← Nederland

Omgevingsplan gemeente Pijnacker-Nootdorp (Pijnacker-Nootdorp)

In het kort

Dit omgevingsplan van de gemeente Pijnacker-Nootdorp stelt regels voor de fysieke leefomgeving, met als doel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het beschermen van onder andere woon- en leefklimaat, veiligheid, gezondheid en milieu.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696525 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1926/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-07-16 2025-07-16 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696525/nld@2025-07-17 /join/id/proces/gm1926/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm1926/2023/procedurefb65846102c04a5d9de837f326014ab3 /join/id/proces/gm1926/2024/proceduref9c76eddae374ada9f95683169e23c8d /join/id/proces/gm1926/2024/procedure0b9e3c2b8a1a4a409438f3bdb036c97e 2025-07-17 2025-07-17 /akn/nl/act/gm1926/2020/omgevingsplan/nld@2025-07-14;14123285 /akn/nl/act/gm1926/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm1926/2020/omgevingsplan/nld@2025-07-14;14123285 /join/id/stop/work_019 4 Omgevingsplan gemeente Pijnacker-Nootdorp Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 2 tot en met 11 van dit (permanente) omgevingsplan. Artikel 1.2 Aanvullende begripsbepalingen

  1. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
  2. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit (tijdelijke) omgevingsplan. Artikel 1.3 Voorrangsbepaling
  3. De regels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 11, gaan bij strijdigheden met het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor.
  4. De regels uit gemeentelijke verordeningen, die geen deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, blijven onverminderd van toepassing. Bij strijdigheden tussen het permanente deel van het omgevingsplan en de gemeentelijke verordeningen, die geen deel uitmaken (van het tijdelijke deel) van het omgevingsplan, gaan de regels uit de hoofdstukken 1 t/m 11 voor. Hoofdstuk 2 Doelen Afdeling 2.1 Algemene doelen omgevingsplan Artikel 2.1 Algemene doelen omgevingsplan Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van het milieu; f. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; g. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; h. het behoud van cultureel erfgoed; i. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; j. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; k. het beheren van infrastructuur; l. het beheren van watersystemen; m. het gebruiken van bouwwerken; n. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; o. het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan woonactiviteiten; p. het realiseren van een hoge architectonische kwaliteit van het openbaar gebied en van bebouwing. Afdeling 2.2 Specifieke doelen omgevingsplan Artikel 2.2 Doelen rustige woonwijk In aanvulling op artikel 2.1 gelden voor een rustige woonwijk de volgende specifieke doelen: a. het behouden van een hoogwaardig woonmilieu; b. het in stand houden van voldoende woonruimte; c. het behouden van een gedifferentieerde woningvoorraad; d. het behouden van een akoestisch aanvaardbaar woongebied; e. het behouden van een woongebied met een aanvaardbaar geurniveau; f. het behouden van een fietsvriendelijk woongebied; g. het behouden van een speel- en beweegvriendelijk woongebied; h. het selectief verdichten met passende woningbouw; i. het behouden en waar mogelijk versterken van de verbindingen met het buitengebied; j. kansen benutten om de kwaliteit van de openbare ruimte te versterken; k. een multifunctionele openbare ruimte met aandacht voor ontmoeting; l. een sterke regionale verbinding met duurzame vervoerswijzen; m. een gezonde en veilige leefomgeving. Hoofdstuk 3 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1 Toepassingsbereik
  5. Hoofdstuk 3 is alleen van toepassing binnen de locatie woonwijk Tolhek.
  6. Met uitzondering van afdeling 4.1 en paragraaf 4.3.1 is een afdeling of paragraaf in de hoofdstukken 4 en 5 alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 3 is bepaald. Afdeling 3.2 Thema's Paragraaf 3.2.1 (Bouw)werken Artikel 3.2 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken. Artikel 3.3 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken gelden de volgende doelen: a. het beschermen van stedenbouwkundige en landschappelijke waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van de gezondheid; d. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken. Artikel 3.4 Bouwen van een hoofdgebouw Met het oog op de doelen in artikel 3.3 wordt bij het bouwen van een hoofdgebouw voldaan aan: a. paragraaf 4.2.1 bouwen - algemeen; b. paragraaf 4.2.2 het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.3 bouwen van een hoofdgebouw. Artikel 3.5 Bouwen van een gebouw Met het oog op de doelen in artikel 3.3 wordt bij het bouwen van een gebouw voldaan aan: a. paragraaf 4.2.1 bouwen - algemeen; b. paragraaf 4.2.2 het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.4 bouwen van een gebouw. Artikel 3.6 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk Met het oog op de doelen in artikel 3.3 wordt bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk voldaan aan: a. paragraaf 4.2.1 bouwen - algemeen; b. paragraaf 4.2.2 het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.5 bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Artikel 3.7 Bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde Met het oog op de doelen in artikel 3.3 wordt bij het bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde voldaan aan: a. paragraaf 4.2.1 bouwen - algemeen; b. paragraaf 4.2.2 het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.6 bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde. Artikel 3.8 Bouwen van overige bouwwerken Met het oog op de doelen in artikel 3.3 wordt bij het bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde voldaan aan: a. paragraaf 4.2.1 bouwen - algemeen; b. paragraaf 4.2.2 het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.7 bouwen van overige bouwwerken. Artikel 3.9 Het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken Met het oog op de doelen in artikel 3.3, wordt bij het plaatsen en in stand houden van bouwwerken voldaan aan paragraaf 4.2.
  7. Artikel 3.10 Erven en terreinen gebruiken Met het oog op de doelen in artikel 3.3, wordt bij het gebruik van open erven en terreinen voldaan aan paragraaf 4.2.
  8. Artikel 3.11 Bouwwerken slopen Met het oog op de doelen in artikel 3.3, wordt bij het slopen van bouwwerken voldaan aan paragraaf 4.2.
  9. Paragraaf 3.2.2 Woonruimte Artikel 3.12 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot woonruimte. Artikel 3.13 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot woonruimte gelden de volgende doelen: a. het bereiken en in stand houden van voldoende woonruimte; b. het aanbieden van een gevarieerde woningvoorraad; en c. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 3.14 Woonruimte wijzigen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 3.13, wordt bij het wijzigen van woonruimte voldaan aan paragraaf 4.2.
  10. Artikel 3.15 Woonruimte gebruiken Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 3.13, wordt bij het gebruiken van woonruimte voldaan aan paragraaf 4.2.
  11. Artikel 3.16 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 3.13, wordt bij het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis voldaan aan paragraaf 4.2.
  12. Paragraaf 3.2.3 Infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied Artikel 3.17 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied. Artikel 3.18 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied gelden de volgende doelen: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; d. het beheren van infrastructuur; e. het beheren van watersystemen; f. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; g. het bevorderen van een aantrekkelijke en bereikbare stad; h. het behouden een adequaat verkeers- en vervoersniveau; i. het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid; en j. het bevorderen van een hoge kwaliteit van het openbaar gebied. Artikel 3.19 Gebruik van open erven en terreinen Met het oog op de doelen in artikel 3.18, wordt bij het gebruik van open erven en terreinen voldaan aan paragraaf 4.2.
  13. Artikel 3.20 Aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen Met het oog op de doelen in artikel 3.18, wordt bij de activiteit het aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen voldaan aan paragraaf 4.3.
  14. Artikel 3.21 Activiteiten in water Met het oog op de doelen in artikel 3.18, wordt bij het verrichten van activiteiten in de locatie water voldaan aan paragraaf 4.2.17 activiteiten in water. Paragraaf 3.2.4 Cultureel erfgoed Subparagraaf 3.2.4.1 Algemeen Artikel 3.22 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed. Artikel 3.23 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed gelden de volgende doelen: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; en b. het behoud van cultureel erfgoed. Subparagraaf 3.2.4.2 Gemeentelijke monumenten Artikel 3.24 Aanwijzing gemeentelijke monumenten Een monument of archeologisch monument op een locatie met de functie-aanduiding gemeentelijk monument is aangewezen als gemeentelijk monument, voor zover het is opgenomen in Bijlage III 'Gemeentelijke monumenten (monument)'. Artikel 3.25 Regels over gemeentelijke monumenten Bij het verrichten van een gemeentelijke monumentenactiviteit of een andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft, wordt voldaan aan paragraaf 4.2.13 'Gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen'. Subparagraaf 3.2.4.3 Gebouwde en aangelegde gemeentelijke monumenten Artikel 3.26 Aanwijzing monument als gemeentelijk monument Een monument, opgenomen in bijlage III Gemeentelijke monumenten (monument), op een locatie met de functie-aanduiding gemeentelijk monument is aangewezen als gemeentelijk monument. Artikel 3.27 Regels over gemeentelijke monumenten Bij het verrichten van een gemeentelijke monumentenactiviteit of andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft, wordt voldaan aan paragraaf 4.2.13 'Gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen'. Subparagraaf 3.2.4.4 (Te verwachten) archeologisch monumenten Artikel 3.28 Aanwijzing (te verwachten) archeologische monumenten
  15. De te verwachten archeologische monumenten op een locatie met de functie-aanduiding te verwachten archeologisch monument met een hoge verwachting zijn aangewezen als te verwachten archeologisch monument met een hoge verwachting. Artikel 3.29 Regels over (te verwachten) archeologisch monumenten Bij het verrichten van activiteiten in of op een archeologisch monument of te verwachten archeologisch monument wordt voldaan aan paragraaf 4.2.14 'Activiteiten in of op (te verwachten) archeologische monumenten'. Paragraaf 3.2.5 Belemmeringengebieden Artikel 3.30 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in belemmeringengebieden. Artikel 3.31 Doelen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van in de grond aanwezige leidingen en ondersteunende werken. Artikel 3.32 Activiteiten in belemmeringengebied gasleiding Met het oog op de doelen in artikel 3.31, wordt bij het verrichten van activiteiten in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - gasleiding voldaan aan paragraaf 4.2.15.
  16. Artikel 3.33 Activiteiten in belemmeringengebied brandstofleiding Met het oog op de doelen in artikel 3.31, wordt bij het verrichten van activiteiten in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - brandstofleiding voldaan aan paragraaf 4.2.15.
  17. Artikel 3.34 Activiteiten in belemmeringengebied watertransportleiding Met het oog op de doelen in artikel 3.31, wordt bij het verrichten van activiteiten in het belemmeringengebied buisleiding - watertransportleiding voldaan aan paragraaf 4.2.15.
  18. Paragraaf 3.2.6 Beperkingengebieden Artikel 3.35 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in beperkingengebieden. Artikel 3.36 Doelen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behouden van de functies van het waterstaatswerk en het voorkomen van schade. Artikel 3.37 Activiteiten in het beperkingengebied waterkering Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 3.36, wordt bij het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied waterkering voldaan aan paragraaf 4.2.16.1 activiteiten in het beperkingengebied waterkering. Artikel 3.38 Activiteiten in het beperkingengebied beschermingszone waterkering Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 3.36, wordt bij het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied beschermingszone waterkering voldaan aan paragraaf 4.2.16.2 activiteiten in het beperkingengebied beschermingszone waterkering. Afdeling 3.3 Gebiedstypen Paragraaf 3.3.1 Algemeen Artikel 3.39 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over de volgende activiteiten met gebruiksruimte: a. agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. cultuur- en ontspanningsactiviteiten; d. detailhandelsactiviteiten; e. dienstverleningsactiviteiten; f. horeca-activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3.43; g. infrastructuuractiviteiten, zoals bedoeld in artikel 3.44; h. kantooractiviteiten; i. maatschappelijke activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3.45; j. recreatie-activiteiten; k. sportactiviteiten; en l. woonactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 3.
  19. Paragraaf 3.3.2 Woongebied Artikel 3.40 Aanwijzing De geometrische begrenzing van woongebied is opgenomen in het geometrische informatieobject woonwijk Tolhek in bijlage IV bij dit omgevingsplan. Artikel 3.41 Doelen Binnen het woongebied gelden de volgende doelen, bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c. een gezonde en veilige leefomgeving; d. het beschermen van het milieu; e. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; f. de kwaliteit van bouwwerken; g. het beperken van hinder; h. het benutten van locaties en bouwwerken; en i. het behouden van een hoogwaardig woonmilieu. Artikel 3.42 Insluiten activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden binnen het woongebied, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in artikel 3.39, alleen de volgende activiteiten verricht: a. horeca-activiteiten; b. infrastructuuractiviteiten; c. maatschappelijke activiteiten; d. wateractiviteiten; en e. woonactiviteiten. Artikel 3.43 Horeca-activiteiten
  20. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden horeca-activiteiten uitsluitend verricht: a. binnen de locatie horeca; en b. binnen de locatie restaurant/snackbar als het gaat om het exploiteren van een restaurant/snackbar.
  21. Bij horeca-activiteiten wordt voldaan aan: a. Paragraaf 4.2.1 - bouwen algemeen; b. Paragraaf 4.2.4 - bouwen van een gebouw; c. Paragraaf 4.2.6 - bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde; d. Paragraaf 4.3.2 - horeca-activiteit verrichten; en e. Paragraaf 4.3.7 - parkeerbehoefte veranderen. Artikel 3.44 Infrastructuuractiviteiten
  22. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden infrastructuuractiviteiten uitsluitend verricht binnen de locatie infrastructuur.
  23. Bij infrastructuuractiviteiten wordt voldaan aan: a. Paragraaf 4.2.1 - bouwen algemeen; b. Paragraaf 4.2.6 - bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde; c. Paragraaf 4.2.7 - bouwen van overige (andere) bouwwerken; d. Paragraaf 4.2.9 - gebruik van open erven en terreinen; en e. Paragraaf 4.3.5 - aanleggen of wijziging van wegen of wegen of spoorwegen. Artikel 3.45 Maatschappelijke activiteiten
  24. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden maatschappelijke activiteiten uitsluitend verricht: a. binnen de locatie maatschappelijk; en b. binnen de locatie onderwijs als het gaat om het geven van onderwijs.
  25. Bij maatschappelijke activiteiten wordt voldaan aan: a. Paragraaf 4.2.1 - bouwen algemeen; b. Paragraaf 4.2.4 - bouwen van een gebouw; c. Paragraaf 4.2.6 - bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde; d. Paragraaf 4.3.3 - maatschappelijke activiteiten verrichten; en e. Paragraaf 4.3.7 - parkeerbehoefte veranderen. Artikel 3.46 Woonactiviteiten
  26. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden woonactiviteiten uitsluitend verricht binnen de locatie wonen.
  27. Bij woonactiviteiten wordt voldaan aan: a. Paragraaf 4.2.1 - bouwen algemeen; b. Paragraaf 4.2.3 - bouwen van een hoofdgebouw; c. Paragraaf 4.2.5 - bouwen van een bijbehorend bouwwerk; d. Paragraaf 4.2.6 - bouwen van een ander bouwwerk, geen bouwwerk zijnde; e. Paragraaf 4.2.7 - bouwen van overige (andere) bouwwerken; f. Paragraaf 4.3.4 - woonactiviteiten; g. Paragraaf 4.3.6 - kwetsbare gebouwen en locaties toevoegen; en h. Paragraaf 4.3.7 - parkeerbehoefte veranderen. Hoofdstuk 4 Activiteiten Afdeling 4.1 Algemene bepalingen Artikel 4.1 Toepassingsbereik
  28. Hoofdstuk 4 is alleen van toepassing binnen de locatie woonwijk Tolhek.
  29. Deze afdeling is van toepassing op alle activiteiten genoemd in dit hoofdstuk. Artikel 4.2 Normadressaat Aan dit hoofdstuk moet worden voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.3 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften Het college van burgemeester en wethouders kan bij een omgevingsplanactiviteit maatwerkvoorschriften stellen of vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning, waarvoor de volgende voorwaarden gelden: a. aan een algemene bepaling, algemene regel of zorgplicht genoemd in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 kan een maatwerkvoorschrift worden verbonden, waarbij in artikelen soms specifiek is aangegeven ten aanzien van welke onderwerpen maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld en/of welke instanties daarbij om advies moeten worden gevraagd; b. daarnaast kan aan een omgevingsvergunning een voorschrift worden verbonden; c. met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten genoemd in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 in dit omgevingsplan, waarbij een maatwerkvoorschrift niet wordt gesteld als over dat onderwerp al een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden; d. bij het stellen van een maatwerkvoorschrift worden, indien aanwezig, de doelen, met het oog waarop de regels zijn gesteld, in acht genomen; e. maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften kunnen alleen worden gesteld voor zover deze niet zijn uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving, het besluit kwaliteit leefomgeving en het besluit bouwwerken leefomgeving. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.4 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.1 is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteiten achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 4.5 Algemene indieningsvereisten bij een meldingsplicht Een melding wordt ondertekend en bevat tenminste: a. een beschrijving van de activiteit; en b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en c. het telefoonnummer en e-mailadres van degenen die de melding doet; en d. als de melding wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; en e. als de melding wordt ingediend namens een onderneming: nummer van Kamer van Koophandel; en f. het adres, kadastrale aanduiding, of coördinaten waarop de activiteit wordt verricht; en g. de dagtekening. Bij een (voorgenomen) wijziging van de naam of het adres moeten de gewijzigde gegevens zijn verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Daarnaast moeten tenminste vier weken voordat de activiteit door een ander zal worden verricht, de gewijzigde gegevens verstrekt zijn aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 4.6 Algemene indieningsvereisten bij een informatieplicht Informatie die wordt verzonden in het kader van een informatieplicht wordt ondertekend en bevat tenminste: a. de aanduiding van de activiteit; en b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en c. het telefoonnummer en e-mailadres van degenen die de informatie geeft; en d. als de informatie wordt gegeven door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; en e. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en f. de dagtekening. Bij een (voorgenomen) wijziging van de naam of het adres moeten de gewijzigde gegevens zijn verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Daarnaast moeten tenminste vier weken voordat de activiteit door een ander zal worden verricht, de gewijzigde gegevens verstrekt zijn aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 4.7 Algemene indieningsvereisten bij een omgevingsvergunningplicht Een aanvraag omgevingsvergunning bevat, naast de wettelijke aanvraagvereisten: a. de aanduiding van de activiteit; en b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening; e. tekeningen, waarbij de volgende eisen gelden:
  30. Tekeningen worden verstrekt met een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding; en
  31. Een tekening heeft een schaal die niet kleiner is dan: I. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; of II. 1:100, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto vloeroppervlakte van minder dan 10.000 m2; of III. 1:200, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto vloeroppervlakte van 10.000 m2 of groter; en
  32. Een detailtekening heeft schaal van 1:5, 1:10 of 1:20; en
  33. De situatietekening heeft een noordpijl waaruit de oriëntatie van het bouwwerk blijkt op het perceel en ten opzichte van de omgeving; en
  34. Indien in de bijzondere aanvraagvereisten een schaal is aangegeven, dan heeft die schaal voorrang op de hierboven genoemde schalen. Bij een (voorgenomen) wijziging van de naam of het adres moeten de gewijzigde gegevens zijn verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Daarnaast moeten tenminste vier weken voordat de activiteit door een ander zal worden verricht, de gewijzigde gegevens verstrekt zijn aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 4.8 Gegevens en documenten op verzoek van het college van burgemeester en wethouders Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en documenten verstrekt: a. voor zover degene die de activiteit verricht hier redelijkerwijs beschikking over kan krijgen; b. die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Artikel 4.9 Gelijkwaardige maatregelen Daar waar binnen dit omgevingsplan sprake is van voorgeschreven maatregelen binnen de algemene regels, is het voor een initiatiefnemer mogelijk om in plaats van de voorgeschreven maatregel een gelijkwaardige maatregel te treffen, mits de gelijkwaardige maatregel tenminste hetzelfde resultaat bereikt als in de regel is beoogd en de volgende procedure wordt gevolgd: a. voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel is van tevoren toestemming vereist van het college van burgemeester en wethouders; b. bij een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen moeten de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt:
  35. een beschrijving van de activiteit en het onderwerp waarvoor de toestemming wordt aangevraagd;
  36. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd;
  37. het telefoonnummer van de initiatiefnemer;
  38. het adres van de initiatiefnemer;
  39. de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
  40. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
  41. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; en
  42. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de initiatiefnemer of de gemachtigde; c. het college beslist binnen 8 weken over het verlenen van toestemming voor het treffen van de gelijkwaardige maatregel. Artikel 4.10 Algemene inherente afwijking Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor een activiteit waarvoor op grond van de toepasselijke beoordelingsregels in dit omgevingsplan geen omgevingsvergunning kan worden verleend én voor een activiteit die niet overeenkomstig de algemene regels van dit omgevingsplan kan worden uitgevoerd, onder de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag geen onevenredige negatieve gevolgen veroorzaken voor één of meer belanghebbenden in verhouding tot de gevolgen die zouden ontstaan bij het toepassen van de algemene regels of beoordelingsregels; en b. de activiteit past aantoonbaar binnen:
  43. de oogmerken van de algemene regel of de beoordelingsregel; of
  44. de bredere doelen van het omgevingsplan, ondanks strijd met de oogmerken waartoe de beoordelingsregels of de algemene regels zijn opgesteld; en c. er zijn aantoonbaar geen alternatieven voor handen, waarvoor niet of in mindere mare van de oorspronkelijke regels hoeft te worden afgeweken. Artikel 4.11 Verbod op gebruik bouwwerk bij bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het college van burgemeester en wethouders is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 4.12 Verbod verrichten activiteit bij meldingsplicht In het geval van een meldingsplicht is het verboden om een activiteit te verrichten zonder voorafgaande melding. Artikel 4.13 Verbod verrichten activiteit bij omgevingsvergunningplicht In het geval van een omgevingsvergunningplicht is het verboden om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Afdeling 4.2 Thematische activiteiten Paragraaf 4.2.1 Bouwen - algemeen Artikel 4.14 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over algemene bepalingen voor het bouwen. Artikel 4.15 Indieningsvereisten melding - activiteit bouwen
  45. Bij het doen van een melding voor een bouwactiviteit worden in ieder geval de volgende documenten en gegevens verstrekt: a. een overzicht van de bouwkosten; b. het gewenste en het huidige gebruik van het bouwwerk en de gronden die daar bij horen waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een opgave van de gebruiksoppervlakte in m2 van de uitbreiding van het bouwwerk of van het nieuw te bouwen bouwwerk; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  46. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  47. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  48. de wijze waarop het perceel toegankelijk is;
  49. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  50. het gewenste gebruik van de gronden die onderdeel zijn van de plannen voor het bouwwerk; f. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; g. een beschrijving waar uit op te maken is of voldoende laad-, los- en parkeervoorzieningen voor auto's, (bestel)bussen, vrachtwagens en fietsen worden gerealiseerd op dit perceel of in de directe omgeving daarvan; en h. andere gegevens en documenten die te maken hebben met een mogelijke benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
  51. Een tekening verstrekt bij het doen van een melding voor het bouwen van een bouwactiviteit voldoet aan de volgende regels: a. een tekening heeft een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding; b. een situatietekening heeft:
  52. een noordpijl waaruit de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel blijkt ten opzichte van de omgeving; en
  53. een schaal die niet kleiner is dan 1:1.000; c. een detailtekening heeft een schaal van 1:5, 1:10 of 1:20; d. een geveltekening, plattegrond en doorsnede heeft een schaal van:
  54. 1:100 als de oppervlakte van het bouwwerk kleiner is dan 10.000 m2; of
  55. 1:200 als de oppervlakte van het bouwwerk 10.000 m2 of groter is. Artikel 4.16 Indieningsvereisten omgevingsvergunning - activiteit bouwen
  56. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit worden in ieder geval de volgende documenten en gegevens verstrekt: a. een overzicht van de bouwkosten; b. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, van de bestaande situatie; c. het gewenste en het huidige gebruik van het bouwwerk en de gronden die daar bij horen waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; e. een opgave van de gebruiksoppervlakte in m2 van de uitbreiding van het bouwwerk of van het nieuw te bouwen bouwwerk; f. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  57. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  58. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  59. de wijze waarop het perceel toegankelijk is;
  60. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  61. het gewenste gebruik van de gronden die onderdeel zijn van de plannen voor het bouwwerk; g. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; h. een beschrijving waar uit op te maken is of voldoende laad-, los- en parkeervoorzieningen voor auto's, (bestel)bussen, vrachtwagens en fietsen worden gerealiseerd op dit perceel of in de directe omgeving daarvan; i. als dat in het omgevingsplan wordt bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; j. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 en de toekomstige wijzigingen daarvan:
  62. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  63. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  64. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  65. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; k. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
  66. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.18, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
  67. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.18, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.18, redelijkerwijs is uit te sluiten; en l. andere gegevens en documenten die te maken hebben met een mogelijke benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
  68. Een tekening verstrekt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voldoet aan de volgende regels: a. een tekening heeft een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding; b. een situatietekening heeft:
  69. een noordpijl waaruit de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel blijkt ten opzichte van de omgeving; en
  70. een schaal die niet kleiner is dan 1:1.000; c. een detailtekening heeft een schaal van 1:5, 1:10 of 1:20; d. een geveltekening, plattegrond en doorsnede heeft een schaal van:
  71. 1:100 als de oppervlakte van het bouwwerk kleiner is dan 10.000 m2; of
  72. 1:200 als de oppervlakte van het bouwwerk 10.000 m2 of groter is. Artikel 4.17 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  73. Voor zover een aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en hetin stand houden van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden van bouwwerken, met uitzondering van het bepaalde in de artikelen 4.97 en 4.
  74. b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 en de toekomstige wijzigingen daarvan; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  75. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  76. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  77. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
  78. Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 4.17, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 4.
  79. Artikel 4.18 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  80. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  81. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  82. Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 4.19 Meetbepalingen Bij het bouwen van bouwwerken wordt op de volgende wijze gemeten: a. bouwhoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen; b. dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak; c. oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; en d. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; e. in dit hoofdstuk worden de waarden die in m of in m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
  83. afstanden loodrecht;
  84. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en
  85. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven; f. voor de toepassing van artikel 4.19 aanhef sub e en sub e onder 2, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelsgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 4.20 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor de activiteiten in dit hoofdstuk in ieder geval in dat: a. beschadiging van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; b. belemmering van het gebruik van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en c. bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 4.21 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt niet begonnen voordat: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 4.22 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  86. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  87. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 4.23 Aansluiting op het distributienet voor gas
  88. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  89. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 4.24 Aansluiting op het distributienet voor warmte
  90. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  91. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  92. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  93. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 4.25 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 4.26 Aansluiting op afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  94. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  95. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  96. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  97. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.3 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 4.27 Bluswatervoorziening
  98. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  99. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  100. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 4.28 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpdiensten
  101. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  102. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2 bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  103. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  104. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  105. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 4.29 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  106. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  107. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  108. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of artikel 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  109. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 4.28, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  110. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 4.2.2 Het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken Artikel 4.30 Toepassingsbereik
  111. Deze paragraaf gaat over de activiteit het bouwen van een al dan niet vergunningplichtig bouwwerk en het in stand houden van een bouwwerk.
  112. Deze paragraaf geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is. Artikel 4.31 Algemene beoordelingsregels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken (welstand)
  113. Met het oog op het beschermen van de omgevingskwaliteit wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria in Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 en toekomstige wijzigingen daarvan. Dit is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
  114. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de uitwerking en de toepassing van het eerste lid. Artikel 4.32 Overgangsbepaling over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken (welstand) Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van een onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 4.31 beoordeeld volgens de criteria in de Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp
  115. Artikel 4.33 Toezicht achteraf op het uiterlijk van bouwwerken Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is vereist. Paragraaf 4.2.3 Bouwen van een hoofdgebouw Artikel 4.34 Toepassingsbereik
  116. Deze paragraaf gaat over de activiteit het bouwen van een hoofdgebouw.
  117. Voor de toepassing van de paragrafen 4.1 tot en met 4.2.7 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Artikel 4.35 Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
  118. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen.
  119. Het verbod geldt niet voor het veranderen van een bouwwerk, als er geen sprake is van: a. uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. uitbreiding van het bouwvolume; en c. een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
  120. Het tweede lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Artikel 4.36 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Paragraaf 4.2.4 Bouwen van een gebouw Subparagraaf 4.2.4.1 Bouwen van een gebouw - algemeen Artikel 4.37 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een gebouw, niet zijnde een hoofdgebouw en/of een bijbehorend bouwwerk en/of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf als bedoeld in subparagraaf 4.2.4.
  121. Artikel 4.38 Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
  122. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen.
  123. Het verbod geldt niet voor het veranderen van een bouwwerk, als er geen sprake is van: a. uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. uitbreiding van het bouwvolume; en c. een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
  124. Het tweede lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Artikel 4.39 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Subparagraaf 4.2.4.2 Bouwen van een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf Artikel 4.40 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4.41 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  125. Artikel 4.42 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Artikel 4.43 Algemene regels bouwen bouwwerk voor recreatief nachtverblijf
  126. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen als deze: a. op de grond staat; en b. maximaal 5 m hoog is; en c. een maximale oppervlakte van 70 m2 heeft.
  127. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Paragraaf 4.2.5 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk Subparagraaf 4.2.5.1 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk - algemeen Artikel 4.44 Toepassingsbereik
  128. Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde de activiteit: a. het bouwen van een dakkapel; b. het bouwen van een dakopbouw; c. het bouwen van een erker.
  129. Artikel 4.45 is wél van toepassing op bovengenoemde activiteiten. Artikel 4.45 Absoluut verbod Het is verboden een bijbehorend bouwwerk te bouwen als dit een uitbreiding is van: a. een woonwagen; b. een hoofdgebouw dat tijdelijk (middels een omgevingsvergunning) is toegestaan; of c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden. Artikel 4.46 Aanwijzing vergunningplicht
  130. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  131. Het verbod geldt niet voor het veranderen van een bouwwerk, als er geen sprake is van: a. uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; en b. uitbreiding van het bouwvolume.
  132. Het tweede lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Artikel 4.47 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Artikel 4.48 Algemene regels bouwen bijbehorend bouwwerk algemeen
  133. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan te bouwen als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het staat op de grond; b. het ligt in het achtererfgebied; c. het biedt alleen verblijfsgebied op de eerste bouwlaag; d. het ligt op een afstand van meer dan 1 m vanaf het openbaar toegankelijk gebied; e. het heeft geen balkon, dakterras of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; f. de totale oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied is maximaal:
  134. 50% in het geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2;
  135. 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2 in het geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2; of
  136. 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2 in het geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2; g. indien het bijbehorend bouwwerk is gelegen binnen 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw deze maximaal:
  137. 5 m hoog is;
  138. zo hoog is als de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw + 0,3 m; en
  139. de bouwhoogte van het hoofdgebouw heeft; h. indien het bijbehorend bouwwerk is gelegen op meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
  140. de goothoogte maximaal 3 m is;
  141. de daknok van de kap is gevormd door ten minste 2 schuine dakvlakken;
  142. de hellingshoek van de kap maximaal 55 graden betreft;
  143. de bouwhoogte maximaal: I. (de afstand van de daknok tot de perceelsgrens in [m] x 0,47) + 3 m bedraagt; en II. 5 m is; en
  144. functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
  145. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
  146. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 4.48, onder i, onder 5 van overeenkomstige toepassing. Subparagraaf 4.2.5.2 Bouwen van een dakkapel Artikel 4.49 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een dakkapel. Artikel 4.50 Aanwijzing vergunningplicht bouwen dakkapel Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  147. Artikel 4.51 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Artikel 4.52 Algemene regels bouwen dakkapel
  148. Bij woningen is het toegestaan zonder omgevingsvergunning een dakkapel in het voordakvlak of in een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak te bouwen, mits: a. de dakkapel is voorzien van een plat dak; b. de dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1,75 m; c. de onderzijde van de dakkapel meer dan 0,50 m en minder dan 1 m boven de dakvoet ligt; d. de bovenzijde van de dakkapel meer dan 0,50 m onder de daknok ligt; en e. de zijkanten van de dakkapel meer dan 0,50 m van de zijkanten van het dakvlak liggen.
  149. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Artikel 4.53 Informatieplicht bouwen dakkapel
  150. Ten minste vier weken voordat de dakkapel wordt geplaatst worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  151. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  152. de situering van de dakkapel ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  153. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  154. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen.
  155. Een tekening verstrekt bij het voldoen aan de informatieplicht bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende vereisten: a. een tekening heeft een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding; b. een situatietekening heeft:
  156. een noordpijl waaruit de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel blijkt ten opzichte van de omgeving; en
  157. een schaal die niet kleiner is dan 1:1.
  158. Subparagraaf 4.2.5.3 Bouwen van een dakopbouw Artikel 4.54 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een dakopbouw. Artikel 4.55 Aanwijzing vergunningplicht dakopbouw bouwen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakopbouw te bouwen. Artikel 4.56 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de activiteit in overeenstemming is met de doelen zoals genoemd in artikel 3.3; b. de activiteit in overeenstemming is met de beleidsregels dakopbouwen gemeente Pijnacker-Nootdorp 2024 en toekomstige wijzigingen daarvan. Subparagraaf 4.2.5.4 Bouwen van een erker Artikel 4.57 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een erker. Artikel 4.58 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erker te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  159. Artikel 4.59 Algemene regels bouwen erker Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een erker te bouwen, als bedoeld in artikel 4.57, mits: a. de diepte van de erker maximaal 1 m is; b. de erker een oppervlakte van maximaal 4 m2 heeft; c. de bouwhoogte van de erker maximaal 0,4 m boven de bouwvloer van de 1e verdieping van het hoofdgebouw bedraagt én in geval van bouwen aan de voorgevel van het hoofdgebouw de diepte van de voortuin tot de voorste perceelsgrens ten minste 4 m is. Artikel 4.60 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Paragraaf 4.2.6 Bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde Subparagraaf 4.2.6.1 Bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde - algemeen Artikel 4.61 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de activiteit het bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde, onderverdeeld in onder meer: a. de activiteit het bouwen van een erf- of perceelsafscheiding; b. de activiteit het bouwen van een vlaggenmast; c. de activiteit het bouwen van een luifel; d. de activiteit het bouwen van een pergola; e. de activiteit het bouwen van een sport- of speeltoestel; f. de activiteit het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening. Subparagraaf 4.2.6.2 Bouwen van een erf- of perceelsafscheiding Artikel 4.62 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een erf- of perceelsafscheiding. Artikel 4.63 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erf- of perceelsafscheiding te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  160. Artikel 4.64 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Artikel 4.65 Algemene regels bouwen erf- of perceelsafscheiding
  161. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een erf- of perceelsafscheiding te bouwen als deze: a. maximaal 1 m hoog is; of b. hoger is dan 1 m, maar niet hoger dan 2 m en de afscheiding:
  162. een functionele relatie heeft met een gebouw op het perceel; én
  163. achter de lijn ligt die langs de voorkant van het gebouw evenwijdig loopt aan het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
  164. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Subparagraaf 4.2.6.3 Bouwen van een vlaggenmast Artikel 4.66 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een vlaggenmast. Artikel 4.67 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vlaggenmast te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  165. Artikel 4.68 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Artikel 4.69 Algemene regels bouwen vlaggenmast Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een vlaggenmast te bouwen als: a. deze maximaal 6 m hoog is; b. bij het bouwen van een vlaggenmast op een erf, er in totaal maximaal één vlaggenmast aanwezig is op dat erf; of c. er sprake is van het bouwen van een vlaggenmast bij een school of in openbaar toegankelijk gebied, deze maximaal 10 m hoog is. Subparagraaf 4.2.6.4 Bouwen van een luifel Artikel 4.70 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een luifel. Artikel 4.71 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een luifel te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  166. Artikel 4.72 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Artikel 4.73 Algemene regels bouwen luifel Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een luifel te bouwen als deze: a. maximaal 3 m hoog is; of b. bij een school geplaatst wordt en maximaal 8 m hoog is. Subparagraaf 4.2.6.5 Bouwen van een pergola Artikel 4.74 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een pergola. Artikel 4.75 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een pergola te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  167. Artikel 4.76 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Artikel 4.77 Algemene regels bouwen pergola Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een pergola te bouwen als deze maximaal 3 m hoog is. Subparagraaf 4.2.6.6 Bouwen van een sport- of speeltoestel Artikel 4.78 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een sport- of speeltoestel. Artikel 4.79 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sport- of speeltoestel te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  168. Artikel 4.80 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Artikel 4.81 Algemene regels bouwen sport- of speeltoestel
  169. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik te bouwen als deze: a. maximaal 4 m hoog is; én b. alleen functioneert met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
  170. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Subparagraaf 4.2.6.7 Bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening Artikel 4.82 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de activiteit het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening. Artikel 4.83 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  171. Artikel 4.84 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Artikel 4.85 Algemene regels bouwen zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening
  172. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een zwembad, bubbelbad of een vijver te bouwen op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien.
  173. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de daarin geregelde activiteit wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Paragraaf 4.2.7 Bouwen van overige (andere) bouwwerken Artikel 4.86 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van alle overige (andere) bouwwerken. Artikel 4.87 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een overig (ander) bouwwerk te bouwen, als daarbij niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 4.
  174. Artikel 4.88 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag onevenredig worden aangetast; of c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Artikel 4.89 Algemene regels bouwen overig (ander) bouwwerk Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een overig (ander) bouwwerk te bouwen als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. een overig (ander) bouwwerk wat gebouwd wordt in voor- of achtererfgebied mag maximaal 3 m hoog zijn én de oppervlakte mag maximaal 2 m2 zijn; b. geluidwerende voorzieningen in openbaar toegankelijk gebied mogen maximaal 6 meter hoog zijn. Paragraaf 4.2.8 Bouwwerk slopen Artikel 4.90 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de activiteit het slopen van bouwwerken. Artikel 4.91 Doelen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. de waarborgen van de veiligheid; b. het waarborgen van het woon- en leefklimaat; c. het beschermen van de gezondheid; d. het beschermen van landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden. Artikel 4.92 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor het slopen van bouwwerken in ieder geval in dat: a. beschadiging van bestaande werken die niet tot de sloopwerken behoren, zoveel mogelijk wordt voorkomen, beperkt of hersteld; en b. belemmering van het gebruik van bestaande werken zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt. Paragraaf 4.2.9 Gebruik van open erven en terreinen Artikel 4.93 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het gebruiken van open erven en terreinen. Artikel 4.94 Doelen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het behoeden van de staat en werking van open erven en terreinen; Artikel 4.95 Specifieke zorgplicht
  175. De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor het gebruiken van een open erf of terrein in ieder geval in dat: a. de eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren; b. degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren; en c. degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren.
  176. Het eerste lid, aanhef en onder c, gaat in ieder geval over overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 4.96 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  177. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 4.2.11 aanwezig.
  178. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 4.2.11 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  179. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  180. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  181. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  182. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  183. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  184. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 4.2.11 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 4.97 Bouwveiligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 4.2.10 Woonruimte wijzigen Artikel 4.98 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het wijzigen van woonruimte. Artikel 4.99 Doelen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bereiken en in stand houden van voldoende woonruimte; b. een gevarieerde woningvoorraad; en c. een goed woon- en leefklimaat. Artikel 4.100 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een woonruimte met andere woonruimte samen te voegen of samengevoegd te houden; b. een woonruimte van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden ten behoeve van de huisvesting van meer dan twee personen; en c. een woonruimte te splitsen tot twee of meer woonruimten of in die verbouwde staat te houden. Artikel 4.101 Bijzondere aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw in de huidige en beoogde situatie; b. de wijze waarop het terrein ontsloten wordt; c. de reeds aanwezige parkeerplaatsen en nieuw te realiseren parkeerplaatsen; d. de volgende gegevens over de huidige situatie:
  185. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw;
  186. de huur- of koopprijs;
  187. aantal kamers;
  188. gebruiksoppervlakte; en
  189. staat van onderhoud; e. de volgende gegevens over de beoogde situatie:
  190. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw;
  191. een situatietekening waaruit de situering van het gebouw ten opzichte van de in de nabijheid gelegen bouwwerken blijkt;
  192. een geluidsisolatieplan of meetrapport; en
  193. een compensatievoorstel; f. de volgende gegevens bij een voorgenomen samenvoeging:
  194. de verwachte huur- of koopprijs;
  195. de naam van de toekomstige bewoner(s);
  196. de omvang van het huishouden van de toekomstige bewoners; en
  197. een schriftelijke verklaring van toestemming van de verhuurder; en g. de volgende gegevens bij een voorgenomen splitsing:
  198. een splitsingsplan dat voldoet aan artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek en het krachtens dat artikel vastgestelde besluit over splitsing in appartementsrechten, waarin de indeling en met de splitsing beoogde eigendomswijzigingen zijn aangegeven op ten minste de schaal 1:100;
  199. een bouwkundig rapport niet ouder dan 6 maanden waaruit afdoende blijkt dat de toestand van het gebouw zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud niet tegen splitsing verzet, dan wel hoe het gebouw hiertoe zal worden aangepast;
  200. een funderingsrapport niet ouder dan 6 maanden waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat de fundering binnen 25 jaar geen onderhoud behoeft; en
  201. een keuringsrapport gas en elektra niet ouder dan 6 maanden van een erkend keuringsbedrijf waaruit blijkt dat de gas- en elektra-installatie voldoet aan de eisen gesteld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 4.102 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  202. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. er naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  203. het woon- en leefmilieu;
  204. de privacy van omwonenden; en
  205. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; b. het een gebied betreft waarvoor een maximum aantal (om te zetten, samen te voegen, te onttrekken te splitsen) woningen is vastgesteld en dit quotum met inwilliging van de aanvraag niet wordt overschreden; c. het belang van het behoud en de samenstelling van de woningvoorraad naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet onevenredig wordt geschaad.
  206. Het college stelt beleidsregels op, waarin in ieder geval zijn opgenomen: a. criteria wanneer sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu; b. normen voor geluidisolatie; en c. de gebruiksoppervlakte van de woonruimte. Paragraaf 4.2.11 Woonruimte gebruiken Artikel 4.103 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het gebruiken van een woonruimte. Artikel 4.104 Doelen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 4.105 Algemene regels over wonen
  207. Een woning wordt gebruikt door ten hoogste één huishouden.
  208. Voor de toepassing van het eerste lid geldt als één huishouden ook: a. een eigenaar die als hoofdbewoner kamers verhuurt aan maximaal twee personen; en b. een huishouden dat mantelzorg verleent, waarbij de ontvanger van mantelzorg in de woning woont of in een gebouw dat bij de woning hoort.
  209. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  210. Het derde lid geldt niet voor woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Paragraaf 4.2.12 Beroep en/of bedrijf aan huis uitoefenen Artikel 4.106 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het uitoefenen van een beroep en/of bedrijf aan huis. Artikel 4.107 Doelen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid; en c. ruimte bieden aan economische activiteiten. Artikel 4.108 Algemene regels uitoefenen beroep en/of bedrijf aan huis Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een beroep en/of bedrijf aan huis uit te oefenen, mits: a. een beroep en/of bedrijf aan huis door de bewoner zelf wordt uitgeoefend; b. het beroep en/of bedrijf aan huis in de woonruimte of in een bijbehorend bouwwerk bij de woonruimte wordt uitgeoefend; c. de oppervlakte waarop het beroep en/of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend, ten hoogste 75 m2 of ten hoogste 30% van de bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken is; d. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van het bedrijf plaatsvindt; e. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat behoudens in- en uitladen, geen bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden, en f. de bedrijfsactiviteiten door hun aard, omvang en visuele aspecten, het woonkarakter van de woning en het milieu van de omgeving niet onevenredig aantasten. Artikel 4.109 Zorgplicht uitoefenen beroep en/of bedrijf aan huis
  211. De uitvoerder van de beroep en/of bedrijf aan huis draagt er zorg voor dat buiten de woning en de bijbehorende bouwwerken geen onevenredige hinder voor het milieu van de omgeving optreedt.
  212. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld voor de uitwerking van de toepassing van het eerste lid. Paragraaf 4.2.13 Gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen Artikel 4.110 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen op een locatie met de functie-aanduiding gemeentelijk monument. Artikel 4.111 Doelen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Artikel 4.112 Verbod Het is verboden: a. een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen; of b. aan gemeentelijke monumenten, voor zover het gaat om een monument, onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 4.113 Specifieke zorgplicht Degene die een gemeentelijke monumentenactiviteit of een andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Artikel 4.114 Maatwerkvoorschrift Een maatwerkvoorschrift kan met het oog op het belang, bedoeld in artikel 4.111 over een andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft worden gesteld over artikel 4.
  213. Artikel 4.115 Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
  214. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijke monumentenactiviteit te verrichten.
  215. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een gemeentelijke monumentenactiviteit met betrekking tot een monument, voor zover het gaat om: a. noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; b. alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:
  216. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;
  217. doen van begravingen of asbijzettingen; of
  218. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument of een onderdeel daarvan. Artikel 4.116 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: algemeen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument. Artikel 4.117 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: slopen monument
  219. Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.116, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
  220. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en
  221. foto’s van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen:
  222. als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; en
  223. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en
  224. slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
  225. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten. Artikel 4.118 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: verplaatsen monument
  226. Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.116, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
  227. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;
  228. foto’s van de bestaande toestand; en
  229. overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; c. de volgende tekeningen:
  230. situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;
  231. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en
  232. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
  233. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen. Artikel 4.119 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: wijzigen monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
  234. Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.116, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
  235. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en
  236. detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. de volgende tekeningen:
  237. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
  238. opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht;
  239. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
  240. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en
  241. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
  242. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en
  243. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
  244. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie. Artikel 4.120 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.116 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Artikel 4.121 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: monumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument
  245. Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.116, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:
  246. de omvang in vierkante meters; en
  247. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; en
  248. als sprake is van een archeologisch monument onderwater: de diepte van de waterbodem, in meters ten opzichte van het wateroppervlak; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving; e. als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek; f. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en
  249. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
  250. een bureauonderzoek;
  251. zo nodig een booronderzoek; en
  252. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt; c. detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:
  253. de exacte locatie;
  254. de omvang; en
  255. de diepte ten opzichte van het maaiveld of de waterbodem; d. voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:
  256. een bestek met bijbehorende tekeningen; of
  257. een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; e. als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of f. als sprake is van een archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  258. Tekeningen als bedoeld in eerste en/of tweede lid hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:2000, als het gaat om een topografische kaart; b. 1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c. 1:50, als het gaat om een detailtekening. Artikel 4.122 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 4.117 tot en met 4.119
  259. Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 4.117 tot en met 4.119 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.
  260. Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
  261. Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
  262. Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen:
  263. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en
  264. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden. Artikel 4.123 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  265. De omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.
  266. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en d. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Artikel 4.124 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, worden voorschriften verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie. Paragraaf 4.2.14 Activiteiten in of op (te verwachten) archeologische monumenten Artikel 4.125 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten op een locatie met de functie-aanduiding te verwachten archeologisch monument: a. het bouwen van bouwwerken; b. het slopen van bouwwerken; c. het afgraven van gronden; d. aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen (en boomstobben) en struiken; en e. het ophogen en egaliseren van gronden. Artikel 4.126 Doelen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van archeologische monumenten. Artikel 4.127 Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
  267. Het is verboden zonder omgevingsvergunning op of in een archeologisch monument of een te verwachten archeologisch monument: a. een bouwwerk te bouwen; b. een bouwwerk te slopen; of c. de activiteiten, bedoeld in artikel 4.125 onder c tot en met e, te verrichten.
  268. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet: a. voor vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. in of op een te verwachten archeologisch monument met een hoge verwachting als:
  269. de aanvraag betrekking heeft op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 50m2; of
  270. het bouwen plaatsvindt zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,3 m, en I. zonder heipalen, of II. met heipalen, als de totale verstoring door heipalen niet meer dan 2% van de oppervlakte van het projectgebied bedraagt, en de afstand tussen de rijen heipalen bedraagt tenminste 5 m bedraagt.
  271. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor activiteiten: a. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. die bestaan uit de aanleg van kabelsleuven of leidingsleuven, met een breedte van maximaal 30 cm; c. die worden uitgevoerd in een bestaand cunet van een weg of leiding; of d. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen of, ingeval van een booronderzoek, plan van aanpak.
  272. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet op een op een te verwachten archeologisch monument met een hoge verwachting voor activiteiten waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 50 m2 of die plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld. Artikel 4.128 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  273. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in of op een archeologisch monument of een te verwachten archeologisch monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
  274. een bureauonderzoek;
  275. zo nodig een booronderzoek; en
  276. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; b. funderingstekeningen; c. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; d. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek; e. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  277. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk in of op een archeologisch monument of een te verwachten archeologisch monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; en b. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen.
  278. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in 4.125, in of op een archeologisch monument of een te verwachten archeologisch monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
  279. de omvang in vierkante meters; en
  280. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
  281. een bureauonderzoek;
  282. zo nodig een booronderzoek; en
  283. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; e. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; f. als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en g. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  284. Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste of derde lid, worden zo nodig de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; b. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; of c. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Artikel 4.129 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (ruimtelijk) bouwen in of op (te verwachten) archeologisch monument
  285. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  286. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Artikel 4.130 Vergunningvoorschriften (ruimtelijk) bouwen in of op (te verwachten) archeologisch monument
  287. Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de een archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; d. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; e. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden; f. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden; g. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; h. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en i. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  288. De voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder a, kunnen bij het slopen van een bouwwerk worden gesteld over de wijze van slopen. Paragraaf 4.2.15 Belemmeringengebieden Subparagraaf 4.2.15.1 Belemmeringengebied gasleiding - omgevingsvergunningplicht Artikel 4.131 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op alle activiteiten in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - gasleiding. Artikel 4.132 Doelen De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van in de grond aanwezige gasleidingen en ondersteunende werken. Artikel 4.133 Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
  289. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - gasleiding de volgende activiteiten te verrichten: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; c. het indrijven van voorwerpen in de grond; d. het verlagen van bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van gronden.
  290. De omgevingsvergunningplicht in het eerste lid geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan. Artikel 4.134 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning In aanvulling op de wettelijk geldende aanvraagvereisten bevat een aanvraag omgevingsvergunning voor een activiteit, zoals genoemd in artikel 4.131, een advies van de leidingbeheerder voor de aangevraagde activiteit. Artikel 4.135 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor een activiteit zoals genoemd in artikel 4.131 wordt uitsluitend verleend indien het belang van de gasleiding door het uitvoeren van de activiteit niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen wordt hierover advies ingewonnen bij de beheerder van de gasleiding. Artikel 4.136 Verboden activiteiten binnen belemmeringengebied gasleiding Binnen het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - gasleiding zijn verboden: a. kwetsbare gebouwen, tenzij die een functionele binding hebben met de gasleiding; en b. zeer kwetsbare gebouwen. Subparagraaf 4.2.15.2 Belemmeringengebied brandstofleiding Artikel 4.137 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op alle activiteiten in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - brandstofleiding ten behoeve van de brandstofleiding. Artikel 4.138 Doelen De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van in de grond aanwezige brandstofleidingen en ondersteunende werken. Artikel 4.139 Aanwijzing omgevingsvergunningplicht
  291. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - brandstofleiding de volgende activiteiten te verrichten: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; c. het indrijven van voorwerpen in de grond; d. het verlagen van bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van gronden.
  292. De omgevingsvergunningplicht in het eerste geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.