act/waterschap/2024/CVDR707248 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0636/2023/HDSRWSV /join/id/stop/work_019 2023-12-28 2023-12-28 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR707248/nld@2024-01-02 /join/id/proces
Artikel 2
.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap. Artikel 2.2 Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk en houdt de zorgplicht in ieder geval in dat: a. na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten; b. het uitvoeren van de activiteit geen structurele of significante peilwijziging mag veroorzaken; c. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; d. de beste beschikbare technieken worden toegepast; e. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; f. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; g. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; h. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en i. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd. Artikel 2.3 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning lozingsactiviteit Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden in aanvulling op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater; b. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; c. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. een riooltekening; e. de locaties van de lozingspunten; f. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; g. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; h. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; i. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; j. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en l. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd. Artikel 2.4 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.5 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Afdeling 2.2 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering Artikel 2.6 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.7 Aanwijzing algemene regels 1. Grondwater bij ontwatering kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als: a. dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en b. het gaat om het lozen van grondwater bij wonen. 2. Bij het lozen van grondwater bij sanering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.8 eerste en tweede lid, 2.9 en 2.10 eerste en tweede lid, als het gaat om het lozen van grondwater afkomstig van een: a. bodemsanering; b. grondwatersanering; of c. onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering. 3. Bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.8 derde lid, en 2.9 als: a. dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; b. het niet gaat om het lozen van grondwater bij wonen; en c. het lozen niet langer dan 48 uur duurt. 4. Bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.8 derde lid, 2.9 en 2.10 derde lid als: a. dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; b. het niet gaat om het lozen van grondwater bij wonen; en c. het lozen langer duurt dan 48 uur, maar niet langer dan 8 weken. 5. Bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de de artikelen 2.8 derde lid, 2.9 en 2.10 eerste en tweede lid als: a. dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; b. het niet gaat om het lozen van grondwater bij wonen; en c. het lozen langer duurt dan 8 weken. Artikel 2.8 Algemene regel 1. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van grondwater bij sanering op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat grondwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in Tabel 2.1, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK's 1 µg/l BTEX 50 µg/l Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor 20 µg/l Aromatische organohalogeenverbindingen 20 µg/l Minerale olie 500 µg/l Cadmium 4 µg/l Kwik 1 µg/l Koper 11 µg/l Nikkel 41 µg/l Lood 53 µg/l Zink 120 µg/l Chroom 24 µg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l 2. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van grondwater bij sanering op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat grondwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK's 1 μg/l Minerale olie 50 µg/l Cadmium 0,4 µg/l Kwik 0,1 µg/l Koper 1,1 µg/l Nikkel 4,1 µg/l Lood 5,3 µg/l Zink 12 µg/l Chroom 2,4 µg/l Onopgeloste stoffen 20 mg/l Benzeen 2 µg/l Tolueen 7 µg/l Ethylbenzeen 4 µg/l Xyleen 4 µg/l Tetrachlooretheen 3 µg/l Trichlooretheen 20 µg/l 1,2-dichlooretheen 20 µg/l 1,1,1-trichloorethaan 20 µg/l Vinylchloride 8 µg/l Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20 µg/l Monochloorbenzeen 7 µg/l Dichloorbenzenen 3 µg/l Trichloorbenzenen 1 µg/l 3. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster. Artikel 2.9 Meet- en rekenbepalingen 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872. Artikel 2.10 Informatieplicht 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijkse bestuur van het waterschap. 3. Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. Afdeling 2.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening Artikel 2.11 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvloeiend hemelwater dat: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving is. Artikel 2.12 Aanwijzing algemene regels 1. Afvloeiend hemelwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het hemelwater niet afkomstig is van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen. 2. Bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.13 en 2.14, als het gaat om het lozen van hemelwater dat afkomstig is van nieuw aan te leggen of te veranderen rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom. 3. Bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.13, als het gaat om het lozen van hemelwater dat afkomstig is van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen. Artikel 2.13 Algemene regel 1. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: het afvloeiende hemelwater wordt alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is. 2. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam: het afvloeiende hemelwater wordt alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem, op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 2.14 Informatieplicht 1. Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij horende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. 2. Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater Artikel 2.15 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.16 Aanwijzing algemene regels 1. Huishoudelijk afvalwater kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. 2. Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.17, 2.18, 2.19 en 2.20, als het niet gaat om het lozen van huishoudelijk afvalwater bedoeld in het eerste lid. Artikel 2.17 Algemene regel 1. De volgende voorschriften gelden bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. het afvalwater wordt alleen geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten; en b. de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: 1°. 40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; 2°. 100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; 3°. 600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; 4°. 1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en 5°. 3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten. 2. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 3. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt. Artikel 2.18 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater 1. Huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam wordt geleid via een zuiveringsvoorziening. 2. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.3. Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Representatief etmaalmonster (in mg/
- l)Steekmonster (in mg/
- l)Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l 3. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.4. Tabel 2.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Representatief etmaalmonster in mg/l Steekmonster in mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 20 mg/l 40 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l 200 mg/l Totaal stikstof 30 mg/l 60 mg/l Ammoniumstikstof 2 mg/l 4 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l Fosfor totaal 3 mg/l 6 mg/l 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd. Artikel 2.19 Meet- en rekenbepalingen 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; d. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; e. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en f. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2. Artikel 2.20 Informatieplicht 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.5 Lozen van koelwater Artikel 2.21 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.22 Aanwijzing algemene regels Bij het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.23 en 2.24. Artikel 2.23 Algemene regel De volgende voorschriften gelden bij het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd; b. de warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam; en c. de warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.24 Informatieplicht 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.6 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken Artikel 2.25 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.26 Aanwijzing algemene regels 1. Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het gaat om afvalwater afkomstig van: a. het afwassen met water; of b. het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. 2. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29 en 2.30, als a. het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid; en b. het gaat om reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd. 3. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29, 2.30 en 2.31, als: a. het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid; en b. het niet gaat om reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd. 4. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het conserveren van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29, 2.30 en 2.31, als het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid. 5. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het bouwen, slopen of renoveren van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.28, 2.29, 2.30 en 2.31. Artikel 2.27 Werkinstructie bij reinigen en conserveren 1. Bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen. 2. In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt. 3. Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s. Artikel 2.28 Werkinstructie bij bouwen en slopen Bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Artikel 2.29 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam Bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting. Artikel 2.30 Meet- en rekenbepalingen Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing. Artikel 2.31 Informatieplicht 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.27; of b. voor het lozen afkomstig van het bouwen, slopen of renoveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.28. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.7 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen Artikel 2.32 Toepassingsbereik 1. Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan en overslaan van inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam. 2. Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas. Artikel 2.33 Aanwijzing algemene regels 1. Afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het gaat om het overslaan van inerte goederen bij wonen. 2. Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. 3. Bij het lozen van afvalwater bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.34, als het niet gaat om het overslaan van inerte goederen bij wonen. Artikel 2.34 Algemene regel De volgende voorschriften gelden bij het lozen van afvalwater bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht op een oppervlaktewaterlichaam: a. bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken; en b. aan dit voorkomen wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: 1°. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of 2°. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. Afdeling 2.8 Lozen bij opslaan en overslaan van andere dan inerte goederen Artikel 2.35 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.36 Aanwijzing algemene regels 1. Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het overslaan van niet-inerte goederen in de buitenlucht wordt voldaan aan de artikelen 2.37 tweede lid, en 2.39, als het gaat om het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen. 2. Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het overslaan van niet-inerte goederen in de buitenlucht wordt voldaan aan artikel 2.37 tweede lid, als het gaat om afvalwater afkomstig van het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; of b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk of nodig zijn in een werk. 3. In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen voldaan aan de artikelen 2.37 eerste lid, 2.38 en 2.39, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 2.37 Algemene regel 1. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l 2. De volgende voorschriften gelden bij het lozen van afvalwater afkomstig van het overslaan van niet-inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam: a. bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken; en b. aan het tweede lid, onder a, wordt in ieder geval voldaan als: 1°. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of 2°. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of morsklep. Artikel 2.38 Meet- en rekenbepalingen 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2. Artikel 2.39 Informatieplicht 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.9 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater Artikel 2.40 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.41 Aanwijzing algemene regels 1. Bij het lozen van afvalwater uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.42 eerste lid. 2. Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.42 tweede lid. Artikel 2.42 Algemene regel 1. Het afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die voorzieningen en maatregelen en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. 2. Het afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Afdeling 2.10 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam Artikel 2.43 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.44 Aanwijzing algemene regels 1. Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.45. 2. Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden uitgevoerd namens de waterbeheerder of door derden waarbij het gaat om werkzaamheden ter uitvoering van de onderhoudsverplichting, als bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet wordt voldaan aan artikel 2.45. 3. Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden uitgevoerd namens de waterbeheerder of door derden waarbij het niet gaat om werkzaamheden ter uitvoering van de onderhoudsverplichting, als bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet wordt voldaan aan de artikelen 2.45 en 2.46. 4. Algen of bacteriën kunnen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als: a. het niet gaat om ontgravingen of baggerwerkzaamheden; en b. de werkzaamheden verricht worden door of namens de waterbeheerder. 5. Er kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als: a. het niet gaat om ontgravingen of baggerwerkzaamheden; b. de werkzaamheden uitgevoerd worden door of namens de waterbeheerder; en c. het niet gaat om lozen van algen of bacteriën. Artikel 2.45 Werkinstructie verontreinigde waterbodem Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd', bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, wordt een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek, en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze. Artikel 2.46 Informatieplicht 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd', bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.45; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.11 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen Artikel 2.47 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen. Artikel 2.48 Aanwijzing algemene regels Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.49. Artikel 2.49 Algemene regel Het volgende voorschrift geldt voor het lozen bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen: aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd. Afdeling 2.12 Lozen bij calamiteitenoefeningen Artikel 2.50 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij calamiteitenoefeningen. Artikel 2.51 Aanwijzing algemene regels Bij het lozen van afvalwater niet afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.52. Artikel 2.52 Informatieplicht Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en b. welke stoffen dat blusschuim bevat. Afdeling 2.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen Artikel 2.53 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen. Artikel 2.54 Aanwijzing algemene regels 1. In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55eerste lid, 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van: a. telen of kweken van gewassen in een gebouw anders dan een kas; b. een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en c. een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m. 2. In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55tweede lid, 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van: a. spoelen van biologisch geteelde gewassen; b. een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en c. een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m. 3. In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55eerste lid, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van sorteren van biologisch geteelde gewassen. 4. Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.55derde lid, 2.56 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van zuivering van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten. 5. Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.55vierde lid, 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van: a. ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten; b. een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en c. een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m. Artikel 2.55 Algemene regel: emissiegrenswaarden 1. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het telen of kweken van gewassen anders dan in een kas of bij het sorteren van biologisch geteelde gewassen: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuur 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l 2. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij het spoelen van biologisch geteelde gewassen op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster. 3. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij zuivering van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.7 gemeten in een steekmonster. Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Chloride 200 mg/l IJzer 2 mg/l 4. Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster. Artikel 2.56 Algemene regel: uitzondering Bal De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing. Artikel 2.57 Algemene regel: bepalen afstand 1. De afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 2.58 Meet- en rekenbepaling 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2. Artikel 2.59 Informatieplicht 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.14 Lozen bij het maken van betonmortel en het uitwassen van beton Artikel 2.60 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het maken van betonmortel en het uitwassen van beton. Artikel 2.61 Aanwijzing algemene regels Afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton kan, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of op de riolering als dit is toegestaan in het omgevingsplan. Afdeling 2.15 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding Artikel 2.62 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater bij niet-industriële voedselbereiding. Artikel 2.63 Aanwijzing algemene regels Bij het lozen van afvalwater uit niet-industriële voedselbereiding op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.64 en 2.65 als de voedingsmiddelen bereiding plaats vindt met: a. grootkeukenapparatuur; b. één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of c. één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt. Artikel 2.64 Algemene regel: bereiden van voedingsmiddelen Het volgende voorschrift geldt voor het lozen bij niet-industriële voedingsbereiding: het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten. Artikel 2.65 Informatieplicht 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.16 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Artikel 2.66 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van spuiwater uit recreatieve visvijvers. Artikel 2.67 Aanwijzing algemene regels Bij het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.68. Artikel 2.68 Informatieplicht 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 2.17 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind Artikel 2.69 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het lozen van spoelwater op een oppervlaktewaterlichaam vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind. Artikel 2.70 Aanwijzing algemene regels De volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, kunnen op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en b. afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind. Afdeling 2.18 Asverstrooiing Artikel 2.71 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op asverstrooiing in een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.72 Aanwijzing algemene regels As kan individueel verstrooid worden op een oppervlaktewaterlichaam door de nabestaande die de zorg heeft voor de asbus, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging. Afdeling 2.19 Andere lozingen Artikel 2.73 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en op een zuiveringtechnisch werk. Artikel 2.74 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd en er geen sprake is van: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen, bedoeld in de afdelingen 2.2 tot en met 2.18; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en d. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen. 2. Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten als er geen sprake is van het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Hoofdstuk 3 Wateronttrekkingsactiviteiten Afdeling 3.
Artikel 3
.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten in het beheergebied van het waterschap. Artikel 3.2 Specifieke gegevens en bescheiden bij een informatieplicht of meldplicht wateronttrekkingsactiviteit (grondwater)
- In aanvulling op de algemene gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.11, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater: 1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; 2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; 3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking; 4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken.
- Het eerste lid geldt niet voor voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.3 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit (grondwater)
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden in aanvulling op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekstelsel van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het NAP; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater: 1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; 2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; 3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking; 4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
- Het eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.4 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit (oppervlaktewater) Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, wordt in aanvulling op artikel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, een locatietekening met daarop de te beregenen percelen inclusief het aantal hectaren en de locaties van de onttrekkingspunten verstrekt. Artikel 3.5 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
- Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
- Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.6 Beoordelingsregel omgevingsvergunning grondwateronttrekking voor menselijke consumptie
- Aan een omgevingsvergunning voor een onttrekking van grondwater voor menselijke consumptie, als dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken of water wordt onttrokken voor meer dan 50 personen, worden voorschriften verbonden over de monitoring van het ruwwater volgens de methoden en parameters uit tabel II en tabel IIIC van het Drinkwaterbesluit.
- De monitoring, bedoeld in het eerste lid, vindt de eerste keer plaats bij aanvang van de onttrekking en vervolgens ten minste elke zes jaar een meting en analyse van een beperkter parameterpakket, afhankelijk van de uitkomsten van de eerste en daaropvolgende metingen en de verwachte risico's. Artikel 3.7 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Afdeling 3.2 Waterkering Paragraaf 3.2.
Artikel 3.8 Toepassingsbereik 1.
De regels in deze afdeling hebben betrekking op het onttrekken van grondwater: a. ten behoeve van bouw, aanleg, sloop of verwijdering, inclusief bodemsanering; b. ten behoeve van onderzoek; c. voor het aanleggen van drainage of het onttrekken van grondwater ten behoeve van het drooghouden of verlagen van de grondwaterstand; of d. ten behoeve van gebruik, voor: 1°. een brandblusvoorziening; 2°. een bedrijfsmatige beregening of bevloeiing; 3°. drinkwater voor vee; 4°. menselijke consumptie; 5°. bedrijfsmatige toepassing; of 6°. huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen.
- De regels in deze afdeling zijn van toepassing op het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de beschermingszone van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade. Artikel 3.9 Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat: a. de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van het werk, niet worden aangetast; b. de opslag van materiaal, materieel en grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering; c. eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden zijn ontstaan, direct worden hersteld; d. een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden is ontstaan, direct worden hersteld; e. de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet wordt belemmerd; f. indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de werkzaamheden het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; g. voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering; en h. voor ontwatering uitsluitend open bemaling wordt toegepast, het gebruik van filtermateriaal is niet toegestaan. Paragraaf 3.2.2 Aanwijzing algemene regels Artikel 3.10 Aanwijzing algemene regel
- Bij het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.11eerste lid, 3.12, en 3.13, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; en d. het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
- Bij het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.11eerste lid, 3.12 en 3.13, als: a. de onttrekking niet plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; en b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
- Bij het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.11eerste lid, 3.12 en 3.13, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; d. het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt; en e. het grondwater onttrokken wordt in een gebied met veen of kleiop veen- of veengronden.
- Bij het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.11tweede lid, 3.12 en 3.13, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; d. het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt; en e. het grondwater onttrokken wordt buiten een gebied met veen of kleiop veen- of veengronden.
- Bij het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.11tweede lid, 3.12 en 3.13, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking meer dan 2 m3 per uur en maximaal 5 m3 per uur is; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; d. het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt; en e. het grondwater onttrokken wordt buiten een gebied met veen of kleiop veen- of veengronden.
- Bij het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.11eerste lid, 3.12 en 3.13, als: a. de onttrekking niet plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur bedraagt; en c. het grondwater onttrokken wordt in een gebied met veen of kleiop veen- of veengronden.
- Bij het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, wordt voldaan aan de artikelen 3.11tweede lid, 3.12 en 3.13, als: a. de onttrekking niet plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur bedraagt; en c. het grondwater onttrokken wordt buiten een gebied met veen of kleiop veen- of veengronden.
- Bij het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.11tweede lid, 3.12 en 3.13, als: a. de onttrekking niet plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking meer dan 2 m3 per uur en maximaal 5 m3 per uur is; en c. het grondwater onttrokken wordt buiten een gebied met veen of kleiop veen- of veengronden.
- Bij het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.11tweede lid, artikel 3.12 en artikel 3.13, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; en d. het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
- Bij het onttrekken van grondwater in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.11tweede lid, 3.12 en 3.13, als: a. de onttrekking niet plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; en b. het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is.
- Dit artikel is niet van toepassing als er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen in subparagraaf 3.3.1.4, subparagraaf 3.3.2.4, subparagraaf 3.3.3.4, subparagraaf 3.3.4.4, subparagraaf 3.3.5.4, subparagraaf 3.3.6.4, paragraaf 3.4.4, subparagraaf 3.5.1.2, subparagraaf 3.5.2.4, subparagraaf 3.6.1.4, subparagraaf 3.6.2.4, subparagraaf 3.6.3.4, subparagraaf 3.6.4.2, subparagraaf 3.6.5.4 of subparagraaf 3.6.6.4 Paragraaf 3.2.3 Algemene regels Artikel 3.11 Algemene regel
- De volgende voorschriften gelden voor het onttrekken van grondwater bij een waterkering: a. het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zich uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m-mv; b. bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord; c. het onttrekken van grondwater voor andere doeleinden, dan onder a, genoemd, mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling. Het gebruik van filters, inclusief drainagebuizen, of het toepassen van een zandbed is niet toegestaan; d. de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is kleiner dan of gelijk aan 2 m3/uur; en e. op aanwijzing van het waterschap worden alle maatregelen getroffen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen en dit kan in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, betekenen dat de bemaling tijdelijk moeten worden gestaakt.
- De volgende voorschriften gelden voor het onttrekken van grondwater bij een waterkering: a. het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zich uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m-mv; b. bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord; c. het onttrekken van grondwater voor andere doeleinden, dan onder a, genoemd, mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling. Het gebruik van filters, inclusief drainagebuizen, of het toepassen van een zandbed is niet toegestaan; d. de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is kleiner dan of gelijk aan 5 m3/uur; en e. op aanwijzing van het waterschap worden alle maatregelen getroffen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen en dit kan in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, betekenen dat de bemaling tijdelijk moeten worden gestaakt. Artikel 3.12 Informatieplicht
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater in een bouwput is artikel 3.26 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater in een sleuf is artikel 3.33 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering is artikel 3.40 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel is artikel 3.47 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater in een project is artikel 3.54 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater voor een proefonttrekking is artikel 3.61 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater middels drainage is artikel 3.71 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening is artikel 3.78 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater voor een bedrijfsmatige beregening of bevloeiing is artikel 3.85 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee is artikel 3.92 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater voor een bedrijfsmatige toepassing isartikel 3.102van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater voor huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen is artikel 3.109 van toepassing. Artikel 3.13 Meldplicht
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater in een bouwput is artikel 3.27 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater in een sleuf is artikel 3.34 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering is artikel 3.41 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel is artikel 3.48 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater in een project is artikel 3.55 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater voor een proefonttrekking is artikel 3.62 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater middels drainage is artikel 3.72 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater in voor een brandblusvoorziening is artikel 3.79 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater voor een bedrijfsmatige beregening of bevloeiing is artikel 3.86 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee is artikel 3.93 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater voor een bedrijfsmatige toepassing isartikel 3.103van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater voor huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen is artikel 3.110 van toepassing. Paragraaf 3.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Artikel 3.14 Vergunningplicht
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; en d. het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; en d. het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur bedraagt; en c. het niet gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; en b. het debiet van de onttrekking groter is dan 2 m3 per uur.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking niet plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; en b. het debiet van de onttrekking groter is dan 2 m3 per uur.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; en d. het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter minder dan 15 m onder maaiveld komt.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in een beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in een beschermingszone van een niet verheelde overige waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; en d. het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur bedraagt; en c. het niet gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van de niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking meer dan 2 m3 per uur en maximaal 5 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; d. het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt; en e. het grondwater onttrokken wordt in een gebied met veen of kleiop veen- of veengronden.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking meer dan 2 m3 per uur en maximaal 5 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; en d. het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in een beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in een beschermingszone van een niet verheelde overige waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking meer dan 2 m3 per uur en maximaal 5 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; en d. het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in een beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in een beschermingszone van een niet verheelde overige waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking meer dan 2 m3 per uur en maximaal 5 m3 per uur bedraagt; en c. het niet gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; en b. het debiet van de onttrekking groter is dan 5 m3 per uur.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking niet plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking meer dan 2 m3 per uur en maximaal 5 m3 per uur is; en c. het grondwater onttrokken wordt in een gebied met veen of kleiop veen- of veengronden.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkeringgrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking niet plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; en b. het debiet van de onttrekking groter is dan 5 m3 per uur.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of in de beschermingszone van een zomerkadegrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur bedraagt; en c. het niet gaat om drinkwater voor vee of huis, tuin, keuken en andere kleinschalige toepassingen.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of in de beschermingszone van een zomerkadegrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis, tuin, keuken en andere kleinschalige toepassingen; en d. het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerende pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of in een beschermingszone van een zomerkadegrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; b. het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur bedraagt; c. het gaat om drinkwater voor vee of huis-tuin-keuken en andere kleinschalige toepassingen; en d. het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of in een beschermingszone van een zomerkadegrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; en b. het debiet van de onttrekking groter dan 5 m3 per uur bedraagt.
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in een zone waterstaatswerk van een zomerkade of in een beschermingszone van een zomerkadegrondwater te onttrekken, als: a. de onttrekking niet plaatsvindt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis; en b. het debiet van de onttrekking groter dan 5 m3 per uur is. Afdeling 3.3 Aanleg of verwijdering Paragraaf 3.3.1 Grondwater onttrekken in een kwetsbaar gebied Subparagraaf 3.3.1.
Artikel 3.15 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater ter plaatse van kwetsbare bebouwing en in een grondwatergevoelig natuurgebied.
- De regels in deze paragraaf hebben betrekking op het onttrekken van grondwater: a. in een bouwput ten behoeve van aanleg, sloop of verwijdering van funderingen, kelders, andere ondergrondse bebouwing of objecten, een bodemsanering, een inspectie van ondergrondse bebouwing of objecten of een (diepe) grondboring; b. in een sleuf ten behoeve van het aanleggen of reparatie van riolering, kabels, leidingen en funderingen, het uitvoeren van onderzoek of andersoortige ondergrondse werkzaamheden over een (grote) lengte of het graven van een watergang; c. voor een grondwatersanering; d. voor een beheersmaatregel; en e. in een project. Artikel 3.16 Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat: a. het werk na afloop van de grondwateronttrekkingen altijd in nette staat wordt achtergelaten; b. de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt; c. bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen; en d. in het grondwatergevoelig natuurgebied extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen. Subparagraaf 3.3.1.2 Aanwijzing algemene regels Artikel 3.17 Aanwijzing algemene regel
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput, in een sleuf, voor een grondwatersanering, voor een beheersmaatregel en in een project ter plaatse van kwetsbare bebouwing wordt voldaan aan de artikelen 3.18tweede lid, 3.19 en 3.20, als: a. binnen het invloedsgebied van de bemaling bebouwing van vóór 1960 aanwezig is; b. de grondwaterstand, ter plaatse van de bebouwing van vóór 1960, wordt verlaagd tot onder de gemiddelde laagste grondwaterstand; en c. ten gevolge van het verlagen van de grondwaterstand: 1°. de verschilzakking ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen kleiner of gelijk is aan 1:1.000; 2°. de verschilzakking ter plaatse van overige bebouwing van vóór 1960 kleiner of gelijk is aan 1:600; en 3°. onderdelen van de houten fundering niet droog vallen.
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput, in een sleuf, voor een grondwatersanering, voor een beheersmaatregel en in een project ter plaatse van kwetsbare bebouwing wordt voldaan aan de artikelen 3.18eerste lid, 3.19 en 3.20, als: a. binnen het invloedsgebied van de bemaling bebouwing van vóór 1960 aanwezig is; en b. de grondwaterstand ter plaatse van de bebouwing van vóór 1960 niet verder wordt verlaagd dan de gemiddelde laagste grondwaterstand.
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput, in een sleuf, voor een grondwatersanering, voor een beheersmaatregel en in een project binnen een grondwatergevoelig natuurgebied wordt voldaan aan de artikelen 3.18derde lid, 3.19 en 3.20, als: a. binnen het invloedsgebied van de bemaling een grondwatergevoelig natuurgebied aanwezig is; b. de grondwaterstand wordt verlaagd tot onder de gemiddelde laagste grondwaterstand; en c. grondwater wordt onttrokken met een maximaal debiet van 10 m3 per uur.
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput, in een sleuf, voor een grondwatersanering, voor een beheersmaatregel en in een project binnen een grondwatergevoelig natuurgebied wordt voldaan aan de artikelen 3.18vijfde lid, 3.19 en 3.20, als: a. binnen het invloedsgebied van de bemaling een grondwatergevoelig natuurgebied aanwezig is; b. de grondwaterstand wordt verlaagd tot onder de gemiddelde laagste grondwaterstand; c. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan 10 m3 per uur; d. grondwater wordt onttrokken in het groeiseizoen, de periode vanaf 1 maart tot en met 31 oktober; en e. het onttrokken grondwater weer terug in de bodem wordt gebracht.
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput, in een sleuf, voor een grondwatersanering, voor een beheersmaatregel en in een project binnen een grondwatergevoelig natuurgebied wordt voldaan aan de artikelen 3.18vierde lid, 3.19 en 3.20, als: a. binnen het invloedsgebied van de bemaling een grondwatergevoelig natuurgebied aanwezig is; b. de grondwaterstand wordt verlaagd tot onder de gemiddelde laagste grondwaterstand; c. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan 10 m3 per uur; en d. grondwater wordt onttrokken buiten het groeiseizoen, in de periode vanaf 1 november tot 1 maart.
- Dit artikel is niet van toepassing als er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen in afdeling 3.2, paragraaf 3.2.4, subparagraaf 3.3.2.4, subparagraaf 3.3.3.4, subparagraaf 3.3.4.4, subparagraaf 3.3.5.4 of subparagraaf 3.3.6.
- Subparagraaf 3.3.1.3 Algemene regels Artikel 3.18 Algemene regel
- De volgende voorschriften gelden voor het onttrekken van grondwater bij kwetsbare bebouwing: a. de grondwaterstand mag, ter plaatse van bebouwing van vóór 1960, niet onder de gemiddelde laagste grondwaterstand komen; en b. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het kwetsbare bebouwing te beschermen en dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moeten worden gestaakt.
- De volgende voorschriften gelden voor het onttrekken van grondwater bij kwetsbare bebouwing: a. de grondwaterstand mag, ter plaatse van bebouwing van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de gemiddeld laagste grondwaterstand; b. houten funderingsonderdelen van bebouwing mogen niet droogvallen tijdens de bemaling; c. de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde bebouwing niet groter zijn dan 1:1.000 en mag ter plaatse van overige bebouwing van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en d. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het kwetsbare bebouwing te beschermen en dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moeten worden gestaakt.
- De volgende voorschriften gelden voor het onttrekken van grondwater in een gebied met grondwatergevoelige natuur: a. de grondwaterstand mag, in een grondwatergevoelig natuurgebied, verder verlaagd worden dan de gemiddeld laagste grondwaterstand; b. de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt moet kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur zijn; en c. op aanwijzing van het waterschap worden alle maatregelen getroffen die nodig zijn om het kwetsbare gebied te beschermen en dit kan in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreme droogte, betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
- De volgende voorschriften gelden voor het onttrekken van grondwater in een grondwatergevoelig natuurgebied: a. de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de gemiddeld laagste grondwaterstand; b. het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken; c. het onttrekken van grondwater mag alleen buiten het groeiseizoen, namelijk de periode vanaf 1 november tot 1 maart, plaatsvinden; en d. op aanwijzing van het waterschap worden alle maatregelen getroffen die nodig zijn om het kwetsbare gebied te beschermen en dit kan in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreme droogte, betekenen dat de bemaling tijdelijk moeten worden gestaakt.
- De volgende voorschriften gelden voor het onttrekken van grondwater in een gebied met grondwatergevoelige natuur: a. de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG; b. het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken; c. het grondwater wordt onttrokken in het groeiseizoen, namelijk de periode vanaf 1 maart tot en met 31 oktober; d. het onttrokken grondwater moet weer geheel terug in de bodem worden gebracht; en e. op aanwijzing van het waterschap worden alle maatregelen getroffen die nodig zijn om het kwetsbare gebied te beschermen en dit kan in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreme droogte, betekenen dat de bemaling tijdelijk moeten worden gestaakt. Artikel 3.19 Informatieplicht
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater in een bouwput is artikel 3.26 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater in een sleuf is artikel 3.33 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering is artikel 3.40 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel is artikel 3.47 van toepassing.
- Voor de informatieplicht bij het onttrekken van grondwater in een project is artikel 3.54 van toepassing. Artikel 3.20 Meldplicht
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater in een bouwput is artikel 3.27 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater in een sleuf is artikel 3.34 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering is artikel 3.41 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel is artikel 3.48 van toepassing.
- Voor de meldplicht bij het onttrekken van grondwater in een project is artikel 3.55 van toepassing. Subparagraaf 3.3.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Artikel 3.21 Vergunningplicht
- Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning in een bouwput, in een sleuf, voor een grondwatersanering, voor een beheersmaatregel en in een project grondwater te onttrekken ter plaatse van kwetsbare bebouwing, als: a. binnen het invloedsgebied van de bemaling bebouwing van vóór 1960 aanwezig is; b. de grondwaterstand, ter plaatse van de bebouwing van vóór 1960, wordt verlaagd tot onder de gemiddelde laagste grondwaterstand; en c. ten gevolge van het verlagen van de grondwaterstand: 1°. de verschilzakking ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen groter is dan 1:1.000; 2°. de verschilzakking ter plaatse van overige bebouwing van vóór 1960 groter is dan 1:600; of 3°. onderdelen van de houten fundering droog vallen.
- Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning in een bouwput, in een sleuf, voor een grondwatersanering, voor een beheersmaatregel en in een project grondwater binnen een grondwatergevoelig natuurgebied te onttrekken, als: a. binnen het invloedsgebied van de bemaling een grondwatergevoelig natuurgebied aanwezig is; b. de grondwaterstand wordt verlaagd tot onder de gemiddelde laagste grondwaterstand; c. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan 10 m3 per uur; d. grondwater wordt onttrokken in het groeiseizoen, in de periode vanaf 1 maart tot en met 31 oktober; en e. het onttrokken grondwater niet wordt teruggebracht in de bodem. Paragraaf 3.3.2 Grondwater onttrekken in een bouwput Subparagraaf 3.3.2.
Artikel 3
.22 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een bouwput ten behoeve van de aanleg, sloop of verwijdering van funderingen, kelders, andere ondergrondse bebouwing of objecten, ten behoeve van een bodemsanering, ten behoeve van inspectie van ondergrondse bebouwing of objecten of ten behoeve van een diepe grondboring. Artikel 3.23 Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat: a. het werk na afloop van de grondwateronttrekkingen altijd in nette staat wordt achtergelaten; b. de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen. Subparagraaf 3.3.2.2 Aanwijzing algemene regels Artikel 3.24 Aanwijzing algemene regel
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.25eerste lid, 3.26 en 3.27, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking: 1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; d. het grondwater: 1°. niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; of 2°. dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket en er een gesloten bouwkuip wordt toegepast; en e. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; en 3°. 12.000 m3/jaar.
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.25tweede lid, 3.26 en 3.27, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking: 1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; d. het grondwater: 1°. niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; of 2°. dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket en er een gesloten bouwkuip wordt toegepast; en e. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; of 3°. 12.000 m3/jaar.
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.25eerste lid, 3.26 en 3.27, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer; b. de grondwaterontrekking: 1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en c. wordt verricht met een ander doel dan een bodemsanering; d. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; f. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; g. het grondwater: 1°. niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; of 2°. dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket en er een gesloten bouwkuip wordt toegepast; en h. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; en 3°. 12.000 m3/jaar.
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.25tweede lid, 3.26 en 3.27, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer; b. de grondwaterontrekking: 1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en c. wordt verricht met een ander doel dan een bodemsanering; d. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; f. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; g. het grondwater: 1°. niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; of 2°. dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket en er een gesloten bouwkuip wordt toegepast; en h. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; of 3°. 12.000 m3/jaar.
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.25eerste lid, 3.26 en 3.27, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; e. het grondwater: 1°. niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket; of 2°. dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket en er een gesloten bouwkuip wordt toegepast; en f. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; en 3°. 12.000 m3/jaar.
- Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.25tweede lid, 3.26 en 3.27, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt: 1°. 400.000 m3; en 2°. 100 m3/uur; e. het grondwater: 1°. niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket; of 2°. dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket en er een gesloten bouwkuip wordt toegepast; en f. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan: 1°. 10 m3/uur; 2°. 5.000 m3/maand; of 3°. 12.000 m3/jaar.
- Dit artikel is niet van toepassing als er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen in afdeling 3.2 of paragraaf 3.3.
- Subparagraaf 3.3.2.3 Algemene regels Artikel 3.25 Algemene regel
- De volgende voorschriften gelden voor het onttrekken van grondwater in een bouwput: a. verlaging van de stijghoogte en/of grondwaterstand onder de bouwputbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de bouwput; b. de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt, bij een pomp met een capaciteit kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur, gemonitord door de uren waarop de pomp aan staat, de capaciteit van de pomp, de datum en het tijdstip van meting, te registreren of met een watermeter, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard; c. bij een pomp met een capaciteit groter dan 10 m3/uur: 1°. wordt de onttrokken hoeveelheid grondwater dagelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %; 2°. wordt voor de start van de grondwateronttrekking de beginstand van de watermeter geregistreerd; 3°. wordt de gemeten hoeveelheden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en 4°. worden de gegevens minimaal vijf jaar bewaard; d. een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant; e. bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard; f. een interceptie- en/of schermbemaling wordt voorzien van een eigen watermeter; g. per melding is sprake van één onttrekkingsperiode; h. tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedsgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking; i. bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en j. Bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
- De volgende voorschriften gelden voor het onttrekken van grondwater in een bouwput: a. verlaging van de stijghoogte en/of grondwaterstand onder de bouwputbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de bouwput; b. de verlaging van de grondwaterstand en/of de stijghoogte wordt binnen het invloedgebied van de grondwateronttrekking gemonitord door tenminste een peilbuis te plaatsen: 1°. naast de bouwput waar de stijghoogteverlaging gelijk is aan de verlaging op het kritische punt in de bouwput; 2°. op 50 en 100 m afstand van de rand van de bouwput; en 3°. aan de gevel van bebouwing van voor 1960, tot een afstand van 100 m van de rand van de bouwput. c. de filterdiepte van de peilbuizen is op gelijke diepte als de filters die voor het onttrekken van grondwater worden gebruikt en, indien het onttrekken dieper dan de deklaag plaatsvindt, een filter in de deklaag; d. op een gemotiveerd schriftelijk verzoek, kan het waterschap instemmen met het wijzigen van de locatie van peilbuizen; e. de peilbuizen moeten worden ingemeten en op een kaart worden ingetekend, deze kaart bevat de XY-coördinaten en de hoogte van de bovenkant van de peilbuizen ten opzichte van maaiveld en ten opzichte van NAP; f. de eerste vier weken worden de peilbuizen dagelijks gemeten en daarna wordt er wekelijks gemeten, tot drie weken na beëindiging van de grondwateronttrekking; g