantal hectaren en de locaties van de onttrekkingspunten verstrekt. Artikel 3.5 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
  15. Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
  16. Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Afdeling 3.2 Grondwater onttrekken Paragraaf 3.2.1 Grondwater onttrekken in een bouwput Subparagraaf 3.2.1.1 Algemeen Artikel 3.6 Toepassingsbereik
  17. Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een bouwput.
  18. Onder het eerste lid wordt mede verstaan het onttrekken van grondwater: a. voor de aanleg, sloop of verwijdering van funderingen, kelders of andere ondergrondse bouwwerken; b. voor een bodemsanering; c. voor de inspectie van ondergrondse bouwwerken; d. voor een diepe grondboring; of e. in een sleuf waarbij de voortgang van het in bemaling genomen sleufgedeelte minder is dan 20 m per week. Artikel 3.7 Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat: a. de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten; b. de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt; c. bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen; d. bij grondwatergevoelige natuur extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen; e. de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast; f. de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering; g. eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld; h. een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld; i. de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd; j. als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; k. voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande verhardingen van, naar en op de waterkering; l. voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en m. de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Artikel 3.8 Voorrangsbepaling
  19. Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen. 2.

Subparagraaf 3.2.1.2 Aanwijzing algemene regels Artikel 3.9 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking bouwput

  1. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking: 1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal: 1°. 400.000 m3 is; en 2°. 100 m3/uur is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; en 3°. 12.000 m3/jaar; en f. er een retourbemaling plaatsvindt.
  2. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking: 1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal: 1°. 400.000 m3 is; en 2°. 100 m3/uur is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; en 3°. 12.000 m3/jaar; en f. er geen retourbemaling plaatsvindt.
  3. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking: 1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal: 1°. 400.000 m3 is; en 2°. 100 m3/uur is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; of 3°. 12.000 m3/jaar; en f. er een retourbemaling plaatsvindt.
  4. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking: 1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal: 1°. 400.000 m3 is; en 2°. 100 m3/uur is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; of 3°. 12.000 m3/jaar; en f. er geen retourbemaling plaatsvindt.
  5. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwaterontrekking: 1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; f. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; g. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; en 3°. 12.000 m3/jaar; en h. er een retourbemaling plaatsvindt.
  6. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwaterontrekking: 1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; f. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; g. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; en 3°. 12.000 m3/jaar; en h. er geen retourbemaling plaatsvindt.
  7. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwaterontrekking: 1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; f. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; g. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; of 3°. 12.000 m3/jaar; en h. er een retourbemaling plaatsvindt.
  8. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwaterontrekking: 1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; f. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; g. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; of 3°. 12.000 m3/jaar; en h. er geen retourbemaling plaatsvindt.
  9. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal: 1°. 400.000 m3 is; en 2°. 100 m3/uur is; e. het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket; f. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; en 3°. 12.000 m3/jaar; en g. er een retourbemaling plaatsvindt.
  10. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal: 1°. 400.000 m3 is; en 2°. 100 m3/uur is; e. het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket; f. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; en 3°. 12.000 m3/jaar; en g. er geen retourbemaling plaatsvindt.
  11. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; e. het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket; f. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; of 3°. 12.000 m3/jaar; en g. er een retourbemaling plaatsvindt.
  12. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; e. het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket; f. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; of 3°. 12.000 m3/jaar; en g. er geen retourbemaling plaatsvindt. Artikel 3.10 Aanwijzing algemene regels waterkering
  13. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.13, derde lid, 3.14 en 3.15, als: a. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en b. het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
  14. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.13, derde lid, 3.14 en 3.15, als: a. het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; b. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en c. het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
  15. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, wordt voldaan aan de artikelen 3.13, vierde lid, 3.14 en 3.15, als: a. het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; b. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en c. het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.
  16. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.13, vierde lid, 3.14 en 3.15, als: a. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en b. het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is. Artikel 3.11 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
  17. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, zevende lid, 3.14 en 3.15, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt; b. de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en c. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal 10 m3 per uur.
  18. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, achtste lid, 3.14 en 3.15, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt; b. de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; c. grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur; d. grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; en e. er een retourbemaling plaatsvindt.
  19. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, negende lid, 3.14 en 3.15, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt; b. de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; c. grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur; en d. grondwater wordt onttrokken in de periode van november tot maart. Artikel 3.12 Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing
  20. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, vijfde lid, 3.14 en 3.15, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn; b. de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en c. door de grondwateronttrekking: 1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:1.000; 2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:600; en 3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen niet droog vallen.
  21. Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, zesde lid, 3.14 en 3.15, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn; en b. de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, niet wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand. Subparagraaf 3.2.1.3 Algemene regels Artikel 3.13 Algemene regel
  22. De volgende voorschriften gelden: a. verlaging van de stijghoogte of grondwaterstand onder de bouwputbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de bouwput; b. gedurende het verrichtten van de activiteit: 1°. wordt de onttrokken hoeveelheid grondwater dagelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %; 2°. wordt voor de start van de grondwateronttrekking de beginstand van de watermeter geregistreerd; 3°. wordt de gemeten hoeveelheden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en 4°. worden de gegevens minimaal vijf jaar bewaard; c. een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant; d. bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard; e. een interceptie- of schermbemaling wordt voorzien van een eigen watermeter; f. per melding is sprake van één onttrekkingsperiode; g. tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedsgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking; h. bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en i. bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
  23. De volgende voorschriften gelden: a. verlaging van de stijghoogte of grondwaterstand onder de bouwputbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de bouwput; b. de verlaging van de grondwaterstand of de stijghoogte wordt binnen het invloedgebied van de grondwateronttrekking gemonitord door tenminste een peilbuis te plaatsen: 1°. naast de bouwput op het punt waar de stijghoogteverlaging gelijk is aan de verlaging op het kritische punt in de bouwput; 2°. op 50 en 100 m afstand van de rand van de bouwput; en 3°. aan de gevel van bebouwing van voor 1960, tot een afstand van 100 m van de rand van de bouwput; c. de filterdiepte van de peilbuizen is op gelijke diepte als de filters die voor het onttrekken van grondwater worden gebruikt en, als het onttrekken dieper dan de deklaag plaatsvindt, een filter in de deklaag; d. op een gemotiveerd schriftelijk verzoek, kan het waterschap instemmen met het wijzigen van de locatie van peilbuizen; e. de peilbuizen moeten worden ingemeten en op een kaart worden ingetekend, deze kaart bevat de XY-coördinaten en de hoogte van de bovenkant van de peilbuizen ten opzichte van maaiveld en ten opzichte van NAP; f. de eerste vier weken worden de peilbuizen dagelijks gemeten en daarna wordt er wekelijks gemeten, tot drie weken na beëindiging van de grondwateronttrekking; g. de eerste meting vindt minimaal drie dagen voor de start van de grondwateronttrekking plaats; h. de volgende voorschriften gelden over de wijze van meting: 1°. de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt dagelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %; 2°. voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd; 3°. de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en 4°. de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard; i. een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant; j. bij het vervangen van een watermeter wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging geregistreerd, en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard; k. een interceptie- of schermbemaling wordt voorzien van een eigen watermeter; l. per melding is sprake van één onttrekkingsperiode; m. tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking; n. bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en o. bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
  24. De volgende voorschriften gelden: a. het onttrekken van grondwater in een bouwput mag uitsluitend worden uitgevoerd met een open bemaling, het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed is niet toegestaan; b. de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en c. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
  25. De volgende voorschriften gelden: a. het onttrekken van grondwater in een bouwput mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed is niet toegestaan; b. de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en c. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
  26. De volgende voorschriften gelden: a. de grondwaterstand mag, ter plaatse van kwetsbare gebouwen van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de GLG; b. houten funderingsonderdelen van gebouwen mogen niet droogvallen tijdens de bemaling; c. de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:1.000 of ter plaatse van overige gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en d. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
  27. De volgende voorschriften gelden: a. de grondwaterstand mag, ter plaatse van kwetsbare bebouwing van vóór 1960, niet onder de GLG komen; en b. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
  28. De volgende voorschriften gelden: a. de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG; b. de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt moet maximaal 10 m3 per uur zijn; en c. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
  29. De volgende voorschriften gelden: a. de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG; b. het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken; c. het grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; d. het onttrokken grondwater moet weer geheel terug in de bodem worden gebracht; en e. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
  30. De volgende voorschriften gelden: a. de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG; b. het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken; c. het onttrekken van grondwater mag alleen in de periode van november tot maart plaatsvinden; en d. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
  31. De volgende voorschriften gelden: a. bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de retourbronnen en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; b. het onttrokken grondwater wordt in de omgeving van de grondwateronttrekking en in hetzelfde watervoerend pakket, als waar het uit onttrokken is, terug in de bodem worden gebracht; c. de grondwaterstand of stijghoogte mag niet meer dan 10 cm stijgen ten opzichte van de GHG ten gevolge van het terug in de bodem brengen van grondwater; en d. de retourbronnen moeten op een kaart worden ingetekend, waarbij deze kaart de XY-coördinaten bevat. Artikel 3.14 Informatieplicht
  32. Ten minste drie dagen voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de definitieve startdatum; en b. wanneer in de algemene regel is aangegeven dat er een peilbuis gebruikt moet worden: 1°. een kaart waarop de peilbuizen zijn ingetekend; en 2°. een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
  33. Voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de beginstand van de watermeter; en b. de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen.
  34. Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit wordt de datum waarop de putten geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht verstrekt aan het waterschap.
  35. Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking; b. de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag; c. de eindstand van de watermeter; d. wanneer er gebruik wordt gemaakt van een peilbuis, alle gemeten grondwaterstanden en stijghoogten in de peilbuis; en e. de boorstaten.
  36. Wanneer er een retourbemaling plaatsvindt worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. ten minste drie dagen voor het begin van de retourbemaling: 1°. de definitieve startdatum; en 2°. een kaart waarop de retourbronnen met XY-coördinaten zijn ingetekend, onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer; b. uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van de retourbronnen, de boorstaten onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer; c. de totale hoeveelheid retourbemalen grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag; d. de eindstand van de watermeter; e. ten minste drie werkdagen voor het einde van de retourbemaling, de datum waarop de retourbronnen geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer; en f. uiterlijk één maand na het beëindigen van de retourbemaling, de einddatum van het gebruik van de retourbronnen. Artikel 3.15 Meldplicht
  37. Het is verboden om grondwater te onttrekken in een bouwput en, indien van toepassing, een retourbemaling uit te voeren, zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.
  38. Als sprake is van een bodemsanering wordt bij de melding ook: a. een saneringsplan verstrekt, waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd; of b. een saneringsplan zonder instemming bevoegd gezag verstrekt als door het bevoegd gezag geen saneringsplan wordt vereist.
  39. Als sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer, wordt bij de melding ook het advies van de gemeente verstrekt.
  40. Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen of, indien van toepassing, meerdere retourbemalingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij: a. de tijd tussen het einde van een grondwateronttrekking van één fase en de start van een grondwateronttrekking van een volgende fase meer dan acht weken is; of b. aangetoond wordt dat het invloedsgebied van twee grondwateronttrekkingen elkaar niet overlappen.
  41. De startdatum van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
  42. De uitvoering van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit. Subparagraaf 3.2.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Artikel 3.16 Vergunningplicht grondwateronttrekking bouwput
  43. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking: 1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal: 1°. 400.000 m3 is; en 2°. 100 m3/uur is; en d. het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.
  44. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking: 1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; en c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer dan: 1°. 400.000 m3 is; of 2°. 100 m3/uur is.
  45. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwaterontrekking: 1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal bedraagt: 1°. maximaal 400.000 m3; en 2°. maximaal 100 m3/uur; en f. het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.
  46. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwateronttrekking: 1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; en e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal bedraagt: 1°. meer dan 400.000 m3; of 2°. meer dan 100 m3/uur.
  47. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwateronttrekking: 1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; en d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen groter is dan 25 m3/uur.
  48. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en b. de grondwateronttrekking: 1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering.
  49. Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; d. het debiet van all

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.