Omgevingsplan gemeente Pijnacker-Nootdorp (Pijnacker-Nootdorp)
Waar gaat deze regeling over?
Dit omgevingsplan van de gemeente Pijnacker-Nootdorp stelt regels voor de fysieke leefomgeving, met als doel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het beschermen van onder andere woon- en leefklimaat, veiligheid, gezondheid en milieu.
Voor wie: Inwoners en bedrijven die activiteiten verrichten met betrekking tot bouwwerken, woonruimte, infrastructuur, openbaar toegankelijk gebied, cultureel erfgoed of in belemmeringengebieden binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp; In het bijzonder de locatie 'woonwijk Tolhek' waar Hoofdstuk 3 van toepassing is.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Gezondheids- en farmaceutisch recht
- Artikelen
- 706
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De doelen voor de fysieke leefomgeving in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, zowel algemeen als specifiek voor bijvoorbeeld rustige woonwijken.
- Activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken, inclusief het bouwen, slopen, en het uiterlijk en de plaatsing ervan.
- Activiteiten met betrekking tot woonruimte, zoals het wijzigen en gebruiken ervan, en het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis.
- Activiteiten met betrekking tot infrastructuur, openbaar toegankelijk gebied, cultureel erfgoed (gemeentelijke en archeologische monumenten) en belemmeringengebieden.
Voor wie geldt deze regeling?
- Inwoners en bedrijven die activiteiten verrichten met betrekking tot bouwwerken, woonruimte, infrastructuur, openbaar toegankelijk gebied, cultureel erfgoed of in belemmeringengebieden binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp.
- In het bijzonder de locatie 'woonwijk Tolhek' waar Hoofdstuk 3 van toepassing is.
Wat zijn de kernpunten?
- De regels in Hoofdstukken 1 t/m 11 gaan voor bij strijdigheden met het tijdelijke deel van het omgevingsplan en met gemeentelijke verordeningen die geen deel uitmaken van het tijdelijke deel.
- Het omgevingsplan is gericht op zestien algemene doelen, waaronder het beschermen van een goed woon- en leefklimaat, veiligheid, gezondheid, milieu en cultureel erfgoed.
- Voor een rustige woonwijk gelden specifieke doelen zoals het behouden van een hoogwaardig woonmilieu, voldoende woonruimte, een gedifferentieerde woningvoorraad en een akoestisch en geurtechnisch aanvaardbaar woongebied.
- Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, woonruimte, infrastructuur, cultureel erfgoed en in belemmeringengebieden moeten voldoen aan specifieke paragrafen uit Hoofdstuk 4 van het omgevingsplan.
Gezondheids- en farmaceutisch recht
Gezondheids- en farmaceutisch recht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (706)
- Artikel 1.1
- Artikel 1.2
- Artikel 1.3
- Artikel 2.1
- Artikel 2.2
- Artikel 3.1
- Artikel 3.2
- Artikel 3.3
- Artikel 3.4
- Artikel 3.5
- Artikel 3.6
- Artikel 3.7
- Artikel 3.8
- Artikel 3.9
- Artikel 3.10
- Artikel 3.11
- Artikel 3.12
- Artikel 3.13
- Artikel 3.14
- Artikel 3.15
- Artikel 3.16
- Artikel 3.17
- Artikel 3.18
- Artikel 3.19
- Artikel 3.20
- Artikel 3.21
- Artikel 3.22
- Artikel 3.23
- Artikel 3.24
- Artikel 3.25
- Artikel 3.26
- Artikel 3.27
- Artikel 3.28
- Artikel 3.29
- Artikel 3.30
- Artikel 3.31
- Artikel 3.32
- Artikel 3.33
- Artikel 3.34
- Artikel 3.35
- Artikel 3.36
- Artikel 3.37
- Artikel 3.38
- Artikel 3.39
- Artikel 3.40
- Artikel 3.41
- Artikel 3.42
- Artikel 3.43
- Artikel 3.44
- Artikel 3.45
- Artikel 3.46
- Artikel 4.1
- Artikel 4.2
- Artikel 4.3
- Artikel 4.4
- Artikel 4.5
- Artikel 4.6
- Artikel 4.7
- Artikel 4.8
- Artikel 4.9
- Artikel 4.10
- Artikel 4.11
- Artikel 4.12
- Artikel 4.13
- Artikel 4.14
- Artikel 4.15
- Artikel 4.16
- Artikel 4.17
- Artikel 4.18
- Artikel 4.19
- Artikel 4.20
- Artikel 4.21
- Artikel 4.22
- Artikel 4.23
- Artikel 4.24
- Artikel 4.25
- Artikel 4.26
- Artikel 4.27
- Artikel 4.28
- Artikel 4.29
- Artikel 4.30
- Artikel 4.31
- Artikel 4.32
- Artikel 4.33
- Artikel 4.34
- Artikel 4.35
- Artikel 4.36
- Artikel 4.37
- Artikel 4.38
- Artikel 4.39
- Artikel 4.40
- Artikel 4.41
- Artikel 4.42
- Artikel 4.43
- Artikel 4.44
- Artikel 4.45
- Artikel 4.46
- Artikel 4.47
- Artikel 4.48
- Artikel 4.49
- Artikel 4.50
- Artikel 4.51
- Artikel 4.52
- Artikel 4.53
- Artikel 4.54
- Artikel 4.55
- Artikel 4.56
- Artikel 4.57
- Artikel 4.58
- Artikel 4.59
- Artikel 4.60
- Artikel 4.61
- Artikel 4.62
- Artikel 4.63
- Artikel 4.64
- Artikel 4.65
- Artikel 4.66
- Artikel 4.67
- Artikel 4.68
- Artikel 4.69
- Artikel 4.70
- Artikel 4.71
- Artikel 4.72
- Artikel 4.73
- Artikel 4.74
- Artikel 4.75
- Artikel 4.76
- Artikel 4.77
- Artikel 4.78
- Artikel 4.79
- Artikel 4.80
- Artikel 4.81
- Artikel 4.82
- Artikel 4.83
- Artikel 4.84
- Artikel 4.85
- Artikel 4.86
- Artikel 4.87
- Artikel 4.88
- Artikel 4.89
- Artikel 4.90
- Artikel 4.91
- Artikel 4.92
- Artikel 4.93
- Artikel 4.94
- Artikel 4.95
- Artikel 4.96
- Artikel 4.97
- Artikel 4.98
- Artikel 4.99
- Artikel 4.100
- Artikel 4.101
- Artikel 4.102
- Artikel 4.103
- Artikel 4.104
- Artikel 4.105
- Artikel 4.106
- Artikel 4.107
- Artikel 4.108
- Artikel 4.109
- Artikel 4.110
- Artikel 4.111
- Artikel 4.112
- Artikel 4.113
- Artikel 4.114
- Artikel 4.115
- Artikel 4.116
- Artikel 4.117
- Artikel 4.118
- Artikel 4.119
- Artikel 4.120
- Artikel 4.121
- Artikel 4.122
- Artikel 4.123
- Artikel 4.124
- Artikel 4.125
- Artikel 4.126
- Artikel 4.127
- Artikel 4.128
- Artikel 4.129
- Artikel 4.130
- Artikel 4.131
- Artikel 4.132
- Artikel 4.133
- Artikel 4.134
- Artikel 4.135
- Artikel 4.136
- Artikel 4.137
- Artikel 4.138
- Artikel 4.139
- Artikel 4.140
- Artikel 4.141
- Artikel 4.142
- Artikel 4.143
- Artikel 4.144
- Artikel 4.145
- Artikel 4.146
- Artikel 4.147
- Artikel 4.148
- Artikel 4.149
- Artikel 4.150
- Artikel 4.151
- Artikel 4.152
- Artikel 4.153
- Artikel 4.154
- Artikel 4.155
- Artikel 4.156
- Artikel 4.157
- Artikel 4.158
- Artikel 4.159
- Artikel 4.160
- Artikel 4.161
- Artikel 4.162
- Artikel 4.163
- Artikel 4.164
- Artikel 4.165
- Artikel 4.166
- Artikel 4.167
- Artikel 4.168
- Artikel 4.169
- Artikel 4.170
- Artikel 4.171
- Artikel 4.172
- Artikel 4.173
- Artikel 4.174
- Artikel 4.175
- Artikel 4.176
- Artikel 4.177
- Artikel 4.178
- Artikel 4.179
- Artikel 4.180
- Artikel 4.181
- Artikel 4.182
- Artikel 4.183
- Artikel 4.184
- Artikel 4.185
- Artikel 4.186
- Artikel 4.187
- Artikel 4.188
- Artikel 4.189
- Artikel 4.190
- Artikel 4.191
- Artikel 4.192
- Artikel 4.193
- Artikel 4.194
- Artikel 4.195
- Artikel 4.196
- Artikel 4.197
- Artikel 4.198
- Artikel 5.1
- Artikel 5.2
- Artikel 5.3
- Artikel 5.4
- Artikel 5.5
- Artikel 5.6
- Artikel 5.7
- Artikel 5.8
- Artikel 5.9
- Artikel 5.10
- Artikel 5.11
- Artikel 5.12
- Artikel 5.13
- Artikel 5.14
- Artikel 5.15
- Artikel 5.16
- Artikel 5.17
- Artikel 5.18
- Artikel 5.19
- Artikel 5.20
- Artikel 5.21
- Artikel 5.22
- Artikel 5.23
- Artikel 5.24
- Artikel 5.25
- Artikel 5.26
- Artikel 5.27
- Artikel 5.28
- Artikel 5.29
- Artikel 5.30
- Artikel 5.31
- Artikel 5.32
- Artikel 5.33
- Artikel 5.34
- Artikel 5.35
- Artikel 5.36
- Artikel 5.37
- Artikel 5.38
- Artikel 5.39
- Artikel 5.40
- Artikel 5.41
- Artikel 5.42
- Artikel 5.43
- Artikel 5.44
- Artikel 5.45
- Artikel 5.46
- Artikel 5.47
- Artikel 5.48
- Artikel 5.49
- Artikel 5.50
- Artikel 5.51
- Artikel 5.52
- Artikel 5.53
- Artikel 5.54
- Artikel 5.55
- Artikel 5.56
- Artikel 5.57
- Artikel 5.58
- Artikel 5.59
- Artikel 5.60
- Artikel 5.61
- Artikel 5.62
- Artikel 5.63
- Artikel 5.64
- Artikel 5.65
- Artikel 5.66
- Artikel 5.67
- Artikel 5.68
- Artikel 5.69
- Artikel 5.70
- Artikel 5.71
- Artikel 5.72
- Artikel 5.73
- Artikel 5.74
- Artikel 5.75
- Artikel 5.76
- Artikel 5.77
- Artikel 5.78
- Artikel 5.79
- Artikel 5.80
- Artikel 5.81
- Artikel 5.82
- Artikel 5.83
- Artikel 5.84
- Artikel 5.85
- Artikel 5.86
- Artikel 5.87
- Artikel 5.88
- Artikel 5.89
- Artikel 5.90
- Artikel 5.91
- Artikel 5.92
- Artikel 5.93
- Artikel 5.94
- Artikel 5.95
- Artikel 5.96
- Artikel 5.97
- Artikel 5.98
- Artikel 5.99
- Artikel 5.100
- Artikel 5.101
- Artikel 5.102
- Artikel 5.103
- Artikel 5.104
- Artikel 5.105
- Artikel 5.106
- Artikel 5.107
- Artikel 5.108
- Artikel 5.109
- Artikel 5.110
- Artikel 5.111
- Artikel 5.112
- Artikel 5.113
- Artikel 5.114
- Artikel 5.115
- Artikel 5.116
- Artikel 5.117
- Artikel 5.118
- Artikel 5.119
- Artikel 5.120
- Artikel 5.121
- Artikel 5.122
- Artikel 5.123
- Artikel 5.124
- Artikel 5.125
- Artikel 5.126
- Artikel 5.127
- Artikel 5.128
- Artikel 5.129
- Artikel 5.130
- Artikel 5.131
- Artikel 5.132
- Artikel 5.133
- Artikel 5.134
- Artikel 5.135
- Artikel 8.1
- Artikel 8.2
- Artikel 8.3
- Artikel 8.4
- Artikel 8.5
- Artikel 8.6
- Artikel 8.7
- Artikel 8.8
- Artikel 11.1
- Artikel 11.2
- Artikel 11.3
- Artikel 11.4
- Artikel 11.5
- Artikel 11.6
- Artikel 11.7
- Artikel 11.8
- Artikel 22.1
- Artikel 22.2
- Artikel 22.3
- Artikel 22.4
- Artikel 22.5
- Artikel 22.6
- Artikel 22.7
- Artikel 22.8
- Artikel 22.9
- Artikel 22.10
- Artikel 22.11
- Artikel 22.12
- Artikel 22.13
- Artikel 22.14
- Artikel 22.15
- Artikel 22.16
- Artikel 22.17
- Artikel 22.18
- Artikel 22.19
- Artikel 22.20
- Artikel 22.21
- Artikel 22.22
- Artikel 22.23
- Artikel 22.24
- Artikel 22.25
- Artikel 22.26
- Artikel 22.27
- Artikel 22.28
- Artikel 22.29
- Artikel 22.30
- Artikel 22.31
- Artikel 22.32
- Artikel 22.33
- Artikel 22.34
- Artikel 22.35
- Artikel 22.36
- Artikel 22.37
- Artikel 22.38
- Artikel 22.39
- Artikel 22.40
- Artikel 22.41
- Artikel 22.42
- Artikel 22.43
- Artikel 22.44
- Artikel 22.45
- Artikel 22.46
- Artikel 22.47
- Artikel 22.48
- Artikel 22.49
- Artikel 22.50
- Artikel 22.51
- Artikel 22.52
- Artikel 22.53
- Artikel 22.54
- Artikel 22.55
- Artikel 22.56
- Artikel 22.57
- Artikel 22.58
- Artikel 22.59
- Artikel 22.60
- Artikel 22.61
- Artikel 22.62
- Artikel 22.63
- Artikel 22.64
- Artikel 22.65
- Artikel 22.66
- Artikel 22.67
- Artikel 22.68
- Artikel 22.69
- Artikel 22.70
- Artikel 22.71
- Artikel 22.72
- Artikel 22.73
- Artikel 22.74
- Artikel 22.75
- Artikel 22.76
- Artikel 22.77
- Artikel 22.78
- Artikel 22.79
- Artikel 22.80
- Artikel 22.81
- Artikel 22.82
- Artikel 22.83
- Artikel 22.84
- Artikel 22.85
- Artikel 22.86
- Artikel 22.87
- Artikel 22.88
- Artikel 22.89
- Artikel 22.90
- Artikel 22.91
- Artikel 22.92
- Artikel 22.93
- Artikel 22.94
- Artikel 22.95
- Artikel 22.96
- Artikel 22.97
- Artikel 22.98
- Artikel 22.99
- Artikel 22.100
- Artikel 22.101
- Artikel 22.102
- Artikel 22.103
- Artikel 22.104
- Artikel 22.105
- Artikel 22.106
- Artikel 22.107
- Artikel 22.108
- Artikel 22.109
- Artikel 22.110
- Artikel 22.111
- Artikel 22.112
- Artikel 22.113
- Artikel 22.114
- Artikel 22.115
- Artikel 22.116
- Artikel 22.117
- Artikel 22.118
- Artikel 22.119
- Artikel 22.120
- Artikel 22.121
- Artikel 22.122
- Artikel 22.123
- Artikel 22.124
- Artikel 22.125
- Artikel 22.126
- Artikel 22.127
- Artikel 22.128
- Artikel 22.129
- Artikel 22.130
- Artikel 22.131
- Artikel 22.132
- Artikel 22.133
- Artikel 22.134
- Artikel 22.135
- Artikel 22.136
- Artikel 22.137
- Artikel 22.138
- Artikel 22.139
- Artikel 22.140
- Artikel 22.141
- Artikel 22.142
- Artikel 22.143
- Artikel 22.144
- Artikel 22.145
- Artikel 22.146
- Artikel 22.147
- Artikel 22.148
- Artikel 22.149
- Artikel 22.150
- Artikel 22.151
- Artikel 22.152
- Artikel 22.153
- Artikel 22.154
- Artikel 22.155
- Artikel 22.156
- Artikel 22.157
- Artikel 22.158
- Artikel 22.159
- Artikel 22.160
- Artikel 22.161
- Artikel 22.162
- Artikel 22.163
- Artikel 22.164
- Artikel 22.165
- Artikel 22.166
- Artikel 22.167
- Artikel 22.168
- Artikel 22.169
- Artikel 22.170
- Artikel 22.171
- Artikel 22.172
- Artikel 22.173
- Artikel 22.174
- Artikel 22.175
- Artikel 22.176
- Artikel 22.177
- Artikel 22.178
- Artikel 22.179
- Artikel 22.180
- Artikel 22.181
- Artikel 22.182
- Artikel 22.183
- Artikel 22.184
- Artikel 22.185
- Artikel 22.186
- Artikel 22.187
- Artikel 22.188
- Artikel 22.189
- Artikel 22.190
- Artikel 22.191
- Artikel 22.192
- Artikel 22.193
- Artikel 22.194
- Artikel 22.195
- Artikel 22.196
- Artikel 22.197
- Artikel 22.198
- Artikel 22.199
- Artikel 22.200
- Artikel 22.201
- Artikel 22.202
- Artikel 22.203
- Artikel 22.204
- Artikel 22.205
- Artikel 22.206
- Artikel 22.207
- Artikel 22.208
- Artikel 22.209
- Artikel 22.210
- Artikel 22.211
- Artikel 22.212
- Artikel 22.213
- Artikel 22.214
- Artikel 22.215
- Artikel 22.216
- Artikel 22.217
- Artikel 22.218
- Artikel 22.219
- Artikel 22.220
- Artikel 22.221
- Artikel 22.222
- Artikel 22.223
- Artikel 22.224
- Artikel 22.225
- Artikel 22.226
- Artikel 22.227
- Artikel 22.228
- Artikel 22.229
- Artikel 22.230
- Artikel 22.231
- Artikel 22.232
- Artikel 22.233
- Artikel 22.234
- Artikel 22.235
- Artikel 22.236
- Artikel 22.237
- Artikel 22.238
- Artikel 22.239
- Artikel 22.240
- Artikel 22.241
- Artikel 22.242
- Artikel 22.243
- Artikel 22.244
- Artikel 22.245
- Artikel 22.246
- Artikel 22.247
- Artikel 22.248
- Artikel 22.249
- Artikel 22.250
- Artikel 22.251
- Artikel 22.252
- Artikel 22.253
- Artikel 22.254
- Artikel 22.255
- Artikel 22.256
- Artikel 22.257
- Artikel 22.258
- Artikel 22.259
- Artikel 22.260
- Artikel 22.261
- Artikel 22.262
- Artikel 22.263
- Artikel 22.264
- Artikel 22.265
- Artikel 22.266
- Artikel 22.267
- Artikel 22.268
- Artikel 22.269
- Artikel 22.270
- Artikel 22.271
- Artikel 22.272
- Artikel 22.273
- Artikel 22.274
- Artikel 22.275
- Artikel 22.276
- Artikel 22.277
- Artikel 22.278
- Artikel 22.279
- Artikel 22.280
- Artikel 22.281
- Artikel 22.282
- Artikel 22.283
- Artikel 22.284
- Artikel 22.285
- Artikel 22.286
- Artikel 22.287
- Artikel 22.288
- Artikel 22.289
- Artikel 22.290
- Artikel 22.291
- Artikel 22.292
- Artikel 22.293
- Artikel 22.294
- Artikel 22.295
- Artikel 22.296
- Artikel 22.297
- Artikel 22.298
- Artikel 22.299
- Artikel 22.300
- Artikel 22.301
- Artikel 22.302
- Artikel 22.303
- Artikel 23.1
- Artikel 17.5
- Artikel 5.165
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696525 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1926/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-07-16 2025-07-16 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696525/nld@2025-07-17 /join/id/proces/gm1926/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm1926/2023/procedurefb65846102c04a5d9de837f326014ab3 /join/id/proces/gm1926/2024/proceduref9c76eddae374ada9f95683169e23c8d /join/id/proces/gm1926/2024/procedure0b9e3c2b8a1a4a409438f3bdb036c97e 2025-07-17 2025-07-17 /akn/nl/act/gm1926/2020/omgevingsplan/nld@2025-07-14;14123285 /akn/nl/act/gm1926/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm1926/2020/omgevingsplan/nld@2025-07-14;14123285 /join/id/stop/work_019 4 Omgevingsplan gemeente Pijnacker-Nootdorp
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsbepalingen
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 2 tot en met 11 van dit (permanente) omgevingsplan.
Artikel 1.2Aanvullende begripsbepalingen
1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
2.
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit (tijdelijke) omgevingsplan.
Artikel 1.3Voorrangsbepaling
1.
De regels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 11, gaan bij strijdigheden met het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor.
2.
De regels uit gemeentelijke verordeningen, die geen deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, blijven onverminderd van toepassing. Bij strijdigheden tussen het permanente deel van het omgevingsplan en de gemeentelijke verordeningen, die geen deel uitmaken (van het tijdelijke deel) van het omgevingsplan, gaan de regels uit de hoofdstukken 1 t/m 11 voor.
Hoofdstuk 2
Doelen
Afdeling 2.1
Algemene doelen omgevingsplan
Artikel 2.1Algemene doelen omgevingsplan
Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van het milieu; f. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; g. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; h. het behoud van cultureel erfgoed; i. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; j. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; k. het beheren van infrastructuur; l. het beheren van watersystemen; m. het gebruiken van bouwwerken; n. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; o. het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan woonactiviteiten; p. het realiseren van een hoge architectonische kwaliteit van het openbaar gebied en van bebouwing.
Afdeling 2.2
Specifieke doelen omgevingsplan
Artikel 2.2Doelen rustige woonwijk
In aanvulling op artikel 2.1 gelden voor een rustige woonwijk de volgende specifieke doelen: a. het behouden van een hoogwaardig woonmilieu; b. het in stand houden van voldoende woonruimte; c. het behouden van een gedifferentieerde woningvoorraad; d. het behouden van een akoestisch aanvaardbaar woongebied; e. het behouden van een woongebied met een aanvaardbaar geurniveau; f. het behouden van een fietsvriendelijk woongebied; g. het behouden van een speel- en beweegvriendelijk woongebied; h. het selectief verdichten met passende woningbouw; i. het behouden en waar mogelijk versterken van de verbindingen met het buitengebied; j. kansen benutten om de kwaliteit van de openbare ruimte te versterken; k. een multifunctionele openbare ruimte met aandacht voor ontmoeting; l. een sterke regionale verbinding met duurzame vervoerswijzen; m. een gezonde en veilige leefomgeving.
Hoofdstuk 3
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Afdeling 3.1
Algemene bepalingen
Artikel 3.1Toepassingsbereik
1.
Hoofdstuk 3 is alleen van toepassing binnen de locatie woonwijk Tolhek.
2.
Met uitzondering van afdeling 4.1 en paragraaf 4.3.1 is een afdeling of paragraaf in de hoofdstukken 4 en 5 alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 3 is bepaald.
Afdeling 3.2
Thema's
Paragraaf 3.2.1
(Bouw)werken
Artikel 3.2Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken.
Artikel 3.3Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken gelden de volgende doelen: a. het beschermen van stedenbouwkundige en landschappelijke waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van de gezondheid; d. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken.
Artikel 3.4Bouwen van een hoofdgebouw
Met het oog op de doelen in artikel 3.3 wordt bij het bouwen van een hoofdgebouw voldaan aan: a. paragraaf 4.2.1 bouwen - algemeen; b. paragraaf 4.2.2 het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.3 bouwen van een hoofdgebouw.
Artikel 3.5Bouwen van een gebouw
Met het oog op de doelen in artikel 3.3 wordt bij het bouwen van een gebouw voldaan aan: a. paragraaf 4.2.1 bouwen - algemeen; b. paragraaf 4.2.2 het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.4 bouwen van een gebouw.
Artikel 3.6Bouwen van een bijbehorend bouwwerk
Met het oog op de doelen in artikel 3.3 wordt bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk voldaan aan: a. paragraaf 4.2.1 bouwen - algemeen; b. paragraaf 4.2.2 het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.5 bouwen van een bijbehorend bouwwerk.
Artikel 3.7Bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde
Met het oog op de doelen in artikel 3.3 wordt bij het bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde voldaan aan: a. paragraaf 4.2.1 bouwen - algemeen; b. paragraaf 4.2.2 het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.6 bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Artikel 3.8Bouwen van overige bouwwerken
Met het oog op de doelen in artikel 3.3 wordt bij het bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde voldaan aan: a. paragraaf 4.2.1 bouwen - algemeen; b. paragraaf 4.2.2 het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.7 bouwen van overige bouwwerken.
Artikel 3.9Het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken
Met het oog op de doelen in artikel 3.3, wordt bij het plaatsen en in stand houden van bouwwerken voldaan aan paragraaf 4.2.2.
Artikel 3.10Erven en terreinen gebruiken
Met het oog op de doelen in artikel 3.3, wordt bij het gebruik van open erven en terreinen voldaan aan paragraaf 4.2.9.
Artikel 3.11Bouwwerken slopen
Met het oog op de doelen in artikel 3.3, wordt bij het slopen van bouwwerken voldaan aan paragraaf 4.2.8.
Paragraaf 3.2.2
Woonruimte
Artikel 3.12Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot woonruimte.
Artikel 3.13Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot woonruimte gelden de volgende doelen: a. het bereiken en in stand houden van voldoende woonruimte; b. het aanbieden van een gevarieerde woningvoorraad; en c. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat.
Artikel 3.14Woonruimte wijzigen
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 3.13, wordt bij het wijzigen van woonruimte voldaan aan paragraaf 4.2.10.
Artikel 3.15Woonruimte gebruiken
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 3.13, wordt bij het gebruiken van woonruimte voldaan aan paragraaf 4.2.11.
Artikel 3.16Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 3.13, wordt bij het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis voldaan aan paragraaf 4.2.12.
Paragraaf 3.2.3
Infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied
Artikel 3.17Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 3.18Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied gelden de volgende doelen: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; d. het beheren van infrastructuur; e. het beheren van watersystemen; f. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; g. het bevorderen van een aantrekkelijke en bereikbare stad; h. het behouden een adequaat verkeers- en vervoersniveau; i. het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid; en j. het bevorderen van een hoge kwaliteit van het openbaar gebied.
Artikel 3.19Gebruik van open erven en terreinen
Met het oog op de doelen in artikel 3.18, wordt bij het gebruik van open erven en terreinen voldaan aan paragraaf 4.2.9.
Artikel 3.20Aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen
Met het oog op de doelen in artikel 3.18, wordt bij de activiteit het aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen voldaan aan paragraaf 4.3.5.
Artikel 3.21Activiteiten in water
Met het oog op de doelen in artikel 3.18, wordt bij het verrichten van activiteiten in de locatie water voldaan aan paragraaf 4.2.17 activiteiten in water.
Paragraaf 3.2.4
Cultureel erfgoed Subparagraaf 3.2.4.1 Algemeen
Artikel 3.22Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed.
Artikel 3.23Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed gelden de volgende doelen: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; en b. het behoud van cultureel erfgoed.
Subparagraaf 3.2.4.2 Gemeentelijke monumenten
Artikel 3.24Aanwijzing gemeentelijke monumenten
Een monument of archeologisch monument op een locatie met de functie-aanduiding gemeentelijk monument is aangewezen als gemeentelijk monument, voor zover het is opgenomen in Bijlage III 'Gemeentelijke monumenten (monument)'.
Artikel 3.25Regels over gemeentelijke monumenten
Bij het verrichten van een gemeentelijke monumentenactiviteit of een andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft, wordt voldaan aan paragraaf 4.2.13 'Gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen'.
Subparagraaf 3.2.4.3 Gebouwde en aangelegde gemeentelijke monumenten
Artikel 3.26Aanwijzing monument als gemeentelijk monument
Een monument, opgenomen in bijlage III Gemeentelijke monumenten (monument), op een locatie met de functie-aanduiding gemeentelijk monument is aangewezen als gemeentelijk monument.
Artikel 3.27Regels over gemeentelijke monumenten
Bij het verrichten van een gemeentelijke monumentenactiviteit of andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft, wordt voldaan aan paragraaf 4.2.13 'Gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen'.
Subparagraaf 3.2.4.4 (Te verwachten) archeologisch monumenten
Artikel 3.28Aanwijzing (te verwachten) archeologische monumenten
1.
De te verwachten archeologische monumenten op een locatie met de functie-aanduiding te verwachten archeologisch monument met een hoge verwachting zijn aangewezen als te verwachten archeologisch monument met een hoge verwachting.
Artikel 3.29Regels over (te verwachten) archeologisch monumenten
Bij het verrichten van activiteiten in of op een archeologisch monument of te verwachten archeologisch monument wordt voldaan aan paragraaf 4.2.14 'Activiteiten in of op (te verwachten) archeologische monumenten'.
Paragraaf 3.2.5
Belemmeringengebieden
Artikel 3.30Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in belemmeringengebieden.
Artikel 3.31Doelen
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van in de grond aanwezige leidingen en ondersteunende werken.
Artikel 3.32Activiteiten in belemmeringengebied gasleiding
Met het oog op de doelen in artikel 3.31, wordt bij het verrichten van activiteiten in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - gasleiding voldaan aan paragraaf 4.2.15.1.
Artikel 3.33Activiteiten in belemmeringengebied brandstofleiding
Met het oog op de doelen in artikel 3.31, wordt bij het verrichten van activiteiten in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - brandstofleiding voldaan aan paragraaf 4.2.15.2.
Artikel 3.34Activiteiten in belemmeringengebied watertransportleiding
Met het oog op de doelen in artikel 3.31, wordt bij het verrichten van activiteiten in het belemmeringengebied buisleiding - watertransportleiding voldaan aan paragraaf 4.2.15.3.
Paragraaf 3.2.6
Beperkingengebieden
Artikel 3.35Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in beperkingengebieden.
Artikel 3.36Doelen
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behouden van de functies van het waterstaatswerk en het voorkomen van schade.
Artikel 3.37Activiteiten in het beperkingengebied waterkering
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 3.36, wordt bij het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied waterkering voldaan aan paragraaf 4.2.16.1 activiteiten in het beperkingengebied waterkering.
Artikel 3.38Activiteiten in het beperkingengebied beschermingszone waterkering
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 3.36, wordt bij het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied beschermingszone waterkering voldaan aan paragraaf 4.2.16.2 activiteiten in het beperkingengebied beschermingszone waterkering.
Afdeling 3.3
Gebiedstypen
Paragraaf 3.3.1
Algemeen
Artikel 3.39Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over de volgende activiteiten met gebruiksruimte: a. agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. cultuur- en ontspanningsactiviteiten; d. detailhandelsactiviteiten; e. dienstverleningsactiviteiten; f. horeca-activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3.43; g. infrastructuuractiviteiten, zoals bedoeld in artikel 3.44; h. kantooractiviteiten; i. maatschappelijke activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3.45; j. recreatie-activiteiten; k. sportactiviteiten; en l. woonactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 3.46.
Paragraaf 3.3.2
Woongebied
Artikel 3.40Aanwijzing
De geometrische begrenzing van woongebied is opgenomen in het geometrische informatieobject woonwijk Tolhek in bijlage IV bij dit omgevingsplan.
Artikel 3.41Doelen
Binnen het woongebied gelden de volgende doelen, bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c. een gezonde en veilige leefomgeving; d. het beschermen van het milieu; e. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; f. de kwaliteit van bouwwerken; g. het beperken van hinder; h. het benutten van locaties en bouwwerken; en i. het behouden van een hoogwaardig woonmilieu.
Artikel 3.42Insluiten activiteiten
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden binnen het woongebied, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in artikel 3.39, alleen de volgende activiteiten verricht: a. horeca-activiteiten; b. infrastructuuractiviteiten; c. maatschappelijke activiteiten; d. wateractiviteiten; en e. woonactiviteiten.
Artikel 3.43Horeca-activiteiten
1.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden horeca-activiteiten uitsluitend verricht: a. binnen de locatie horeca; en b. binnen de locatie restaurant/snackbar als het gaat om het exploiteren van een restaurant/snackbar.
2.
Bij horeca-activiteiten wordt voldaan aan: a.
Paragraaf 4.2.1 - bouwen algemeen;
b.
Paragraaf 4.2.4 - bouwen van een gebouw;
c.
Paragraaf 4.2.6 - bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde;
d.
Paragraaf 4.3.2 - horeca-activiteit verrichten; en
e.
Paragraaf 4.3.7 - parkeerbehoefte veranderen.
Artikel 3.44Infrastructuuractiviteiten
1.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden infrastructuuractiviteiten uitsluitend verricht binnen de locatie infrastructuur.
2.
Bij infrastructuuractiviteiten wordt voldaan aan: a.
Paragraaf 4.2.1 - bouwen algemeen;
b.
Paragraaf 4.2.6 - bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde;
c.
Paragraaf 4.2.7 - bouwen van overige (andere) bouwwerken;
d.
Paragraaf 4.2.9 - gebruik van open erven en terreinen; en
e.
Paragraaf 4.3.5 - aanleggen of wijziging van wegen of wegen of spoorwegen.
Artikel 3.45Maatschappelijke activiteiten
1.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden maatschappelijke activiteiten uitsluitend verricht: a. binnen de locatie maatschappelijk; en b. binnen de locatie onderwijs als het gaat om het geven van onderwijs.
2.
Bij maatschappelijke activiteiten wordt voldaan aan: a.
Paragraaf 4.2.1 - bouwen algemeen;
b.
Paragraaf 4.2.4 - bouwen van een gebouw;
c.
Paragraaf 4.2.6 - bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde;
d.
Paragraaf 4.3.3 - maatschappelijke activiteiten verrichten; en
e.
Paragraaf 4.3.7 - parkeerbehoefte veranderen.
Artikel 3.46Woonactiviteiten
1.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden woonactiviteiten uitsluitend verricht binnen de locatie wonen.
2.
Bij woonactiviteiten wordt voldaan aan: a.
Paragraaf 4.2.1 - bouwen algemeen;
b.
Paragraaf 4.2.3 - bouwen van een hoofdgebouw;
c.
Paragraaf 4.2.5 - bouwen van een bijbehorend bouwwerk;
d.
Paragraaf 4.2.6 - bouwen van een ander bouwwerk, geen bouwwerk zijnde;
e.
Paragraaf 4.2.7 - bouwen van overige (andere) bouwwerken;
f.
Paragraaf 4.3.4 - woonactiviteiten;
g.
Paragraaf 4.3.6 - kwetsbare gebouwen en locaties toevoegen; en
h.
Paragraaf 4.3.7 - parkeerbehoefte veranderen.
Hoofdstuk 4
Activiteiten
Afdeling 4.1
Algemene bepalingen
Artikel 4.1Toepassingsbereik
1.
Hoofdstuk 4 is alleen van toepassing binnen de locatie woonwijk Tolhek.
2.
Deze afdeling is van toepassing op alle activiteiten genoemd in dit hoofdstuk.
Artikel 4.2Normadressaat
Aan dit hoofdstuk moet worden voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 4.3Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften
Het college van burgemeester en wethouders kan bij een omgevingsplanactiviteit maatwerkvoorschriften stellen of vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning, waarvoor de volgende voorwaarden gelden: a. aan een algemene bepaling, algemene regel of zorgplicht genoemd in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 kan een maatwerkvoorschrift worden verbonden, waarbij in artikelen soms specifiek is aangegeven ten aanzien van welke onderwerpen maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld en/of welke instanties daarbij om advies moeten worden gevraagd; b. daarnaast kan aan een omgevingsvergunning een voorschrift worden verbonden; c. met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten genoemd in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 in dit omgevingsplan, waarbij een maatwerkvoorschrift niet wordt gesteld als over dat onderwerp al een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden; d. bij het stellen van een maatwerkvoorschrift worden, indien aanwezig, de doelen, met het oog waarop de regels zijn gesteld, in acht genomen; e. maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften kunnen alleen worden gesteld voor zover deze niet zijn uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving, het besluit kwaliteit leefomgeving en het besluit bouwwerken leefomgeving. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.4Specifieke zorgplicht
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.1 is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteiten achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 4.5Algemene indieningsvereisten bij een meldingsplicht
Een melding wordt ondertekend en bevat tenminste: a. een beschrijving van de activiteit; en b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en c. het telefoonnummer en e-mailadres van degenen die de melding doet; en d. als de melding wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; en e. als de melding wordt ingediend namens een onderneming: nummer van Kamer van Koophandel; en f. het adres, kadastrale aanduiding, of coördinaten waarop de activiteit wordt verricht; en g. de dagtekening.
Bij een (voorgenomen) wijziging van de naam of het adres moeten de gewijzigde gegevens zijn verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Daarnaast moeten tenminste vier weken voordat de activiteit door een ander zal worden verricht, de gewijzigde gegevens verstrekt zijn aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 4.6Algemene indieningsvereisten bij een informatieplicht
Informatie die wordt verzonden in het kader van een informatieplicht wordt ondertekend en bevat tenminste: a. de aanduiding van de activiteit; en b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en c. het telefoonnummer en e-mailadres van degenen die de informatie geeft; en d. als de informatie wordt gegeven door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; en e. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en f. de dagtekening.
Bij een (voorgenomen) wijziging van de naam of het adres moeten de gewijzigde gegevens zijn verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Daarnaast moeten tenminste vier weken voordat de activiteit door een ander zal worden verricht, de gewijzigde gegevens verstrekt zijn aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 4.7Algemene indieningsvereisten bij een omgevingsvergunningplicht
Een aanvraag omgevingsvergunning bevat, naast de wettelijke aanvraagvereisten: a. de aanduiding van de activiteit; en b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening; e. tekeningen, waarbij de volgende eisen gelden:
1.
Tekeningen worden verstrekt met een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding; en 2.
Een tekening heeft een schaal die niet kleiner is dan:
I.
1:1000, als het gaat om een situatietekening; of II.
1:100, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto vloeroppervlakte van minder dan 10.000 m2; of III.
1:200, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto vloeroppervlakte van 10.000 m2 of groter; en 3.
Een detailtekening heeft schaal van 1:5, 1:10 of 1:20; en 4.
De situatietekening heeft een noordpijl waaruit de oriëntatie van het bouwwerk blijkt op het perceel en ten opzichte van de omgeving; en 5.
Indien in de bijzondere aanvraagvereisten een schaal is aangegeven, dan heeft die schaal voorrang op de hierboven genoemde schalen.
Bij een (voorgenomen) wijziging van de naam of het adres moeten de gewijzigde gegevens zijn verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Daarnaast moeten tenminste vier weken voordat de activiteit door een ander zal worden verricht, de gewijzigde gegevens verstrekt zijn aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 4.8Gegevens en documenten op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en documenten verstrekt: a. voor zover degene die de activiteit verricht hier redelijkerwijs beschikking over kan krijgen; b. die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Artikel 4.9Gelijkwaardige maatregelen
Daar waar binnen dit omgevingsplan sprake is van voorgeschreven maatregelen binnen de algemene regels, is het voor een initiatiefnemer mogelijk om in plaats van de voorgeschreven maatregel een gelijkwaardige maatregel te treffen, mits de gelijkwaardige maatregel tenminste hetzelfde resultaat bereikt als in de regel is beoogd en de volgende procedure wordt gevolgd: a. voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel is van tevoren toestemming vereist van het college van burgemeester en wethouders; b. bij een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen moeten de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt:
Artikel 4.10Algemene inherente afwijking
Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor een activiteit waarvoor op grond van de toepasselijke beoordelingsregels in dit omgevingsplan geen omgevingsvergunning kan worden verleend én voor een activiteit die niet overeenkomstig de algemene regels van dit omgevingsplan kan worden uitgevoerd, onder de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag geen onevenredige negatieve gevolgen veroorzaken voor één of meer belanghebbenden in verhouding tot de gevolgen die zouden ontstaan bij het toepassen van de algemene regels of beoordelingsregels; en b. de activiteit past aantoonbaar binnen:
Artikel 4.11Verbod op gebruik bouwwerk bij bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het college van burgemeester en wethouders is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 4.12Verbod verrichten activiteit bij meldingsplicht
In het geval van een meldingsplicht is het verboden om een activiteit te verrichten zonder voorafgaande melding.
Artikel 4.13Verbod verrichten activiteit bij omgevingsvergunningplicht
In het geval van een omgevingsvergunningplicht is het verboden om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning.
Afdeling 4.2
Thematische activiteiten
Paragraaf 4.2.1
Bouwen - algemeen
Artikel 4.14Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over algemene bepalingen voor het bouwen.
Artikel 4.15Indieningsvereisten melding - activiteit bouwen
1.
Bij het doen van een melding voor een bouwactiviteit worden in ieder geval de volgende documenten en gegevens verstrekt: a. een overzicht van de bouwkosten; b. het gewenste en het huidige gebruik van het bouwwerk en de gronden die daar bij horen waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een opgave van de gebruiksoppervlakte in m2 van de uitbreiding van het bouwwerk of van het nieuw te bouwen bouwwerk; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
2.
Een tekening verstrekt bij het doen van een melding voor het bouwen van een bouwactiviteit voldoet aan de volgende regels: a. een tekening heeft een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding; b. een situatietekening heeft:
1.
1:100 als de oppervlakte van het bouwwerk kleiner is dan 10.000 m2; of 2.
1:200 als de oppervlakte van het bouwwerk 10.000 m2 of groter is.
Artikel 4.16Indieningsvereisten omgevingsvergunning - activiteit bouwen
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit worden in ieder geval de volgende documenten en gegevens verstrekt: a. een overzicht van de bouwkosten; b. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, van de bestaande situatie; c. het gewenste en het huidige gebruik van het bouwwerk en de gronden die daar bij horen waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; e. een opgave van de gebruiksoppervlakte in m2 van de uitbreiding van het bouwwerk of van het nieuw te bouwen bouwwerk; f. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
2.
Een tekening verstrekt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voldoet aan de volgende regels: a. een tekening heeft een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding; b. een situatietekening heeft:
1.
1:100 als de oppervlakte van het bouwwerk kleiner is dan 10.000 m2; of 2.
1:200 als de oppervlakte van het bouwwerk 10.000 m2 of groter is.
Artikel 4.17
Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.
Voor zover een aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en hetin stand houden van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden van bouwwerken, met uitzondering van het bepaalde in de artikelen 4.97 en 4.105. b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 en de toekomstige wijzigingen daarvan; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
3.
Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 4.17, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 4.17.
Artikel 4.18
Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
3.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 4.19Meetbepalingen
Bij het bouwen van bouwwerken wordt op de volgende wijze gemeten: a. bouwhoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen; b. dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak; c. oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; en d. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; e. in dit hoofdstuk worden de waarden die in m of in m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
Artikel 4.20Specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor de activiteiten in dit hoofdstuk in ieder geval in dat: a. beschadiging van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; b. belemmering van het gebruik van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en c. bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.
Artikel 4.21Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt niet begonnen voordat: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
Artikel 4.22Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 4.23Aansluiting op het distributienet voor gas
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 4.24Aansluiting op het distributienet voor warmte
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 4.25Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 4.26Aansluiting op afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.3 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 4.27Bluswatervoorziening
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
2.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
3.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 4.28Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpdiensten
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2 bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
4.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 4.29Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of artikel 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 4.28, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Paragraaf 4.2.2
Het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken
Artikel 4.30Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over de activiteit het bouwen van een al dan niet vergunningplichtig bouwwerk en het in stand houden van een bouwwerk.
2.
Deze paragraaf geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is.
Artikel 4.31Algemene beoordelingsregels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken (welstand)
1.
Met het oog op het beschermen van de omgevingskwaliteit wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria in Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 en toekomstige wijzigingen daarvan. Dit is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
2.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de uitwerking en de toepassing van het eerste lid.
Artikel 4.32Overgangsbepaling over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken (welstand)
Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van een onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 4.31 beoordeeld volgens de criteria in de Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013.
Artikel 4.33Toezicht achteraf op het uiterlijk van bouwwerken
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is vereist.
Paragraaf 4.2.3
Bouwen van een hoofdgebouw
Artikel 4.34Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over de activiteit het bouwen van een hoofdgebouw.
2.
Voor de toepassing van de paragrafen 4.1 tot en met 4.2.7 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Artikel 4.35Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen.
2.
Het verbod geldt niet voor het veranderen van een bouwwerk, als er geen sprake is van: a. uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. uitbreiding van het bouwvolume; en c. een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
Artikel 4.36Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Paragraaf 4.2.4
Bouwen van een gebouw Subparagraaf 4.2.4.1 Bouwen van een gebouw - algemeen
Artikel 4.37Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een gebouw, niet zijnde een hoofdgebouw en/of een bijbehorend bouwwerk en/of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf als bedoeld in subparagraaf 4.2.4.2.
Artikel 4.38Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen.
2.
Het verbod geldt niet voor het veranderen van een bouwwerk, als er geen sprake is van: a. uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. uitbreiding van het bouwvolume; en c. een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
Artikel 4.39Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Subparagraaf 4.2.4.2 Bouwen van een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf
Artikel 4.40Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4.41Aanwijzing vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.43.
Artikel 4.42Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Artikel 4.43Algemene regels bouwen bouwwerk voor recreatief nachtverblijf
1.
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen als deze: a. op de grond staat; en b. maximaal 5 m hoog is; en c. een maximale oppervlakte van 70 m2 heeft.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
Paragraaf 4.2.5
Bouwen van een bijbehorend bouwwerk Subparagraaf 4.2.5.1 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk - algemeen
Artikel 4.44Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde de activiteit: a. het bouwen van een dakkapel; b. het bouwen van een dakopbouw; c. het bouwen van een erker.
2.
Artikel 4.45 is wél van toepassing op bovengenoemde activiteiten.
Artikel 4.45Absoluut verbod
Het is verboden een bijbehorend bouwwerk te bouwen als dit een uitbreiding is van: a. een woonwagen; b. een hoofdgebouw dat tijdelijk (middels een omgevingsvergunning) is toegestaan; of c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
Artikel 4.46Aanwijzing vergunningplicht
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.48.
2.
Het verbod geldt niet voor het veranderen van een bouwwerk, als er geen sprake is van: a. uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; en b. uitbreiding van het bouwvolume.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
Artikel 4.47Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Artikel 4.48Algemene regels bouwen bijbehorend bouwwerk algemeen
1.
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan te bouwen als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het staat op de grond; b. het ligt in het achtererfgebied; c. het biedt alleen verblijfsgebied op de eerste bouwlaag; d. het ligt op een afstand van meer dan 1 m vanaf het openbaar toegankelijk gebied; e. het heeft geen balkon, dakterras of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; f. de totale oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied is maximaal:
1.
50% in het geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2;
2.
50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2 in het geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2; of 3.
90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2 in het geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2; g. indien het bijbehorend bouwwerk is gelegen binnen 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw deze maximaal:
1.
5 m hoog is;
I. (de afstand van de daknok tot de perceelsgrens in [m] x 0,47) + 3 m bedraagt; en II.
5 m is; en 5. functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
3.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 4.48, onder i, onder 5 van overeenkomstige toepassing.
Subparagraaf 4.2.5.2 Bouwen van een dakkapel
Artikel 4.49Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een dakkapel.
Artikel 4.50Aanwijzing vergunningplicht bouwen dakkapel
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.52.
Artikel 4.51Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Artikel 4.52Algemene regels bouwen dakkapel
1.
Bij woningen is het toegestaan zonder omgevingsvergunning een dakkapel in het voordakvlak of in een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak te bouwen, mits: a. de dakkapel is voorzien van een plat dak; b. de dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1,75 m; c. de onderzijde van de dakkapel meer dan 0,50 m en minder dan 1 m boven de dakvoet ligt; d. de bovenzijde van de dakkapel meer dan 0,50 m onder de daknok ligt; en e. de zijkanten van de dakkapel meer dan 0,50 m van de zijkanten van het dakvlak liggen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
Artikel 4.53Informatieplicht bouwen dakkapel
1.
Ten minste vier weken voordat de dakkapel wordt geplaatst worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
2.
Een tekening verstrekt bij het voldoen aan de informatieplicht bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende vereisten: a. een tekening heeft een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding; b. een situatietekening heeft:
Subparagraaf 4.2.5.3 Bouwen van een dakopbouw
Artikel 4.54Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een dakopbouw.
Artikel 4.55Aanwijzing vergunningplicht dakopbouw bouwen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakopbouw te bouwen.
Artikel 4.56Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de activiteit in overeenstemming is met de doelen zoals genoemd in artikel 3.3; b. de activiteit in overeenstemming is met de beleidsregels dakopbouwen gemeente Pijnacker-Nootdorp 2024 en toekomstige wijzigingen daarvan.
Subparagraaf 4.2.5.4 Bouwen van een erker
Artikel 4.57Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een erker.
Artikel 4.58Aanwijzing vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erker te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.59.
Artikel 4.59Algemene regels bouwen erker
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een erker te bouwen, als bedoeld in artikel 4.57, mits: a. de diepte van de erker maximaal 1 m is; b. de erker een oppervlakte van maximaal 4 m2 heeft; c. de bouwhoogte van de erker maximaal 0,4 m boven de bouwvloer van de 1e verdieping van het hoofdgebouw bedraagt én in geval van bouwen aan de voorgevel van het hoofdgebouw de diepte van de voortuin tot de voorste perceelsgrens ten minste 4 m is.
Artikel 4.60Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Paragraaf 4.2.6
Bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde Subparagraaf 4.2.6.1 Bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde - algemeen
Artikel 4.61Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over de activiteit het bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde, onderverdeeld in onder meer: a. de activiteit het bouwen van een erf- of perceelsafscheiding; b. de activiteit het bouwen van een vlaggenmast; c. de activiteit het bouwen van een luifel; d. de activiteit het bouwen van een pergola; e. de activiteit het bouwen van een sport- of speeltoestel; f. de activiteit het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening.
Subparagraaf 4.2.6.2 Bouwen van een erf- of perceelsafscheiding
Artikel 4.62Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een erf- of perceelsafscheiding.
Artikel 4.63Aanwijzing vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erf- of perceelsafscheiding te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.65.
Artikel 4.64Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Artikel 4.65Algemene regels bouwen erf- of perceelsafscheiding
1.
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een erf- of perceelsafscheiding te bouwen als deze: a. maximaal 1 m hoog is; of b. hoger is dan 1 m, maar niet hoger dan 2 m en de afscheiding:
2.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
Subparagraaf 4.2.6.3 Bouwen van een vlaggenmast
Artikel 4.66Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een vlaggenmast.
Artikel 4.67Aanwijzing vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vlaggenmast te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.69.
Artikel 4.68Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Artikel 4.69Algemene regels bouwen vlaggenmast
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een vlaggenmast te bouwen als: a. deze maximaal 6 m hoog is; b. bij het bouwen van een vlaggenmast op een erf, er in totaal maximaal één vlaggenmast aanwezig is op dat erf; of c. er sprake is van het bouwen van een vlaggenmast bij een school of in openbaar toegankelijk gebied, deze maximaal 10 m hoog is.
Subparagraaf 4.2.6.4 Bouwen van een luifel
Artikel 4.70Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een luifel.
Artikel 4.71Aanwijzing vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een luifel te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.73.
Artikel 4.72Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Artikel 4.73Algemene regels bouwen luifel
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een luifel te bouwen als deze: a. maximaal 3 m hoog is; of b. bij een school geplaatst wordt en maximaal 8 m hoog is.
Subparagraaf 4.2.6.5 Bouwen van een pergola
Artikel 4.74Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een pergola.
Artikel 4.75Aanwijzing vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een pergola te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.77.
Artikel 4.76Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Artikel 4.77Algemene regels bouwen pergola
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een pergola te bouwen als deze maximaal 3 m hoog is.
Subparagraaf 4.2.6.6 Bouwen van een sport- of speeltoestel
Artikel 4.78Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een sport- of speeltoestel.
Artikel 4.79Aanwijzing vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sport- of speeltoestel te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.81.
Artikel 4.80Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Artikel 4.81Algemene regels bouwen sport- of speeltoestel
1.
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik te bouwen als deze: a. maximaal 4 m hoog is; én b. alleen functioneert met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
Subparagraaf 4.2.6.7 Bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening
Artikel 4.82Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening.
Artikel 4.83Aanwijzing vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.85.
Artikel 4.84Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Artikel 4.85Algemene regels bouwen zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening
1.
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een zwembad, bubbelbad of een vijver te bouwen op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
Paragraaf 4.2.7
Bouwen van overige (andere) bouwwerken
Artikel 4.86Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen van alle overige (andere) bouwwerken.
Artikel 4.87Aanwijzing vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een overig (ander) bouwwerk te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.89.
Artikel 4.88Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Artikel 4.89Algemene regels bouwen overig (ander) bouwwerk
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een overig (ander) bouwwerk te bouwen als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. een overig (ander) bouwwerk wat gebouwd wordt in voor- of achtererfgebied mag maximaal 3 m hoog zijn én de oppervlakte mag maximaal 2 m2 zijn; b. geluidwerende voorzieningen in openbaar toegankelijk gebied mogen maximaal 6 meter hoog zijn.
Paragraaf 4.2.8
Bouwwerk slopen
Artikel 4.90Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over de activiteit het slopen van bouwwerken.
Artikel 4.91Doelen
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. de waarborgen van de veiligheid; b. het waarborgen van het woon- en leefklimaat; c. het beschermen van de gezondheid; d. het beschermen van landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden.
Artikel 4.92Specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor het slopen van bouwwerken in ieder geval in dat: a. beschadiging van bestaande werken die niet tot de sloopwerken behoren, zoveel mogelijk wordt voorkomen, beperkt of hersteld; en b. belemmering van het gebruik van bestaande werken zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt.
Paragraaf 4.2.9
Gebruik van open erven en terreinen
Artikel 4.93Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het gebruiken van open erven en terreinen.
Artikel 4.94Doelen
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het behoeden van de staat en werking van open erven en terreinen;
Artikel 4.95Specifieke zorgplicht
1.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor het gebruiken van een open erf of terrein in ieder geval in dat: a. de eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren; b. degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren; en c. degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Het eerste lid, aanhef en onder c, gaat in ieder geval over overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 4.96Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 4.2.11 aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 4.2.11 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Tabel 4.2.11 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.
50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.
1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
Artikel 4.97Bouwveiligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Paragraaf 4.2.10
Woonruimte wijzigen
Artikel 4.98Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het wijzigen van woonruimte.
Artikel 4.99Doelen
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bereiken en in stand houden van voldoende woonruimte; b. een gevarieerde woningvoorraad; en c. een goed woon- en leefklimaat.
Artikel 4.100Aanwijzing vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een woonruimte met andere woonruimte samen te voegen of samengevoegd te houden; b. een woonruimte van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden ten behoeve van de huisvesting van meer dan twee personen; en c. een woonruimte te splitsen tot twee of meer woonruimten of in die verbouwde staat te houden.
Artikel 4.101Bijzondere aanvraagvereisten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw in de huidige en beoogde situatie; b. de wijze waarop het terrein ontsloten wordt; c. de reeds aanwezige parkeerplaatsen en nieuw te realiseren parkeerplaatsen; d. de volgende gegevens over de huidige situatie:
Artikel 4.102Beoordelingsregels omgevingsvergunning
1.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. er naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
2.
Het college stelt beleidsregels op, waarin in ieder geval zijn opgenomen: a. criteria wanneer sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu; b. normen voor geluidisolatie; en c. de gebruiksoppervlakte van de woonruimte.
Paragraaf 4.2.11
Woonruimte gebruiken
Artikel 4.103Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het gebruiken van een woonruimte.
Artikel 4.104Doelen
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat.
Artikel 4.105Algemene regels over wonen
1.
Een woning wordt gebruikt door ten hoogste één huishouden.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid geldt als één huishouden ook: a. een eigenaar die als hoofdbewoner kamers verhuurt aan maximaal twee personen; en b. een huishouden dat mantelzorg verleent, waarbij de ontvanger van mantelzorg in de woning woont of in een gebouw dat bij de woning hoort.
3.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
4.
Het derde lid geldt niet voor woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Paragraaf 4.2.12
Beroep en/of bedrijf aan huis uitoefenen
Artikel 4.106Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het uitoefenen van een beroep en/of bedrijf aan huis.
Artikel 4.107Doelen
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid; en c. ruimte bieden aan economische activiteiten.
Artikel 4.108Algemene regels uitoefenen beroep en/of bedrijf aan huis
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een beroep en/of bedrijf aan huis uit te oefenen, mits: a. een beroep en/of bedrijf aan huis door de bewoner zelf wordt uitgeoefend; b. het beroep en/of bedrijf aan huis in de woonruimte of in een bijbehorend bouwwerk bij de woonruimte wordt uitgeoefend; c. de oppervlakte waarop het beroep en/of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend, ten hoogste 75 m2 of ten hoogste 30% van de bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken is; d. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van het bedrijf plaatsvindt; e. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat behoudens in- en uitladen, geen bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden, en f. de bedrijfsactiviteiten door hun aard, omvang en visuele aspecten, het woonkarakter van de woning en het milieu van de omgeving niet onevenredig aantasten.
Artikel 4.109Zorgplicht uitoefenen beroep en/of bedrijf aan huis
1.
De uitvoerder van de beroep en/of bedrijf aan huis draagt er zorg voor dat buiten de woning en de bijbehorende bouwwerken geen onevenredige hinder voor het milieu van de omgeving optreedt.
2.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld voor de uitwerking van de toepassing van het eerste lid.
Paragraaf 4.2.13
Gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen
Artikel 4.110Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen op een locatie met de functie-aanduiding gemeentelijk monument.
Artikel 4.111Doelen
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed.
Artikel 4.112Verbod
Het is verboden: a. een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen; of b. aan gemeentelijke monumenten, voor zover het gaat om een monument, onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 4.113Specifieke zorgplicht
Degene die een gemeentelijke monumentenactiviteit of een andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.
Artikel 4.114Maatwerkvoorschrift
Een maatwerkvoorschrift kan met het oog op het belang, bedoeld in artikel 4.111 over een andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft worden gesteld over artikel 4.113.
Artikel 4.115Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijke monumentenactiviteit te verrichten.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een gemeentelijke monumentenactiviteit met betrekking tot een monument, voor zover het gaat om: a. noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; b. alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:
Artikel 4.116Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: algemeen
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
Artikel 4.117Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: slopen monument
1.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.116, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
I. plattegronden;
II. doorsneden;
III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 3. slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
Artikel 4.118
Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: verplaatsen monument 1.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.116, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
I. plattegronden;
II. doorsneden;
III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 3. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
I. plattegronden;
II. doorsneden;
III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
Artikel 4.119
Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: wijzigen monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen 1.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.116, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
I. plattegronden;
II. doorsneden;
III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht;
I. plattegronden;
II. doorsneden;
III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 5. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
Artikel 4.120
Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.116 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 4.121
Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: monumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument 1.
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.116, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
3.
Tekeningen als bedoeld in eerste en/of tweede lid hebben een schaal die niet kleiner is dan: a.
1:2000, als het gaat om een topografische kaart; b.
1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c.
1:50, als het gaat om een detailtekening.
Artikel 4.122Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 4.117 tot en met 4.119
1.
Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 4.117 tot en met 4.119 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a.
1:1000, als het gaat om een situatietekening; b.
1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c.
1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d.
1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.
2.
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
3.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
4.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen:
Artikel 4.123Beoordelingsregels omgevingsvergunning
1.
De omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.
2.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en d. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Artikel 4.124Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, worden voorschriften verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie.
Paragraaf 4.2.14
Activiteiten in of op (te verwachten) archeologische monumenten
Artikel 4.125Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten op een locatie met de functie-aanduiding te verwachten archeologisch monument: a. het bouwen van bouwwerken; b. het slopen van bouwwerken; c. het afgraven van gronden; d. aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen (en boomstobben) en struiken; en e. het ophogen en egaliseren van gronden.
Artikel 4.126Doelen
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van archeologische monumenten.
Artikel 4.127Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning op of in een archeologisch monument of een te verwachten archeologisch monument: a. een bouwwerk te bouwen; b. een bouwwerk te slopen; of c. de activiteiten, bedoeld in artikel 4.125 onder c tot en met e, te verrichten.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet: a. voor vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. in of op een te verwachten archeologisch monument met een hoge verwachting als:
3.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor activiteiten: a. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. die bestaan uit de aanleg van kabelsleuven of leidingsleuven, met een breedte van maximaal 30 cm; c. die worden uitgevoerd in een bestaand cunet van een weg of leiding; of d. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen of, ingeval van een booronderzoek, plan van aanpak.
4.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet op een op een te verwachten archeologisch monument met een hoge verwachting voor activiteiten waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 50 m2 of die plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld.
Artikel 4.128Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in of op een archeologisch monument of een te verwachten archeologisch monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
2.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk in of op een archeologisch monument of een te verwachten archeologisch monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; en b. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen.
3.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in 4.125, in of op een archeologisch monument of een te verwachten archeologisch monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
4.
Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste of derde lid, worden zo nodig de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; b. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; of c. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
Artikel 4.129
Beoordelingsregels omgevingsvergunning (ruimtelijk) bouwen in of op (te verwachten) archeologisch monument 1.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
2.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Artikel 4.130Vergunningvoorschriften (ruimtelijk) bouwen in of op (te verwachten) archeologisch monument
1.
Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de een archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; d. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; e. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden; f. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden; g. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; h. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en i. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
2.
De voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder a, kunnen bij het slopen van een bouwwerk worden gesteld over de wijze van slopen.
Paragraaf 4.2.15
Belemmeringengebieden Subparagraaf 4.2.15.1 Belemmeringengebied gasleiding - omgevingsvergunningplicht
Artikel 4.131Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op alle activiteiten in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - gasleiding.
Artikel 4.132Doelen
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van in de grond aanwezige gasleidingen en ondersteunende werken.
Artikel 4.133Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - gasleiding de volgende activiteiten te verrichten: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; c. het indrijven van voorwerpen in de grond; d. het verlagen van bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van gronden.
2.
De omgevingsvergunningplicht in het eerste lid geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan.
Artikel 4.134Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In aanvulling op de wettelijk geldende aanvraagvereisten bevat een aanvraag omgevingsvergunning voor een activiteit, zoals genoemd in artikel 4.131, een advies van de leidingbeheerder voor de aangevraagde activiteit.
Artikel 4.135Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning voor een activiteit zoals genoemd in artikel 4.131 wordt uitsluitend verleend indien het belang van de gasleiding door het uitvoeren van de activiteit niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen wordt hierover advies ingewonnen bij de beheerder van de gasleiding.
Artikel 4.136Verboden activiteiten binnen belemmeringengebied gasleiding
Binnen het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - gasleiding zijn verboden: a. kwetsbare gebouwen, tenzij die een functionele binding hebben met de gasleiding; en b. zeer kwetsbare gebouwen.
Subparagraaf 4.2.15.2 Belemmeringengebied brandstofleiding
Artikel 4.137Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op alle activiteiten in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - brandstofleiding ten behoeve van de brandstofleiding.
Artikel 4.138Doelen
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van in de grond aanwezige brandstofleidingen en ondersteunende werken.
Artikel 4.139Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - brandstofleiding de volgende activiteiten te verrichten: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; c. het indrijven van voorwerpen in de grond; d. het verlagen van bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van gronden.
2.
De omgevingsvergunningplicht in het eerste geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b.