Omgevingsplan gemeente Eindhoven (Eindhoven)
Waar gaat deze regeling over?
Dit Omgevingsplan van de gemeente Eindhoven regelt het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de gemeentegrenzen, met als doel de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet te waarborgen. Het bevat algemene bepalingen, definities en meetregels, en wijst specifieke gebieden aan met provinciale instructieregels.
Voor wie: Iedereen die activiteiten verricht binnen het grondgebied van de gemeente Eindhoven; Degene die gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.
Termijnen:
- Meldingen of kennisgevingen moeten uiterlijk 6 maanden na inwerkingtreding van de verplichting zijn gedaan, tenzij een andere termijn is gesteld.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 1 064
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De definities van begrippen die worden gebruikt in het omgevingsplan.
- Het doel van de regels in het omgevingsplan, gericht op maatschappelijke doelen.
- Het geografische toepassingsgebied van de regels binnen de gemeente Eindhoven.
- Regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken en de naleving daarvan.
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die activiteiten verricht binnen het grondgebied van de gemeente Eindhoven.
- Degene die gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.
Wat zijn de kernpunten?
- Bijlage I bevat de begripsbepalingen voor dit omgevingsplan, tenzij afwijkende definities in andere relevante wetgeving van toepassing zijn.
- De regels gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Eindhoven, tenzij anders bepaald.
- Degene die een activiteit verricht, is verantwoordelijk voor de naleving van de regels.
- Meldingen of kennisgevingen moeten uiterlijk 6 maanden na inwerkingtreding van de verplichting zijn gedaan, tenzij een andere termijn is gesteld.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (1064)
- Artikel 1.1
- Artikel 1.2
- Artikel 1.3
- Artikel 1.4
- Artikel 1.5
- Artikel 1.6
- Artikel 1.7
- Artikel 1.8
- Artikel 2.1
- Artikel 2.2
- Artikel 2.3
- Artikel 2.4
- Artikel 2.5
- Artikel 2.6
- Artikel 2.7
- Artikel 2.8
- Artikel 2.9
- Artikel 2.10
- Artikel 2.11
- Artikel 2.12
- Artikel 2.13
- Artikel 2.14
- Artikel 2.15
- Artikel 2.16
- Artikel 2.17
- Artikel 3.1
- Artikel 3.2
- Artikel 3.3
- Artikel 3.4
- Artikel 3.5
- Artikel 3.6
- Artikel 3.7
- Artikel 3.8
- Artikel 3.9
- Artikel 3.10
- Artikel 3.11
- Artikel 3.12
- Artikel 3.13
- Artikel 3.14
- Artikel 3.15
- Artikel 3.16
- Artikel 3.17
- Artikel 3.18
- Artikel 3.19
- Artikel 3.20
- Artikel 3.21
- Artikel 3.22
- Artikel 3.23
- Artikel 3.24
- Artikel 3.25
- Artikel 3.26
- Artikel 3.27
- Artikel 3.28
- Artikel 3.29
- Artikel 3.30
- Artikel 3.31
- Artikel 3.32
- Artikel 3.33
- Artikel 3.34
- Artikel 3.35
- Artikel 3.36
- Artikel 3.37
- Artikel 3.38
- Artikel 3.39
- Artikel 3.40
- Artikel 3.41
- Artikel 3.42
- Artikel 3.43
- Artikel 3.44
- Artikel 3.45
- Artikel 3.46
- Artikel 3.47
- Artikel 3.48
- Artikel 3.49
- Artikel 3.50
- Artikel 3.51
- Artikel 3.52
- Artikel 3.53
- Artikel 3.54
- Artikel 3.55
- Artikel 3.56
- Artikel 3.57
- Artikel 3.58
- Artikel 3.59
- Artikel 3.60
- Artikel 3.61
- Artikel 3.62
- Artikel 3.63
- Artikel 3.64
- Artikel 3.65
- Artikel 3.66
- Artikel 3.67
- Artikel 3.68
- Artikel 3.69
- Artikel 3.70
- Artikel 3.71
- Artikel 3.72
- Artikel 3.73
- Artikel 3.74
- Artikel 3.75
- Artikel 3.76
- Artikel 3.77
- Artikel 3.78
- Artikel 3.79
- Artikel 3.80
- Artikel 3.81
- Artikel 3.82
- Artikel 3.83
- Artikel 3.84
- Artikel 3.85
- Artikel 3.86
- Artikel 3.87
- Artikel 3.88
- Artikel 3.89
- Artikel 3.90
- Artikel 3.91
- Artikel 3.92
- Artikel 3.93
- Artikel 3.94
- Artikel 3.95
- Artikel 3.96
- Artikel 3.97
- Artikel 3.98
- Artikel 3.99
- Artikel 3.100
- Artikel 3.101
- Artikel 3.102
- Artikel 3.103
- Artikel 3.104
- Artikel 3.105
- Artikel 3.106
- Artikel 3.107
- Artikel 3.108
- Artikel 3.109
- Artikel 3.110
- Artikel 3.111
- Artikel 3.112
- Artikel 3.113
- Artikel 3.114
- Artikel 3.115
- Artikel 3.116
- Artikel 3.117
- Artikel 3.118
- Artikel 3.119
- Artikel 3.120
- Artikel 4.1
- Artikel 4.2
- Artikel 4.3
- Artikel 4.4
- Artikel 4.5
- Artikel 4.6
- Artikel 4.7
- Artikel 4.8
- Artikel 4.9
- Artikel 4.10
- Artikel 4.11
- Artikel 4.12
- Artikel 4.13
- Artikel 4.14
- Artikel 4.15
- Artikel 4.16
- Artikel 4.17
- Artikel 4.18
- Artikel 4.19
- Artikel 4.20
- Artikel 4.21
- Artikel 4.22
- Artikel 4.23
- Artikel 4.24
- Artikel 4.25
- Artikel 4.26
- Artikel 4.27
- Artikel 5.1
- Artikel 5.2
- Artikel 5.3
- Artikel 5.4
- Artikel 5.5
- Artikel 5.6
- Artikel 5.7
- Artikel 5.8
- Artikel 5.9
- Artikel 5.10
- Artikel 5.11
- Artikel 5.12
- Artikel 5.13
- Artikel 5.14
- Artikel 5.15
- Artikel 5.16
- Artikel 5.17
- Artikel 5.18
- Artikel 5.19
- Artikel 5.20
- Artikel 5.21
- Artikel 5.22
- Artikel 5.23
- Artikel 5.24
- Artikel 5.25
- Artikel 5.26
- Artikel 5.27
- Artikel 5.28
- Artikel 5.29
- Artikel 5.30
- Artikel 5.31
- Artikel 5.32
- Artikel 5.33
- Artikel 5.34
- Artikel 5.35
- Artikel 5.36
- Artikel 5.37
- Artikel 5.38
- Artikel 5.39
- Artikel 5.40
- Artikel 5.41
- Artikel 5.42
- Artikel 5.43
- Artikel 5.44
- Artikel 5.45
- Artikel 5.46
- Artikel 5.47
- Artikel 5.48
- Artikel 5.49
- Artikel 5.50
- Artikel 5.51
- Artikel 5.52
- Artikel 5.53
- Artikel 5.54
- Artikel 5.55
- Artikel 5.56
- Artikel 5.57
- Artikel 5.58
- Artikel 5.59
- Artikel 5.60
- Artikel 5.61
- Artikel 5.62
- Artikel 5.63
- Artikel 5.64
- Artikel 5.65
- Artikel 5.66
- Artikel 5.67
- Artikel 5.68
- Artikel 5.69
- Artikel 5.70
- Artikel 5.71
- Artikel 5.72
- Artikel 5.73
- Artikel 5.74
- Artikel 5.75
- Artikel 5.76
- Artikel 5.77
- Artikel 5.78
- Artikel 5.79
- Artikel 5.80
- Artikel 5.81
- Artikel 5.82
- Artikel 5.83
- Artikel 5.84
- Artikel 5.85
- Artikel 5.86
- Artikel 5.87
- Artikel 5.88
- Artikel 5.89
- Artikel 5.90
- Artikel 5.91
- Artikel 5.92
- Artikel 5.93
- Artikel 5.94
- Artikel 5.95
- Artikel 5.96
- Artikel 5.97
- Artikel 5.98
- Artikel 5.99
- Artikel 5.100
- Artikel 5.101
- Artikel 5.102
- Artikel 5.103
- Artikel 5.104
- Artikel 5.105
- Artikel 5.106
- Artikel 5.107
- Artikel 5.108
- Artikel 5.109
- Artikel 5.110
- Artikel 5.111
- Artikel 5.112
- Artikel 5.113
- Artikel 5.114
- Artikel 5.115
- Artikel 5.116
- Artikel 5.117
- Artikel 5.118
- Artikel 5.119
- Artikel 6.1
- Artikel 6.2
- Artikel 6.3
- Artikel 6.4
- Artikel 6.5
- Artikel 6.6
- Artikel 6.7
- Artikel 6.8
- Artikel 6.9
- Artikel 6.10
- Artikel 6.11
- Artikel 6.12
- Artikel 6.13
- Artikel 6.14
- Artikel 6.15
- Artikel 6.16
- Artikel 6.17
- Artikel 6.18
- Artikel 6.19
- Artikel 6.20
- Artikel 6.21
- Artikel 6.22
- Artikel 6.23
- Artikel 6.24
- Artikel 6.25
- Artikel 6.26
- Artikel 6.27
- Artikel 6.28
- Artikel 6.29
- Artikel 6.30
- Artikel 6.31
- Artikel 6.32
- Artikel 6.33
- Artikel 6.34
- Artikel 6.35
- Artikel 6.36
- Artikel 6.37
- Artikel 6.38
- Artikel 6.39
- Artikel 6.40
- Artikel 6.41
- Artikel 6.42
- Artikel 6.43
- Artikel 6.44
- Artikel 6.45
- Artikel 6.46
- Artikel 6.47
- Artikel 6.48
- Artikel 6.49
- Artikel 7.1
- Artikel 7.2
- Artikel 7.3
- Artikel 7.4
- Artikel 7.5
- Artikel 7.6
- Artikel 7.7
- Artikel 7.8
- Artikel 7.9
- Artikel 7.10
- Artikel 7.11
- Artikel 7.12
- Artikel 7.13
- Artikel 7.14
- Artikel 7.15
- Artikel 7.16
- Artikel 7.17
- Artikel 7.18
- Artikel 7.19
- Artikel 7.20
- Artikel 7.21
- Artikel 7.22
- Artikel 7.23
- Artikel 7.24
- Artikel 7.25
- Artikel 7.26
- Artikel 7.27
- Artikel 7.28
- Artikel 7.29
- Artikel 7.30
- Artikel 7.31
- Artikel 7.32
- Artikel 7.33
- Artikel 7.34
- Artikel 7.35
- Artikel 7.36
- Artikel 7.37
- Artikel 7.38
- Artikel 7.39
- Artikel 7.40
- Artikel 7.41
- Artikel 7.42
- Artikel 7.43
- Artikel 7.44
- Artikel 7.45
- Artikel 7.46
- Artikel 7.47
- Artikel 7.48
- Artikel 7.49
- Artikel 7.50
- Artikel 7.51
- Artikel 7.52
- Artikel 7.53
- Artikel 7.54
- Artikel 7.55
- Artikel 7.56
- Artikel 7.57
- Artikel 7.58
- Artikel 7.59
- Artikel 7.60
- Artikel 7.61
- Artikel 7.62
- Artikel 7.63
- Artikel 7.64
- Artikel 7.65
- Artikel 7.66
- Artikel 7.67
- Artikel 7.68
- Artikel 7.69
- Artikel 7.70
- Artikel 7.71
- Artikel 7.72
- Artikel 7.73
- Artikel 7.74
- Artikel 7.75
- Artikel 7.76
- Artikel 7.77
- Artikel 7.78
- Artikel 7.79
- Artikel 7.80
- Artikel 7.81
- Artikel 7.82
- Artikel 7.83
- Artikel 7.84
- Artikel 7.85
- Artikel 7.86
- Artikel 7.87
- Artikel 7.88
- Artikel 7.89
- Artikel 7.90
- Artikel 7.91
- Artikel 7.92
- Artikel 7.93
- Artikel 7.94
- Artikel 7.95
- Artikel 7.96
- Artikel 7.97
- Artikel 7.98
- Artikel 7.99
- Artikel 7.100
- Artikel 7.101
- Artikel 7.102
- Artikel 7.103
- Artikel 7.104
- Artikel 7.105
- Artikel 7.106
- Artikel 7.107
- Artikel 7.108
- Artikel 7.109
- Artikel 7.110
- Artikel 7.111
- Artikel 7.112
- Artikel 7.113
- Artikel 7.114
- Artikel 7.115
- Artikel 7.116
- Artikel 7.117
- Artikel 7.118
- Artikel 7.119
- Artikel 7.120
- Artikel 7.121
- Artikel 7.122
- Artikel 8.1
- Artikel 8.2
- Artikel 8.3
- Artikel 8.4
- Artikel 8.5
- Artikel 8.6
- Artikel 8.7
- Artikel 8.8
- Artikel 8.9
- Artikel 8.10
- Artikel 8.11
- Artikel 8.12
- Artikel 8.13
- Artikel 10.1
- Artikel 10.2
- Artikel 10.3
- Artikel 10.4
- Artikel 10.5
- Artikel 10.6
- Artikel 10.7
- Artikel 10.8
- Artikel 10.9
- Artikel 10.10
- Artikel 10.11
- Artikel 10.12
- Artikel 10.13
- Artikel 10.14
- Artikel 10.15
- Artikel 10.16
- Artikel 10.17
- Artikel 10.18
- Artikel 10.19
- Artikel 10.20
- Artikel 10.21
- Artikel 10.22
- Artikel 10.23
- Artikel 10.24
- Artikel 10.25
- Artikel 10.26
- Artikel 10.27
- Artikel 10.28
- Artikel 10.29
- Artikel 10.30
- Artikel 10.31
- Artikel 10.32
- Artikel 10.33
- Artikel 10.34
- Artikel 10.35
- Artikel 10.36
- Artikel 10.37
- Artikel 10.38
- Artikel 10.39
- Artikel 10.40
- Artikel 10.41
- Artikel 10.42
- Artikel 10.43
- Artikel 10.44
- Artikel 10.45
- Artikel 10.46
- Artikel 10.47
- Artikel 10.48
- Artikel 10.49
- Artikel 10.50
- Artikel 10.51
- Artikel 10.52
- Artikel 10.53
- Artikel 10.54
- Artikel 10.55
- Artikel 10.56
- Artikel 10.57
- Artikel 10.58
- Artikel 10.59
- Artikel 10.60
- Artikel 10.61
- Artikel 10.62
- Artikel 10.63
- Artikel 10.64
- Artikel 10.65
- Artikel 10.66
- Artikel 10.67
- Artikel 10.68
- Artikel 10.69
- Artikel 10.70
- Artikel 10.71
- Artikel 10.72
- Artikel 10.73
- Artikel 10.74
- Artikel 10.75
- Artikel 10.76
- Artikel 10.77
- Artikel 10.78
- Artikel 10.79
- Artikel 10.80
- Artikel 10.81
- Artikel 10.82
- Artikel 10.83
- Artikel 10.84
- Artikel 10.85
- Artikel 10.86
- Artikel 10.87
- Artikel 10.88
- Artikel 10.89
- Artikel 10.90
- Artikel 10.91
- Artikel 10.92
- Artikel 10.93
- Artikel 10.94
- Artikel 10.95
- Artikel 10.96
- Artikel 10.97
- Artikel 10.98
- Artikel 10.99
- Artikel 10.100
- Artikel 10.101
- Artikel 10.102
- Artikel 10.103
- Artikel 10.104
- Artikel 10.105
- Artikel 10.106
- Artikel 10.107
- Artikel 10.108
- Artikel 10.109
- Artikel 10.110
- Artikel 10.111
- Artikel 10.112
- Artikel 10.113
- Artikel 10.114
- Artikel 10.115
- Artikel 10.116
- Artikel 10.117
- Artikel 10.118
- Artikel 10.119
- Artikel 10.120
- Artikel 10.121
- Artikel 10.122
- Artikel 10.123
- Artikel 10.124
- Artikel 10.125
- Artikel 10.126
- Artikel 10.127
- Artikel 10.128
- Artikel 10.129
- Artikel 10.130
- Artikel 10.131
- Artikel 10.132
- Artikel 10.133
- Artikel 10.134
- Artikel 10.135
- Artikel 10.136
- Artikel 10.137
- Artikel 10.138
- Artikel 10.139
- Artikel 10.140
- Artikel 10.141
- Artikel 10.142
- Artikel 10.143
- Artikel 10.144
- Artikel 10.145
- Artikel 10.146
- Artikel 10.147
- Artikel 10.148
- Artikel 10.149
- Artikel 10.150
- Artikel 10.151
- Artikel 10.152
- Artikel 10.153
- Artikel 10.154
- Artikel 10.155
- Artikel 10.156
- Artikel 10.157
- Artikel 10.158
- Artikel 10.159
- Artikel 10.160
- Artikel 10.161
- Artikel 10.162
- Artikel 10.163
- Artikel 10.164
- Artikel 10.165
- Artikel 10.166
- Artikel 10.167
- Artikel 10.168
- Artikel 10.169
- Artikel 10.170
- Artikel 10.171
- Artikel 10.172
- Artikel 10.173
- Artikel 10.174
- Artikel 10.175
- Artikel 10.176
- Artikel 10.177
- Artikel 10.178
- Artikel 10.179
- Artikel 10.180
- Artikel 10.181
- Artikel 10.182
- Artikel 10.183
- Artikel 10.184
- Artikel 10.185
- Artikel 10.186
- Artikel 10.187
- Artikel 10.188
- Artikel 10.189
- Artikel 10.190
- Artikel 10.191
- Artikel 10.192
- Artikel 10.193
- Artikel 10.194
- Artikel 10.195
- Artikel 10.196
- Artikel 10.197
- Artikel 10.198
- Artikel 10.199
- Artikel 10.200
- Artikel 10.201
- Artikel 10.202
- Artikel 10.203
- Artikel 10.204
- Artikel 10.205
- Artikel 10.206
- Artikel 10.207
- Artikel 10.208
- Artikel 10.209
- Artikel 10.210
- Artikel 10.211
- Artikel 10.212
- Artikel 10.213
- Artikel 10.214
- Artikel 10.215
- Artikel 10.216
- Artikel 10.217
- Artikel 10.218
- Artikel 10.219
- Artikel 10.220
- Artikel 10.221
- Artikel 10.222
- Artikel 10.223
- Artikel 10.224
- Artikel 10.225
- Artikel 10.226
- Artikel 10.227
- Artikel 10.228
- Artikel 10.229
- Artikel 10.230
- Artikel 10.231
- Artikel 10.232
- Artikel 10.233
- Artikel 10.234
- Artikel 10.235
- Artikel 10.236
- Artikel 10.237
- Artikel 10.238
- Artikel 10.239
- Artikel 10.240
- Artikel 10.241
- Artikel 10.242
- Artikel 10.243
- Artikel 10.244
- Artikel 10.245
- Artikel 10.246
- Artikel 10.247
- Artikel 10.248
- Artikel 10.249
- Artikel 10.250
- Artikel 10.251
- Artikel 10.252
- Artikel 10.253
- Artikel 10.254
- Artikel 10.255
- Artikel 10.256
- Artikel 10.257
- Artikel 10.258
- Artikel 10.259
- Artikel 10.260
- Artikel 10.261
- Artikel 10.262
- Artikel 10.263
- Artikel 10.264
- Artikel 10.265
- Artikel 10.266
- Artikel 10.267
- Artikel 10.268
- Artikel 10.269
- Artikel 10.270
- Artikel 10.271
- Artikel 10.272
- Artikel 10.273
- Artikel 10.274
- Artikel 10.275
- Artikel 10.276
- Artikel 10.277
- Artikel 22.1
- Artikel 22.2
- Artikel 22.3
- Artikel 22.4
- Artikel 22.5
- Artikel 22.6
- Artikel 22.7
- Artikel 22.8
- Artikel 22.9
- Artikel 22.10
- Artikel 22.11
- Artikel 22.12
- Artikel 22.13
- Artikel 22.14
- Artikel 22.15
- Artikel 22.16
- Artikel 22.17
- Artikel 22.18
- Artikel 22.19
- Artikel 22.20
- Artikel 22.21
- Artikel 22.22
- Artikel 22.23
- Artikel 22.24
- Artikel 22.25
- Artikel 22.26
- Artikel 22.27
- Artikel 22.28
- Artikel 22.29
- Artikel 22.30
- Artikel 22.31
- Artikel 22.32
- Artikel 22.33
- Artikel 22.34
- Artikel 22.35
- Artikel 22.36
- Artikel 22.37
- Artikel 22.38
- Artikel 22.39
- Artikel 22.40
- Artikel 22.41
- Artikel 22.42
- Artikel 22.43
- Artikel 22.44
- Artikel 22.45
- Artikel 22.46
- Artikel 22.47
- Artikel 22.48
- Artikel 22.49
- Artikel 22.50
- Artikel 22.51
- Artikel 22.52
- Artikel 22.53
- Artikel 22.54
- Artikel 22.55
- Artikel 22.56
- Artikel 22.57
- Artikel 22.58
- Artikel 22.59
- Artikel 22.60
- Artikel 22.61
- Artikel 22.62
- Artikel 22.63
- Artikel 22.64
- Artikel 22.65
- Artikel 22.66
- Artikel 22.67
- Artikel 22.68
- Artikel 22.69
- Artikel 22.70
- Artikel 22.71
- Artikel 22.72
- Artikel 22.73
- Artikel 22.74
- Artikel 22.75
- Artikel 22.76
- Artikel 22.77
- Artikel 22.78
- Artikel 22.79
- Artikel 22.80
- Artikel 22.81
- Artikel 22.82
- Artikel 22.83
- Artikel 22.84
- Artikel 22.85
- Artikel 22.86
- Artikel 22.87
- Artikel 22.88
- Artikel 22.89
- Artikel 22.90
- Artikel 22.91
- Artikel 22.92
- Artikel 22.93
- Artikel 22.94
- Artikel 22.95
- Artikel 22.96
- Artikel 22.97
- Artikel 22.98
- Artikel 22.99
- Artikel 22.100
- Artikel 22.101
- Artikel 22.102
- Artikel 22.103
- Artikel 22.104
- Artikel 22.105
- Artikel 22.106
- Artikel 22.107
- Artikel 22.108
- Artikel 22.109
- Artikel 22.110
- Artikel 22.111
- Artikel 22.112
- Artikel 22.113
- Artikel 22.114
- Artikel 22.115
- Artikel 22.116
- Artikel 22.117
- Artikel 22.118
- Artikel 22.119
- Artikel 22.120
- Artikel 22.121
- Artikel 22.122
- Artikel 22.123
- Artikel 22.124
- Artikel 22.125
- Artikel 22.126
- Artikel 22.127
- Artikel 22.128
- Artikel 22.129
- Artikel 22.130
- Artikel 22.131
- Artikel 22.132
- Artikel 22.133
- Artikel 22.134
- Artikel 22.135
- Artikel 22.136
- Artikel 22.137
- Artikel 22.138
- Artikel 22.139
- Artikel 22.140
- Artikel 22.141
- Artikel 22.142
- Artikel 22.143
- Artikel 22.144
- Artikel 22.145
- Artikel 22.146
- Artikel 22.147
- Artikel 22.148
- Artikel 22.149
- Artikel 22.150
- Artikel 22.151
- Artikel 22.152
- Artikel 22.153
- Artikel 22.154
- Artikel 22.155
- Artikel 22.156
- Artikel 22.157
- Artikel 22.158
- Artikel 22.159
- Artikel 22.160
- Artikel 22.161
- Artikel 22.162
- Artikel 22.163
- Artikel 22.164
- Artikel 22.165
- Artikel 22.166
- Artikel 22.167
- Artikel 22.168
- Artikel 22.169
- Artikel 22.170
- Artikel 22.171
- Artikel 22.172
- Artikel 22.173
- Artikel 22.174
- Artikel 22.175
- Artikel 22.176
- Artikel 22.177
- Artikel 22.178
- Artikel 22.179
- Artikel 22.180
- Artikel 22.181
- Artikel 22.182
- Artikel 22.183
- Artikel 22.184
- Artikel 22.185
- Artikel 22.186
- Artikel 22.187
- Artikel 22.188
- Artikel 22.189
- Artikel 22.190
- Artikel 22.191
- Artikel 22.192
- Artikel 22.193
- Artikel 22.194
- Artikel 22.195
- Artikel 22.196
- Artikel 22.197
- Artikel 22.198
- Artikel 22.199
- Artikel 22.200
- Artikel 22.201
- Artikel 22.202
- Artikel 22.203
- Artikel 22.204
- Artikel 22.205
- Artikel 22.206
- Artikel 22.207
- Artikel 22.208
- Artikel 22.209
- Artikel 22.210
- Artikel 22.211
- Artikel 22.212
- Artikel 22.213
- Artikel 22.214
- Artikel 22.215
- Artikel 22.216
- Artikel 22.217
- Artikel 22.218
- Artikel 22.219
- Artikel 22.220
- Artikel 22.221
- Artikel 22.222
- Artikel 22.223
- Artikel 22.224
- Artikel 22.225
- Artikel 22.226
- Artikel 22.227
- Artikel 22.228
- Artikel 22.229
- Artikel 22.230
- Artikel 22.231
- Artikel 22.232
- Artikel 22.233
- Artikel 22.234
- Artikel 22.235
- Artikel 22.236
- Artikel 22.237
- Artikel 22.238
- Artikel 22.239
- Artikel 22.240
- Artikel 22.241
- Artikel 22.242
- Artikel 22.243
- Artikel 22.244
- Artikel 22.245
- Artikel 22.246
- Artikel 22.247
- Artikel 22.248
- Artikel 22.249
- Artikel 22.250
- Artikel 22.251
- Artikel 22.252
- Artikel 22.253
- Artikel 22.254
- Artikel 22.255
- Artikel 22.256
- Artikel 22.257
- Artikel 22.258
- Artikel 22.259
- Artikel 22.260
- Artikel 22.261
- Artikel 22.262
- Artikel 22.263
- Artikel 22.264
- Artikel 22.265
- Artikel 22.266
- Artikel 22.267
- Artikel 22.268
- Artikel 22.269
- Artikel 22.270
- Artikel 22.271
- Artikel 22.272
- Artikel 22.273
- Artikel 22.274
- Artikel 22.275
- Artikel 22.276
- Artikel 22.277
- Artikel 22.278
- Artikel 22.279
- Artikel 22.280
- Artikel 22.281
- Artikel 22.282
- Artikel 22.283
- Artikel 22.284
- Artikel 22.285
- Artikel 22.286
- Artikel 22.287
- Artikel 22.288
- Artikel 22.289
- Artikel 22.290
- Artikel 22.291
- Artikel 22.292
- Artikel 22.293
- Artikel 22.294
- Artikel 22.295
- Artikel 22.296
- Artikel 22.297
- Artikel 22.298
- Artikel 22.299
- Artikel 22.300
- Artikel 22.301
- Artikel 22.302
- Artikel 22.303
- Artikel 23.1
- Artikel 23.2
- Artikel 23.3
- Artikel 23.4
- Artikel 23.5
- Artikel 23.6
- Artikel 23.7
- Artikel 23.8
- Artikel 24.1
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696400 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0772/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-05-22 2025-05-22 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696400/nld@2025-06-19 /join/id/proces/gm0772/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0772/2024/procedure11b2d75cd4324710b50c0d5fbbf0b11a /join/id/proces/gm0772/2024/procedure6ad7d78f567b493ea26ee6c3fb2ea3d4 2025-06-19 2025-06-19 /akn/nl/act/gm0772/2020/omgevingsplan/nld@2025-05-21;06235214 /akn/nl/act/gm0772/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0772/2020/omgevingsplan/nld@2025-05-21;06235214 /join/id/stop/work_019 3 Omgevingsplan gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1Begripsbepalingen
1.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
2.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij bijlage I bij dit omgevingsplan een afwijkende begripsomschrijving bevat.
3.
In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn ter plaatse van het ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op deze regels.
4.
In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-omgevingsplan van toepassing op de regels in dat TAM-omgevingsplan.
5.
Als een begripsbepaling in een ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan afwijkt van een begripsbepaling, opgenomen in bijlage I, dan is op de begripsbepaling in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan van toepassing op de desbetreffende regels in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan.
Artikel 1.2Oogmerk regels omgevingsplan
De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt.
Artikel 1.3Waar deze regels gelden
1.
De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Eindhoven, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied is beperkt.
2.
Bijlage II geeft een overzicht informatie-objecten bij dit omgevingsplan.
Artikel 1.4Normadressaat
Tenzij elders in dit omgevingsplan specifiek anders is bepaald, wordt aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 1.5Algemene gegevens bij melding en informatieplicht
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, anders dan in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; d. de dagtekening.
Artikel 1.6Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
Voor zover gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 1.5 zijn verstrekt, worden: a. voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.5, wijzigen, de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag; b. ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 1.7Melding en kennisgeving
Als op grond van dit omgevingsplan voor een activiteit een meldingsplicht of een informatieplicht van toepassing is, dient de melding of kennisgeving uiterlijk 6 maanden na inwerkingtreding van de verplichting te zijn gedaan, tenzij elders in dit omgevingsplan een andere termijn is gesteld.
Artikel 1.8Meet- en rekenregels
1.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken.
2.
Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is de NEN 2580 van toepassing.
3.
Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een locatie, geldt de betreffende norm per afzonderlijke locatie.
4.
Op het bepalen van de geluidsbelasting op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
5.
De waarden die in dit omgevingsplan in m of m2 zijn uitgedrukt worden op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht: b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 1 m buiten beschouwing blijven.
6.
Voor de toepassing van het vijfde lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
7.
De goothoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat de goothoogte van een woonwagen/woonwagenwoning wordt gemeten vanaf aansluitend terrein.
8.
De bouwhoogte van een bouwwerk: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen, installatieruimtes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, met dien verstande dat de bouwhoogte van een woonwagen/woonwagenwoning wordt gemeten vanaf het aansluitend terrein.
9.
Dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak.
10.
De oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte, gemeten, tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
11.
De inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken dakkapellen.
12.
De hoogte van een windturbine: vanaf het straatpeil tot aan de (wieken)as.
Hoofdstuk 2
VANWEGE INSTRUCTIEREGELS AANGEWEZEN GEBIEDEN EN LOCATIES
Afdeling 2.1
Instructieregels van het Rijk
Artikel 2.1Aanwijzing brandvoorschriftengebied
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 2.2Aanwijzing explosievoorschriftengebied
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 2.3Aanwijzing risicogebied externe veiligheid
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 2.4Aanwijzing bebouwingscontour houtkap
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 2.5Aanwijzing bebouwingscontour jacht
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 2.6Aanwijzing bebouwingscontour geur
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Afdeling 2.2
Instructieregels van de provincie Noord-Brabant
Paragraaf 2.2.1
Waterwingebied
Artikel 2.7Aanwijzing waterwingebied
Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 2.2.2
Grondwaterbeschermingsgebied
Artikel 2.8Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebied
Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 2.2.3
Boringsvrije zone
Artikel 2.9Aanwijzing boringsvrije zone
Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 2.2.4
Attentiezone waterhuishouding
Artikel 2.10Aanwijzing attentiezone waterhuishouding
Ter plaatse van Attentiezone Waterhuishouding geldt dat de gronden zijn aangewezen tot attentiezone waterhuishouding als bedoeld in artikel 5.41 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Paragraaf 2.2.5
Behoud en herstel watersystemen
Artikel 2.11Aanwijzing behoud en herstel watersystemen
Ter plaatse van Behoud en Herstel Watersystemen geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud en herstel van watersystemen als bedoeld in artikel 5.42 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Paragraaf 2.2.6
Natuur Netwerk Brabant
Artikel 2.12Aanwijzing Natuur Netwerk Brabant
Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 2.2.7
Ecologische verbindingszone
Artikel 2.13Aanwijzing ecologische verbindingszone
Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 2.2.8
Aardkundige waarden
Artikel 2.14Aanwijzing aardkundige waarden
Ter plaatse van Aardkundige Waarde geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken als bedoeld in artikel 5.43 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Paragraaf 2.2.9
Regionale waterberging
Artikel 2.15Aanwijzing regionale waterberging
Ter plaatse van Regionale Waterberging geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud van het waterbergend vermogen als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Paragraaf 2.2.10
Groenblauwe waarde
Artikel 2.16Aanwijzing groenblauwe waarde
Ter plaatse van Groenblauwe Waarden geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken, biodiversiteit en landschappelijke waarden en kenmerken, als bedoeld in artikel 5.46 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Paragraaf 2.2.11
Aanwijzing beperking grootschalige logistiek
Artikel 2.17Beperking grootschalige logistiek
Ter plaatse van Beperkingen Grootschalige Logistiek geldt dat de gronden zijn aangewezen voor beperkingen van grootschalige logistiek als bedoeld in artikel 5.56a van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Hoofdstuk 3
GEBRUIKSDOEL VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN (REGELS OVER GEBRUIK)
Afdeling 3.1
Algemeen
Artikel 3.1Toepassingsbereik
1.
Dit hoofdstuk heeft betrekking op het gebruiksdoel en het gebruik van gronden en bouwwerken.
2.
Afdeling 3.4 is niet van toepassing ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking. Daar wordt het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken bepaald door de bestemming die op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan geldt.
Afdeling 3.2
Algemeen verbod gebruik gronden en bouwwerken in strijd met regels over gebruik
Paragraaf 3.2.1
Strijdig gebruik
Artikel 3.2Strijdig gebruik en voorrangsregel
1.
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 3.4 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 4.
2.
In afwijking van het eerste lid is het ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 4, voor zover die van toepassing zijn.
3.
In afwijking van het eerste lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 4, voor zover die van toepassing zijn.
4.
In aanvulling op het tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken.
Paragraaf 3.2.2
Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing
Artikel 3.3Voorrangsregel over regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan
1.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
2.
Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
Artikel 3.4Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing
1.
Het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf is in overeenstemming met een in afdeling 3.4 aan een locatie gegeven gebruiksdoel.
2.
Onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een in afdeling 3.4 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.
Afdeling 3.3
Parkeren
Paragraaf 3.3.1
Parkeernormen voor auto's en fietsen
Artikel 3.5Voorrangsbepaling over regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan
1.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
2.
Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
Artikel 3.6Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aantal parkeerplaatsen voor auto's en fietsen dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken gerealiseerd en in stand gehouden moet worden.
Artikel 3.7Parkeernormen
Voor de toepassing van deze paragraaf gelden de parkeernormen volgens de beleidsregel Nota parkeernormen 2024.
Artikel 3.8Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.2 is het verboden om de gebruiksactiviteit van gronden en/of gebouwen te wijzigen in een andere gebruiksactiviteit, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, een en ander volgens de beleidsregel Nota parkeernormen 2024, zoals opgenomen in bijlage III.
Artikel 3.9Maatwerkvoorschrift bij wijzigen bestaand gebruik
1.
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee kan worden afgeweken van artikel 3.8, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. sprake is van bijzondere gebieden of bijzondere situaties; en b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of fysieke leefomgeving.
2.
Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan inhouden een voorschrift met betrekking tot het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen.
3.
Bij het verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: a. het planologisch gebruik dat plaatsvindt en de omvang daarvan, en het aantal parkeerplaatsen dat daarbij op eigen terrein aanwezig is; b. een omschrijving van de beoogde wijziging waarop verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en c. een motivering van het verzoek.
Afdeling 3.4
Gebruiksdoelen
Paragraaf 3.4.1
Gebiedsaanwijzingen
Artikel 3.10Gebiedstype centrum
Er is een gebiedstype centrumgebied.
Artikel 3.11Gebiedstype maatschappelijk gebied
Er is een gebiedstype maatschappelijk gebied.
Artikel 3.12Gebiedstype wonen
Er is een gebiedstype woongebied.
Artikel 3.13Gebiedstype bedrijf
Er is een gebiedstype bedrijfsgebied
Artikel 3.14Gebiedstype cultuur en ontpanningsgebied
Er is een gebiedstype cultuur en ontspanningsgebied.
Artikel 3.15Gebiedstype dienstverleningsgebied
Er is een gebiedstype dienstverleningsgebied.
Artikel 3.16Gebiedstype groengebied
Er is een gebiedstype groengebied.
Artikel 3.17Gebiedstype kantorengebied
Er is een gebiedstype kantorengebied.
Artikel 3.18Gebiedstype dagreactie gebied
Er is een gebiedstype dagrecreatie gebied.
Artikel 3.19Gebiedstype sport gebied
Er is een gebiedstype sport gebied.
Artikel 3.20Gebiedstype verkeersgebied
Er is een gebiedstype verkeersgebied.
Artikel 3.21Gebiedstype verblijfsgebied
Er is een gebiedstype verblijfsgebied.
Artikel 3.22Gebiedstype water gebied
Er is een gebiedstype watergebied.
Paragraaf 3.4.2
Algemeen
Artikel 3.23Gebruik in overeenstemming met aan locatie gegeven gebruiksdoel
Tot een gebruik dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel behoren in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor: a. erven en terreinen; b. wegen en paden; c. groenvoorzieningen; d. nutsvoorzieningen; e. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Artikel 3.24Beperking grootschalige logistiek
Ter plaatse van beperkingen grootschalige logistiek is nieuwvestiging, vestiging en uitbreiding van grootschalige logistiek verboden.
Artikel 3.25Beperking veiligheidszone hoogspanningsverbinding
Ter plaatse van veiligheidszone hoogspanningsverbinding 150 kv zijn geen nieuwe functies (zoals woningen, scholen, kinderopvangplaatsen en ziekenhuizen) toegestaan waar kinderen langdurig kunnen verblijven.
Artikel 3.26Verbod hyperscale datacenter
1.
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een hyperscale datacentrum.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig wordt verricht of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd op of voor 16 februari 2022.
Paragraaf 3.4.3
Ondergeschikte vormen van gebruik
Artikel 3.27Voorrangsbepaling over regels in het tijdelijk deel omgevingsplan
1.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan regels over ondergeschikte detailhandel en/of ondergeschikte horeca bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
2.
Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
Artikel 3.28Ondergeschikte detailhandel
Het uitoefenen van ondergeschikte detailhandel is toegestaan als de uitoefening hiervan plaatsvindt binnen en ten dienste van een maatschappelijke voorziening in een maatschappelijk gebied.
Artikel 3.29Ondergeschikte horeca
Het uitoefenen van ondergeschikte horeca is toegestaan als de uitoefening hiervan plaatsvindt ten dienste en/of ter ondersteuning van: a. een dagrecreatieve voorziening en voor zover genoemd in de Lijst van horeca activiteiten tot maximaal categorie 1; b. maatschappelijke voorzieningen; c. sportvoorzieningen.
Artikel 3.30Ondergeschikte dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen
Het uitoefenen van ondergeschikte dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen is toegestaan als de uitoefening hiervan plaatsvindt ten dienste van een maatschappelijke voorziening.
Paragraaf 3.4.4
Agrarisch
Artikel 3.31gereserveerd
Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 3.4.5
Agrarisch bedrijf
Artikel 3.32gereserveerd
Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 3.4.6
Bedrijf Subparagraaf 3.4.6.1 Algemene regels
Artikel 3.33Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsgebied.
2.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van bedrijf mogen worden gebruikt voor: a. het exploiteren van een bedrijf; b. productiegebonden detailhandel deel uitmakend van bedrijven vermeld onder a, met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen.
3.
In deze paragraaf wordt onder de Lijst van bedrijfsactiviteiten verstaan de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage III.
Artikel 3.34Regels over omvang en situering bedrijf
1.
Ter plaatse van minimum bruto-vloeroppervlak bedrijf is de minimum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van het bedrijf moet worden benut, de daar bepaalde waarde.
Artikel 3.35Specifieke regels over gebruik
1.
Het is verboden bedrijfsgebouwen te gebruiken voor kantoren, anders dan ten dienste van het aldaar gevestigde bedrijf.
2.
Het is verboden de gronden en bouwwerken behorende bij een bedrijf te gebruiken ten behoeve van een seksinrichting.
Subparagraaf 3.4.6.2 Milieuhindercategorieën: toegestane bedrijven
Artikel 3.36Toegestane bedrijven
1.
Ter plaatse van milieuhindercategorie 1 zijn bedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in milieuhindercategorie 1 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage III, vallen.
2.
Ter plaatse van milieuhindercategorie 2 zijn bedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in milieuhindercategorie 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage III, vallen.
3.
Ter plaatse van milieuhindercategorie 3.1 zijn bedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in milieuhindercategorie 3.1 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage III, vallen.
4.
Ter plaatse van milieuhindercategorie 3.2 zijn bedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in milieuhindercategorie 3.2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage III, vallen.
5.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 3.37Bestaande bedrijven
1.
In afwijking van artikel 3.36 zijn ter plaatse van bestaande milieuhindercategorie 1 en 2 bestaande bedrijven, waarvan de activiteiten in milieuhindercategorie 1 of 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten (zoals opgenomen in bijlage III) vallen, toegestaan.
2.
In afwijking van artikel 3.36 zijn ter plaatse van bestaande milieuhindercategorie 3.1 en 3.2 bestaande bedrijven, waarvan de activiteiten in milieuhindercategorie 3.1 of 3.2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten (zoals opgenomen in bijlage III) vallen, toegestaan.
Artikel 3.38Maatwerkvoorschrift: toestaan bedrijven
1.
In afwijking van artikel 3.36 kan per maatwerkvoorschrift een bedrijf op een locatie worden toegestaan indien dat bedrijf niet meer geluid, stof en geur uitstoot dan bedrijven die op grond van artikel 3.36 zijn toegestaan.
2.
Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens verstrekt: a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; b. een beschrijving van de te verwachten uitstoot van geluid, stof en geur; en c. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen om de uitstoot van geluid, geur en stof in de omgeving te beperken.
3.
Om te borgen dat er wordt voldaan aan het eerste lid kan het bevoegd gezag in het maatwerkvoorschrift: a. het treffen van maatregelen of voorzieningen verplicht stellen; b. aan de bedrijfsactiviteit beperkingen stellen; c. aanwijzingen geven.
Subparagraaf 3.4.6.3 Vormen van bedrijf die uitsluitend op aangewezen locaties zijn toegestaan
Artikel 3.39Risicobedrijven
1.
Bedrijven waar een activiteit plaatsvindt die in Bijlage VII t/m X van het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van risicobedrijf.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. bedrijven waar een gasdrukregel- en meetstation staat, voor zover:
Artikel 3.40Activiteiten die een aanzienlijke mate van geluid veroorzaken
Bedrijven die activiteiten uitoefenen die in artikel 5.75b van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bedrijf die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken.
Artikel 3.41Complexe bedrijven
Bedrijven die milieubelastende activiteiten uitoefenen die in Afdeling 3.3 ('Complexe bedrijven') van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van complex bedrijf.
Artikel 3.42Rie-bedrijven
Bedrijven die in bijlage 1 van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334) zijn aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van Rie-bedrijf.
Subparagraaf 3.4.6.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van bedrijven zijn toegestaan
Artikel 3.43Handel auto's, motorfietsen en scooters
In afwijking van het bepaalde in artikel 3.36 is handel in auto's, motorfietsen en scooters uitsluitend ter plaatse van handel in auto's, motorfietsen en scooters toegestaan.
Subparagraaf 3.4.6.5 Andere functies binnen bedrijf
Artikel 3.44Dansschool
Een dansschool met zalencentrum uitsluitend ter plaatse van dansschool.
Artikel 3.45Sportschool
Een sportschool uitsluitend ter plaatse van sportschool.
Artikel 3.46Zwembad
Een zwembad uitsluitend ter plaatse van zwembad.
Paragraaf 3.4.7
Bos
Artikel 3.47Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 3.4.8
Buisleiding met gevaarlijke stoffen
Artikel 3.48gereserveerd
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 3.4.9
Cultuur en ontspanning Subparagraaf 3.4.9.1 Algemene regels cultuur en ontspanning
Artikel 3.49Toepassingsbereik en gebruiksdoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op cultuur en ontspanningsgebied.
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor cultuur en ontspanning.
Subparagraaf 3.4.9.2 Beperkende regels waar cultuur en ontspanning is toegestaan
Artikel 3.50Seksinrichting
Een seksinrichting (hieronder mede begrepen een erotisch getinte vermaaksfunctie) is uitsluitend toegestaan ter plaatse van seksinrichting.
Artikel 3.51Casino
Een casino is uitsluitend toegestaan ter plaatse van casino.
Paragraaf 3.4.10
Detailhandel Subparagraaf 3.4.10.1 Algemene regels detailhandel
Artikel 3.52Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op detailhandelsgebied.
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor detailhandel.
Artikel 3.53Omvang en situering detailhandel
1.
Ter plaatse van maximum bruto-vloeroppervlakte is de maximale bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van detailhandel mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
2.
In aanvulling op het eerste lid mag, indien ter plaatse van detailhandel - centrum geen maximum bruto-vloeroppervlakte is aangegeven, het verkoopvloeroppervlak niet meer dan 800 m2 per detailhandelsvestiging bedragen.
3.
Ter plaatse van bouwlaag detailhandel is detailhandel uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
Subparagraaf 3.4.10.2 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van detailhandel zijn toegestaan
Artikel 3.54Beperkende regels over verkooppunt motorbrandstoffen
1.
Ter plaatse van verkooppunt motorbrandstoffen, is uitsluitend een verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan, waarbij een bijbehorend detailhandelsverkooppunt tot een maximum van 100 m2 en overige bijbehorende voorzieningen zijn toegestaan.
2.
Ter plaatse van verkooppunt motorbrandstoffen is de verkoop van LPG uitsluitend toegestaan ter plaatse van verkooppunt LPG.
Artikel 3.55Detailhandel volumineus / perifeer
1.
Ter plaatse van volumineuze detailhandel is uitsluitend volumineuze detailhandel toegestaan.
2.
Ter plaatse van perifere detailhandel is uitsluitend perifere detailhandel toegestaan.
Subparagraaf 3.4.10.3 Regels over supermarkten
Artikel 3.56Beperkende regels over supermarkten
Detailhandel in de vorm van een supermarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van supermarkt.
Artikel 3.57Locaties waar uitsluitend een supermarkt is toegestaan
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 3.58Omvang en situering supermarkten
Ter plaatse van maximum vloeroppervlakte is de maximale bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van een supermarkt mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.
Subparagraaf 3.4.10.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van detailhandel zijn toegestaan
Paragraaf 3.4.11
Dienstverlening Subparagraaf 3.4.11.1 Algemene regels dienstverlening
Artikel 3.59Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op dienstverleningsgebied.
2.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van dienstverlening mogen worden gebruikt voor een dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling.
Artikel 3.60Omvang en situering dienstverlening
Ter plaatse van bouwlaag dienstverlening - 1 is dienstverlening alleen toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag dienstverleningof bouwlagen.
Paragraaf 3.4.12
Evenementen
Paragraaf 3.4.13
Groen Subparagraaf 3.4.13.1 Algemene regels groen
Artikel 3.61Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op groengebied.
2.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van groen mogen worden gebruikt voor: a. groenvoorzieningen; b. bermen en beplanting; c. paden; d. speelvoorzieningen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f. beheer en/of zuivering van oppervlakte- en rioolwater; g. kunstobjecten.
Artikel 3.62Specifieke regels over gebruik
Subparagraaf 3.4.13.2 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van groen zijn toegestaan
Artikel 3.63Dierenweide
Een dierenweide is uitsluitend toegestaan ter plaatse van dierenweide.
Subparagraaf 3.4.13.3 Andere functies binnen groen
Artikel 3.64Cafetaria
Een cafetaria is uitsluitend toegestaan ter plaatse van cafetaria.
Paragraaf 3.4.14
Bovengrondse hoogspanningsverbindingen
Artikel 3.65Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende locaties: a. bovengrondse hoogspanningsverbinding 150 kV ; b. gereserveerd voor toekomstige aanvullingen;
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een hoogspanningsverbinding van 150 kV en hoger en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen.
Artikel 3.66Beperkingen
1.
Ter plaatse van bovengrondse hoogspanningsverbinding 150 kV is uitsluitend een tracé voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 150 kV toegestaan.
Paragraaf 3.4.15
Horeca Subparagraaf 3.4.15.1 Algemene regels horeca
Artikel 3.67Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op horecagebied.
2.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van horeca mogen worden gebruikt voor horeca.
3.
In deze paragraaf wordt onder de Lijst van horeca-activiteiten verstaan de Lijst van horeca-activiteiten zoals opgenomen in bijlage III.
Subparagraaf 3.4.15.2 Horeca categorieën
Artikel 3.68Horeca categorieën
1.
Ter plaatse van horeca categorie 1a zijn horecabedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in horeca categorie 1a van de Lijst van horeca-activiteiten vallen.
2.
Ter plaatse van horeca categorie 1b zijn horecabedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in horeca categorie 1b van de Lijst van horeca-activiteiten vallen.
3.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 3.69Maatwerkvoorschrift: toestaan horeca-bedrijven
1.
In afwijking van artikel 3.68 kan per maatwerkvoorschrift een horecabedrijf op een locatie worden toegestaan indien dat horecabedrijf naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de horecabedrijven die op grond van artikel 3.68 op die locatie zijn toegestaan.
2.
Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens verstrekt: a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; b. een beschrijving van de invloed op de omgeving; en c. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen om de invloed op de omgeving te beperken.
3.
Om te borgen dat er wordt voldaan aan het eerste lid kan het bevoegd gezag in het maatwerkvoorschrift: a. het treffen van maatregelen of voorzieningen verplicht stellen; b. aan de horeca-activiteit beperkingen stellen; c. aanwijzingen geven.
Subparagraaf 3.4.15.3 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van horeca zijn toegestaan Subparagraaf 3.4.15.4 Regels over omvang en situering horeca
Artikel 3.70Omvang en situering horecabedrijf
Ter plaatse van bouwlaag horeca is horeca uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
Paragraaf 3.4.16
Kantoor Subparagraaf 3.4.16.1 Algemene regels kantoor
Artikel 3.71Toepassingsbereik gebruikdsoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op kantorengebied.
2.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van kantoor mogen worden gebruikt voor zelfstandige kantoren.
Artikel 3.72Omvang en situering kantoren
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
2.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 3.4.17
Maatschappelijk Subparagraaf 3.4.17.1 Educatieve voorzieningen
Artikel 3.73Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op educatie.
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor educatieve voorzieningen.
Artikel 3.74Omvang en situering educatieve voorzieningen
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.17.2 Medische voorzieningen
Artikel 3.75Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op medische voorzieningen.
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor medische voorzieningen.
Artikel 3.76Omvang en situering medische voorzieningen
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.17.3 Sociaal-culturele voorzieningen
Artikel 3.77Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op sociaal-culturele voorzieningen.
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor sociaal-culturele voorzieningen.
Artikel 3.78Omvang en situering sociaal-culturele voorzieningen
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.17.4 Levensbeschouwelijke voorzieningen
Artikel 3.79Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op levensbeschouwelijke voorzieningen.
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor levensbeschouwelijke voorzieningen.
Artikel 3.80Omvang en situering levensbeschouwelijke voorzieningen
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.17.5 Sport en sportieve recreatie
Artikel 3.81Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op sport en sportieve recreatie.
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor sport en sportieve recreatie.
Artikel 3.82Omvang en situering sport en sportieve recreatie
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.17.6 Beschermd en/of verzorgd wonen
Artikel 3.83Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op beschermd wonen en verzorgd wonen.
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor beschermd en/of verzorgd wonen.
Artikel 3.84Omvang en situering beschermd en/of verzorgd wonen
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.17.7 Openbare dienstverlening en openbaar bestuur
Artikel 3.85Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op openbare dienstverlening en openbaar bestuur.
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor openbare dienstverlening en openbaar bestuur.
Artikel 3.86Omvang en situering openbare dienstverlening en openbaar bestuur
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.17.8 Kinderopvang
Artikel 3.87Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op kinderopvang.
2.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor kinderopvang.
Artikel 3.88Omvang en situering kinderopvang
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.17.9 Begraafplaats
Artikel 3.89Begraafplaatsen
Ter plaatse van 'begraafplaats' is uitsluitend een begraafplaats toegestaan.
Paragraaf 3.4.18
Nutsvoorzieningen
Artikel 3.90Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op nutsvoorziening.
2.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van nutsvoorziening mogen worden gebruikt voor: a. nutsvoorzieningen; b. en de daarbij behorende:
Paragraaf 3.4.19
Natuur Subparagraaf 3.4.19.1 Algemene regels natuur
Artikel 3.91Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
2.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.19.2 Natuur Netwerk Brabant
Artikel 3.92Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
2.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.19.3 Ecologische verbindingszone
Artikel 3.93Ecologische verbindingszone
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
2.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 3.4.20
Dagrecreatie
Artikel 3.94Toepassingsbereik en gebruiksdoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op dagrecreatie gebied.
2.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van dagrecreatie mogen worden gebruikt voor dagrecreatieve voorzieningen.
Paragraaf 3.4.21
Sport Subparagraaf 3.4.21.1 Algemene regels
Artikel 3.95Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
2.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 3.96Omvang en situering sport
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
2.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 3.4.22
Verkeer Subparagraaf 3.4.22.1 Algemene regels verkeer
Artikel 3.97Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op verkeersgebied.
2.
Gronden en bouwwerken ter plaatse van verkeer mogen worden gebruikt voor: a. wegen en straten; b. voet- en fietspaden; c. kunstwerken, zoals bruggen, tunnels en duikers; d. aanleg en gebruik van groenvoorzieningen; e. aanleg en gebruik (ondergrondse) parkeervoorzieningen; f. nutsvoorzieningen.
Subparagraaf 3.4.22.2 Verblijfsgebied
Artikel 3.98Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op verblijfsgebied.
2.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van verblijf mogen worden gebruikt voor: a. woonstraten; b. pleinen; c. voet- en fietspaden; d. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; e. terras ten behoeve van horecabedrijven gesitueerd in de aangrenzende percelen; f. groenvoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. nutsvoorzieningen.
Subparagraaf 3.4.22.3 Railverkeer
Artikel 3.99Toepassingsbereik en gebruiksdoel
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
2.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 3.4.23
Volkstuinen
Artikel 3.100Toepassingsbereik en gebruiksdoel
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
2.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 3.4.24
Water Subparagraaf 3.4.24.1 Algemene regels water
Artikel 3.101Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze paragraaf is van toepassing op watergebied.
2.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van water mogen worden gebruikt voor: a. alle oppervlaktewateren, zoals kanalen, rivieren, beken en andere waterlopen, alsmede sloten, greppels, (infiltratie)vijvers ook als deze incidenteel of structureel droogvallen; b. waterberging; c. waterhuishouding; d. oevers en taluds; e. andere voorzieningen voor de waterhuishouding.
Artikel 3.102Specifieke regels over gebruik
1.
Het is verboden de gronden te gebruiken voor het aanleggen van woonschepen.
2.
Het is verboden de gronden te gebruiken voor het opslaan, storten, of bergen van voorwerpen, stoffen, materialen of chemicaliën, en soortgelijke producten, behoudens voor zover zulks nodig is voor het op de gebruiksactiviteit gerichte gebruik.
Subparagraaf 3.4.24.2 Locaties waar specifieke vormen van water zijn toegestaan
Paragraaf 3.4.25
Wonen Subparagraaf 3.4.25.1 Wonen algemeen
Artikel 3.103Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op woongebied.
2.
De gronden en bouwwerken mogen ter plaatse van wonen worden gebruikt voor wonen in een woongebouw, waarbij inwoning is toegestaan.
Artikel 3.104Omvang en situering wonen
1.
Ter plaatse van aantal woningen is het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde.
2.
Ter plaatse van bouwlaag wonen is wonen uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
Artikel 3.105Specifieke regels over gebruik
1.
Het is verboden een bijbehorend bouwwerk en/of garagebox te gebruiken voor zelfstandige woonruimte.
2.
Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een seksinrichting.
Artikel 3.106Garageboxen
1.
Ter plaatse van garagebox zijn uitsluitend garageboxen toegestaan.
2.
Een garagebox mag niet worden gebruikt voor de uitoefening van enige tak van handel, waaronder mede wordt verstaan een beroep of bedrijf aan huis.
Subparagraaf 3.4.25.2 Wonen in een woonwagen/woonwagenwoning
Artikel 3.107Toepassingsbereik gebruiksdoel
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
2.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
3.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 3.108Omvang en situering woonwagenstandplaatsen
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 3.109Specifieke regels over gebruik
1.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
2.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
3.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
4.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
5.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
6.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
7.
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 3.4.25.3 Kamerbewoning en woningsplitsing
Artikel 3.110Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen: a. een (woonwagen)woning of een bedrijfswoning om te zetten naar kamerbewoning; b. een (woonwagen)woning en/of kamersgewijs bewoonde (woonwagen)woning en/of woonwagen en/of kamersgewijs bewoonde woonwagen te wijzigen naar twee of meer (woonwagen)woningen/woonwagens; c. een bedrijfswoning en/of kamersgewijs bewoonde bedrijfswoning te wijzigen naar twee of meer bedrijfswoningen; d. een als (woonwagen)woning, dan wel tot woongebouw bestemde (woonwagen)woning, die legaal in gebruik is voor een andere functie dan wonen, te wijzigen naar twee of meer woningen.
Artikel 3.111Uitzondering verbod
Het verbod zoals opgenomen in artikel 3.110 geldt niet voor kamerbewoning van een (woonwagen)woning of woonwagen in een bestaande situatie.
Artikel 3.112Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. situatietekening met minimaal 2 straten; b. gegevens van de bestaande legale situatie: plattegrondtekeningen met functieaanduidingen van de verschillende ruimtes (zoals: woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer/douche, toilet, berging); c. gegevens van de nieuwe situatie: plattegrondtekeningen met functieaanduidingen van de verschillende ruimtes (zoals: kamer 1, kamer 2, gezamenlijke woonkamer, keuken, badkamer/douche, toilet, berging); d. een tekening van parkeermogelijkheden op eigen terrein, als die aanwezig zijn; e. het resultaat van de rekentool parkeernormen; f. een machtiging als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde.
Artikel 3.113Beoordelingsregel omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.110 wordt alleen verleend als de verkamering of splitsing niet leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat ter plaatse van en in de omgeving van het betreffende gebouw.
Of sprake is van een onaanvaardbare negatieve inbreuk op het woon- en leefklimaat wordt beoordeeld aan de hand van de 'Beleidsregels kamerbewoning en woningsplitsing 2021', met dien verstande dat, indien deze beleidsregels worden gewijzigd, de gewijzigde beleidsregels gelden.
Subparagraaf 3.4.25.4 Bijzondere woonvormen Subsubparagraaf 3.4.25.4.1 Bedrijfswoningen
Artikel 3.114Bedrijfswoningen
1.
Ter plaatse van bedrijfswoning is woonruimte aangewezen als bedrijfswoning.
2.
Het is verboden woonruimte op een andere wijze in gebruik te hebben dan als bedrijfswoning.
3.
Ter plaatse van bedrijfswoning is maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan.
Subsubparagraaf 3.4.25.4.2 Studio's
Artikel 3.115Studio
Ter plaatse van woonstudio zijn woonstudio's toegestaan.
Subparagraaf 3.4.25.5 Andere functies binnen wonen Subsubparagraaf 3.4.25.5.1 Beroep en bedrijf aan huis
Artikel 3.116Vergunningplicht beroep en bedrijf aan huis
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van wonen: a. een gedeelte van een woning te gebruiken voor een bedrijf aan huis; b. een gedeelte van een woning te gebruiken voor een beroep aan huis waarbij de vloeroppervlakte groter is dan 50 m2 .
Artikel 3.117Bijzondere aanvraagvereisten
Bij de aanvraag omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de hoofd- en nevenactiviteiten van het beroep of bedrijf aan huis, zoals:
Artikel 3.118Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.116 wordt alleen verleend als: a. het bedrijf aan huis een bedrijfsvloeroppervlakte heeft van maximaal 30 m2 ; b. het beroep aan huis een vloeroppervlakte heeft van maximaal 75 m2 ; c. de totale oppervlakte voor een bedrijf aan huis en een beroep aan huis gezamenlijk niet meer dan 75 m2 bedraagt; d. de verkeersaantrekkende werking niet zodanig is, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen op de openbare weg, noodzakelijk worden; e. het niet betreft detailhandel, met uitzondering van detailhandel in ter plaatse vervaardigde en/of bewerkte producten; f. het niet betreft de vervaardiging van voedsel; g. deze activiteiten door ten hoogste twee personen wordt uitgeoefend, waarvan minstens een persoon woonachtig in het betreffende pand; voor kapsalons geldt dat deze activiteit door maximaal een persoon, die tevens in het pand woonachtig is, mag worden uitgeoefend; h. de bedrijfsactiviteiten vallen onder de in bijlage III opgenomen 'Lijst van bedrijfsactiviteiten bij wonen' behorende tot de categorie 1, alsmede voor zover het bedrijfsactiviteiten betreft die niet in deze lijst zijn opgenomen maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als genoemd in deze lijst; i. dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen betreffen die niet vallen onder de in sub h genoemde lijst, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als bedoeld onder sub h.
Subsubparagraaf 3.4.25.5.2 Overig
Artikel 3.119Werkplaats
Ter plaatse van werkplaats is uitsluitend een werkplaats toegestaan.
Artikel 3.120Werken bij wonen
Ter plaatse van werken bij wonen zijn uitsluitend bedrijven in categorie 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage III, kantoren, vrije en maatschappelijke beroepen, showrooms en dienstverlening toegestaan.
Hoofdstuk 4
OVERIGE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN
Afdeling 4.1
Algemeen
Artikel 4.1Toepassingsbereik
De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken.
Afdeling 4.2
Algemene ruimtelijke regels over gebruik van gronden en bouwwerken
Paragraaf 4.2.1
Het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie
Artikel 4.2Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen voor de afweging geluid bij wijziging gebruik.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangegeven met 'afweging geluid bij wijziging gebruik'.
3.
Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een: a. woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan, uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 3.2.
4.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
5.
Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling voor de geluidbronsoort industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet, zijn vastgesteld.
6.
Deze paragraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de tot 1 januari 2024 van kracht zijnde Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 4.3Meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
Artikel 4.4Waar waarden gelden
De waarden voor het geluid gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel, niet zijnde niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen, met dien verstande dat een balkon niet bij de verblijfsruimte of het verblijfsgebied mag worden getrokken; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
Artikel 4.5Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een: a. woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.
Artikel 4.6Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.5, wordt alleen verleend als: a. het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 3.2; en b. het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
Artikel 4.7Aanvaardbaarheid bij wijziging gebruik
1.
Van een aanvaardbaar geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw is in elk geval sprake als het geluid op de gevel niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.7:
Tabel 4.7 : standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen en rijkswegen 50 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 53 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 55 Lden Industrieterreinen 50 Lden 40 Lnight 2.
Artikel 5.78t, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
3.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.7 gelezen voor «Lden»: »Lde».
4.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.7 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 4.8Overschrijding van de standaardwaarde
1.
Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.7 bedoelde standaardwaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. het gaat om de realisatie van 10 of minder geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen); b. het gaat om de realisatie van 11 of meer geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen) en de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt, waarbij de regels met betrekking tot financiële doelmatigheid volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gevolgd, dan wel er met redenen omkleed geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; c. minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig is per woning/studio of er worden compenserende maatregelen getroffen; d. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 4.8:
Tabel 4.8: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort Geluidbronsoort Grenswaarde Provinciale wegen en rijkswegen 60 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 70 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 65 Lden Industrieterreinen 55Lden 45 Lnight 2.
Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
3.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.8 gelezen voor «Lden»: »Lde».
4.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.8 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 4.9Overschrijding grenswaarde bij zwaarwegende maatschappelijke belangen
Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.8 bedoelde grenswaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen; b. door middel van onderzoek aangetoond wordt dat:
Minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig is of minimaal 1 gedeeltelijk geluidluwe gevel aanwezig is en hierbij compenserende maatregelen worden getroffen.
Artikel 4.10Overschrijding grenswaarde - niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen
Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.8 bedoelde grenswaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. de uitwendige scheidingsconstructie van de gevel waarop de grenswaarde wordt overschreden geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van de vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert; of b. aan het gebouw zodanige bouwkundige maatregelen worden getroffen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie niet hoger is dan de grenswaarde.
Artikel 4.11Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
1.
Bij de toepassing van artikel 4.8 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS, dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
3.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
4.
Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 70 dB overschrijdt.
5.
Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan.
Artikel 4.12Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid – zwaarwegende belangen
1.
Bij de toepassing van artikel 4.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
3.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
4.
Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 75 dB overschrijdt.
5.
Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan.
Artikel 4.13Vergunningvoorschriften
1.
Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.5, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. Dit betreft in ieder geval het gezamenlijke geluid, de gevel met maatregelen, de geluidluwe gevel en/of (compenserende) maatregelen.
2.
Voor zover de in het eerste lid bedoelde voorschriften betrekking hebben op het nemen van bouwkundige maatregelen, waarvoor op grond van hoofdstuk 5 een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt, dan is hoofdstuk 5 op het verrichten van die omgevingsplanactiviteit bouwwerken onverkort van toepassing.
Artikel 4.14Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.5 wordt een rapport verstrekt: a. waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en b. waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaard en/of grenswaarde, inzicht wordt gegeven in de mogelijk te treffen:
Paragraaf 4.2.2
Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties binnen plaatsgebonden risicocontour
Artikel 4.15Toepassingsbereik en oogmerk
1.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van Plaatsgebonden risicocontour.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met 'plaatsgebonden risicocontour'.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.
Artikel 4.16Verbod gebruik binnen plaatsgebonden risicocontour
1.
Het is ter plaatse van de plaatsgebonden risicocontour verboden om de gronden te gebruiken: a. voor een beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw; b. als een beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie.
2.
Het verbod geldt niet voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die functionele binding hebben met de activiteit waarvoor het plaatsgebonden risicocontour is opgenomen.
Paragraaf 4.2.3
Beperkingen voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen brandaandachtsgebied
Artikel 4.17Toepassingsbereik en oogmerk
1.
Deze paragraaf geldt binnen een brandaandachtsgebied, als bedoeld in artikel 5.12. eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover het TAM-omgevingsplan valt binnen een brandaandachtsgebied.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.
Artikel 4.18Verbod gebruik binnen brandaandachtsgebied
Binnen een brandaandachtsgebied zijn nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties verboden.
Paragraaf 4.2.4
Beperkingen voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen explosieaandachtsgebied
Artikel 4.19Toepassingsbereik en oogmerk
1.
Deze paragraaf geldt binnen een explosieaandachtsgebied, als bedoeld in artikel 5.12. tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover het TAM-omgevingsplan valt binnen een explosieaandachtsgebied.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.
Artikel 4.20Verbod gebruik binnen explosieaandachtsgebied
Binnen een explosieaandachtsgebied zijn nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties verboden.
Paragraaf 4.2.5
Het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof
Afdeling 4.3
Overige algemene regels over het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen (voorheen gesteld door het Rijk)
Paragraaf 4.3.1
Algemeen
Artikel 4.21Maatwerkvoorschriften
1.
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over deze afdeling.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 4.3.2
Gebruik van bouwwerken
Artikel 4.22Overbewoning woonruimte
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Artikel 4.23Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 4.24Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 4.3.3
In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
Artikel 4.25Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 4.25.
Tabel 4.25 ADR-klasse 1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.
50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.
1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 4.25 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Artikel 4.26Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 4.27Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Hoofdstuk 5
ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN
Afdeling 5.1
Algemeen
Artikel 5.1Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk; b. het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken; c. het verrichten van een omgevingsplanactiviteit slopen.
Artikel 5.2Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
1.
Met het bouwen van een hoofdgebouw waarvoor een melding bouwactiviteit, een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend, wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat ten aanzien van vloerpeil en perceelsgrenzen op basis van een actueel hoogteplan (inclusief een voorstel voor het vloerpeil) overleg heeft plaatsgevonden met de gemeentelijk landmeetkundige.
2.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het eerste lid, waarmee kan worden afgeweken van het eerste lid.
Artikel 5.3Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 5.4Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
Artikel 5.16, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 5.5Mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Artikel 5.6Verbod hyperscale datacentra
1.
Het is verboden om een hyperscale datacentrum te bouwen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig wordt verricht of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd op of voor 16 februari 2022.
Afdeling 5.2
Omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Paragraaf 5.2.1
Algemeen
Artikel 5.7Toepassingsbereik
Afdeling 5.2 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Paragraaf 5.2.2
Vergunningplicht bouwen, in stand houden en gebruiken bouwwerk
Artikel 5.8Vergunningplicht bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.
Artikel 5.9Verbod om te bouwen: rijksbeschermd stadsgezicht
In afwijking van het bepaalde in artikel 5.8 is het ter plaatse van rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht, behoudens interne verbouwingen, verboden om te bouwen.
Artikel 5.10Algemene beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning die in paragraaf 5.2.4 zijn gesteld.
Artikel 5.11Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m3 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
Artikel 5.12Invulling algemeen aanvraagvereiste mobiele verontreinigingssituatie
1.
Voorafgaand aan het verrichten van een bouwactiviteit voor een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, inclusief een daaraan grenzende tuin of een aangrenzend terrein, wordt onderzocht of sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie, zoals aangegeven in artikel 5.11 sub g, door: a. raadpleging van het bodeminformatiesysteem Nazca Bodem; b. voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het overleggen van een beschikking op grond van artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de wet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel het voorgenomen gebruik van de bodem of een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2; of b. een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2 .
3.
Er is sprake van een mobiele verontreinigingssituatie als het grondwater: a. een verontreinigingscontour heeft in minimaal 100 m3 poriën verzadigd bodemvolume die de signaleringsparameter grondwatersanering, zoals opgenomen in 'Bijlage V Gevaarlijke stoffen in het grondwater' van de Omgevingsverordening Noord Brabant overschrijdt; of b. in een kwetsbaar gebied, als bedoeld in artikel 3.49 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, de verontreinigende stof in minimaal 100 m3 poriën verzadigd bodemvolume de voorkeurswaarde grondwater overschrijdt, bedoeld in 'Bijlage V Gevaarlijke stoffen in het grondwater' van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Paragraaf 5.2.3
Bouwwerken waarvoor vergunningplicht niet geldt (ruimtelijke regels onverkort van toepassing)
Artikel 5.13Toepassingsbereik
1.
In deze paragraaf worden bouwwerken aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.8, niet van toepassing is.
2.
Op bouwwerken waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel 5.8 niet van toepassing is, is artikel 6.4 onverkort van toepassing.
Artikel 5.14Afbakeningseisen
1.
Artikel 5.15 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van artikel 5.15 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 5.15 lid 1 onder a, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 5.15Uitzonderingen op de vergunningplicht
Het verbod als bedoeld in artikel 5.8 geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 5.16Inperkingen vanwege cultureel erfgoed
1.
Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 5.15 niet van toepassing.
2.
Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 5.15, aanhef en onder d tot en met h, van toepassing.
3.
Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 5.15 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking is artikel 5.15, aanhef en onder a en b, ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 5.17
Bij strijd met ruimtelijke regels over bouwwerken geldt artikel 5.15 niet, vergunningplicht artikel 5.8 van toepassing Artikel 5.15 is uitsluitend van toepassing voor zover een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in overeenstemming is met artikel 6.4.
Paragraaf 5.2.4
Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften, afwijkingsmogelijkheden en aanvraagvereisten Subparagraaf 5.2.4.1 Algemeen
Artikel 5.18Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Subparagraaf 5.2.4.2 Beoordeling aan algemene regels over bouwwerken en afwijkmogelijkheden Subsubparagraaf 5.2.4.2.1 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken
Artikel 5.19Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
1.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 6.4.
2.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit passend is binnen: a. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken; of b. een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de tot 1 januari 2024 van kracht zijnde Wet algemene bepalingen omgevingswet om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken.
3.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geweigerd op grond van het eerste lid, als: a. in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels; en b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de vergunning met toepassing van de onder a bedoelde regels kan worden verleend.
4.
In afwijking van de voorgaande leden wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag: a. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; b. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of b. artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of c. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
Artikel 5.20Beoordelingsregels bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing beschermd dorps- of stadsgezicht
1.
In aanvulling op artikel 5.19 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 5.21Beoordelingsregels bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
1.
In afwijking van artikel artikel 5.19, eerste lid, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Subsubparagraaf 5.2.4.2.2 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken
Artikel 5.22
Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels, bedoeld in artikel 6.4, kan de omgevingsvergunning in afwijking van artikel 5.19, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op: a. een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan; b. een bouwwerk dat is uitgezonderd van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.15, voor zover daarop vanwege artikel 5.16 of artikel 5.17, toch de vergunningplicht uit artikel 5.8, van toepassing is; c. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom tot 1.000 m2; d. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan buiten de bebouwde kom, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 5.23Beoordelingsregels van toepassing op artikel 5.22
1.
Aan artikel 5.22 wordt alleen toepassing gegeven als: a. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat; b. door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig worden aangetast; c. door de activiteit de beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig worden aangetast; d. het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet; e. de activiteit, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 5.22 onder a en b, niet plaatsvindt op een locatie als bedoeld in artikel 6.10; f. het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 3.2; g. het aantal woningen niet toeneemt ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald, of wanneer er geen maximum is bepaald is, het toevoegen van woningen niet toegestaan, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; h. voldaan wordt aan de beoordelingsregels zoals opgenomen in paragraaf 5.2.4.
2.
Aan artikel 5.22, eerste lid, aanhef en onder c en d, wordt geen toepassing gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5.24Voorschriften
Bij toepassing van artikel 5.22 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in artikel 5.23 bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.
Artikel 5.25Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat slechts vergund kan worden met toepassing van artikel 5.22, worden die gegevens verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn om de beoordeling, bedoeld in artikel 5.23, te kunnen doen.
Subsubparagraaf 5.2.4.2.3 Specifieke mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit af te wijken van ruimtelijke regels over hoofdgebouwen binnen cultuurhistorische gebieden
Artikel 5.26
Specifieke mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over hoofdgebouwen binnen cultuurhistorische gebieden Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels, bedoeld in artikel 6.47, kan de omgevingsvergunning in afwijking van artikel 5.19, eerste lid, toch worden verleend indien naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken.
Artikel 5.27Beoordelingsregels van toepassing op artikel 5.26
Aan artikel 5.26 wordt alleen toepassing gegeven als een advies is ingewonnen van de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven waaruit blijkt dat de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken.
Artikel 5.28Vergunningvoorschriften
Bij toepassing van artikel 5.26 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerken kunnen worden behouden.
Subparagraaf 5.2.4.3 Uiterlijk en plaatsing bouwwerk
Artikel 5.29Beoordelingsregel over het uiterlijk van bouwwerken
1.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
3.
Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
4.
Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van strijd met de goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 5.30Vergunningvoorschriften uiterlijk en plaatsing van bouwwerken
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 5.29, eerste lid, genoemde belang.
Artikel 5.31Gebieden en bouwwerken waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden
Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 5.29 , derde lid, of in de welstandsnota, bedoeld in artikel 5.29, vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden dan wel geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit.
Artikel 5.32Aanvraagvereisten beoordeling uiterlijk plaatsing van bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk of de plaatsing van bouwwerken, beoordeeld volgens de criteria, bedoeld in artikel 5.29: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.
Subparagraaf 5.2.4.4 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie
Artikel 5.33Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
Artikel 5.34
Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen.
2.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in het eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
3.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
4.
Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 5.35
Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 5.34, eerste lid, onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het bevoegd gezag ten minste een week van tevoren is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.36Vergunningvoorschriften
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden, als het onverminderd de regels in artikelen 5.34 en 5.35, van oordeel is dat de bodem zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw. Deze voorschriften strekken ertoe dat de bodem alsnog geschikt wordt gemaakt voor het beoogde doel.
Artikel 5.37Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.34 tweede tot en met vierde lid, redelijkerwijs is uit te sluiten; en b. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.34 tweede tot en met vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.34 tweede tot en met vierde lid, redelijkerwijs is uit te sluiten.
Subparagraaf 5.2.4.5 Parkeernormering auto's en fietsen
Artikel 5.38Beoordelingsregel parkeerplaatsen
1.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Aan de hand van de beleidsregeling 'Nota parkeernormen 2024' en de 'Beleidsregels kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen' wordt bepaald of hieraan voldaan is.
2.
Als de onder het eerste lid genoemde beleidsregelingen worden gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe beleidsregeling(en) bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
3.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, gelet op het beoogd gebruik, in overeenstemming is met de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over parkeren.
4.
Voor zover een TAM-omgevingsplan regels bevat over parkeergelegenheid waaraan voldaan moet worden, wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd, in overeenstemming is met die afwijkende regels.
Artikel 5.39Met vergunningvoorschrift afwijken van de parkeernormen
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 5.38 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. sprake is van bijzondere gebieden of bijzondere situaties; en b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of ruimtelijke situatie.
Artikel 5.40Maatwerkvoorschrift maatvoering parkeervoorzieningen
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de maatvoering van de (fiets)parkeervoorzieningen, indien dit gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.
Artikel 5.41Aanvraagvereisten beoordeling normering auto's en fietsen
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.
Subparagraaf 5.2.4.6 Windhinder
Artikel 5.42Beoordelingsregel windhinder
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 5.43Instandhouding acceptabel windklimaat
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 5.44Aanvraagvereisten windhinder
Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 5.2.4.7 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden
Artikel 5.45Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van afweging geluid bij wijziging gebruik.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met afweging geluid bij wijziging gebruik.
3.
Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied.
4.
Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
5.
Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling van het geluid van de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om geluid van industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld.
Artikel 5.46Meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van de waarden voor het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
Artikel 5.47Waar waarden gelden
De waarden voor het geluid gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel, niet zijnde niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen, met dien verstande dat een balkon niet bij de verblijfsruimte of het verblijfsgebied mag worden getrokken; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
Artikel 5.48
Beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, alleen verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
Artikel 5.49Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde
1.
Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw is aanvaardbaar als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.49:
Tabel 5.49: standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen en rijkswegen 50 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 53 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 55 Lden Industrieterreinen 50 Lden 40 Lnight 2.
Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 5.49 gelezen voor «Lden»: »Lde».
4.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 5.49 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 5.50Overschrijding van de standaardwaarde
1.
Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 5.49 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. het gaat om de realisatie van 10 of minder geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen); b. het gaat om de realisatie van 11 of meer geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen) en de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt, waarbij de regels met betrekking tot financiële doelmatigheid volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gevolgd, dan wel er met redenen omkleed geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; c. minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig is per woning/studio of er worden compenserende maatregelen getroffen; en d. het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.50.
Tabel 5.50: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Grenswaarde Provinciale wegen en rijkswegen 60 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 70 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 65 Lden Industrieterreinen 55 Lden 45 Lnight 2.
Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
3.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 5.50 gelezen voor «Lden»: »Lde».
4.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 5.50 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 5.51Overschrijding grenswaarde bij zwaarwegende maatschappelijke belangen
Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 5.50 bedoelde grenswaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen; b. door middel van onderzoek aangetoond wordt dat:
Minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig is of minimaal 1 gedeeltelijk geluidluwe gevel aanwezig is en hierbij compenserende maatregelen worden getroffen.
Artikel 5.52Overschrijding grenswaarde - niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen
Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 5.50 bedoelde grenswaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. de uitwendige scheidingsconstructie van de gevel waarop de grenswaarde wordt overschreden geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van de vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert; of b. aan het gebouw zodanige bouwkundige maatregelen worden getroffen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie niet hoger is dan de grenswaarde.
Artikel 5.53Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
1.
Bij de toepassing van de artikelen 5.50 en 5.53 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBSdan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
3.
Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 70 dB overschrijdt.
4.
Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan.
5.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.54Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid - zwaarwegende belangen
1.
Bij de toepassing van de artikelen 5.50 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
3.