Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen Lid 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; seniorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de aanstelling; arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt; overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand; Zvw: de Zorgverzekeringswet; CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; UWO: Uitwerkingsovereenkomst; functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking; LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; Waz: Wet arbeid en zorg; SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; WPA: de Wet privatisering ABP; FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt; ZW: de Ziektewet; ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. Lid 2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Artikel 1:2 Geen ambtenaar Lid 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening. Lid 2 Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. Lid 3 Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 van toepassing. Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar Lid 1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. Lid 2 Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing Lid 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. Lid 4 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing. Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar. Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende. Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar. De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal 1. Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente. Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en 17. Artikel 1:2:3 Instapplan Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar. Artikel 1:3 Toepassing Lid 1 De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. Lid 2 Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel 1:3:1:1 Toepassing Bijlage IV is van toepassing op de ambtenaar behorend tot het personeel in de Kunstzinnige Vorming, als bedoeld in artikel 1 onder punt d van bijlage IV overeenkomstig de CAR-UWO regeling van het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden. Artikel 1:3a Toepassing Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Artikel 1:4:1:1 Beleidsregels werkoverleg Beleidsregels werkoverleg Artikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: werkoverleg: vorm van communicatie en samenwerking met betrekking tot het werk en de werksituatie, dat met een vaste frequentie wordt gevoerd tussen leiding en leden van een organisatorische eenheid en gericht is op beïnvloeding van besluiten die met het directe werk en de werkomstandigheden te maken hebben; leiding: degene die binnen een organisatorische eenheid richting geeft aan de activiteiten van medewerkers, die hiërarchisch ondergeschikt zijn, teneinde de gestelde doelen te bereiken; organisatorische eenheid: werkeenheid op afdelings-, team- of clusterniveau; afdelingsleiding: hoofd van de afdeling. Artikel 2 Doelstelling Werkoverleg als instrument van personeelsbeleid heeft als algemene doelstelling het optimaliseren van de betrokkenheid van medewerkers bij het werk en de werksituatie. Het realiseren van een optimale betrokkenheid van medewerkers, bedoeld in het tweede lid, vereist dat leiding en medewerkers zich verplichten inspanningen te leveren gericht op: benutten van inzichten, capaciteiten en ervaringen als medewerkers; gelegenheid bieden invloed uit te oefenen op alle aspecten de organisatorische eenheid betreffend; creëren van een optimale teamgeest; voortdurende inzet tot verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van de producten; bevorderen van de voldoening in het werk en vermindering van arbeidsverzuim; verschaffen van inzicht in het hoe en waarom van voorgenomen beslissingen. Artikel 3 Voorwaarden voor het werkoverleg De leiding is verantwoordelijk voor het houden van werkoverleg. Met inachtneming van het bepaalde onder punt 2 dient het werkoverleg tenminste te voldoen aan: werkoverleg is minimaal eenmaal per maand verplicht en geschiedt op basis van een agenda; in het werkoverleg dienen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde te komen: arbeidsomstandigheden, opleidingen, veranderingen in de organisatie, wijze van samenwerken, kwaliteit en kwantiteit van de productie; van het werkoverleg wordt een verslag opgemaakt waarin onder andere de gemaakte afspraken worden vastgelegd. Een lid van de Ondernemingsraad heeft de mogelijkheid aanwezig te zijn bij het werkoverleg. De afdelingsleiding pleegt halfjaarlijks overleg met de Ondernemingsraad over de ontwikkelingen omtrent het werkoverleg. Artikel 1:4:1:2 E-mail en internetgebruik Privacyreglement e-mail en internetgebruik Hoofdstuk 1 Definities, reikwijdte en doeleinden Artikel 1 Definities In dit artikel wordt verstaan onder: Wbp: Wet bescherming persoonsgegevens. College bescherming persoonsgegevens: het College als bedoeld in artikel 51 Wbp. Gemeente: de gemeente Venlo. Betrokkene: gebruiker van de elektronische communicatiemiddelen op wie een persoonsgegeven betrekking heeft en die aan te merken is als: medewerker in dienst van de gemeente; persoon die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden voor de gemeente verricht, anders dan in ambtelijk dienstverband. E-mailfaciliteiten: de door of namens de gemeente aan betrokkenen ter beschikking gestelde e-mailfaciliteiten. Internetfaciliteiten: de door of namens de gemeente aan betrokkenen ter beschikking gestelde internetfaciliteiten. Elektronische communicatiemiddelen: e-mail- en/of internetfaciliteiten. Persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon in de zin van de Wbp. Verwerken van persoonsgegevens: elke handeling of geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens. Bestand: elk, al dan niet geautomatiseerd, gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen. Verantwoordelijke: het College, zijnde het bestuursorgaan dat het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt. Onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen: een doen of nalaten in strijd met deze regels of andere wet- en regelgeving of een inbreuk op een recht. Artikel 2 Reikwijdte Dit privacyreglement is van toepassing op het verwerken van persoonsgegevens inzake het gebruik van elektronische communicatiemiddelen. Dit privacyreglement geldt voor medewerkers in dienst van de gemeente en personen die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden voor de gemeente verrichten, anders dan in ambtelijk dienstverband. Artikel 3 Doeleinden De verwerking van persoonsgegevens inzake het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen heeft de volgende doeleinden: het verkrijgen van inzicht in de mate van gebruik van de elektronische communicatiemiddelen; het voorkomen van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen. De omvang van de controle ter voorkoming van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen als bedoeld in het eerste lid sub b, wordt zo beperkt mogelijk gehouden, in die zin dat deze in redelijke verhouding staat tot het doel waarvoor deze wordt aangewend. Hoofdstuk 2 Verantwoordelijkheden en beheer Artikel 4 Verantwoordelijkheden en beheer Door de verantwoordelijke worden de nodige maatregelen getroffen, opdat persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn. Door de verantwoordelijke worden passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer gelegd om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. Door de verantwoordelijke worden één of meerdere systeembeheerders aangewezen die belast zijn met het beheer van het (
- de)bestand(en). Deze systeembeheerders zijn, op grond van artikel 125a, derde lid, Ambtenarenwet, verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens waarvan zij kennisnemen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Hoofdstuk 3 Gebruik elektronische communicatiemiddelen Artikel 5 Gebruik elektronische communicatiemiddelen Betrokkenen gebruiken de elektronische communicatiemiddelen primair voor het uitvoeren van de aan hen door de gemeente opgedragen taken. Incidenteel privé-gebruik van de elektronische communicatiemiddelen door betrokkenen is toegestaan mits dit gebruik in overeenstemming is met dit privacyreglement en dit gebruik in geen geval storend is voor dan wel ten koste gaat van het uitvoeren van de aan hen door de gemeente opgedragen taken. Het is betrokkenen niet toegestaan met behulp van de e-mailfaciliteiten kettingbrieven te versturen of pornografisch materiaal te versturen of op te vragen, dan wel dreigende, seksueel intimiderende, racistische of discriminerende opmerkingen te maken. Evenmin is het betrokkenen toegestaan met behulp van de e-mailfaciliteiten software te verzenden of op te vragen, dan wel bestanden zonder voorafgaand overleg met de systeembeheerder(
- s)te verzenden of op te vragen waarvan betrokkene redelijkerwijs moet aannemen dat deze te omvangrijk zijn. Het is betrokkenen niet toegestaan met behulp van de internetfaciliteiten bewust internetsites die pornografisch, dan wel racistisch materiaal bevatten te bezoeken, mee te doen in chatsessies, online te gokken, software te downloaden dan wel zonder voorafgaand overleg met de systeembeheerder(
- s)bestanden te downloaden waarvan betrokkene redelijkerwijs moet aannemen dat deze te omvangrijk zijn. Zonder voorafgaande toestemming van de integraal manager is het betrokkenen niet toegestaan met behulp van de e-mailfaciliteiten een elektronisch bericht aan alle of vrijwel alle medewerkers van de gemeente tegelijkertijd te versturen. Indien betrokkenen met gebruik van de internetfaciliteiten handelingen verrichten die als e-mailtoepassingen zijn te kwalificeren, dan zijn de bepalingen van artikel 5, derde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. Betrokkenen zullen bij het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen de nodige zorgvuldigheid betrachten en de integriteit en goede naam van de gemeente waarborgen. Het doen van bestellingen met behulp van internet is en blijft voorbehouden aan daartoe geautoriseerde personen c.q. afdelingen. Artikel 6 Voorkomen onrechtmatig gebruik dan wel misbruik De gemeente neemt zo veel mogelijk maatregelen in technische zin ter voorkoming van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen. Hoofdstuk 4 Vastlegging, bewaring, verwijdering en verstrekking persoonsgegevens Artikel 7 Vastlegging Elektronisch vastleggen van persoonsgegevens geschiedt (automatisch) door de door de gemeente ingezette sofware. De vastlegging beperkt zich tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor de doeleinden van de verwerking als bedoeld in artikel 3, te weten: voor het verkrijgen van inzicht in de mate van gebruik van de elektronische communicatiemiddelen worden alleen stroom- en soortgegevens vastgelegd; voor het voorkomen van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen wordt het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen op individueel en inhoudelijk niveau gevolgd. Dit geschiedt slechts bij een redelijk vermoeden van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen. Artikel 8 Persoonsgegevens In de in artikel 7 genoemde vastlegging worden ten hoogte de volgende persoonsgegevens opgenomen: gebruikersidentificatie, naam, voornaam of voorletters van de betrokkene; naam en/of codering van de afdeling/ team waaronder de betrokkene valt; gegevens over de toegang tot internet die door de gemeente is geboden aan de betrokkene, inclusief gebruikersnaam en internet protocoladres; gegevens betreffende de datum en het tijdstip van het openen en sluiten van de toegang tot internet door de betrokkene en gegevens betreffende de datum en het tijdstip van het verzenden, dan wel ontvangen van e-mailberichten door de betrokkene; gegevens, inclusief datum en tijdstip, betreffende de door de betrokkene bezochte internetsites (internet protocoladressen) en (de onderdelen van) de webpagina’s; de inhoud van de door de betrokkene verzonden, dan wel ontvangen e-mailberichten. Indien er een redelijk vermoeden bestaat van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen door betrokkene, kan door de verantwoordelijke opdracht worden gegeven om de in het eerste lid, sub e en/of f van dit artikel bedoelde, gegevens vast te leggen en te verstrekken aan de personen bedoeld in artikel 10. Artikel 9 Bewaring en verwijdering De in artikel 8, eerste lid, genoemde persoonsgegevens worden maximaal een maand bewaard. Gegevens die ouder zijn dan een maand worden automatisch verwijderd, tenzij er een redelijk vermoeden bestaat van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen in die periode. In dat geval worden de gegevens uit die betreffende maand bewaard zolang dit in het kader van nader onderzoek en eventueel te treffen maatregelen jegens een betrokkene noodzakelijk is. Zodra een nader onderzoek is afgerond en dit niet leidt tot maatregelen jegens een betrokkene worden de gegevens verwijderd. Indien de systeembeheerder om technische redenen persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9, eerste lid, niet kan verwijderen, wordt onder verwijderen verstaan het niet meer verstrekken van deze gegevens voor de in artikel 3 geformuleerde doeleinden. Artikel 10 Personen aan wie persoonsgegevens worden verstrekt De vastgelegde persoonsgegevens worden, na bewerking, verstrekt aan: het afdelingshoofd Bedrijfsvoering en/of de teamleider ICT om inzicht te verkrijgen in de mate van gebruik van de elektronische communicatiemiddelen. Het betreft hier dan slechts de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, sub a tot en met d in geaggregeerde, niet tot de persoon herleidbare vorm; de verantwoordelijke indien er een redelijk vermoeden bestaat van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen. Het betreft hier dan de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid; degene(
- n)die op verzoek van de verantwoordelijke is (zijn) belast met of leiding geeft (geven) aan onderzoek naar onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen. Het betreft hier dan de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid. Hoofdstuk 5 Rechten van betrokkene: verbeteren, aanvullen, verwijderen of afschermen persoonsgegevens Artikel 11 Rechten van de betrokkene Aan de betrokkene die daarom aan verantwoordelijke verzoekte, wordt een overzicht verschaft van de hem/haar betreffende persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien een gewichtig belang van de verzoeker dit eist, voldoet de verantwoordelijke aan dit verzoek in een andere dan schriftelijke vorm, die aan dat belang is aangepast. Degene aan wie overeenkomstig het eerste lid kennis is gegeven van de hem/haar betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het in het tweede lid genoemde verzoek schriftelijk of, dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed. Een beslissing op een verzoek geldt als een besluit in de zin van artikel 1:3, Algemene wet bestuursrecht. De verantwoordelijke draagt er zorg voor dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd. Hoofdstuk 6 Sancties Artikel 12 Sancties Overtreding van dit privacyreglement regeling kan voor medewerkers in dienst van de gemeente resulteren in disciplinaire maatregelen als bedoeld in de arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente. Overtreding van dit privacyreglement kan voor personen die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden voor de gemeente verrichten, anders dan in ambtelijk dienstverband, resulteren in: maatregelen waardoor deze personen, al dan niet tijdelijk, geen beschikking meer hebben over (een deel van) de elektronische communicatiemiddelen. Hoofdstuk 7 Onvoorziene omstandigheden Artikel 13 Onvoorziene omstandigheden In gevallen waarin dit artikel niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van dit privacyreglement beslist het College. Artikel 1:4:1:3 Beleidsregels bij agressie Agressieprotocol 1 Waarom een agressieprotocol De huidige samenleving ziet zich in toenemende mate geconfronteerd met een aantal maatschappelijke problemen, waarvan agressief gedrag tegenwoordig zeer manifest aanwezig is. Ook allerlei instanties, van overheidsorganisaties tot private dienstverlenende instanties, hebben regelmatig te maken met agressief gedrag en handelen van bezoekers en burgers op straat. Agressie, variërend van verbaal geweld, intimidatie en bedreiging tot fysiek geweld, vormt in veel gevallen een structureel probleem. In dat verband is het van belang, dat voor de medewerkers van de gemeente Venlo sprake is van een werkomgeving (met name inrichting stadswinkels) die voldoende waarborgen tot veiligheid biedt, terwijl daarnaast het uitgangspunt is, dat medewerkers die het contact met klanten/burgers onderhouden beschikken over de vaardigheden om (dreigende) agressie te “handelen”. Het treffen van beschermende maatregelen en voorwaarden zullen agressief gedrag naar verwachting reduceren, maar niet uitbannen. Daarom is het van belang dat er een agressieprotocol aanwezig is. Daarin staat beschreven wat er dient te gebeuren bij agressief gedrag van klanten/burgers en wiens hulp vóór en/of achteraf kan worden ingeroepen. De afspraken in het agressieprotocol zijn, noch voor het management, noch voor de medewerkers vrijblijvend, zodat veiligheid en opvang de aandacht krijgen die noodzakelijk is Wat is agressief gedrag? Onder agressief gedrag wordt verstaan: Alle daden van vijandigheid, zowel in fysieke als in verbale zin, gericht op een ander persoon met de bedoeling deze te bedreigen, te intimideren, te beledigen, te discrimineren of lichamelijk letsel toe te brengen of gericht op het opzettelijk vernielen van andermans goederen of bezittingen. Ter verduidelijking van vorenstaande omschrijving enkele voorbeelden van gedragingen of handelingen, die zonder enige twijfel als “agressief” bestempeld dienen te worden en vormen van gedrag of handelen, die vervolgens kunnen leiden tot agressief gedrag: De klant/bezoeker is niet aanspreekbaar door alcohol- en/of drugsgebruik. De klant/bezoeker is in het bezit van wapens, messen en/of andere voorwerpen die een gevaar kunnen opleveren voor de medewerkers of overige bezoekers. De klant verschijnt regelmatig zonder afspraak en wil perse dat hem onmiddellijk hulp wordt geboden. De klant/bezoeker scheldt medewerkers en/of andere bezoekers persoonlijk uit. De klant/bezoeker maakt denigrerende opmerkingen over andere groepen in de samenleving en discrimineert daarmee op basis van huidskleur, seksuele geaardheid, geloofsovertuiging of sekse. De klant/bezoeker bedreigt medewerkers hen iets te doen of volgt medewerkers en eventuele huisgenoten in de privé-situatie. De klant/bezoeker bedreigt medewerkers en mogelijk andere bezoekers door met voorwerpen te gooien of daartoe aanstalten te maken. De klant/bezoeker vernielt moedwillig zaken die in of buiten de kantoorgebouwen aanwezig zijn. De klant/bezoeker bedreigt medewerkers en/of andere bezoekers door fysiek contact middels duwen, spugen, slaan of trappen. De klant/bezoeker brengt lichamelijk letsel toe aan de medewerker die hem te woord staat of mogelijk aan andere bezoekers. 2 Hoe kan agressie worden voorkomen 2.1 Preventieve maatregelen De volgende preventieve maatregelen en acties kunnen helpen om agressie te voorkomen: Op elke afdeling is een exemplaar van het protocol aanwezig. Op elke balie en in elke spreekkamer is een protocol aanwezig om nieuwe klanten te wijzen op de regels wat betreft agressie. Agressie wordt bespreekbaar gemaakt tijdens overlegvormen, zoals werkoverleg. Nieuw beleid wordt doorgesproken (bijvoorbeeld tijdens werkoverleg) met de medewerkers die dit beleid moeten uitvoeren. Dit maakt het voor hen makkelijker om dit beleid te verdedigen of uit te leggen tegenover klanten. Nieuw beleid dient ook zoveel mogelijk te worden bekend gemaakt aan de klant, zodat deze niet voor verrassingen komt te staan. Er wordt een agressieregistratie opgezet, zodat er inzicht komt in de mate en vorm van het agressief gedrag. Aan de hand daarvan kan het agressiebeleid eventueel worden bijgesteld en kan worden geanticipeerd op mogelijk agressief gedrag van klanten. Van deze registratie kan ook gebruik gemaakt worden bij de voorbereiding van een gesprek. De Wet Bescherming Persoonsgegevens is op de registratie van toepassing. Voor deze registratie wordt van verbaal en fysiek geweld en van ernstige bedreiging en intimidatie met een agressieregistratieformulier melding gemaakt bij de Arbo-coördinator. Medewerkers, belast met klantcontacten, en leidinggevenden worden getraind in het omgaan met agressief gedrag. Dit protocol en de alarmprocedure (afdelingen Bijstand Aanvragen en Onderhoud) gelden daarbij als leidraad. Medewerkers, belast met klantcontacten, worden in de gelegenheid gesteld eens per twee jaar deel te nemen aan een opfristraining. Daarnaast dienen leidinggevenden en seniormedewerkers een training te volgen in de opvang van medewerkers die het slachtoffer zijn van agressie. Eens per drie jaar vindt een herhalingstraining plaats. Als een agressieve klant wordt verwacht, wordt de receptie en de betreffende afdeling vooraf geïnformeerd. Met een klant kan een preventiegesprek worden gehouden. Het gaat hier om een gesprek met een klant van wie – gelet op zijn historie – agressief gedrag kan worden verwacht. Het doel is agressie te voorkomen of meteen in de kiem te smoren. Een preventiegesprek wordt door minimaal 2 medewerkers gevoerd, waaronder de direct leidinggevende. De vaste relatie tussen klant en medewerker (vooral consulen-ten van de afdelingen Bijstand Aanvragen en Onderhoud) kan worden onderbroken als sprake is van (ernstige) bedreiging. 2.2 Algemene tips voor de medewerker om ongewenst gedrag te voorkomen. Je kunt ongewenst gedrag voorkomen, door zelf het goede voorbeeld te geven en je klantvriendelijk op te stellen. Dit komt er in feite op neer dat je de algemeen geldende fatsoensnormen naleeft. Hieronder volgen enkele tips, waarvan de meeste dan ook voor zich spreken. Het contact met de klant. Wees servicegericht, geef alle mogelijke informatie, herstel fouten en behandel gerechtvaardigde klachten van klanten snel. Zorg dat de balie, wachtruimten en spreekkamers er netjes uitzien, dat wil zeggen geen rommel, kranten, etenswaren e.d.. Zorg voor rust achter de receptie en balie. Medewerkers die geen receptie- of baliedienst hebben, horen niet achter balie of receptie. Medewerkers voeren met elkaar geen luidruchtige gesprekken op plaatsen waar de klant/bezoeker dit kan horen. Wees klanten, die de weg niet weten, behulpzaam. Geef het goede voorbeeld door zelf correct gedrag te vertonen. Het gebruik van de spreekkamers. De medewerker is op de hoogte van de plaats waar het alarm zit en kent de interne alarmprocedure (Afdelingen Bijstand Aanvragen en Onderhoud). De klant moet kunnen rekenen op respect voor zijn privacy. De medewerker houdt de deur van de spreekkamer gesloten en voert geen gesprekken in de ontvangst- of wachtruimte. Als dit nodig is vraagt de medewerker een collega om bij het gesprek aanwezig te zijn. Vluchtwegen moeten altijd vrij zijn. Klantvriendelijke telefoonregels Ook telefonische (on)bereikbaarheid kan agressie oproepen; ga wat dat betreft je eigen ervaringen met instanties maar na. Een aantal regels zijn eenvoudig in acht te nemen. De medewerker is voor 100% zelf verantwoordelijk voor de beantwoording van de telefoon. Telefoongesprekken dienen duidelijk, beleefd en vriendelijk te zijn. De medewerker introduceert zich duidelijk, geeft de naam van de dienst en zijn eigen naam. Telefonisch gemaakte afspraken moeten altijd nagekomen worden. Klanten worden zo snel mogelijk teruggebeld. Bij beantwoording van een gesprek voor een collega past een actieve houding door te vragen of: de beller door een collega kan worden geholpen; de beller moet worden teruggebeld. Noteer daarbij duidelijk naam en telefoonnummer. 2.3 Regels voor de klanten/bezoekers. Het is verboden met slag-, steek- of vuurwapens het openbaar gebouw binnen te gaan. Het is niet toegestaan binnen de voor publiek bestemde openbare ruimten te roken, alcoholische dranken te nuttigen, dan wel verdovende middelen te gebruiken. Honden worden niet toegelaten. Klanten/bezoekers onder invloed van alcohol en drugs horen niet thuis in de openbare gebouwen. Klanten/bezoekers mogen zich alleen bevinden in de voor hen bestemde ruimten. Schreeuwen, schelden en het uiten van discriminerende of bedreigende taal zijn niet tolerabel. Het is verboden om voorwerpen te gooien of vernielingen aan te richten. Het is niet toegestaan om andere bezoekers te hinderen of lastig te vallen. 3 Omgang met agressie In dit hoofdstuk zijn de meest voorkomende vormen van agressie aan de orde. Per onderdeel wordt aangegeven hoe gehandeld moet worden met de intentie om daarmee in specifieke situaties agressie te kunnen beheersen. 3.1 Telefonische agressie De klant erop attenderen dat, wanneer het gesprek op deze manier wordt voortgezet, dit leidt tot verbreking van het contact. Helpt dit niet, dan de verbinding verbreken. Belt de klant opnieuw en is de toonzetting ongewijzigd, het gesprek doorverbinden naar de senior / sectieleider of het afdelingshoofd. Deze deelt mee dat pas weer een gesprek wordt gevoerd wanneer de klant tot rede is gekomen. Als de klant aangeeft naar kantoor te zullen komen, dan wordt de senior / sectieleider of het afdelingshoofd geïnformeerd. De senior / sectieleider of het afdelingshoofd en de medewerker bepalen samen welke maatregelen aan de orde zijn. Daarbij valt te denken aan een schriftelijke mededeling aan de klant dat zijn gedrag niet tolerabel is. 3.2 Schriftelijke agressie Bij een agressief gestelde brief met verwoording van bedreigin-gen voeren senior / sectieleider of het afdelingshoofd en medewerker een gesprek met de klant, waarbij deze wordt aangesproken op de toonzetting in de brief. Pas daarna gaat men in op een eventueel gefundeerde klacht. Bij herhaling ontvangt de klant een brief van het afdelingshoofd met de mededeling dat in de toekomst op soortgelijke brieven geen reactie meer volgt en dat de correspondentie daarmee afgehandeld is. Daarna wordt op identieke brieven niet meer gereageerd. 3.3 Verbale agressie Hier is sprake van schelden, discrimineren, grof taalgebruik, buitengewoon hinderlijk gedrag e.d. Vaak zal de klant hier frustraties uiten. Het kan een voorstadium zijn van ernstiger agressie. De medewerker probeert in eerste instantie de situatie te stabiliseren door de klant aan te spreken op zijn gedrag. Als een positief resultaat uitblijft wordt de senior / sectieleider of het afdelingshoofd ingeschakeld. De senior / sectieleider of het afdelingshoofd probeert de agressie te beëindigen en als dit niet lukt wordt het gesprek afgebroken, met het verzoek aan de klant om een andere keer terug te komen. Als de klant hier niet op in gaat en niet eigener beweging het gebouw verlaat, sommeert de senior / sectieleider of het afdelingshoofd hem twee keer om te vertrekken en tegelijk wordt verteld dat indien hij hier geen gehoor aan geeft, de politie wordt gebeld om hem te verwijderen. Indien hieraan geen gevolg wordt gegeven, belt de senior / sectieleider of het afdelingshoofd de politie. 3.4 Agressie escaleert naar (mogelijke) vernieling van goederen De medewerker tracht in eerste instantie de situatie te stabiliseren door de klant aan te spreken op zijn gedrag. De medewerker of aanwezige collega's bellen de senior / sectieleider of het afdelingshoofd. De senior / sectieleider of het afdelingshoofd probeert het gedrag te beëindigen en sommeert de klant tweemaal om het gebouw te verlaten. Als de klant hieraan geen gevolg geeft wordt onmiddellijk de politie ingeschakeld. De veroorzaakte schade wordt direct opgenomen en het schadebedrag wordt vastgesteld. Binnen drie dagen krijgt de klant een oproep van het afdelingshoofd. Deze bespreekt samen met de senior / sectieleider het gedrag van de klant en deelt hem mee dat hij aansprakelijk is voor de aangerichte schade en dat de daarmee gepaard gaande kosten verhaald zullen worden. Afhankelijk van de ernst van de zaak bepaalt het afdelingshoofd verdere maatregelen. Afdelingshoofd en senior / sectieleider informeren de medewerker over de inhoud van het met de klant gevoerde gesprek en over mogelijke maatregelen. 3.5 Agressie met (dreigend) fysiek geweld (ook seksueel geweld) Het gesprek moet meteen worden beëindigd. Er wordt onmiddellijk hulp ingeroepen van collega’s. Voor zover het incident zich voordoet in een van de spreekkamers van de afdelingen Bijstand Aanvragen of Onderhoud drukt de medewerker of collega's onmiddellijk de alarmbel in waarop de senior en de daartoe aangewezen medewerkers direct reageren. Men probeert de bedreigde medewerker te ontzetten en/of bescherming te bieden. De senior / sectieleider of een daartoe aangewezen medewerker waarschuwt de politie, terwijl men de agressor tot bedaren tracht te brengen en in bedwang te houden. De politie grijpt in zodra deze is gearriveerd en het afdelingshoofd of de senior / sectieleider sommeert de klant om het gebouw te verlaten. Er volgt een nabespreking tussen afdelingshoofd, senior / sectieleider en betrokken medewerker. Op basis van deze nabespreking neemt het afdelingshoofd passende maatregelen, waaronder in elk geval het (tijdelijk) ontzeggen van toegang tot het gebouw. 3.6 Agressie bij huisbezoek Wanneer de medewerker (met name consulenten afdelingen Bijstand Aanvragen en Onderhoud) voornemens is een huisbezoek te doen dient aangegeven te worden wanneer, bij wie en wanneer men weer terug verwacht kan worden. Van de medewerker wordt verwacht dat deze zelf de inschatting maakt of het huisbezoek risicovol is. In dat geval kan de medewerker beschikken over een mobiele telefoon van de organisatie. Wanneer de medewerker niet op de afgesproken tijd terug is, zal vanuit de organisatie met de medewerker contact worden opgenomen. Dit zal bewaakt worden door de senior / sectieleider en de administratieve ondersteuning van de betreffende afdeling. Bij dreigende agressie, ook van verbale aard, onmiddellijk het gesprek beëindigen en de woning verlaten. Zaak bespreken met senior / sectieleider en afdelingshoofd, waarna gepaste maatregelen worden getroffen. In elk geval vindt een gesprek plaats tussen afdelingshoofd en klant, waarbij laatstgenoemde erop wordt gewezen dat zijn gedrag niet te tolereren is en dat in het vervolg huisbezoek wordt gedaan door tenminste twee functionarissen. Bij huisbezoeken met een agressierisico gaat altijd een tweede medewerker mee. Het risicobezoek wordt vooraf gemeld bij de senior / sectieleider of het hoofd van de afdeling, waarbij ook de daarvoor gereserveerde tijd wordt aangegeven. Het overschrijden van de tijdslimiet leidt tot actie van senior / sectieleider of afdelingshoofd. Via de GSM tracht men in contact te komen met de medewerkers om te kunnen beoordelen hoe de stand van zaken is. Waar nodig wordt ingegrepen, desnoods met inzet van de politie. 3.7 Agressie op straat Indien de medewerker buiten zijn gebied gaat werken dient de senior / sectieleider of het afdelingshoofd hiervan in kennis te worden gesteld. De medewerker beschikt over een communicatiemiddel, zoals portofoon of GSM. Indien mogelijk wordt er een tijdstip van terugkomst afgesproken met de senior / sectieleider of het afdelingshoofd. In het geval de medewerker niet terug is op het afgesproken tijdstip, neemt de senior / sectieleider of het afdelingshoofd contact op met de medewerker via portofoon of GSM. Opsporingsambtenaren surveilleren in beginsel met twee personen. Slechts met toestemming van de senior /sectieleider of het afdelingshoofd mag een opsporingsambtenaar alleen surveilleren. Als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden problemen verwacht worden, dient vooraf de politie te worden verzocht standby te zijn. Indien de medewerker wordt geconfronteerd met een vorm van agressie, kan politieassistentie worden gevraagd. 4 Te nemen maatregelen Agressie moet zoveel mogelijk worden vermeden en verdient een streng "lik op stuk beleid". Hiertoe zijn maatregelen te nemen, die enerzijds naar de agressor een repressief karakter hebben maar anderzijds vooral tot doel hebben om agressie dan wel escalatie daarvan te voorkomen. 4.1 Waarschuwing Doel: signaal afgeven dat grenzen zijn overschreden! Als een klant zich hinderlijk gedraagt, verbaal agressief is, ernstige bedreigingen uit e.d., dan krijgt hij een schriftelijke waarschuwing van het hoofd van de afdeling. Daarbij wordt hem duidelijk te verstaan gegeven dat zijn gedrag niet getolereerd wordt en wat hij of zij kan verwachten als het gedrag niet verandert. Ook wordt vermeld dat deze waarschuwing wordt geregistreerd in het agressieregistratiesysteem. 4.2 Ordegesprek Doel: bespreekbaar maken van probleem, herhaling voorkomen en gedrag te veranderen! Bij ernstig laakbaar gedrag, gericht tegen het publiek of de medewerker dan wel vernieling van goederen of schade aan het gebouw kan gekozen worden voor het voeren van een ordegesprek. Het hoofd van de afdeling houdt dit gesprek, waarbij de medewerker en de senior / sectieleider aanwezig zijn. Doel is de klant aan te spreken op zijn gedrag en duidelijkheid te verkrijgen over de oorzaak van c.q. motieven tot agressief gedrag. Het gesprek moet uitmonden in een aantal afspraken die schriftelijk worden vastgelegd. Niet nakoming betekent een (oplopende) sanctie. De keuze voor een ordegesprek wordt gemaakt op basis van de inschatting dat hiermee meer effect wordt bereikt dan met een ontzegging van de toegang tot het gebouw. Het ordegesprek wordt geregistreerd in het agressieregistratiesysteem. 4.3 Ontzegging toegang Doel: beveiliging van de medewerkers en bezoekers van de gemeentelijke locaties! Bij ontoelaatbaar gedrag, met name als er sprake is van geweld gericht op personen en/of ernstige vernielingen van de gemeentelijke of privé eigendommen van medewerkers, kan voor een bepaalde periode een toegangsverbod voor de betreffende en/of alle gemeentelijke locaties worden opgelegd. Per situatie wordt beoordeeld of deze maatregel de meest gepaste is. Het maakt verschil of voor het incident, gelet op de achtergrond van de klant, begrip kan worden opgebracht of dat het gaat om recidive dan wel het puur uitoefenen van pressie om iets gedaan te krijgen. Duidelijk mag zijn dat deze sanctie alleen opgelegd wordt, wanneer andere methoden niet meer toepasbaar zijn. Het besluit tot ontzegging van de toegang en de duur daarvan wordt namens het college van burgemeester en wethouders genomen door het hoofd van de afdeling. Het besluit tot ontzegging wordt geregistreerd in het agressieregistratiesysteem. 4.4 Aangifte bij de politie Doel: beoordeling justitie over strafrechtelijke vervolging. Er wordt altijd aangifte gedaan bij de politie (binnen 24 uur na het incident) bij ernstige bedreigingen, vernielingen en/of fysieke agressie. Dit moet klanten/bezoekers vooraf duidelijk zijn. De aangifte moet worden gedaan door het slachtoffer, de bedreigde of een getuige. Het afdelingshoofd ondersteunt hierin. In geval van vernieling van gemeentelijke eigendommen wordt aangifte gedaan door het hoofd van de afdeling. Er wordt gestreefd naar de mogelijkheid van een verkorte schriftelijke aangifte, zodat tijdig en snel kan worden gereageerd. 4.5 Schadeclaim/verhaal De dader is aansprakelijk voor de door hem aangerichte schade. De gemeente Venlo vergoedt aan bezoekers geen materiële en/of immateriële schade. De medewerker kan in voorkomende gevallen van schade tijdens de uitoefening van zijn functie een verzoek tot vergoeding indienen bij het college van burgemeester en wethouders. De personeelsadviseur van de dienst kan de medewerker daarbij behulpzaam zijn. De schade wordt in alle gevallen op de dader verhaald. 4.6 Toepassing sanctiebeleid Doel: veranderen van het gedrag van de klant Agressief gedrag kan bijvoorbeeld de toekenning van een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet of het uitvoeren van een heronderzoek bemoeilijken of zelfs verhinderen. Noodzakelijke informatie kan immers niet worden verstrekt, waardoor het (verdergaand) recht niet kan worden beoordeeld. Het gedrag van de klant kan ook de controle onmogelijk maken, wat kan leiden tot verlaging of weigering van de uitkering. Het is van belang om bij toepassing van het sanctiebeleid de klant hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen. 5 Wie is betrokken bij opvang, beheersing en nazorg van agressie Bij de preventie, de opvang en nazorg van agressie komt het vooral aan op consequent handelen en samenwerken. Hieronder volgt een beschrijving van de rol die iedere betrokkene moet spelen. De medewerker: zorgt ervoor op de hoogte te zijn van de inhoud van het agressieprotocol; handelt in geval van agressie conform dit protocol; meldt alle gevallen van agressie bij zijn afdelingshoofd of senior/sectieleider; overlegt met zijn afdelingshoofd of senior / sectieleider over te nemen stappen; meldt de ernstiger vormen van agressie d.m.v. het agressieregistratieformulier, in overleg met het afdelingshoofd, aan de Arbo-coördinator. Het afdelingshoofd (in samenspraak met senior/ teamleider): is in eerste instantie verantwoordelijk voor alle maatregelen die nodig zijn voor de eerste opvang van het slachtoffer (zowel eigen personeel als klanten/bezoekers); is verantwoordelijk voor de verdere en gestructureerde opvang van de medewerker en onderhoudt daartoe periodiek overleg met de bedrijfsarts; overlegt met de medewerker over het melden van het agressievoorval aan de Arbo-coördinator d.m.v. het agressieregistratieformulier; begeleidt en ondersteunt het slachtoffer bij het doen van aangifte bij de politie; informeert partner en familie bij ernstige voorvallen; bepaalt de te nemen maatregelen ten opzichte van de agressor; stabiliseert en normaliseert de situatie op de afdeling na een voorval; moet oog hebben voor alles wat binnen zijn afdeling en daarbuiten kan bijdragen aan het voorkomen van agressie; moet oog hebben voor de gevolgen van de agressie op de medewerkers op langere termijn en de houding van de collega’s ten opzichte van de getroffen medewerker; controleert regelmatig het functioneren van de alarmbel; initieert preventieve en correctieve maatregelen eventueel in samenspraak met de Arbo-coördinator; stelt agressie en beteugeling daarvan regelmatig aan de orde in het afdelingsoverleg. De Arbo-coördinator: zet een agressieregistratiesysteem op en voert de daadwerkelijke registratie van ernstige incidenten; evalueert en analyseert jaarlijks de agressieregistratie, rapporteert aan het Managementteam en college van burgemeester en wethouders en voorziet de rapportage van een advies; onderhoudt zo nodig het contact van de gemeente met politie/justitie en professionele hulpverleners en coördineert en bewaakt de afspraken; is verantwoordelijk voor het actueel houden van dit agressieprotocol. Vindplaats, bron Agressieregistratieformulier Het formulier Agressieregistratie is te vinden op de P-info site, onder Agressieprotocol. Voorbeeldbrieven Voorbeeldbrieven zijn beschikbaar voor: Waarschuwing. Uitnodiging ordegesprek. Ontzegging toegang. Opheffen ontzegging toegang. De voorbeeldbrieven zijn de vinden in de documentenapplicatie Word, documentkeuze, map ‘Algemeen’, submap ‘correspondentie’. Informatie bij Je direct leidinggevende of bij de afdeling Bedrijfsvoering, team P&O. Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO Lid 1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. Lid 2 Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO Lid 1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. Lid 2 Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen. Artikel 1:5 Omvang van de betrekking Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. Artikel 1:6 Vrijstelling Lid 1 In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. Lid 2 De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. Hoofdstuk 2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid Lid 1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. Lid 2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. Lid 3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. Lid 4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek Lid 1 Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. Lid 2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Artikel 2:4 Duur van de aanstelling Lid 1 De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk. Lid 2 Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling. Lid 3 Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter. Lid 4 In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen. Lid 5 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden. Lid 6 Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling. Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling Lid 1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst. Lid 2 Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. Lid 3 De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Artikel 2:4:2 Vacatures Lid 1 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. Lid 2 Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Artikel 2:4:2:1 Beleidsregels werving en selectie Beleidsregels werving & selectie A. Begripsbepalingen In dit artikel wordt verstaan onder: vacature: er is sprake van een vacature als een bestaande formatieplaats vrij komt die vervuld moet worden, dan wel indien een nieuwe functie in de formatie wordt opgenomen en vrijgegeven; interne solicitant: onder interne sollicitant wordt verstaan een medewerker die bij de gemeente Venlo in dienst is en die aan het bevoegd gezag kenbaar maakt in aanmerking te willen komen voor een beschikbaar gestelde functie; externe solicitant: onder externe sollicitant wordt verstaan degene die niet in dienst is bij de gemeente Venlo en die aan het bevoegd gezag kenbaar maakt in aanmerking te willen komen voor een beschikbaar gestelde functie; bevoegd gezag: het tot aanstelling of benoeming bevoegde gezag; allochtoon: een persoon behorende tot de doelgroep als bedoeld in de Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden. B. Algemene uitgangspunten Het bepaalde in dit artikel geldt zowel voor interne als externe sollicitanten. Het beleid is er op de eerste plaats op gericht, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:4:2, eerste lid van de AGV de vervulling van een vacature bij voorkeur uit het personeel van de gemeente Venlo te laten plaatsvinden, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag het dienstbelang zich hiertegen verzet. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op degene die een wachtgeld of uitkering genieten ten laste van de gemeente. Uitgangspunt is derhalve dat de interne wervingsprocedure over het algemeen eerst moet zijn afgerond voordat de vacature extern bekend wordt gemaakt. Indien uit de interne werving geen geschikt kandidaat naar voren is gekomen, wordt extern geworven. Daartoe wordt in eerste instantie het Mobiliteitsbureau Noord- en Midden Limburg ingeschakeld. De uitzendkracht die minimaal zes maanden bij de gemeente Venlo werkzaam is en degene die bij de gemeente Venlo te werk is gesteld ingevolge de Wet inschakeling werkzoekenden, dan wel werkzaam op basis van andere van overheidswege gesubsidieerde werkgelegenheidsprojecten, wordt gelijkgesteld met de mobiliteitskandidaat. Wanneer het in redelijkheid waarschijnlijk of voorzienbaar is, dat er geen geschikte interne kandidaten voor de vacature zijn, kan – ter verkorting van de procedure – gelijktijdig met de interne werving externe werving plaatsvinden. Elke extern in te vullen vacature wordt bij het UWV WERKbedrijf gemeld. De gemeente Venlo streeft ernaar haar personeelsbestand zoveel als mogelijk een afspiegeling te laten zijn van haar bevolkingssamenstelling. Ze werkt hierbij met vastgestelde streefcijfers In het kader van de “werving en selectie” voert de gemeente Venlo een specifiek doelgroepenbeleid met betrekking tot personen die op de arbeidsmarkt een achterstand hebben. Concreet betreft het – overigens om verschillende redenen – de positie van de vrouw in zijn algemeenheid en de herintredende vrouw in het bijzonder in relatie tot gelijke kansen en posities, alsook de groepen gehandicapten en allochtonen c.q. minderheden. Het team p&o is verantwoordelijk voor de procesbegeleiding en kwaliteitsbewaking van de wervings- en selectieprocedure, zowel voor interne als externe sollicitanten. C. Werving Ten behoeve van de bekendmaking van een vacature stelt het afdelingshoofd en/of de teamleider, in samenspraak met het team p&o, een vacaturetekst op. In het geval dat in een vacature intern wordt voorzien in het kader van schriftelijk vastgelegde afspraken met betrekking tot loopbaanontwikkeling of management development, herplaatsing gedeeltelijk arbeidsongeschikten, plaatsing op basis van een sociale en/of medische indicatie en (her)plaatsing als gevolg van overtolligheid/opheffing functie bij organisatieaanpassing, vindt geen in- en externe melding of bekendmaking van de vacature plaats. Bij in- en/of externe bekendmaking van een vacature worden in ieder geval inlichtingen verschaft over de functiebenaming, de voornaamste taken en bevoegdheden, plaats in de organisatie, de functie-eisen, functieniveau, aantal formatieve uren, namen en telefoonnummer van de contactpersonen, het eventueel hanteren van een inspraakprocedure en de sluitingsdatum van de sollicitatieprocedure. Wanneer een aanvullend onderzoek (medisch, psychologisch of assessment center methode) deel uitmaakt of kan uitmaken van de selectieprocedure, wordt dit eveneens vermeld. Het stellen van een leeftijdsgrens in een vacature is alleen dan toegestaan wanneer daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. De motivering voor de gehanteerde leeftijdsgrens moet in de vacature-meldingstekst worden vermeld; e.e.a. overeenkomstig het wetsvoorstel “Verbod tot met maken van onderscheid op grond van leeftijd bij het aanbieden en aangaan van een arbeidsverhouding” en vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De gemeente Venlo richt zich bij het werven van nieuwe medewerkers op het verhogen van het aantal personen die op de arbeidsmarkt een achterstand hebben. In de wervingstekst wordt de standaardzin opgenomen: “personen met een achterstand op de arbeidsmarkt worden nadrukkelijk verzocht te solliciteren. Bij gelijke geschiktheid genieten die personen de voorkeur” (vrouwen, allochtonen en gehandicapten). De sollicitaties dienen gericht te zijn aan de teamleider p&o. Aan de sollicitant wordt onmiddellijk een bericht van ontvangst van zijn sollicitatie gezonden. Er wordt na gestreefd dat de sollicitant uiterlijk veertien dagen na sluiting van de sollicitatietermijn op de hoogte is gebracht van de stand van zaken en verdere gang van zaken met betrekking tot zijn sollicitatie. D. Selectie De selectieprocedure is functiegericht. De personen die bij de selectie zijn betrokken treden niet verder in de persoonlijke levenssfeer van de sollicitant dan voor het selectieonderzoek noodzakelijk is. In het geval een vacature intern is opengesteld, wordt iedere sollicitant uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Indien een vacature gelijktijding in- en extern is opengesteld, dient aan de externe sollicitant medegedeeld te worden, dat interne sollicitanten de voorkeur genieten. Aan de sollicitant die voor een gesprek wordt uitgenodigd, worden bij die uitnodiging nadere gegevens verstrekt over de selectieprocedure en over andere voor hem/haar van belang zijnde zaken. Daarbij wordt de sollicitant in ieder geval geïnformeerd over de deelnemers aan het sollicitatiegesprek en hun functie. Wanneer een delegatie van het personeel betrokken is bij de uiteindelijke selectie van de sollicitanten, wordt de sollicitant hiervan eveneens op de hoogte gesteld. Bij de beoordeling van de mate van geschiktheid van de sollicitant, vormen de eisen en de voorwaarden die aan de vervulling van de vacature zijn verbonden, het uitgangspunt. Tijdens de selectieprocedure worden de gestelde eisen en voorwaarden niet gewijzigd. Aan de sollicitant worden geen vragen gesteld over zijn of haar sociale milieu. Voor zover inlichtingen over de sollicitant worden gevraagd buiten het kader van een psychologisch- of assessment onderzoek, worden deze alleen ingewonnen nadat met de sollicitant is overeengekomen bij wie en in welke fase van de selectieprocedure. De inlichtingen die op grond hiervan worden ingewonnen staan in direct verband met de te vervullen functie. De sollicitant wordt – op zijn/haar verzoek – medegedeeld, welke belangen aan de verkregen inlichtingen is toegekend en wie deze inlichtingen heeft verstrekt. Gegevens van of over een sollicitant worden zonder de toestemming van de sollicitant niet ter beschikking gesteld, noch ter inzage gegeven aan personen of instellingen, die niet zijn betrokken bij de selectie voor de functie waarnaar hij of zij solliciteert. Een psychologisch- of assessmentonderzoek wordt slechts ingesteld als daaraan voor een verantwoorde beoordeling van de geschiktheid van de sollicitant behoefte bestaat. Voor psychologisch- of assessmentonderzoek worden uitsluitend kandidaten voorgedragen, die in beginsel geschikt bevonden zijn. Indien de sollicitant na kennisneming van het advies niet instemt met het doorgeven van het advies, bericht de psycholoog aan de gemeente Venlo uitsluitend dat op die grond geen advies zal worden uitgebracht. In geval van nabespreking met de psycholoog dient de sollicitant uiterlijk binnen een week na het onderzoek uitsluitsel te geven aan de psycholoog ter zake het vrijgeven van het advies. Het niet beschikbaar stellen van het advies betekent automatisch dat de sollicitant zijn sollicitatie intrekt. De contacten met de psycholoog lopen in eerste instantie via de managementadviseur p&o. Elk psychologisch advies, waaronder assessment, over sollicitanten wordt onmiddellijk na het nemen van de beslissing omtrent het al dan niet benoemen of in dienst nemen vernietigd. Een medisch onderzoek in verband met de aanstelling of arbeidsovereenkomst is ingevolge de Wet op de medische keuringen slechts dan toegestaan als aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid worden gesteld. De vergoeding van reis- en verblijfkosten die de sollicitant maakt wanneer hij/zij op uitnodiging deelneemt aan de selectieprocedure, geschiedt op voet van de Reisregeling Personeel Venlo. Een beslissing, die leidt tot afwijzing van een (in- of externe) sollicitant, wordt binnen een week aan betrokkene ter kennis gebracht. De afwijzing wordt zo goed mogelijk schriftelijk of mondeling gemotiveerd. Afspraken met betrekking tot werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden worden schriftelijk vastgelegd. Indien drie maanden na sluiting van de sollicitatietermijn nog geen beslissing is genomen, wordt de sollicitant geïnformeerd over de stand van zaken en het verdere verloop van de selectieprocedure. Doelgroepenbeleid Zowel de maatschappelijke ontwikkelingen als de hiermee samenhangende wetgeving hebben er toe geleid dat de arbeidsorganisaties maatregelen hebben genomen ten behoeve van specifieke groepen op de arbeidsmarkt. Het gaat dan om groepen die moeilijk in het arbeidsproces worden opgenomen of die een grote achterstand hebben zodra de concurrentie met reguliere markt in het geding is. Concreet betreft het – overigens om verschillende redenen – de positie van de vrouw in zijn algemeenheid en de herintredende vrouw in het bijzonder in relatie tot gelijke kansen en posities, alsook de groepen gehandicapten en allochtonen c.q. minderheden. Het moge duidelijk zijn dat de haalbaarheid van het doelgroepenbeleid op langere termijn moet worden gezien. De opvatting dat de personele bezetting in een organisatie een afspiegeling behoort te zijn van onze maatschappij is algemeen aanvaard. De vraag is echter of de individuele organisatie hier ook op een redelijke termijn aan kan voldoen. Te meer daar hier enkele factoren, zoals kwaliteit en beschikbaarheid op de markt en vacante posities, een bepalende invloed doen gelden. De eisen met betrekking tot de continuïteit en het economisch verantwoord handelen worden nadrukkelijk gesteld en vervolgens centraal geplaatst. Dit betekent natuurlijk dat er wel mogelijkheden zijn maar dat de afweging van velerlei belangen geen eenzijdige prioriteit toestaat. De gemeente Venlo is van oordeel dat tegen deze achtergrond ook het beleid geformuleerd en uitgevoerd moet worden, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de doelstelling duidelijk is maar het tempo en de termijn in goed overleg bepaald moeten worden. In het kader van de personeelsvoorziening moet eigenlijk gelijktijdig aan verschillende aspecten worden voldaan, omdat kennelijk in de praktijk vanuit deze invalshoek wordt getoetst. Desalniettemin zal in de praktijk een zekere fasering onvermijdelijk zijn. Items als het aanbod op de arbeidsmarkt en de eis van verantwoorde kwaliteit behoeven in dit verband geen nadere toelichting. Een andere kwestie vormt de concrete taakstelling. Met andere woorden, welke resultaten dienen op welke termijn te worden gehaald. Mede ten behoeve van de gewenste objectiviteit en de evaluatie van het beleid, wordt dan ook uitgegaan van landelijk vastgestelde (aanbevolen) streefcijfers. Alhoewel een vergaande differentiatie naar organisatieonderdeel, functiegroepen en niveaus mogelijk is wordt vooralsnog een integrale taakstelling (voor de totale organisatie) gehanteerd, echter met dien verstande dat het streefcijfer wel per dienst rechtstreeks wordt doorvertaald gezien de bestaande discrepantie. Ten aanzien van het te voeren beleid krachtens de Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden (Wet Samen) wordt een zelfde aanpak voorgestaan, m.a.w. een streefcijfer voor de gehele organisatie dat tevens van toepassing is op de afzonderlijke diensten. Er is bewust voor gekozen om dit specifieke beleid met betrekking tot doelgroepen als een integraal onderdeel van het personeelsbeleid te beschouwen en dus ook zoveel mogelijk in de reguliere structuur op te nemen. Als uitgangspunten van beleid voor de komende jaren worden geformuleerd: Voor de organisatie als geheel wordt het streefcijfer voor vrouwen op 45% vastgesteld. Het streefcijfer voor de doelgroep minderheden/gehandicapten wordt vastgesteld op 6%. In advertenties zal worden opgenomen dat aan de specifieke groepen als bedoeld ad. 1, op de arbeidsmarkt bij gelijkwaardige geschiktheid voorrang wordt gegeven. Bovendien zal bij externe werving extra aandacht besteed worden aan de inzet van specifieke media voor de bedoelde doelgroepen. Bij het oproepen van externe kandidaten zullen, indien mogelijk, minimaal 1/3 vrouwen zijn betrokken. Er zal extra aandacht besteed worden aan bestaande flankerende arbeidsvoorwaarden als de mogelijkheid om in deeltijd te werken, het aanbieden van kinderopvang, ouderschapsverlof etc.. Interne werving kan gepaard gaan met persoonlijke benadering van vrouwen en in combinatie met loopbaanbegeleidings- en ontwikkelingstrajecten, mede op basis van de functioneringsgesprekken. Veranderingen in de organisatiecultuur stimuleren. In dat verband dienen financiële middelen beschikbaar te worden gesteld (opleidingsplan). Primair zullen de inspanningen gericht zijn op de beleids- en leidinggevende functies in de organisatie, door hier meer aandacht voor te vragen. Artikel 2:4:2:2 Beleidsregels werving en selectie directeuren en afdelingshoofden in het directiemodel Beleidsregels werving en selectie directeuren en afdelingshoofden in het directiemodel 1. Procedure 1.1. Profielen bijwerken en openstellen vacatures Op het moment dat er een vacature ontstaat wordt bekeken of het bestaande profiel moet worden aangevuld of dat er andere accenten moeten worden gelegd. Eventuele aanpassingen van het profiel worden voorgelegd aan de OR en vastgesteld door het college van B&W. 1.2. Proces opstarten Het werving- en selectieproces wordt opgestart en er wordt een planning gemaakt voor het proces. De selectiecommissie en de selectieadviescommissie worden samengesteld. 1.3 Samenstellen selectiecommissie Voor directeuren bestaat de selectiecommissie uit: Wethouder P&O (voorzitter); Algemeen directeur; Collega-directeur; Adviseur Concernstaf; Afdelingshoofd; Vertegenwoordiger Ondernemingsraad; Teamleider P&O Bedrijfsvoering (tevens procesbegeleider). Voor afdelingshoofden wordt een selectiecommissie gevormd voor m.n. het generieke profiel. Deze bestaat uit Algemeen directeur (voorzitter); Wethouder P&O; Directeur; Collega-afdelingshoofd; Vertegenwoordiger Ondernemingsraad; Teamleider P&O (tevens procesbegeleider). 1.4 Samenstellen adviescommissie Voor directeuren bestaat de adviescommissie uit: Wethouder, niet zijnde wethouder P&O (voorzitter); Afdelingshoofd Bedrijfsvoering; Drie afdelingshoofden van de betreffende taakvelden, bij voorkeur uit verschillende afdelingen; Vertegenwoordiger Ondernemingsraad; Managementadviseur Bedrijfsvoering (processturing). Voor afdelingshoofden wordt een adviescommissie gevormd voor m.n. het specifieke deel van het profiel. Hierin hebben zitting: Wethouder (voorzitter); Collega-afdelingshoofd; Twee medewerkers van de betreffende taakvelden; Vertegenwoordiger Ondernemingsraad; Managementadviseur Bedrijfsvoering. 1.5 Voorbereiding selectie De commissie wordt gevraagd voorafgaand aan de selectie bijeen te komen. Doel is om het profiel en de rolverdeling uit te wisselen. Eveneens kan inhoudelijk het gesprek worden voorbereid. 1.6 Actief loopbaanbeleid De selectiecommissie kan zelf medewerkers uitnodigen binnen de vastgestelde termijn te solliciteren. Zij maakt daarbij gebruik van de lijst mobiliteitskandidaten en de lijst loopbaankandidaten die door de afdeling Bedrijfsvoering worden aangereikt. De in beginsel benoembare kandidaten worden actief benaderd. Ook kunnen anderen (collega’
- s)de selectiecommissie wijzen op mogelijke interne kandidaten. In geval van benoeming van één van deze kandidaten, wordt de vacature niet meer opengesteld voor andere interne of externe kandidaten. 1.7 Openstelling vacature in- en extern Als de actieve benadering niet tot benoeming leidt, wordt de vacature achtereenvolgens of gelijktijdig in- en extern opengesteld. 1.8 Publicatie Het opstellen van de advertentietekst en selectie van media in-/ extern gebeurt in overleg met de algemeen directeur. De vacature wordt gepubliceerd. 1.9 Selectie op te roepen kandidaten De selectiecommissie bepaalt welke kandidaten opgeroepen worden. Uitzonderingen gelden alleen, wanneer een kandidaat duidelijk niet aan de gestelde eisen voldoet. In dit geval wordt dit betrokkenen expliciet medegedeeld. 2. Rollen en verantwoordelijkheden 2.1 Verantwoordelijkheid selectiecommissie De selectiecommissie directeuren draagt verantwoordelijkheid voor het selecteren van kandidaten op basis van het generieke profiel: 1. Verantwoordelijkheidsgebieden; 2. Kwaliteiten (kennis en ervaring en competenties); 3. Matchen kandidaat met het directieteam. De selectiecommissie betrekt in haar overwegingen: Advies van selectieadviescommissie; Rapport performance assessment; (Eventueel) referenties. De selectiecommissie afdelingshoofden draagt verantwoordelijkheid voor het selecteren van kandidaten op basis van het generieke profiel: 1. Verantwoordelijkheidsgebieden; 2. Kwaliteiten (kennis en ervaring en competenties). De selectiecommissie betrekt in haar overwegingen: Advies van selectieadviescommissie; Rapport performance assessment; (Eventueel) referenties. 2.2 Verantwoordelijkheid adviescommissie De adviescommissie directeuren draagt verantwoordelijkheid voor het geven van een advies middels de voorzitter van de commissie aan de selectiecommissie over het specifieke profielgedeelte: Inhoudelijke expertise in het taakveld Matchen kandidaat met het afdelingsmanagement. De adviescommissie afdelingshoofden draagt verantwoordelijkheid voor het geven van een advies middels de voorzitter van de commissie aan de selectiecommissie over het specifieke profielgedeelte: Inhoudelijke expertise in het beleidsveld Matchen kandidaat met de afdeling: Leidinggevende kwaliteiten in termen van binden en boeien; het gericht zijn op het motiveren van medewerkers, optimale inzetbaarheid van medewerkers. Persoonlijk leiderschap om goed de belangen te kunnen managen tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers. Draagvlak creëren voor veranderingen. In het advies wordt geen unanimiteit nagestreefd. Bij verschillen van opvatting dienen deze juist (anoniem) aan de selectiecommissie te worden voorgelegd als ze betrekking hebben op relevante aspecten. 2.3 Rol Ondernemingsraad De Ondernemingsraad brengt afzonderlijk advies uit aan de algemeen directeur (de bestuurder). 3. Assessment Kandidaten gaan naar een performance assessment. De kandidaten dienen dit niet op te vatten als een ‘conceptbenoeming’. Dit wordt hen ook verteld. Het assessmentbureau ontvangt een instructie met specifieke vraagpunten. Een assessment vervangt niet de mening van de selectiecommissie. Het kan twijfels wegnemen of versterken of een voorlopige opvatting van de commissie bevestigen. De selectiecommissie kan te allen tijde afwijken van de uitslag van het assessment. De uitslag van het assessment en de beslissing van de selectiecommissie worden aan de kandidaten meegedeeld door de voorzitter en een vertegenwoordiger van de afdeling Bedrijfsvoering. 4. Benoeming De benoeming van directeuren en afdelingshoofden gebeurt door het college van burgemeester en wethouders. 4.1 Griffie Deze procedure is niet van toepassing op de griffier. De gemeenteraad benoemt de griffier. 5. Kaders Voor de toepassing van dit artikel zijn de volgende kaders van toepassing: Vastgestelde formatie; Vastgestelde profielen voor directeuren en afdelingshoofden; Mandaatbesluit P&O-beheertaken; Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Venlo, beleidsregels werving en selectie en beleidsregels vacaturebeleid. Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst Lid 1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. Lid 2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. Lid 3 Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13. Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht Lid 1 De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 . Lid 2 De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur. Lid 3 Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Artikel 2:6 Overgangsrecht Lid 1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden. Lid 2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli 2001. Lid 3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 . Lid 4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 . Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur Lid 1 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. Lid 2 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. Lid 3 Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie. Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur Lid 1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. Lid 2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; het salaris evenredig wordt verhoogd; de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd; instemming van de ambtenaar is vereist; artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. Lid 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. Lid 4 Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. 3 Salaris en vergoedingsregelingen Artikel 3:1 Bezoldiging Lid 1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend. Lid 2 In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt: schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop; salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage. Lid 3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage IIen IIa van de CAR. Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is. Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken. Lid 4 Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II . Lid 5 Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken: dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ; en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa. Lid 6 Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand. Lid 7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Lid 8 Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Artikel 3:1:1 Bezoldiging Lid 1 De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn. Lid 2 Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde. Lid 3 Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen. Lid 4 Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd. Artikel 3:1:2 Waarnemingstoelage Lid 1 De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid. Lid 2 De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald. Lid 3 De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1. Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming. Lid 4 Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt. Lid 5 Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen. Artikel 3:2 Overwerkvergoeding De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin. Artikel 3:2:1:1 Overwerkvergoeding Lid 1 De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde. Lid 2 Het verlof bedoeld in het vorige lid wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip, gelegen zo mogelijk binnen twee weken, doch uiterlijk binnen zes weken na de week waarin het overwerk is verricht. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. Lid 3 Voor 1 oktober kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding van overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgend kalenderjaar, worden omgezet in vakantie, als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Lid 4 Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met 100. Lid 5 Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt: • 100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur; • 75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur; • 75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur; • 50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur; • 50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur; • 25 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur. Voor overwerk op een dag, als bedoeld in artikel 4:2:1, derde en vierde lid, en op de dag volgende op de dag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald. Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, een zaterdag of een dag bedoeld in artikel 4:2:1, vierde lid, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, een zaterdag of een dag, bedoeld in artikel 4:2:1, vierde lid. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, een zaterdag of een dag, bedoeld in artikel 4:2:1, vierde lid, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%. Lid 6 Het college bepaalt welke ambtenaren – gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk. Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. Lid 7 Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen. Lid 8 Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. Artikel 3:2:1:2 Overwerkvergoeding Uitvoeringsregeling overwerkvergoeding Artikel 1 Om voor overwerkvergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1:1 van de AGV, in aanmerking te komen moet de ambtenaar voor de aanvang van het overwerk een uitdrukkelijke opdracht tot het verrichten daarvan hebben ontvangen van zijn afdelingshoofd of namens deze van zijn direct leidinggevende. Artikel 2 Geen aanspraak op vergoeding heeft de ambtenaar wiens functieniveau is vastgesteld op schaal 11 of hoger. Artikel 3:2:1:3 Maaltijdvergoeding bij overwerk Regeling maaltijdvergoeding bij overwerk Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder medewerker: degene als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder a, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo. Artikel 2 In het geval door de medewerker in opdracht werkzaamheden moeten worden verricht buiten de voor hem geldende werktijden en binnen de grenzen van de gemeente wordt geen vergoeding voor of maaltijden van gemeentewege verstrekt, tenzij het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van toepassing is. Artikel 3 In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt voor de gemaakte kosten van een maaltijd een vergoeding verleend, indien: de werkzaamheden niet zijn voorzien, en er voor het nuttigen van een maaltijd geen gelegenheid is om naar huis te gaan, en de werkzaamheden tenminste voortduren tot 21.00 uur. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt maximaal het bedrag van de dagcomponent, genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Reisregeling personeel gemeente Venlo. Het bepaalde in artikel 10 (declaratie) van die regeling is van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 Deze regeling is niet van toepassing, indien en voor zover een andere regeling voor bijzondere situaties voorziet in een afzonderlijke voorziening. Artikel 3:2:1:4 Vergoeding bij rampen/ calamiteiten Vergoedingsregeling bij rampen/ calamiteiten Artikel 1 Voor de toepassing van dit artikel dient onder “medewerker” te worden verstaan degene bedoeld in artikel 15:1g van de AGV. Artikel 2 Indien consignatie van de medewerker noodzakelijk is, geldt het bepaalde in (of krachtens) artikel 3a:3:3:1 van de AGV. Artikel 3 Ingeval sprake is van overwerk, als bedoeld in artikel 15:1g, tweede lid onder b van de AGV, is met betrekking tot de vergoeding van het overwerk het bepaalde in artikel 3:2:1:1, vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. als uurloon wordt gehanteerd het maximum bedrag van schaal 8, volgens bijlage IIa, bedoeld in artikel 3a:1:1:1 van de AGV; b. het gestelde met betrekking tot de “twee uur per week” in artikel 3:2:1:1, vijfde lid, onder a, eerste volzin, niet van toepassing is; c. de hiervoor bedoelde vergoeding geschiedt in geld, behoudens onredelijke en persoonlijke omstandigheden. Artikel 4 De gewerkte uren tussen 24.00 uur en het begin van de voor de medewerker geldende werktijd (gederfde slaapuren) worden vanaf het begin van de werktijd gecompenseerd met verlof met behoud van bezoldiging, met dien verstande, dat die verlofuren niet in mindering worden gebracht op de uren, die ingevolge deze regeling in aanmerking komen vergoeding. Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor de medewerker, waarop de variabele werktijdregeling van toepassing is, uitgegaan van een begin werktijd van 08.00 uur. Artikel 5 Voor de medewerker, bedoeld in artikel 3, wiens werkzaamheden aldaar bedoeld feitelijk overeenkomen met taakbestanddelen uit de eigen functie, wordt de vergoeding, bedoeld in voornoemd lid, afgeleid van zijn uurloon, met dien verstande, dat bedoeld uurloon, tenminste wordt afgeleid van het salarisbedrag bedoeld in artikel 3 onder a. Artikel 6 Voor overwerk, bedoeld in de vorige artikelen, dat wordt verricht op een zogenaamde brugdag in het kader van de arbeidsduurverkorting, gelden de percentages, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3. Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst Lid 1 De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op: maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur; zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur; zondag tussen 00.00 en 24.00 uur. Lid 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld. Lid 3 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld. Lid 4 In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3:3:1 Beschikbaarheidsdiensten Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 15:1:10 , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden. Artikel 3:3:1:1 Toelage onregelmatige dienst Artikel 3:3 lid 2 is niet van toepassing. Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding. Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding Lid 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde: feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven; werktijd, deze werktijd wordt verschoven. Lid 2 Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd. Lid 3 De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon. Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald: in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef; op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend. Artikel 3:5:1:1 Ambtsjubileumgratificatie Lid 1 De ambtenaar, die gedurende 12½ jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend, overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn ambtsjubileum aanspraak heeft. Lid 2 De ambtenaar, die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. Lid 3 De ambtenaar, die gedurende 40 respectievelijk 50 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage, waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. Lid 4 De gratificatie wordt naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. Lid 5 Voor de ambtenaar, die in het genot is van een herplaatsingstoelage, als bedoeld in artikel 9.2 van het pensioenreglement, wordt een gratificatie ingevolge het bepaalde in dit artikel berekend over de bezoldiging en de vakantietoelage vermeerderd met de herplaatsingstoelage, waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. Het gedeelte van de gratificatie, dat geacht kan worden betrekking te hebben op het bedrag van de herplaatsingstoelage, wordt de ambtenaar netto uitgekeerd. Lid 6 Bij gedeeltelijk ontslag wordt de ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend. Artikel 3:5:1:2 Diensttijd in verband met ambtsjubileum Richtlijnen met betrekking tot de diensttijd, geldend voor ambtsjubilea Als overheidsdienst wordt aangemerkt de tijd, doorgebracht: in een burgerlijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid, waaronder te dezen mede worden begrepen de N.V. Nederlandse Spoorwegen tot 1 januari 1994, de v.m. N.V. “Artillerie-Inrichtingen” en de N.V. Staatsmijnen; in een betrekking (vóór 1 januari 1966), als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Pensioenwet 1922 (Stb. 1922, 240), een betrekking, als bedoeld in artikel B 2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6) in een betrekking als bedoeld in artikel U 1 van die wet; in burgerlijke dienst bij de overheid in de landen Suriname, (tot 25 november 1975) en de Nederlandse Antillen, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea en (tot 27 december 1949) bij de voormalige Indische Pensioenfondsen; in dienst bij het niet-openbaar onderwijs in de onder c. genoemde landen en voormalige overzeese rijksdelen, voor zover zulks de belanghebbende onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling bracht of zou hebben gebracht, indien hij in vaste dienst was geweest; tot en met 31 december 1954 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië wordt bestreken; in Nederlandse militaire of daarmede voor de toepassing van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Venlo gelijkgestelde dienst, waaronder begrepen dienst bij het voormalig K.N.I.L. en de troepen in Suriname (tot 25 november 1975) en de Nederlandse Antillen en Aruba; als volontair met een volledige dagtaak; de tijd, waarover rechtsherstel is verleend. 2. Geen diensttijd Als diensttijd in de zin van deze regeling wordt, in afwijking van het vorenstaande, niet aangemerkt diensttijd, welke niet in actieve dienst is doorgebracht wegens het bekleden van een politiek ambt. Voorts komt als dienst niet in aanmerking tijd, welke is doorgebracht buiten het genot van inkomsten uit de dienstbetrekking, behoudens –onverminderd het bepaalde in de vorige volzin – voor zoveel het tijd betreft, gedurende welke betrokkene buitengewoon verlof heeft genoten mede dan wel overwegend in het algemeen belang (artikel 6:4:4 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Venlo). Evenmin wordt als diensttijd aangemerkt fictieve diensttijd, onverminderd het in het eerste lid 1 onder 1 h bepaalde. 3. Geen dubbeltelling Diensttijd, gelijktijdig in meer dan één betrekking doorgebracht, telt voor de vaststelling van de datum van het ambtsjubileum slechts eenmaal mede. Evenmin vindt dubbeltelling plaats van diensttijd, doorgebracht binnen de keerkringen of in andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gebieden als bedoeld in artikel B 4 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6). 4. Niet aaneengesloten diensttijd De diensttijd behoeft niet aaneengesloten te zijn. De perioden van onderbreking worden uiteraard niet als diensttijd aangemerkt. Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering Lid 1 De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 836,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. Lid 2 De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. Lid 3 Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest. Artikel 3:7:1 Militaire dienst Lid 1 De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, wordt geacht in zijn betrekking met verlof te zijn. Lid 2 Hij behoudt over de tijd van deze dienst het genot van de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging, slechts voorzover hem bij of krachtens de artikelen 3:7:2 , 3:7:3 , 3:7:4 en 3:7:5 daarop aanspraak is verleend. Voor zover die werkelijke dienst wordt vervuld tijdens aan de ambtenaar verleende vakantie, behoudt hij in ieder geval het genot van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging. Artikel 3:7:2 Militaire dienst De ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, behoudt - onverminderd het bepaalde in artikel 8:15:2 - de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenpremie. Artikel 3:7:3 Militaire dienst Lid 1 De ambtenaar die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging slechts voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning. Lid 2 Zo nodig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid behoudt de ambtenaar de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenpremie. Lid 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventuele aftrek wegens genot van voeding en huisvesting. Lid 4 Onder militaire beloning wordt verstaan de bij verblijf in Nederland geldende bezoldiging, bedoeld in de voor de betrokkene van kracht zijnde militaire bezoldigingsregeling, vermeerdert met de bij verblijf in Nederland op grond van bedoelde bezoldigingsregeling toegekende vlieg- of brevettoelage. Lid 5 Als herhalingsoefening wordt beschouwd de militaire dienst, die door de minister van defensie als zodanig wordt aangemerkt. Lid 6 Onverminderd het bepaalde in artikel 8:15:2 worden, voor de toepassing of voortgezette toepassing van het eerste lid, met inachtneming van hetgeen daaromtrent is bepaald in de Kaderwet dienstplicht of in de Wet voor het reservepersoneel der krijgsmacht 1985, met herhalingsoefeningen gelijkgesteld: het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek, omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan de militair verdacht of beklaagd wordt; het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven ten einde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer; het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens: ziekte; het niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte; het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij de Kroon of bij de minister van defensie ingediend bezwaarschrift. Artikel 3:7:4 Militaire dienst Indien de ambtenaar, in werkelijke dienst zijnde, overlijdt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 8:16:2 verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering welke uit hoofde van militaire dienst ter zake van dit overlijden wordt gedaan. Artikel 3:7:5 Militaire dienst Het bepaalde in de artikelen 3:7:1 , 3:7:2 , 3:7:3 en 3:7:4 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van: de ambtenaar die te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst; de ambtenaar die in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij het Korps nationale reserve. Artikel 3:7:6 Militaire dienst Op de ambtenaar die tijdelijk is aangesteld zijn de bepalingen, vervat in de artikelen 3:7:1 , 3:7:2 , 3:7:3 , 3:7:4 en 3:7:5 , slechts van toepassing tot en met de dag waarop de aanstelling zou zijn geëindigd, indien hij daaraan niet door de militaire dienst zou zijn onttrokken. Artikel 3:7:7 Vrijwillig politie ambtenaar Lid 1 De ambtenaar die op grond van een verbintenis als vrijwillig ambtenaar van politie in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel d van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie in werkelijke dienst is, wordt geacht in zijn betrekking met verlof te zijn. Lid 2 Gedurende dit verlof blijft de ambtenaar, onverminderd het bepaalde in artikel 8:15:2 , in het genot van de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging, met dien verstande dat deze bezoldiging, indien het verlof langer dan veertien dagen duurt, voor de verdere duur van het verlof wordt verminderd met de beloning waarop de ambtenaar als vrijwilliger aanspraak heeft. Lid 3 De in het tweede lid bedoelde vermindering wordt slechts toegepast tot een zodanig bedrag dat de ambtenaar in het genot blijft van een bedrag gelijk aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenpremie. Lid 4 Voor zover de werkelijke dienst wordt vervuld in aan hem verleende vakantie behoudt de ambtenaar in ieder geval het genot van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging. Lid 5 Het bepaalde in artikel 3:7:6 is voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Artikel 3:8:1:1 Afscheidsgratificatie De ambtenaar, die ter zake van een ontslag op grond van artikel 8:3 aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge artikel 9:1, wordt een afscheidsgratificatie toegekend, overeenkomende met het bedrag van de gratificatie, als bedoeld in artikel 3:5:1:1, welke hem zou zijn toegekend bij het voortduren van het dienstverband tot vijf jaren na de ontslagdatum. Artikel 3:8:1:2 Afscheidsgratificatie Lid 1 Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: op grond van artikel 8:3; op grond van artikel 8:4, voor zover hij niet is herplaatst in een dienstverhouding als bedoeld in hoofdstuk 9 van het pensioenreglement; op grond van artikel 8:9; op grond van artikel 8:10 of 8:11 indien en voor zover het een volledig ontslag betreft, en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie, als bedoeld in artikel 3:5:1:1, vereiste aantal overheidsjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele afscheidsgratificatie toegekend. Lid 2 De proportionele afscheidsgratificatie wordt berekend door het bedrag, waarop recht zou hebben bestaan, indien het vereiste aantal overheidsjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal overheidsjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal overheidsjaren, dat vervuld had moeten zijn om voor de betreffende gratificatie, als bedoeld in artikel 3:5:1:1, in aanmerking te kunnen komen. De proportionele afscheidsgratificatie wordt naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. Lid 3 Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele afscheidsgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend Artikel 3:8:1:3 Afscheidsgratificatie Lid 1 De ambtenaar, die, al dan niet op eigen verzoek ontslag wordt verleend, komt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 3:8:1:1 en 3:8:1:2, in aanmerking voor een afscheidsgratificatie, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het dienstverband bij de gemeente Venlo heeft ten minste 10 jaar geduurd; het ontslag is verleend op grond van: artikel 8:2; artikel 8:3; artikel 8:4; artikel 8:5, voor zover hij niet is herplaatst in een dienstverhouding als bedoeld in hoofdstuk 9 van het pensioenreglement; artikel 8:9; artikel 8:10; artikel 8:11. Lid 2 De in het eerste lid bedoelde afscheidsgratificatie bestaat uit een eenmalige netto-uitkering ter grootte van € 430,00). Deze uitkering wordt telkenmale aangepast aan de algemene verhoging van de salarisbedragen, bedoeld in Bijlage I, waarbij een afronding naar boven plaatsvindt op een veelvoud van vijf euro. Lid 3 De afscheidsgratificatie wordt onmiddellijk voor de ingangsdatum van het ontslag aan de ambtenaar uitgekeerd. Hoofdstuk 3a Bezoldigingsregeling Artikel 3a:1:1:1 Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ambtenaar: degene op wie het bepaalde in artikel 3:1 van toepassing is; salaris: het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid onder b; uurloon: het uurloon, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder o; salarisschaal: de schaal, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid onder a, opgenomen in bijlage II of IIa ; maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal, exclusief de bedragen, die gelden als diensttijduitloop, voor zover de salarisschaal dat aangeeft; bezoldiging: de bezoldiging, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid onder c; toelage: alle toelagen, waarop ingevolge of krachtens deze regeling aanspraak bestaat; functie: het geheel van werkzaamheden, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder b, overeenkomstig hetgeen door burgemeester en wethouders is bepaald; functieschaal: de salarisschaal, als bedoeld in het tweede lid van artikel 3a:2:5:1; volledige betrekking: de volledige betrekking, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder k. Artikel 3a:2:1:1 Recht op salaris Lid 1 Het recht op salaris vangt aan met de dag, waarop de aanstelling van de ambtenaar ingaat. Indien in het aanstellingsbesluit geen datum van ingang is vermeld, vangt het recht op salaris aan met de dag, waarop de ambtenaar feitelijk in dienst is getreden. Lid 2 Het recht op salaris eindigt, in geval van ontslag, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat. Artikel 3a:2:2:1 Gebroken tijdvakken Wanneer het salaris of een toelage moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand. Artikel 3a:2:3:1 Onvolledige betrekking Het salaris van de ambtenaar met een onvolledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou gelden bij een volledige betrekking. Artikel 3a:2:4:1 Salarisbedragen Lid 1 De salarissen van de ambtenaren, wier salaris niet bij of krachtens de wet is geregeld, worden vastgesteld op de bedragen volgens de salarisschalen zoals opgenomen in bijlage II en IIa, bedoeld in artikel 3a:1:1:1, onder d. Lid 2 Wijzigingen in de bijlagen II en IIa worden door het college aangebracht overeenkomstig de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling van de sector Gemeenten. Artikel 3a:2:5:1 Indeling in salarisschaal Lid 1 De toepassing van bijlage II en IIa vindt plaats overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 3:1, derde tot en met vijfde lid. Lid 2 De salarisschaal, welke voor de ambtenaar geldt, wordt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, door het college bepaald met inachtneming van het niveau van de functie. Lid 3 Het niveau van de functie wordt door het college bepaald overeenkomstig de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek. Het college stelt nadere regels met betrekking tot de uitvoering van een functiewaarderingsonderzoek en de daarbij te hanteren methode. Lid 4 Anders dan bij het aanvaarden van passende of gangbare arbeid, dan wel bij wijze van disciplinaire straf, als bedoeld in hoofdstuk 16, kan zonder voorafgaand ontslag van een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende schaal. Artikel 3a:2:5:2 Functiewaardering Regeling functiewaardering gemeente Venlo Artikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: College: het college van burgemeester en wethouders; Medewerker: degene op wie artikel 3:1, lid 1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo van toepassing is; Afdelingsmanager: de medewerker die is aangewezen als hoofd van een afdeling; Directieteam: meer hoofdige directie bestaande uit algemeen directeur / gemeentesecretaris en twee directeuren, overeenkomstig organisatieverordening gemeente Venlo; Organisatie: het geheel van vastgestelde doelstellingen, taken, organisatiestructuur en formatie; Functiehouder: degene die de generieke of specifieke organieke functie vervult; Organieke functie: een taak of een groep van taken, zoals die door het college is vastgesteld om door de medewerker te worden vervuld; Specifieke functie: unieke organieke functie ingedeeld in de functiefamilie; Functiefamilie: een groep van functies die qua soort werkzaamheden aan elkaar gelijk zijn; Generieke functie: eenduidige beschrijving van organieke functie die qua karakter van de werkzaamheden en functiezwaarte gelijkwaardig zijn, waardoor een clustering van functies over de gehele breedte van de organisatie wordt bereikt; Takenmatrices: overzic