Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente NijmegenVersie: 15-06-2016 Arbeidsvoorwaarden RAP stelt je in staat zelf de rechtspositieregelingen van de gemeente Nijmegen te raadplegen. Hoewel de getoonde informatie met zorg wordt samengesteld en geactualiseerd, kunnen hieraan geen rechten worden ontleend. 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen Lid 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; vervallen; arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; dienstverband: een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; overwerk: werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; uurloon: 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledig dienstverband herberekende - salaris van de ambtenaar per maand; Zvw: de Zorgverzekeringswet CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; UWO: Uitwerkingsovereenkomst; vervallen; vervallen; LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; Wazo: Wet arbeid en zorg; SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; WPA: de Wet privatisering ABP; vervallen; vervallen; volledig dienstverband: een dienstverband waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder dan 36 uur per week ZW: de Ziektewet; ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. Salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele arbeidsduur. Salaristoelagen: de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend. Deze werden tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging gerekend. Functieschaal: de salarisschaal die bij een functie hoort; Periodiek: het maandbedrag in een salarisschaal; Salarisschaal: een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; Achterblijvende Partner: weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar. Lid 2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Artikel 1.1.0.1 Arbeidsduur per jaar De gemiddelde arbeidsduur per jaar bedraagt in de gemeente Nijmegen 1827,3 uur in plaats van 1836 uur zoals vastgesteld in artikel 1:1 sub k. In de gemeente Nijmegen zijn 5 mei en de vrijdagmiddag na de Nijmeegse vierdaagse namelijk ook lokale feestdagen. Opgemerkt dient te worden dat de vergoeding met betrekking tot zon- en feestdagen niet van toepassing is coor deze lokale feestdagen. Artikel 1:2 Geen ambtenaar Lid 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening; de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg. Lid 2 Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. Lid 3 Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing. Artikel 1:2a Stageplaats Lid 1 Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst. Lid 2 Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4. Lid 3 De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair. Lid 4 De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding. Lid 5 Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald. Lid 6 De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP. Artikel 1:2b Werkervaringsplaats Lid 1 Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst. Lid 2 Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4. Lid 3 De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een periode van maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden. Lid 4 De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding. Lid 5 Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald. Lid 6 De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP. Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak Lid 1 In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Lid 2 In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het wettelijk minumumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon. Lid 3 Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering. Lid 4 Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde minimumbedrag voor de vakantietoelage. Lid 5 Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de levensloopbijdrage. Lid 6 Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor Lid 7 Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de vakantietoelage het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor Lid 8 Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de levensloopbijdrage het in artikel 6a:7 eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor. Lid 9 Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen. Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar Lid 1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26, en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. Lid 2 Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing Lid 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. Lid 4 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing. Artikel 1:2:2 Vervallen Vervallen. Artikel 1:2:3 Vervallen Vervallen. Artikel 1:3 Toepassing Lid 1 De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. Lid 2 Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel 1:3a Toepassing Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO Lid 1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. Lid 2 Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO Lid 1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. Lid 2 Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen. Artikel 1:5 Omvang van de betrekking Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. Artikel 1:6 Vrijstelling Lid 1 In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. Lid 2 De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. Artikel 1.6.0.1 Vrijstelling Lid 1 Voor de functie van gemeentesecretaris of directeur van een directie kan de vrijstellings-mogelijkheid in artikel 1:6 AGN van toepassing worden verklaard. Lid 2 In aanvulling op het gestelde in lid 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: De functionaris krijgt een aanstelling voor bepaalde tijd; De aanvullende afspraken hebben betrekking op de duur van de tijdelijke aanstelling, het salarisniveau en de hoogte en duur van een uitkering; Tegenover bijvoorbeeld ‘plussen’ in het salaris zullen altijd ‘minnen’ in andere arbeidsvoorwaarden moeten staan; Indien door de gemeentesecretaris of het College van B&W wordt overwogen tot aanstelling op grond van dit artikel over te gaan, wordt altijd vooraf het hoofd P&O-beleid geraadpleegd; Aanstelling in een dergelijke functie is voorbehouden aan het College van B&W. Lid 3 Dit artikel zal vooralsnog gelden van 1 januari 2007 tot 1 januari 2010, waarbij de Ondernemingsraad jaarlijks zal worden geïnformeerd over de toepassing van dit artikel”. 2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Artikel 2.1 (Q) Aanstelling; het bevoegd gezag Bij benoeming in vaste dienst na een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef dient een personeelsbeoordeling te worden opgemaakt. Artikel 2.1.0.1 Aanstelling in algemene dienst Tenzij anders bepaald, geschiedt aanstelling in algemene dienst. Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst Lid 1 De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. Lid 2 Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit artikel. Lid 3 De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente. Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst Lid 1 De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Lid 2 Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om: tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen; tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden; beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken. Lid 3 Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt. Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid Lid 1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. Lid 2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. Lid 3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Lid 4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 2.2 (Q) Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid Lid 1 In aanvulling op de toelichting van artikel 2:2 wordt nog het volgende vermeld: Als regel worden de bekwaamheids- en geschiktheidseisen op een heldere manier vastgelegd in een functiebeschrijving of functieprofiel. Bij de beoordeling of een kandidaat aan de benodigde bekwaamheids- en geschiktheidseisen voldoet kan o.a. gebruik gemaakt worden van een psychologisch onderzoek en/of andere gekwalificeerde toetsingsmethoden. Indien daar gebruik van gemaakt wordt, dient daar in principe van tevoren, bijvoorbeeld bij de interne vacaturemelding of bij de externe personeelsadvertentie melding van te worden gemaakt. Lid 2 Voor wat betreft de vertrouwelijkheid van de gegevens en bejegening van de kandidaten kan aansluiting worden gezocht bij de sollicitatiecode die de Nederlandse Vereniging van Personeelsbeleid (NVP) daaromtrent heeft vastgesteld. De code is gebaseerd op de conclusies van de zogenaamde (regerings)commissie Hessel. Ook de Stichting van de Arbeid heeft daaromtrent een aantal aanbevelingen gedaan die in grote lijnen overeenkomen met de code van de NVP. In hoofdlijnen komen de rechten van de sollicitant op het volgende neer. Recht op een eerlijke kans op aanstelling. Dat betekent gelijke kansen bij gelijke geschiktheid. Maar ook het recht van de arbeidsorganisatie om de meest geschikte kandidaat te kiezen. Het recht op goede informatie over o.a. de functie-inhoud, de arbeidsorganisatie, de procedure, etc. De werkgever dient zich hierbij actief op te stellen. Het recht op privacy. Hierbij wordt o.a. gedoeld op de soort en de diepgang van de in te winnen informatie. Het recht op vertrouwelijke behandeling van persoonlijke gegevens. Dat wil zeggen de vertrouwelijke wijze waarop met de ingewonnen informatie wordt omgegaan. Het recht op een instrumenteel doelmatige procedure. Dat betekent o.a. geen onnodig zware middelen (bijvoorbeeld een zware selectiecommissie of psychologisch onderzoek) toepassen bij functie waarbij dat niet nodig (functioneel) is. Het recht van klacht. De mogelijkheid van de sollicitant om zijn beklag te doen als deze van mening is dat op voornoemde rechten inbreuk is gedaan. Lid 3 Gezien de complexiteit van deze regelgeving verdient het aanbeveling hieromtrent informatie in te winnen bij de instantie die de vreemdelingenwet uitvoert. Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek Lid 1 Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. Lid 2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Artikel 2:4 Duur van de aanstelling Lid 1 De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd. Lid 2 Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd. Lid 3 Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd. Lid 4 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Lid 5 Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf de dag waarop: de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden; meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden. Lid 6 Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling Lid 1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; in een aanstelling bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst. Lid 2 Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. Lid 3 De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Artikel 2:4:2 Vacatures Lid 1 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. Lid 2 Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Artikel 2.4.2.1 Vacaturevoorziening Wat te doen als er binnen de gemeente een vacature ontstaat? Allereerst moet gekeken worden of de vacature kan worden vervuld door "herschikkingkandidaten of de werkzoekende als gevolg van arbeidsongeschiktheid” (zie herplaatsingbeleid) Als stap 1 niet kan leiden tot de vacaturevoorziening, wordt vervolgens gekeken welke "andere interne kandidaten" voor de functie in aanmerking zouden kunnen komen (zie artikel 2:4:2:2 van de AGN). Als stap 2 ook niet tot resultaten leidt kan extern geworven worden. Bij externe werving dient rekening te worden gehouden met de regeling "Inspraak bij benoemingen". Voor de benoeming van "directeuren" geldt een aparte sollicitatieprocedure (zie werving- en benoemingsprocedure directeuren). Bij sollicitatieprocedures wordt de sollicitatiecode in acht genomen (zie artikel 2:2 (Q)van de AGN). Artikel 2.4.2.2 Interne kandidaten Onder interne kandidaten wordt verstaan: De medewerker met een vast of tijdelijk dienstverband De medewerker met een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 2:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN); De inhuurkracht, die op grond van een uitzendovereenkomst of payrollovereenkomst, werkzaam is bij de gemeentelijke organisatie; De medewerker behorende tot een categorie personeel waarvan instroom in de gemeentelijke organisatie in de rede ligt /de bedoeling is, indien zulks in het overleg tussen bestuurder en Ondernemingsraad is overeengekomen (bijvoorbeeld diegenen die werkzaam zijn in het kader van de Participatiewet). Medewerkers in dienst van een gemeenschappelijke regeling, waaraan de gemeente Nijmegen deelneemt, voor zover die gemeenschappelijke regeling ook medewerkers van de gemeente Nijmegen als interne kandidaten beschouwt.” Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst Lid 1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. Lid 2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. Lid 3 Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13. Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht Lid 1 De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 . Lid 2 Het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, worden uitgedrukt in een bedrag per uur. Lid 3 Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Artikel 2:6 Overgangsrecht Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling. Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur Lid 1 Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen of de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. Lid 2 Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. Lid 3 Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn arbeidsplaats. Lid 4 De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur Lid 1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. Lid 2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; het salaris evenredig wordt verhoogd; de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, evenredig wordt verhoogd; de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a , eerste lid, evenredig wordt verhoogd; instemming van de ambtenaar is vereist; artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. Lid 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. Lid 4 Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. Lokale regelingen Wervings- en benoemingsprocedure directeuren Wervings- en benoemingsprocedure Directeuren Vastgesteld door B&W op 23 april 2002. Deze procedure is tevens van toepassing op de commandant van de brandweer. De gemeentesecretaris is verantwoordelijk voor het wervings- en selectieproces. Voorafgaand aan dit proces wordt door B&W het functieprofiel vastgesteld. Daarbij worden geraadpleegd: het directieteam, de COR, het MT en de OR van de betreffende directie (zie verder bij benoemingsprocedure). Artikel 1 Commissies Bij het proces spelen verder de volgende commissies een rol. Selectiecommissie organisatie Door de gemeentesecretaris wordt een selectiecommissie gevormd die als volgt is samengesteld: de gemeentesecretaris, tevens voorzitter; een lid van het directieteam; een lid van het managementteam van de betreffende directie; een adviseur van het bureau POI van DBO, tevens secretaris. Selectiecommissie bestuur Er wordt een selectiecommissie bestuur gevormd die bestaat uit: de wethouder P&O, tevens voorzitter; de burgemeester; een ander lid van het college; de gemeentesecretaris of een adviseur van het bureau POI, tevens secretaris. Inspraakcommissie Door de gemeentesecretaris wordt ook een inspraakcommissie gevormd, waarin zitting hebben: MT-leden van de betreffende directie; COR en OR-leden Artikel 2 Benoemingsprocedure Lid 1 De Selectiecommissie Organisatie zorgt voor het opstellen van een functieprofiel en advertentietekst en maakt tevens een planning voor het werving- en selectieproces met inachtneming van artikel 2:4:2:1 van de AGN. Lid 2 De Selectiecommissie Organisatie maakt een voorselectie van de sollicitanten en voert aan de hand van deze selectie sollicitatiegesprekken met de kandidaten. Daarna maakt de Selectiecommissie Organisatie een keuze voor meerdere kandidaten die worden voorgedragen aan de Selectiecommissie Bestuur. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden volstaan met een voordracht van één kandidaat. Lid 3 De Selectiecommissie Bestuur voert selectiegesprekken met de voorgedragen kandidaten en koppelt haar keuze via de gemeentesecretaris terug naar de Selectiecommissie Organisatie. Indien geen kandidaat geschikt wordt bevonden, worden nieuwe kandidaten gepresenteerd. Na terugkoppeling van de Selectiecommissie Bestuur wordt de geselecteerde kandidaat voorgedragen aan de Inspraakcommissie. Lid 4 De Inspraakcommissie voert een gesprek met de geselecteerde kandidaat waarbij opdracht is bijzondere aandacht te schenken aan de toekomstige samenwerkingsrelatie. Zij koppelen hun bevindingen terug naar de Selectiecommissie Organisatie. Lid 5 De COR en/of de OR van de betreffende directie wordt in de gelegenheid gesteld een advies uit te brengen. Hierna worden door de gemeentesecretaris desgewenst de overige selectie-instrumenten zoals bijvoorbeeld psychologisch onderzoek, assesment, en inwinnen referenties, e.d. benut. Lid 6 Tenslotte vindt een voordracht plaats aan het college van Burgemeester en Wethouders door de gemeentesecretaris. Het advies van de Inspraakcommissie en de COR/OR wordt in de voordracht vermeld. De gemeentesecretaris onderhandelt met de voorgedragen kandidaat over de arbeidsvoorwaarden en doet daarover voorstellen aan het college als deze afwijkend zijn van de gebruikelijke voorwaarden. Lid 7 Het college beslist over de voordracht en de eventuele afwijkende arbeidsvoorwaarden. Lid 8 Na de benoeming wordt de raad geïnformeerd. Artikel 3 Interne kandidaten en herschikking De algemene richtlijn vacatureprocedure, zoals opgenomen in artikel 2:4:2:1 van de AGN, wordt gevolgd Artikel 4 Privacy Leden van de commissies behandelen de verkregen informatie strikt vertrouwelijk. Referenties en uitkomsten van eventuele assesments of psychologisch onderzoek worden niet ingewonnen c.q. aan de selectiecommissie kenbaar gemaakt dan nadat de sollicitanten daarvoor toestemming hebben gegeven. Regeling inspraak bij benoemingen Regeling inspraak bij benoemingen Circulaire van burgemeester en wethouders d.d. 11 juni 1980 Raamprocedure Bevattende de richtlijnen voor het verlenen van inspraak bij benoemingen van leidinggevenden. Artikel 1 De inhoud van de inspraak Het toevoegen van een inspraakprocedure aan de bestaande selectieprocedure kan uiteraard géén afbreuk doen aan de formele benoemingsbevoegdheid, zoals die nu is geregeld. De consequentie hiervan is, dat de bevoegdheid van een inspraakcommissie beperkt moet blijven tot een adviserende functie, gericht op het aandragen van bouwstenen voor een zo goed mogelijke benoemingsbeslissing door hen die formeel ook voor die beslissing verantwoordelijk zijn. Rekening houdend met deze beperking zal de inspraak in grote lijnen betrekking kunnen hebben op de volgende aspecten van het selectieproces: de advisering met betrekking tot de inhoud van een interne oproep, dan wel een advertentie; de advisering over de mogelijkheid tot interne vervulling van de vacature; de advisering omtrent de mogelijkheid tot samenwerking met de voorgeselecteerde kandidaat of kandidaten. Artikel 2 Functie waarop de inspraak betrekking heeft Lid 1 De regeling strekt zich uit tot leidinggevende functies, waarbij een onderscheid is twee categorieën noodzakelijk is: diensthoofden: in geval van benoeming van een diensthoofd wordt een inspraakcommissie gevormd; overige leidinggevende functionarissen. Lid 2 Het hoofd van dienst wijst de functies aan binnen zijn dienst, waarvoor de inspraak geldt. Gestreefd dient te worden zoveel mogelijk leidinggevende functies aan te wijzen, maar buiten dit kader vallen alle functies waarvan de drager slechts partieel met de leiding van een eenheid is belast (sous-chefs, plaatsvervangers en dergelijke). Artikel 3 Samenstelling van de inspraakcommissie Lid 1 In de regel is het praktisch niet mogelijk alle tot inspraak gerechtigden ondergeschikten ook rechtstreeks bij de inspraak te betrekken. Zulks zou tot onhanteerbare en zeer tijdrovende procedures leiden, maar zou ook voor de kandidaat/kandidate niet acceptabel zijn. Daarom zal bij iedere vacature voor een functie, die in het kader van deze regeling voor inspraak is aangewezen, een inspraakcommissie worden samengesteld, die zo goed mogelijk de belangen van het betrokken organisatie-onderdeel kan vertegenwoordigen. Lid 2 Bij een vacature voor hoofd van dienst: de functionaris, op het moment van bekend worden van de vacature belast met de leiding van de dienst (veelal het vertrekkende hoofd van dienst zelf) draagt zorg voor een voordracht voor een samen€stelling in het overleg met staf, MC of overleggroep. Bovendien raadpleegt hij overleg over deze samenstelling met het hoofd van de concernafdeling Personeel, Organisatie en Informatie. De definitieve beslissing over de samenstelling is voorbehouden aan het college. Lid 3 Bij een vacature voor andere leidinggevenden: Het hoofd van dienst (of een door hem aan te wijzen functionaris) beslist met betrekking tot de samenstelling van een te vormen inspraakcommissie op voorstel van de met de selectie belaste chef en personeelsfunctionaris. Aan iedere te vormen inspraakcommissie wordt bovendien de voor de dienst aangewezen personeelsfunctionaris ter ondersteuning toegevoegd. Het aantal leden van de inspraakcommissie dient beperkt te blijven tot drie. Artikel 4 Taken en werkwijze van de inspraakcommissie Lid 1 De hoofdtaak van een gevormde inspraakcommissie bestaat uit het zo goed mogelijk inschatten van de mogelijkheden tot samenwerking in geval van plaatsing van de betrokken kandidaat. Lid 2 Door toedoen van de betrokken personeelsfunctionaris zullen de leden van de commissie worden voorzien van die informatie die strikt nodig is om het onder lid 1 van dit artikel gestelde doel te bereiken. Ter bescherming van de privacy van kandidaten zullen conclusies van psychologische onderzoeken en naar aard vergelijkbare informatie niet aan de leden van de commissie worden voorgelegd. Lid 3 Het is de leden van de commissie verboden op persoonlijk initiatief bij derden inlichtingen in te winnen over één of meer kandidaten. De mate van behoefte aan dergelijke informatie kan in gezamenlijke overleg worden vastgesteld, waarna de betrokken personeelsfunctionaris zorg draagt voor de effectuering. Lid 4 De commissieleden zijn verplicht tot geheimhouding van persoonlijke gegevens, die aan hen in deze inspraakprocedure ter kennis komen. Lid 5 Indien het voornemen bestaat om over te gaan tot interne vervulling van een vacature, voor een voor inspraak aangewezen functie, wordt de commissie door de personeelsfunctionaris daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd. Lid 6 Indien de meerderheid van de commissie bezwaren heeft tegen de voorgenomen interne vervulling, draagt de betrokken personeelsfunctionaris er zorg voor dat deze bezwaren schriftelijk ter kennis worden gebracht aan het hoofd van dienst. Zijn beslissing wordt met een toelichting aan de commissie medegedeeld. Lid 7 Indien het voornemen bestaat om over te gaan tot externe werving wordt de conceptadvertentie zo spoedig mogelijk door de betrokken personeelsfunctionaris met de commissie besproken. Met de opmerkingen van de commissie zal bij het vaststellen van de definitieve advertentietekst zoveel mogelijk rekening worden gehouden. Lid 8 Indien de commissie in meerderheid van mening is dat tot interne vervulling dient te worden overgegaan, draagt de betrokken personeelsfunctionaris er zorg voor dat dit standpunt schriftelijk aan het hoofd van dienst wordt voorgelegd. Zijn beslissing wordt met een toelichting aan de commissie medegedeeld. Lid 9 Aan sollicitanten zal, tegelijk met de ontvangstbevestiging van hun sollicitatiebrief, worden medegedeeld dat een gesprek met een inspraakcommissie uit het personeel onderdeel kan uitmaken van de selectieprocedure. Lid 10 De commissie wordt (indien van de kant van de kandidaat hiertegen geen dringende bezwaren bestaan) in de gelegenheid gesteld een gesprek te voeren met de daartoe geselecteerde kandidaat of kandidaten, die in principe in aanmerking kunnen komen voor benoeming. De personeelsfunctionaris is daarbij aanwezig. Indien de kandidaat niet wil en er desondanks grote behoefte bestaat hem te benoemen, ontstaat er een impasse die op andere wijze moet worden opgelost. Lid 11 De betrokken personeelsfunctionaris draagt er zorg voor dat de zienswijze van de commissie inzake de verwachte samenwerkingsmogelijkheden met de geselecteerde kandidaat of kandidaten schriftelijk ter kennis wordt gebracht aan het hoofd van dienst. Lid 12 Indien het hoofd van dienst voornemens is een kandidaat ter benoeming voor te dragen, waartegen de commissie in meerderheid bezwaren heeft, wordt door hem nader overleg gepleegd met de commissie. Lid 13 Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient bij het benoemingsvoorstel het afwijkende standpunt van de commissie te worden overlegd. De kandidaat wordt van het standpunt van de commissie in kennis gesteld. Lid 14 Indien het een vacature van een hoofd van dienst betreft, wordt in de leden 6, 8 en 11 van dit artikel in plaats van 'hoofd van dienst' gelezen: 'het college'. In dat geval geldt in plaats van lid 12 en 13 van dit artikel het volgende: indien het college voornemens is een kandidaat aan de Raad ter benoeming voor te stellen, waartegen de commissie in meerderheid bezwaren heeft, wordt namens hen door een lid van het college nader overleg gepleegd met de commissie; indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient bij het benoemingsvoorstel aan de Raad het afwijkende standpunt van de inspraakcommissie vertrouwelijk aan de Commissie van Bijstand te worden overgelegd; de kandidaat wordt van het standpunt van de inspraakcommissie in kennis gesteld. 3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 3:1 Functies en functiewaardering Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen Artikel 3:1 Functies en functiewaardering Lid 1 Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. Lid 2 Elke functie wordt beschreven op basis van een functiewaarderingssysteem. Lid 3 Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis van een functiewaarderingssysteem. Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen Lid 1 Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten. Lid 2 De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders is bepaald. Paragraaf 2 Salaris Artikel 3:3 Vaststelling salaris Artikel 3:4 Salarisverhoging Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal Artikel 3:7 Uitloopschaal Artikel 3:3 Vaststelling salaris Lid 1 Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de functieschaal. Lid 2 Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastgesteld. Artikel 3:4 Salarisverhoging Lid 1 Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: de ambtenaar functioneert voldoende; de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt; er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie. Lid 2 Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen. Lid 3 Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging toekennen. Lid 4 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum vaststellen. Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal Lid 1 Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is. Lid 2 In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het salaris. Lid 3 In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris. Lid 4 In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut. Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris. Artikel 3:7 Uitloopschaal Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal. Paragraaf 3 Salaristoelagen Artikel 3:8 Functioneringstoelage Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage Artikel 3:10 Waarnemingstoelage Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage Artikel 3:15 Garantietoelage Artikel 3:16 Afbouwtoelage Artikel 3:8 Functioneringstoelage Lid 1 Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage toekennen. Lid 2 De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend. Lid 3 De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris. Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage Lid 1 Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan personeel. Lid 2 De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld, met een maximum van 3 jaar. Lid 3 De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris. Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst Lid 1 De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65% Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6. Lid 2 De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt. Lid 3 Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden uitbetaald. Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage Lid 1 De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een buitendagvenstertoelage. Lid 2 De buitendagvenstertoelage bedraagt: 50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur; 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag; 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid. Lid 3 De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage. Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst Lid 1 De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst. Lid 2 De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid. Lid 3 Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7. Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid. Artikel 3:15 Garantietoelage Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen. Artikel 3:16 Afbouwtoelage Lid 1 De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien: hij de toelage(
- n)zonder onderbreking van meer dan twee maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én met de verlaging of beëindiging van de toelage(
- n)een bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris. Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing: op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal plan. Lid 3 De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag. Lid 4 Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(
- n)aan wisselingen onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande 12 maanden. Lid 5 Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging. Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam Artikel 3:18 Overwerkvergoeding Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering Artikel 3:19 Ambtsjubileum Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer Artikel 3:23 Overlijdensuitkering Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam Lid 1 De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht. Lid 2 De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar. Artikel 3:18 Overwerkvergoeding Lid 1 De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald. Lid 2 De overwerkvergoeding bestaat uit: verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar: 100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur; 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur; 75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur; 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur; 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur; 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur. Lid 3 Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. Lid 4 Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede lid onder b. Lid 5 De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een overwerkvergoeding. Lid 6 De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding. Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering Lid 1 De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0 % van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. Lid 2 De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. Lid 3 Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest. Artikel 3:19 Ambtsjubileum Lid 1 Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever. Lid 2 Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris over de maand van jubileren, plus de vakantietoelage berekend over deze maand en de in deze maand toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris over de maand van jubileren, plus de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen. Lid 3 Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt. Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties. Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse tarief. Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toekennen. Artikel 3:23 Overlijdensuitkering Lid 1 Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar. Lid 2 Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal het laatst genoten salaris vermeerderd met de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen Lid 3 Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst Lid 1 Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen. Lid 2 De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden. Lid 3 Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid genoemde uitkering. Lid 4 Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag) Lid 1 De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten. Lid 2 De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december uitbetaald. Lid 3 Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten. Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag) Lid 1 De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar. Lid 2 De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6. Lid 3 De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest. Lid 4 De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest. Paragraaf 5 Individueel keuzebudget (gereserveerd) (gereserveerd) Paragraaf 6 Overgangsrecht §Overgangsrecht hoofdstuk 3 Artikel 3:27 Overgangsrecht hoofdstuk 3 Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend. Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt uitgezonderd van het nieuwe beloningshoofdstuk met uitzondering van het IKB, tenzij in het overleg van de Brandweerkamer met de vakbonden anders wordt besloten. Lokale financiële arbeidsvoorwaarden die op al het personeel binnen een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 1. Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald: Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2. hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor toelagen/vergoedingen hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe systematiek. Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de loonontwikkelingen. Er zijn geen anticumulatiebepalingen. Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december. De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar. Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd. Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de toelage overgangsrecht H3 naar rato. Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen effect. Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of betaling in termijnen gemaakt worden. Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3. Lokale regelingen Uitvoeringsregeling hoofdstuk 3 Artikel 1 Inpassing in hogere schaal Uitwerking artikel 3:6 Lid 1 Wanneer voor de ambtenaar op het moment van plaatsing in een andere functie, dan wel als gevolg van een functiewaarderingsonderzoek of als gevolg van de overstap van de aanloopschaal naar de functieschaal een schaal gaat gelden met een hoger maximum schaalbedrag, wordt het schaalbedrag in de alsdan geldende schaal vastgesteld op het bedrag, gelegen onmiddellijk boven het schaalbedrag dat de ambtenaar in de oude schaal zou hebben genoten, zulks met inachtneming van het bepaalde in lid 2. Van het bepaalde in de vorige volzin kan voor wat betreft de bepaling van het schaalbedrag in voor de ambtenaar gunstige zin worden afgeweken indien deze nieuwe schaal gaat gelden na plaatsing in een andere functie. Lid 2 In ieder geval wordt het schaalbedrag in de nieuwe schaal zodanig vastgesteld, dat wordt gerealiseerd dat het verschil tussen het nieuwe schaalbedrag en het oude schaalbedrag van de ambtenaar tenminste 75% bedraagt van het verschil tussen het bedrag dat de ambtenaar laatstelijk genoot en het naast hogere bedrag in die oude schaal, dan wel het naast lagere bedrag in die oude schaal, indien het salaris in de oude schaal reeds overeenkwam met het hoogste bedrag uit die schaal. Artikel 2 Functioneringstoelage Uitwerking artikel 3:8 Indien de ambtenaar bij de personeelsbeoordeling voor de daarbij gehanteerde criteria gemiddeld minimaal de kwalificatie ‘gaat boven de eisen uit’ behaalt, terwijl daarnaast bij geen enkel criterium sprake is van een lagere kwalificatie dan ‘voldoet aan de eisen’, wordt hem in ieder geval met ingang van de datum waarop de beoordeling is vastgesteld, een tijdelijke toelage als bedoeld in artikel 3:8 toegekend. Artikel 3 Afbouwtoelage Uitwerking artikel 3:16 De uitkeringsperiode van de toelage is drie jaar en deze periode wordt gesplitst in drie gelijke deelperioden van een jaar. Artikel 4 Ambtsjubileum Uitwerking artikel 3:19 De ambtenaar, in dienst op 31 december 2015, voor wie is bepaald dat de jubileumdatum op grond van de thans geldende criteria zal vallen uiterlijk op 31 december 2020, ontvangt op de vastgestelde datum de daarbij behorende gratificatie, zoals vermeld in artikel 3.5.1.0 van de AGN, zoals deze luidt op 31 december 2015. Artikel 5 Garantie BHV-vergoeding, toelage vertrouwenspersoon, inconveniententoelage en toelage bereikbaarheid in het kader van het rampenplan Lid 1 Medewerkers, die op 1 januari 2016 in het genot zijn van een van bovengenoemde vergoedingen behouden deze vergoeding. Lid 2 Zodra de inzet voor BHV, inzet als vertrouwenspersoon of inzet voor het rampenplan wordt beëindigd wordt de vergoeding stop gezet. Artikel 6 Uitbetaling TOR Uitbetaling van de TOR, zoals opgenomen in artikel 7 van het overgangsrecht zal maandelijks plaatsvinden. 4 Arbeidsduur en werktijden Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden Lid 1 De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster. Lid 2 Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur. Lid 3 De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar. Lid 4 Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college; de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven; de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken. Lid 5 Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden aangepast worden. Lid 6 De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden. Lid 7 Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof. Lid 8 De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12. Lid 9 Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing. Lid 10 Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk. Lid 11 . Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Lid 12 Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken. Lid 13 Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. Artikel 4.2.0.1 Kaderregeling werktijden en Regeling beschik- en bereikbaarheidstoelage In aanvulling op artikel 4:1 betreffende arbeidsduur en werktijden, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Kaderregeling werk- en arbeidstijden en Regeling beschik- en bereikbaarheidstoelage van de gemeente Nijmegen. Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden Artikel 4:3 Werkingssfeer Artikel 4:4 Vaststelling werktijden Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen Artikel 4:7 Nadere regels Artikel 4:3 Werkingssfeer Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college. Artikel 4:4 Vaststelling werktijden Lid 1 Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. Lid 2 De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. Lid 3 Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college deze vast in een rooster. Lid 4 Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen: De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar. De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken. Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen Lid 1 De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. Lid 2 Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. Lid 3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. Lid 4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. Lid 5 Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend. Artikel 4.5.1.1 Resumé zon- en feestdagen en lokale vrije dagen De gemeente Nijmegen kent de volgende zon- en feestdagen (zie artikel 1.1.0.1) Nieuwjaarsdag 2e paasdag (1e paasdag valt altijd op een zondag) Koningsdag Hemelvaartdag 2e Pinksterdag Beide kerstdagen Bevrijdingsdag 5 mei De vrijdagmiddag van de 4-daagse Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. Artikel 4:7 Nadere regels Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen. Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters Lid 1 De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster. Lid 2 Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een werktijdenregeling vast. Lid 3 Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden. Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid Lid 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar Lid 2 Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode. Lid 3 De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan. Lid 4 In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. Lid 5 In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of 8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. Lid 6 In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. Lid 7 In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. Lid 8 In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. Lid 9 In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. Lid 10 Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. Lokale regelingen Kaderregeling werk- en arbeidstijden Artikel 1 Begrippenkader Kaderregeling werk- en arbeidstijden Bij het vaststellen van een werktijdenregeling dient rekening te worden gehouden het begrippenkader, zoals opgenomen in de Arbeidstijdenwet (ATW) en de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN). Artikel 2 Bevoegdheid en voorwaarden Vervallen. Artikel 3 Vervallen. Artikel 4 Vervallen. Artikel 5 Vervallen. Artikel 6 Vervallen. Artikel 7 Vervallen. Artikel 8 Vervallen. Artikel 9 Vervallen. Artikel 10 Het opstellen van roosters Lid 1 Vervallen. Lid 2 Er mogen collectief geen werkroosters worden vastgesteld waarbij structureel 4 x 9 uren dan wel 5 x 7,2 uren worden ingeroosterd. Lid 3 Hoewel bij het opstellen van roosters zoveel als mogelijk is rekening zal worden gehouden met belangen en wensen van deeltijders, komen de werktijden van deeltijders indien nodig ook voor inroostering in aanmerking. Lid 4 Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 11, eerste en eventueel achtste lid, worden deze extra uren in het rooster verwerkt. De gemiddelde feitelijke arbeidsduur zal dan als gevolg daarvan langer zijn dan de formele arbeidsduur (38 i.p.v. 36 uur bij een volledige betrekking indien geen gebruik wordt gemaakt van bandbreedte). Artikel 11 Compensatie-uren Lid 1 In de regeling dient te worden verwerkt dat, indien de werknemer dit wenst, op jaarbasis maximaal 101,6 uren bij een volledige betrekking als compensatie-uren vrij opneembaar zijn, voor zover de werkzaamheden dat toelaten. Lid 2 Compensatie-uren dienen in het begin van elk kalenderjaar, of aanvang van het dienstverband, bijgeschreven te worden op de verlofkaart. Zij worden echter wel apart vermeld. Lid 3 De opname van compensatie-uren (compensatieverlof) geschiedt op dezelfde wijze als opname van verlofuren; daarbij wordt wel vermeld dat het compensatie-uren betreft. Lid 4 Bij ziekte tijdens ingeroosterd compensatie-verlof worden deze uren als opgenomen beschouwd. Lid 5 Bij ziekte langer dan drie maanden, wordt de werknemer geacht voor elke 4 weken dat de ziekte langer duurt, 8 uren compensatieverlof te hebben opgenomen. Lid 6 De aan het einde van een kalenderjaar niet opgenomen compensatie-uren kunnen niet worden overgeschreven, en vervallen derhalve. Lid 7 De teveel opgenomen compensatie-uren bij beëindiging van het dienstverband worden verrekend (bijvoorbeeld met de resterende verlofdagen). Niet-genoten compensatie-uren worden daarentegen uitbetaald. Lid 8 Voor de werknemer met een niet-volledige betrekking wordt voorde toepassing van het in het eerste en vijfde lid bepaalde een berekening naar evenredigheid toegepast. Artikel 12 Vervallen. Artikel 13 Collectieve sluiting Lid 1 Het college behoudt zich het recht voor om, met instemming van de OR, tot collectieve sluiting van de gemeentelijke organisatie te besluiten. Lid 2 Aanwijzing van deze collectieve sluiting voor het daaropvolgende kalenderjaar geschiedt telkenjare zo mogelijk voor 1 december van het lopende kalenderjaar. Lid 3 Vervallen. Lid 4 Bij het vaststellen van de roosters en werktijden van enig kalenderjaar, wordt rekening gehouden met de collectieve sluiting en kunnen daaromtrent nadere afspraken worden gemaakt. Deze dagen worden derhalve, indien de ambtenaar dat wenst, ingeroosterd. Lid 5 Indien de collectieve sluiting niet conform het bepaalde in het vorige lid in het rooster is verwerkt, dienen voor de collectieve sluiting compensatie-uren c.q. verlofuren te worden ingezet. Artikel 14 Overgangs- en slotbepalingen Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Toelichting Algemene toelichting Op basis van een sectoraal accoord inzake verdere arbeidsduurverkorting geldt per 1 januari 1997 een gemiddeld 36-urige werkweek. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over mogelijkheden tot meer flexibele inzet van het gemeentelijk personeel alsmede een spaarvariant in het kader van de vormgeving van de arbeidsduurverkorting. Deze afspraken zijn in de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN) vastgelegd. Een verdere detaillering van door sociale partners gemaakte afspraken geschiedt op lokaal niveau. Daarbij komen lokaal bestaande afspraken omtrent invulling van de vorige ADV-ronde van 40 naar 38 uur in beginsel te vervallen. In het 'Accoord Arbeidsvoorwaarden april 1996-januari 1998 zijn daarom enkele randvoorwaarden omtrent de vormgeving van de 36-urige werkweek geformuleerd, en is besloten tot vaststelling van een kaderregeling werk- en arbeidstijden, te hanteren bij de regeling van werk- en arbeidstijden op directieniveau. Deze randvoorwaarden zijn: er vindt geen algehele inkrimping van bedrijfstijden plaats. werkroosters van structureel 4 x 9 uur en van 5 x 7,2 uur worden niet collectief vastgesteld; een dergelijk rooster kan wel in voorkomende gevallen met individuele werknemers worden overeengekomen. de onderlinge bereikbaarheid van diensten zal worden gegarandeerd. bij de invulling van werktijden en roosters wordt waar mogelijk rekening gehouden met individuele wensen en omstandigheden. Bij het inrichten van de werkprocessen moet de 36-urige werkweek als vertrekpunt worden genomen. Aangezien in de lokale CAO ook afspraken zijn gemaakt omtrent het vrij opneembaar blijven van 101,6 uren per jaar -zoals dat tot op heden ook het geval was in de vorm van 12 adv-dagen- zal dat, indien de medewerker van deze regeling gebruik wenst te maken, in een patroon van gemiddeld 38 arbeidsuren bij een volledige betrekking in het rooster tot uitdrukking komen. Indien er in enige periode meer dan 36 uren gemiddeld zijn ingeroosterd, kan dat ook het gevolg zijn van: ingeroosterde uren als gevolg van het gebruik maken van de bandbreedte, of: uren als gevolg van de spaarregeling als bedoeld in artikel 4:3 van de AGN. Indien individueel een spaarverlofregeling wordt overeengekomen, is het noodzakelijk dat -alvorens feitelijk hiertoe wordt overgegaan- de afspraken schriftelijk worden vastgelegd. De voorbeeld-spaarovereenkomst van het College voor Arbeidszaken van de VNG dient hierbij als uitgangspunt. De spaarregeling is opgenomen als artikel 4:3 in de AGN. In het verleden gemaakte principe-afspraken over dagen waarop de gemeentelijke directies of onderdelen collectief gesloten zullen zijn, zijn nu formeel vastgelegd in deze kaderregeling. Inventarisatie functies bijzondere regeling Functies in de bijzondere regeling Functies in de bijzondere regeling 4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden Artikel 4a:0:0:1 Arbeidsvoorwaardenregeling In aanvulling op Hoofdstuk 4a betreffende het uitwisselen van arbeidsvoorwaarden, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” het Keuzemenu Individueel Arbeidsvoorwaardenpakket Nijmegen (KIAN) en de Fietsregeling. Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld Lid 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid. Lid 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum. Lid 3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Lid 4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Lid 5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 4a:1:1:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:1 kan de ambtenaar bij het college voor 1 februari van het betreffende jaar een verzoek indienen om gedurende het kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid. Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren Lid 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid. Lid 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Lid 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Lid 4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 4a:2:2:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:2 kan de ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om gedurende het betreffende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid. Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding Lid 1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n), zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a, zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. Lid 2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld. Artikel 4a.3.0.1 Vakantie-uren benutten voor bestedingsdoelen Lid 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de vergoeding van een deel van de vakantie-uren, genoemd in artikel 4a:1, te benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. Lid 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het deel van de vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 21,6 uren. Voor de ambtenaar met een deeltijdbetrekking geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Lid 3 De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden, dient het in het eerste lid bedoelde verzoek in te dienen uiterlijk binnen een maand na de datum van indiensttreding. Voor hem bedraagt het deel van de vakantie-uren maximaal zoveel maal 1/12 gedeelte van de in het tweede lid genoemde aantal vakantie-uren als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking vervult. Hij ontvangt, in afwijking van artikel 4a:1, vijfde lid voor elk vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet op de datum van indiensttreding. Lid 4 In afwijking van het eerste lid dient de ambtenaar het verzoek voor het kalenderjaar 2005 uiterlijk voor 1 februari 2005 te hebben ingediend. Lid 5 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gesteld. Artikel 4a:3:0:1:1 Vakantie-uren benutten voor bestedingsdoelen In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:3. kan de ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om gedurende het betreffende kalenderjaar de vergoeding van een deel van de vakantie-uren, genoemd in artikel 4a:1, te benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden genoemd in lid 7 van artikel 4a:3:0:2. Artikel 4a:3:0:2 Persoonlijk budget voor bestedingsdoelen Lid 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om hem gedurende het betreffende kalenderjaar een bedrag aan persoonlijk budget beschikbaar te stellen. Lid 2 De ambtenaar kan het toegekende bedrag van het persoonlijk budget slechts benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. Lid 3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking stelt het college het bedrag van het persoonlijk budget per kalenderjaar vast. Voor de ambtenaar met een deeltijdbetrekking geldt een naar evenredigheid lager bedrag als persoonlijk budget per kalenderjaar. Lid 4 De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden, dient het in het eerste lid bedoelde verzoek in te dienen uiterlijk binnen een maand na de datum van indiensttreding. Voor hem bedraagt het persoonlijk budget zoveel maal 1/12 gedeelte van het in het derde lid genoemde bedrag als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking vervult. Lid 5 De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar uit dienst treedt, hoeft het op grond van dit artikel toegekende bedrag aan persoonlijk budget niet terug te betalen. Lid 6 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gesteld. Lid 7 De bestedingsdoelen voor het persoonlijk budget zijn: Fiets voor woon-werkverkeer Woonwerkverkeer Premie voor bijverzekering pensioen Lidmaatschap beroepsvereniging Abonnement(
- en)/supplementen vakliteratuur Aanvullende verhuiskostenvergoeding Vergoeding vakbondscontributie Bedrijfsfitness Studiekosten Levensloopregeling (overgangsregeling) Lokale regelingen Fietsregeling Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze regeling verstaat onder: werkgever: de gemeente Nijmegen; werknemer: de ambtenaar in de zin van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor zover deze een vaste aanstelling heeft dan wel tijdelijk is aangesteld voor de duur van tenminste één jaar; de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond van artikel 2:5, eerste lid sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen voor tenminste één jaar; Diegenen wier verzoek om de bestaande duurzame arbeidsrelatie om te zetten in een dienstbetrekking zoals geregeld in artikel 4, onderdeel f van de wet op de loonbelasting 1964, door de Belastingdienst is ingewilligd. fiets: Een fiets is een rijwiel zonder hulpmotor. Ook de Spartamet en zoemfietsen zijn als fiets aan te merken. Zoemfietsen zijn fietsen met een elektrisch of motorisch aangedreven trapondersteuning zoals de Epacs en Saxonette. verzekering: een gangbare verzekering voor de fiets voor de duur van drie jaar, die dekking geeft tegen nieuwwaarde bij diefstal en schade; accessoires: de met de fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, waaronder mede begrepen fiets- en regenkleding. brutoloon: de eindejaarsuitkering waarop de werknemer aanspraak heeft ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor dat gedeelte dat vanaf de maand volgende op de datering van de in artikel 2, vierde lid, bedoelde verklaring nog opgebouwd dient te worden tot aan het eerstvolgende moment van uitbetaling; de vakantietoelage, voor zover meer bedragend dan 8% van het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag, waarop de werknemer aanspraak heeft ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor dat gedeelte dat vanaf de maand volgende op de datering van de in artikel 2, vierde lid, bedoelde verklaring nog opgebouwd dient te worden tot aan het eerstvolgende moment van uitbetaling. nettoloon: de bezoldiging na aftrek van verschuldigde premies en loonbelasting; AGN: de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen. Artikel 2 Voorfinanciering fiets Lid 1 Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de kosten van een fiets met verzekering , dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe overgaat, een volledig ingevulde "Verklaring inzake aanschaf en terugbetaling van vergoede fiets" te overleggen. Hierin verklaart de werknemer dat hij op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van het woon-werkverkeer de fiets zal gebruiken, waaronder mede begrepen het gebruik van de fiets in voor- of natransport (bijvoorbeeld van en naar NS-station). Deze verklaring wordt door de werkgever bevestigd. In de verklaring wordt tevens - op de wijze zoals in lid 4 van dit artikel is bepaald - aangegeven op welke wijze het brutoloon van de werknemer zal worden verlaagd. Lid 2 De werknemer vult tevens een bestelformulier in, dat namens de werkgever door de afdeling P&O van de dienst\directie wordt voorzien van handtekening en stempel. Lid 3 Na ontvangst van de factuur (met kopie van het bestelformulier) betaalt de werkgever rechtstreeks aan de leverancier dan wel de werknemer de kosten van de te vergoeden fiets, en de verzekering. Een fiets wordt slechts één keer per drie jaren vergoed. De verzekering dient bij de bestelling van de fiets te worden afgesloten. Lid 4 De werknemer dient schriftelijk te verklaren dat hij in een periode van maximaal drie jaren na datum van vergoeding van de kosten afstand doet van zijn brutoloon ter grootte van het aanschafbedrag van de fiets dan wel maximaal het bedrag als genoemd in artikel 37, lid 1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001. Lid 5 Indien bij beëindiging van de arbeidsverhouding nog verrekening dient plaats te vinden, wordt het restant verrekend met de vakantietoelage en eventueel de eindejaarsuitkering. Indien de vakantietoelage en/of eventueel de eindejaarsuitkering daartoe niet toereikend zijn, zal het restant op het nettoloon in mindering worden gebracht. Artikel 3 Voorfinanciering fiets In verband met, en tegelijk met de overdracht van het eigendom van de fiets en de vergoeding van de kosten daarvan aan de werknemer, wordt bij de eerstvolgende loonbetaling aan de werknemer, indien het aankoopbedrag van de fiets meer bedraagt dan het bedrag als genoemd in artikel 37, lid 1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001, eenmalig op zijn nettoloon ingehouden het meerdere boven dit bedrag. Artikel 4 Voorfinanciering accessoires Lid 1 Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de kosten van de met de fiets samenhangende accessoires, dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe overgaat, een door het college vastgesteld formulier inzake de vergoeding van de accessoires volledig in te vullen. Lid 2 Gedurende de looptijd van de regeling kunnen de kosten van de met de fiets samenhangende accessoires éénmaal per kalenderjaar worden gedeclareerd tot het maximumbedrag als genoemd in artikel 37, lid 5 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001. Het gedeclareerde bedrag wordt vervolgens in mindering gebracht op de vakantie-uitkering of op de eindejaarsuitkering van de medewerker van het betreffende jaar. Lid 3 Indien het gedeclareerde bedrag het in lid 2 van dit artikel bedoelde maximumbedrag overstijgt, wordt het restant in mindering gebracht op het eerstvolgende nettoloon. Artikel 5 Slotbepalingen Indien controle door de inspecteur der belastingen er toe leidt dat alsnog een naheffing wordt opgelegd, dan komt deze naheffing (inclusief eventuele rente en boete) voor rekening van de werknemer. Voorts aanvaardt de werkgever geen enkele verantwoordelijkheid voor de mogelijk in andere (wettelijke) regelingen opkomende gevolgen van de verlaging van het brutoloon bij het gebruikmaken van deze regeling. Artikel 6 Slotbepalingen De werknemer is verplicht een verzekering af te sluiten. Artikel 7 Bij de toepassing van de regeling wordt geen rekening gehouden met eventuele inruil. Artikel 8 Lid 1 Deze regeling treedt, onder intrekking van de regeling “Regeling faciliteiten ter zake van verstrekking / aanschaf van een fiets 1 april 1999”, in werking met ingang van heden. Lid 2 De regeling kan worden aangehaald als regeling “Faciliteiten ter zake van aanschaf van een fiets 2008". 5 Seniorenmaartregelen Lokale regelingen Regeling uitstroom ouderen Artikel 1 Rechthebbende Onder “ambtenaar” als bedoeld in deze regeling wordt verstaan: De ambtenaar als bedoeld in hoofdstuk 1, artikel 1:1, eerste lid onder a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (verder: AGN) die de 55-jarige leeftijd heeft bereikt en: die door het bevoegd gezag door organisatieverandering of bezuinigingsmaatregel (meestal na toepassing van een sociaal plan/personeelsplan) als herschikker is aangewezen of die door het bevoegd gezag als herplaatser is aangewezen omdat betrokkene om andere redenen de functie niet meer kan uitoefenen of wiens functie op basis van door het bevoegd gezag te maken inschattingen op korte termijn dreigt te vervallen en daardoor mogelijk als herschikker zal worden aangewezen of die weliswaar niet voldoet aan het bepaalde onder a., b. of c., doch die door uit te treden de mogelijkheid biedt - al dan niet via verschuiving - aan een herschikker of toekomstige herschikker in een functie in te stromen, zulks ter beoordeling van het college. Artikel 2 Ontslag met FPU Om voor toepassing van deze regeling in aanmerking te komen verplicht de ambtenaar zich ontslag te nemen op grond van artikel 8:11 van de AGN. In afwijking van het bepaalde in artikel 8:11, lid 2 van de AGN dient voor toepassing van deze regeling het ontslag voor de volledige omvang van de op dat moment geldende formele arbeidsuur per week te worden verzocht. Artikel 3 Aanvulling FPU De ambtenaar die een verzoek om ontslag heeft ingediend als bedoeld in artikel 2 van deze regeling heeft recht op een aanvulling van zijn FPU-uitkering tot: het percentage van de FPU-grondslag waarop hij recht had kunnen doen gelden bij uitreden op de eerste dag van de maand volgende op die waarop hij de 58-jarige leeftijd zou hebben bereikt, indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 55, 56 jaren of 57 heeft bereikt; 80% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 58 jaren heeft bereikt; 82% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 59 jaren heeft bereikt en 84% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 60 jaren heeft bereikt. Indien de ambtenaar in deeltijd werkzaam is, geldt het in lid 1 van dit artikel genoemde percentage slechts voor dat gedeelte van de betrekking op grond waarvan het ontslag als bedoeld in artikel 2 van deze regeling is verzocht. Indien de in het tweede lid bedoelde ambtenaar reeds eerder gedeeltelijk van de FPU-regeling gebruik heeft gemaakt, zal de som van de FPU-uitkering en aanvulling nooit meer bedragen dan waarop hij recht zou kunnen doen gelden indien hij bij het bereiken van de 58- jarige leeftijd
(1a)respectievelijk de voor hem geldende spilleeftijd (1b, 1c en 1d) c.q. de datum van zijn 42-jarig dienstjubileum volledig zou zijn uitgetreden. Voor de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de in hoofdstuk 5 van de AGN bedoelde seniorenmaatregelen wordt een afzonderlijke regeling getroffen, waarbij rekening wordt gehouden met de periode en omvang van de verminderde arbeidsduur. Artikel 4 Pensioenopbouw Lid 1 De werkgever neemt voor de ambtenaar die is geboren vóór 1 april 1947 de aan de pensioenopbouw van de ambtenaar verbonden kosten voor haar rekening gedurende de periode dat deze regeling geldt, tot uiterlijk het moment waarop de zogenoemde spilleeftijd voor FPU-ontslag zou worden bereikt, evenwel met een maximum van vier jaren. Lid 2 Deze voortgezette pensioenopbouw is conform artikel 16.5 van het pensioenreglement qua duur de helft van de gebruikelijke pensioenopbouw. De in het eerste lid genoemde kosten worden voor rekening van de werkgever genomen, voor zover het betreft dat gedeelte van de betrekking op grond waarvan het ontslag als bedoeld in artikel 2 van deze regeling is verzocht. Artikel 5 Inkomsten Lid 1 De ambtenaar dient van het verkrijgen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen op of na de datum van ontslag, onder overlegging van de terzake noodzakelijk geachte specificaties, onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen. Lid 2 Naast een eventuele korting op de uitkering door het ABP, wordt door de gemeente indien nog van toepassing een korting op de in artikel 3 bedoelde aanvulling toegepast gelijk aan het gedeelte waarmee de som van de (gekorte) fpu-uitkering, de aanvulling en de inkomsten 100% van de fpu-grondslag te boven gaan. Artikel 6 Geldigheidsduur Van deze regeling kan gebruik gemaakt worden tussen 1 januari 2005 en 1 januari 2006 Artikel 7 Algemene bepalingen Lid 1 Het belang van de organisatie moet met de beoogde maatregel duidelijk zijn gediend; bij de afweging met het individuele belang van de ambtenaar is het belang van de organisatie altijd doorslaggevend. Lid 2 Van de in artikel 1 onder d. genoemde medewerkers wordt een lijst gemaakt van functies. Deze functielijst wordt in de organisatie bekend gemaakt om het domino-effect te bevorderen en te kunnen bewerkstelligen. Artikel 8 Niet-voorziene gevallen In die gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet kan een besluit worden genomen zonodig in afwijking van het in deze regeling bepaalde. Artikel 9 Besluit Alle besluiten ten aanzien van de uitvoering van deze regeling worden door het college -op voorstel en advies van de directeur van een directie- genomen. Artikel 10 Titel Deze regeling kan worden aangehaald als "Regeling uitstroom ouderen 2005". Artikel 11 Schematisch overzicht regeling uitstroom ouderen 2005 Schematisch overzicht regeling uitstroom ouderen 2005 Artikel 12 Melding kandidaat regeling uitstroom ouderen 2005 Melding kandidaat Regeling Uitstroom Ouderen 2005 Vervallen hoofdstuk Hoofdstuk 5 is vervallen. 5b Lokale FPU maatregelen Artikel 5b:1:1:1 Rechthebbenden Onder ambtenaar als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verstaan de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1 lid 1, letter a, met dien verstande dat de betrokkene werkzaam moet zijn in een functie op grond waarvan, op basis van de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek ingevolge de NMF, een inconveniëntentoeslag was toegekend op peildatum 1 juli 2015 en betrokkene een aanstelling moet hebben van tenminste 18 uren per week en betrokkene uiterlijk per 1 april 2021 gebruik maakt van deze regeling. Artikel 5b:1:1:2 Samenloop met andere seniorenregelingen Lid 1 de feitelijke arbeidsduur van de ambtenaar, wordt op zijn verzoek teruggebracht tot een niveau zoals in artikel 5b:1:1:3 is aangegeven. Lid 2 indien de betrokkene binnen de in artikel 5b:1:1:3 gestelde termijn gebruik maakt van het keuzepensioen wordt de toepassing van dit hoofdstuk beëindigd. Artikel 5b:1:1:3 Mogelijkheden Lid 1 de feitelijke arbeidsduur kan met behoud van de volledige bezoldiging worden teruggebracht als volgt: een vijfde deel gedurende een periode van vijf jaren, of; twee vijfde deel gedurende een periode van twee en een half jaren, of; de helft gedurende een periode van twee jaren. Lid 2 bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de op grond van het eerste lid teruggebrachte arbeidsduur. Artikel 5b:1:1:4 Ingangsdatum Lid 1 De in artikel 5b:1:1:3, eerste lid bedoelde perioden gaan in op de dag gelegen respectievelijk vijf, twee en een half of twee jaren vóór de door de ambtenaar en zijn leidinggevende overeengekomen datum waarop de ambtenaar ontslag neemt om voor honderd procent van ABP-(keuze)pensioen te gaan genieten. Als voorwaarde geldt dat na dit ontslag het ABP-keuzepensioen van toepassing is op de ambtenaar. Lid 2 de ambtenaar verplicht zich om met ingang van de in lid 1 van dit artikel genoemde datum ontslag te nemen op grond van artikel 8:1 van de AGN. Lid 3 Indien de ambtenaar de verplichting als gesteld in lid 1 of 2 van dit artikel niet nakomt, kan het bevoegd gezag, na het maken van een afweging van de geldende omstandigheden, besluiten een terugbetalingsregeling te treffen met de betrokken ambtenaar. 5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen Vervallen hoofdstuk Hoofdstuk 5a is vervallen. 6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof Artikel 6:1 Recht op vakantie In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n). Artikel 6:1:1 Vakantieverlening Lid 1 De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6. Lid 2 De vakantie wordt verleend door het college. Artikel 6:2 Duur vakantie Lid 1 De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144 uur per kalenderjaar wettelijk verlof. Lid 2 Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Lid 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Artikel 6.2.0.1 Duur vakantie In aanvulling op artikel 6:2 betreffende de duur van de vakantie, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de vakantieregeling van de gemeente Nijmegen. Artikel 6:2:1 Nadere regels Lid 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie. Lid 2 De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd. Lid 3 Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is. Lid 4 De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust. Lid 5 In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast. Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode Lid 1 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend. Lid 2 De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing. Lid 3 De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar. Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid Lid 1 De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn functie vervult. Lid 2 Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid. Lid 3 Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling; gedurende afwezigheid wegens ziekte. Lid 4 Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest. Lid 5 Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur. Artikel 6.2.3 (Q) Praktijkvoorbeeld opbouw vakantierechten Onder a wordt bepaald dat bij afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten, geen vermindering wordt toegepast gedurende de laatste zes maanden van de periode van afwezigheid. Of er een vermindering plaatsvindt, kan pas na afloop van de periode van afwezigheid worden vastgesteld. In praktijk betekent dat het volgende. Vanaf het moment dat de ambtenaar ziek wordt bouwt hij geen vakantierechten meer op. Gaat betrokkene na zijn ziekteperiode weer aan het werk dan wordt voor de opbouw van vakantierechten vanaf de hersteldatum 6 maanden teruggeteld. Is betrokkene bijvoorbeeld 7 maanden ziek, dan bouwt hij over de 6 maanden vóór zijn hersteldatum de gebruikelijke vakantierechten op en voor 1 maand niet. Is iemand korter dan 6 maanden ziek, dan heeft dat geen enkel effect op de opbouw van zijn vakantierechten. Hij bouwt dus gewoon het volle pond op. Is betrokkene ziek en wil hij toch met vakantie, dan kan dat alleen met toestemming van de bedrijfsarts. Geeft deze toestemming en blijft de ambtenaar tijdens de vakantieperiode gewoon ziek, dan hoeft hij voor deze vakantie geen vakantiedagen in te leveren. Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang Lid 1 Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend. Lid 2 Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd. Artikel 6:2:5 Intrekking Lid 1 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren. Lid 2 Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed. Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie Lid 1 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend: op verzoek van de ambtenaar; als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren. Lid 2 De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen. Lid 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2 lid 1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist. Artikel 6.2.6.1 Overschrijving verlofdagen (Gedeelte uit) circulaire aan hoofden van diensten d.d. 14 december 1981 Een verzoek tot overschrijving van niet-genoten vakantie-uren naar een volgend jaar hoeft niet meer aan u als hoofd van dienst ter beslissing te worden voorgelegd in die gevallen waarin dit aantal 20% of minder bedraagt van het aantal uren waarop men recht heeft. Indien