← Nederland

CAR/UWO (Nijmegen)

Kort samengevat

Deze wet regelt de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie van ambtenaren die werkzaam zijn bij de gemeente Nijmegen, inclusief definities van belangrijke begrippen en uitzonderingen op de algemene regels.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; seniorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de aanstelling; arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt; overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand; Zvw: de Zorgverzekeringswet; CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; UWO: Uitwerkingsovereenkomst; functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking; LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; : Wet arbeid en zorg; SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; WPA: de Wet privatisering ABP; FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt; ZW: de Ziektewet; ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. 2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Artikel 1.1.0.1 Arbeidsduur per jaar De gemiddelde arbeidsduur per jaar bedraagt in de gemeente Nijmegen 1827,3 uur in plaats van 1836 uur zoals vastgesteld in artikel 1:1 sub k. In de gemeente Nijmegen zijn 5 mei en de vrijdagmiddag na de Nijmeegse vierdaagse namelijk ook lokale feestdagen. Opgemerkt dient te worden dat de vergoeding met betrekking tot zon- en feestdagen niet van toepassing is coor deze lokale feestdagen. Artikel 1:2 Geen ambtenaar 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening; de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg. 2 Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. 3Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing. Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar 1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. 2 Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. 4 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing. Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar. Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende. Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar. De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal

  1. Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente. Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en
  2. Artikel 1:2:3 Instapplan Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar. Artikel 1:3 Toepassing 1De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. 2Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel 1:3a Toepassing Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Artikel 1.3a (Q) Toepassing V.w.b. de rechtspositieregelingen heeft de gemeenteraad op 14 maart 2002 besloten dat de AGN met bijlagen van toepassing is op de griffier en de griffiemedewerkers. De raad heeft verder in zijn vergadering van 12 maart 2003 vastgesteld hoe het werkgeverschap in de dagelijkse praktijk wordt uitgeoefend. De bevoegdheid tot het vaststellen van een instructie en de bevoegdheid tot aanstelling, schorsing en ontslag zijn niet gedelegeerd of gemandateerd en derhalve blijft de raad in deze zelf het bevoegd gezag. Voor de overige uitvoering van het werkgeverschap heeft de raad vastgesteld dat ten aanzien van de griffier de voorzitter van de gemeenteraad is gemandateerd en voor zover het de overige griffiemedewerkers betreft is terzake mandaat verleend aan de griffier. Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO 1Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. 2Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO 1Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. 2Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen. Artikel 1:5 Omvang van de betrekking Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. Artikel 1:6 Vrijstelling 1In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. 2De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. Artikel 1.6.0.1 Vrijstelling Lid 1 Voor de functie van gemeentesecretaris of directeur van een directie kan de vrijstellings-mogelijkheid in artikel 1:6 AGN van toepassing worden verklaard. Lid 2 In aanvulling op het gestelde in lid 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: De functionaris krijgt een aanstelling voor bepaalde tijd; De aanvullende afspraken hebben betrekking op de duur van de tijdelijke aanstelling, het salarisniveau en de hoogte en duur van een uitkering; Tegenover bijvoorbeeld ‘plussen’ in het salaris zullen altijd ‘minnen’ in andere arbeidsvoorwaarden moeten staan; Indien door de gemeentesecretaris of het College van B&W wordt overwogen tot aanstelling op grond van dit artikel over te gaan, wordt altijd vooraf het hoofd P&O-beleid geraadpleegd; Aanstelling in een dergelijke functie is voorbehouden aan het College van B&W. Lid 3 Dit artikel zal vooralsnog gelden van 1 januari 2007 tot 1 januari 2010, waarbij de Ondernemingsraad jaarlijks zal worden geïnformeerd over de toepassing van dit artikel”. 2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Artikel 2.1 (Q) Aanstelling; het bevoegd gezag Bij benoeming in vaste dienst na een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef dient een personeelsbeoordeling te worden opgemaakt. Artikel 2.1.0.1 Aanstelling in algemene dienst Tenzij anders bepaald, geschiedt aanstelling in algemene dienst. Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid 1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. 2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. 3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. 4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 2.2 (Q) Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid Lid 1 In aanvulling op de toelichting van artikel 2:2 wordt nog het volgende vermeld: Als regel worden de bekwaamheids- en geschiktheidseisen op een heldere manier vastgelegd in een functiebeschrijving of functieprofiel. Bij de beoordeling of een kandidaat aan de benodigde bekwaamheids- en geschiktheidseisen voldoet kan o.a. gebruik gemaakt worden van een psychologisch onderzoek en/of andere gekwalificeerde toetsingsmethoden. Indien daar gebruik van gemaakt wordt, dient daar in principe van tevoren, bijvoorbeeld bij de interne vacaturemelding of bij de externe personeelsadvertentie melding van te worden gemaakt. Lid 2 Voor wat betreft de vertrouwelijkheid van de gegevens en bejegening van de kandidaten kan aansluiting worden gezocht bij de sollicitatiecode die de Nederlandse Vereniging van Personeelsbeleid (NVP) daaromtrent heeft vastgesteld. De code is gebaseerd op de conclusies van de zogenaamde (regerings)commissie Hessel. Ook de Stichting van de Arbeid heeft daaromtrent een aantal aanbevelingen gedaan die in grote lijnen overeenkomen met de code van de NVP. In hoofdlijnen komen de rechten van de sollicitant op het volgende neer. Recht op een eerlijke kans op aanstelling. Dat betekent gelijke kansen bij gelijke geschiktheid. Maar ook het recht van de arbeidsorganisatie om de meest geschikte kandidaat te kiezen. Het recht op goede informatie over o.a. de functie-inhoud, de arbeidsorganisatie, de procedure, etc. De werkgever dient zich hierbij actief op te stellen. Het recht op privacy. Hierbij wordt o.a. gedoeld op de soort en de diepgang van de in te winnen informatie. Het recht op vertrouwelijke behandeling van persoonlijke gegevens. Dat wil zeggen de vertrouwelijke wijze waarop met de ingewonnen informatie wordt omgegaan. Het recht op een instrumenteel doelmatige procedure. Dat betekent o.a. geen onnodig zware middelen (bijvoorbeeld een zware selectiecommissie of psychologisch onderzoek) toepassen bij functie waarbij dat niet nodig (functioneel) is. Het recht van klacht. De mogelijkheid van de sollicitant om zijn beklag te doen als deze van mening is dat op voornoemde rechten inbreuk is gedaan. Lid 3 Gezien de complexiteit van deze regelgeving verdient het aanbeveling hieromtrent informatie in te winnen bij de instantie die de vreemdelingenwet uitvoert. Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek 1 Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. 2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Artikel 2:4 Duur van de aanstelling 1 De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk. 2 Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling. 3 Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter. 4 In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen. 5 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden. 6 Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling. Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling 1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst. 2 Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. 3 De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Artikel 2:4:2 Vacatures 1 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. 2 Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Artikel 2.4.2.1 Vacaturevoorziening Wat te doen als er binnen de gemeente een vacature ontstaat? Allereerst moet gekeken worden of de vacature kan worden vervuld door "herplaatsings- of herschikkingskandidaten” (zie plaatsingsbeleid herschikkings- en herplaatsingskandidaten) Als stap 1 niet kan leiden tot de vacaturevoorziening, wordt vervolgens gekeken welke "andere interne kandidaten" voor de functie in aanmerking zouden kunnen komen (zie artikel 2:4:2:2 van de AGN). Als stap 2 ook niet tot resultaten leidt kan extern geworven worden. Bij externe werving dient rekening te worden gehouden met de regeling "Inspraak bij benoemingen". Voor de benoeming van "directeuren" geldt een aparte sollicitatieprocedure (zie wervings- en benoemingsprocedure directeuren). Bij sollicitatieprocedures wordt de sollicitatiecode in acht genomen (zie de toelichting op artikel 2:2 van de AGN). Artikel 2.4.2.2 Interne kandidaten Onder interne kandidaten wordt verstaan: De medewerker met een vast of tijdelijk dienstverband; De medewerker met een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 2:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN); De medewerker behorende tot een categorie personeel waarvan instroom in de gemeentelijke organisatie in de rede ligt /de bedoeling is, indien zulks in het overleg tussen bestuurder en Centrale Ondernemingsraad is overeengekomen (bijvoorbeeld diegenen die werkzaam zijn in het kader van de WIW/zie hieronder). Op grond van het hierboven bepaalde, alsmede van in de verleden gemaakte afspraken zijn interne kandidaat, werknemers werkzaam bij: De gemeentelijke directies en de brandweer; Onderwijsondersteunend personeel bij het Openbaar Onderwijs; WNO op basis van een ambtelijke aanstelling; Recreatieschap Nijmegen e.o.; Voormalige - inmiddels verzelfstandigde - gemeentelijke diensten, directies en commissies ex artikel 84 Gemeentewet, voor een periode van twee jaren na de datum van de verzelfstandiging (artikel 3, lid 8 van het Sociaal Statuut), tenzij anders overeengekomen; Bovengenoemde directies en de brandweer, indien werkzaam in het kader van de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW), of de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW); Werknemers die ontslag hebben genomen voor de verzorging van een kind tot vier jaar na het ontslag. Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst 1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. 2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. 3Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:
  3. Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht 1 De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 . 2De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur. 3 Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Artikel 2:6 Overgangsrecht 1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden. 2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli
  4. 3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 . 4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 . Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur 1 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 2 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 3 Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie. Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur 1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. 2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; het salaris evenredig wordt verhoogd; de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd; instemming van de ambtenaar is vereist; artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. 4Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. Wervings- en benoemingsprocedure Directeuren Vastgesteld door B&W op 23 april
  5. Deze procedure is tevens van toepassing op de commandant van de brandweer. De gemeentesecretaris is verantwoordelijk voor het wervings- en selectieproces. Voorafgaand aan dit proces wordt door B&W het functieprofiel vastgesteld. Daarbij worden geraadpleegd: het directieteam, de COR, het MT en de OR van de betreffende directie (zie verder bij benoemingsprocedure). Artikel 1 Commissies Bij het proces spelen verder de volgende commissies een rol. Selectiecommissie organisatie Door de gemeentesecretaris wordt een selectiecommissie gevormd die als volgt is samengesteld: de gemeentesecretaris, tevens voorzitter; een lid van het directieteam; een lid van het managementteam van de betreffende directie; een adviseur van het bureau POI van DBO, tevens secretaris. Selectiecommissie bestuur Er wordt een selectiecommissie bestuur gevormd die bestaat uit: de wethouder P&O, tevens voorzitter; de burgemeester; een ander lid van het college; de gemeentesecretaris of een adviseur van het bureau POI, tevens secretaris. Inspraakcommissie Door de gemeentesecretaris wordt ook een inspraakcommissie gevormd, waarin zitting hebben: MT-leden van de betreffende directie; COR en OR-leden Artikel 2 Benoemingsprocedure Lid 1 De Selectiecommissie Organisatie zorgt voor het opstellen van een functieprofiel en advertentietekst en maakt tevens een planning voor het werving- en selectieproces met inachtneming van artikel 2:4:2:1 van de AGN. Lid 2 De Selectiecommissie Organisatie maakt een voorselectie van de sollicitanten en voert aan de hand van deze selectie sollicitatiegesprekken met de kandidaten. Daarna maakt de Selectiecommissie Organisatie een keuze voor meerdere kandidaten die worden voorgedragen aan de Selectiecommissie Bestuur. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden volstaan met een voordracht van één kandidaat. Lid 3 De Selectiecommissie Bestuur voert selectiegesprekken met de voorgedragen kandidaten en koppelt haar keuze via de gemeentesecretaris terug naar de Selectiecommissie Organisatie. Indien geen kandidaat geschikt wordt bevonden, worden nieuwe kandidaten gepresenteerd. Na terugkoppeling van de Selectiecommissie Bestuur wordt de geselecteerde kandidaat voorgedragen aan de Inspraakcommissie. Lid 4 De Inspraakcommissie voert een gesprek met de geselecteerde kandidaat waarbij opdracht is bijzondere aandacht te schenken aan de toekomstige samenwerkingsrelatie. Zij koppelen hun bevindingen terug naar de Selectiecommissie Organisatie. Lid 5 De COR en/of de OR van de betreffende directie wordt in de gelegenheid gesteld een advies uit te brengen. Hierna worden door de gemeentesecretaris desgewenst de overige selectie-instrumenten zoals bijvoorbeeld psychologisch onderzoek, assesment, en inwinnen referenties, e.d. benut. Lid 6 Tenslotte vindt een voordracht plaats aan het college van Burgemeester en Wethouders door de gemeentesecretaris. Het advies van de Inspraakcommissie en de COR/OR wordt in de voordracht vermeld. De gemeentesecretaris onderhandelt met de voorgedragen kandidaat over de arbeidsvoorwaarden en doet daarover voorstellen aan het college als deze afwijkend zijn van de gebruikelijke voorwaarden. Lid 7 Het college beslist over de voordracht en de eventuele afwijkende arbeidsvoorwaarden. Lid 8 Na de benoeming wordt de raad geïnformeerd. Artikel 3 Interne kandidaten en herschikking De algemene richtlijn vacatureprocedure, zoals opgenomen in artikel 2:4:2:1 van de AGN, wordt gevolgd Artikel 4 Privacy Leden van de commissies behandelen de verkregen informatie strikt vertrouwelijk. Referenties en uitkomsten van eventuele assesments of psychologisch onderzoek worden niet ingewonnen c.q. aan de selectiecommissie kenbaar gemaakt dan nadat de sollicitanten daarvoor toestemming hebben gegeven. Regeling inspraak bij benoemingen Circulaire van burgemeester en wethouders d.d. 11 juni 1980 RaamprocedureBevattende de richtlijnen voor het verlenen van inspraak bij benoemingen van leidinggevenden. Artikel 1 De inhoud van de inspraak Het toevoegen van een inspraakprocedure aan de bestaande selectieprocedure kan uiteraard géén afbreuk doen aan de formele benoemingsbevoegdheid, zoals die nu is geregeld. De consequentie hiervan is, dat de bevoegdheid van een inspraakcommissie beperkt moet blijven tot een adviserende functie, gericht op het aandragen van bouwstenen voor een zo goed mogelijke benoemingsbeslissing door hen die formeel ook voor die beslissing verantwoordelijk zijn. Rekening houdend met deze beperking zal de inspraak in grote lijnen betrekking kunnen hebben op de volgende aspecten van het selectieproces: de advisering met betrekking tot de inhoud van een interne oproep, dan wel een advertentie; de advisering over de mogelijkheid tot interne vervulling van de vacature; de advisering omtrent de mogelijkheid tot samenwerking met de voorgeselecteerde kandidaat of kandidaten. Artikel 2 Functie waarop de inspraak betrekking heeft Lid 1 De regeling strekt zich uit tot leidinggevende functies, waarbij een onderscheid is twee categorieën noodzakelijk is: diensthoofden: in geval van benoeming van een diensthoofd wordt een inspraakcommissie gevormd; overige leidinggevende functionarissen. Lid 2 Het hoofd van dienst wijst de functies aan binnen zijn dienst, waarvoor de inspraak geldt. Gestreefd dient te worden zoveel mogelijk leidinggevende functies aan te wijzen, maar buiten dit kader vallen alle functies waarvan de drager slechts partieel met de leiding van een eenheid is belast (sous-chefs, plaatsvervangers en dergelijke). Artikel 3 Samenstelling van de inspraakcommissie Lid 1 In de regel is het praktisch niet mogelijk alle tot inspraak gerechtigden ondergeschikten ook rechtstreeks bij de inspraak te betrekken. Zulks zou tot onhanteerbare en zeer tijdrovende procedures leiden, maar zou ook voor de kandidaat/kandidate niet acceptabel zijn. Daarom zal bij iedere vacature voor een functie, die in het kader van deze regeling voor inspraak is aangewezen, een inspraakcommissie worden samengesteld, die zo goed mogelijk de belangen van het betrokken organisatie-onderdeel kan vertegenwoordigen. Lid 2 Bij een vacature voor hoofd van dienst: de functionaris, op het moment van bekend worden van de vacature belast met de leiding van de dienst (veelal het vertrekkende hoofd van dienst zelf) draagt zorg voor een voordracht voor een samen€stelling in het overleg met staf, MC of overleggroep. Bovendien raadpleegt hij overleg over deze samenstelling met het hoofd van de concernafdeling Personeel, Organisatie en Informatie. De definitieve beslissing over de samenstelling is voorbehouden aan het college. Lid 3 Bij een vacature voor andere leidinggevenden: Het hoofd van dienst (of een door hem aan te wijzen functionaris) beslist met betrekking tot de samenstelling van een te vormen inspraakcommissie op voorstel van de met de selectie belaste chef en personeelsfunctionaris. Aan iedere te vormen inspraakcommissie wordt bovendien de voor de dienst aangewezen personeelsfunctionaris ter ondersteuning toegevoegd. Het aantal leden van de inspraakcommissie dient beperkt te blijven tot drie. Artikel 4 Taken en werkwijze van de inspraakcommissie Lid 1 De hoofdtaak van een gevormde inspraakcommissie bestaat uit het zo goed mogelijk inschatten van de mogelijkheden tot samenwerking in geval van plaatsing van de betrokken kandidaat. Lid 2 Door toedoen van de betrokken personeelsfunctionaris zullen de leden van de commissie worden voorzien van die informatie die strikt nodig is om het onder lid 1 van dit artikel gestelde doel te bereiken. Ter bescherming van de privacy van kandidaten zullen conclusies van psychologische onderzoeken en naar aard vergelijkbare informatie niet aan de leden van de commissie worden voorgelegd. Lid 3 Het is de leden van de commissie verboden op persoonlijk initiatief bij derden inlichtingen in te winnen over één of meer kandidaten. De mate van behoefte aan dergelijke informatie kan in gezamenlijke overleg worden vastgesteld, waarna de betrokken personeelsfunctionaris zorg draagt voor de effectuering. Lid 4 De commissieleden zijn verplicht tot geheimhouding van persoonlijke gegevens, die aan hen in deze inspraakprocedure ter kennis komen. Lid 5 Indien het voornemen bestaat om over te gaan tot interne vervulling van een vacature, voor een voor inspraak aangewezen functie, wordt de commissie door de personeelsfunctionaris daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd. Lid 6 Indien de meerderheid van de commissie bezwaren heeft tegen de voorgenomen interne vervulling, draagt de betrokken personeelsfunctionaris er zorg voor dat deze bezwaren schriftelijk ter kennis worden gebracht aan het hoofd van dienst. Zijn beslissing wordt met een toelichting aan de commissie medegedeeld. Lid 7 Indien het voornemen bestaat om over te gaan tot externe werving wordt de conceptadvertentie zo spoedig mogelijk door de betrokken personeelsfunctionaris met de commissie besproken. Met de opmerkingen van de commissie zal bij het vaststellen van de definitieve advertentietekst zoveel mogelijk rekening worden gehouden. Lid 8 Indien de commissie in meerderheid van mening is dat tot interne vervulling dient te worden overgegaan, draagt de betrokken personeelsfunctionaris er zorg voor dat dit standpunt schriftelijk aan het hoofd van dienst wordt voorgelegd. Zijn beslissing wordt met een toelichting aan de commissie medegedeeld. Lid 9 Aan sollicitanten zal, tegelijk met de ontvangstbevestiging van hun sollicitatiebrief, worden medegedeeld dat een gesprek met een inspraakcommissie uit het personeel onderdeel kan uitmaken van de selectieprocedure. Lid 10 De commissie wordt (indien van de kant van de kandidaat hiertegen geen dringende bezwaren bestaan) in de gelegenheid gesteld een gesprek te voeren met de daartoe geselecteerde kandidaat of kandidaten, die in principe in aanmerking kunnen komen voor benoeming. De personeelsfunctionaris is daarbij aanwezig. Indien de kandidaat niet wil en er desondanks grote behoefte bestaat hem te benoemen, ontstaat er een impasse die op andere wijze moet worden opgelost. Lid 11 De betrokken personeelsfunctionaris draagt er zorg voor dat de zienswijze van de commissie inzake de verwachte samenwerkingsmogelijkheden met de geselecteerde kandidaat of kandidaten schriftelijk ter kennis wordt gebracht aan het hoofd van dienst. Lid 12 Indien het hoofd van dienst voornemens is een kandidaat ter benoeming voor te dragen, waartegen de commissie in meerderheid bezwaren heeft, wordt door hem nader overleg gepleegd met de commissie. Lid 13 Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient bij het benoemingsvoorstel het afwijkende standpunt van de commissie te worden overlegd. De kandidaat wordt van het standpunt van de commissie in kennis gesteld. Lid 14 Indien het een vacature van een hoofd van dienst betreft, wordt in de leden 6, 8 en 11 van dit artikel in plaats van 'hoofd van dienst' gelezen: 'het college'. In dat geval geldt in plaats van lid 12 en 13 van dit artikel het volgende: indien het college voornemens is een kandidaat aan de Raad ter benoeming voor te stellen, waartegen de commissie in meerderheid bezwaren heeft, wordt namens hen door een lid van het college nader overleg gepleegd met de commissie; indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient bij het benoemingsvoorstel aan de Raad het afwijkende standpunt van de inspraakcommissie vertrouwelijk aan de Commissie van Bijstand te worden overgelegd; de kandidaat wordt van het standpunt van de inspraakcommissie in kennis gesteld. 3 Salaris en vergoedingsregelingen Artikel 3:1 Bezoldiging 1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend. 2In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt: schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop; salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage. 3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage IIen IIa van de CAR. Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is. Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken. 4Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II . 5Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken: dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ; en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa . 6Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand. 7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. 8 Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Artikel 3:1:1 Bezoldiging 1 De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn. 2Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde. 3Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen. 4Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd. Artikel 3.1.0.1 Definitie salaris en bezoldiging Lid 1 Onder salaris wordt tevens verstaan: de (aflopende) inconveniëntentoeslag als omschreven in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling. Lid 2 Onder bezoldiging wordt tevens verstaan: de vergoeding toegekend krachtens de door het college opgestelde regelen als bedoeld in artikel 3:3:
  6. Artikel 3.1.2.0 Waarnemingstoelage Lid 1 De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hoger salaris geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid. Lid 2 De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt voor elke volle dag der waarneming: 8% van het 1/22 gedeelte van het eigen schaalbedrag per maand van de ambtenaar en het 1/22 gedeelte van de bij de waargenomen functie behorende inconveniëntentoeslag, met dien verstande dat, indien voor de waargenomen functie geen hogere schaal geldt, de vergoeding slechts bestaat uit het hiervoor onder b vermelde gedeelte. De vergoeding, tezamen met het salaris, bedraagt per dag niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen als salaris indien hij was ingeschaald op de hoogste periodiek van de bij de waargenomen functie behorende schaal. Voor de ambtenaar wiens schaalbedrag hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald. Lid 3 Over de periode gedurende welke een vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt genoten, wordt de volgens het tweede lid berekende vergoeding slechts voor zover deze meer bedraagt dan de bij de eigen functie van de ambtenaar behorende inconveniëntentoeslag. Het college kan voor die gevallen waarin toepassing van het in dit en het voorgaande lid bepaalde tot kennelijk-onredelijke resultaten mocht leiden, een nadere regeling treffen. Lid 4 De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:
  7. Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan één betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als één geval van waarneming. Lid 5 Geen vergoeding ingevolge het eerste en vierde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt. Lid 6 Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar hun oordeel, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen. Artikel 3:2 Overwerkvergoeding De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin. Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding 1De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde. 2Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. 3Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met
  8. 5Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt: 100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur 50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur; 50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur; 25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald. Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%. 6Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk.Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. 7Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen. 8Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. Artikel 3.2.1.1 Overwerkvergoeding Lid 1 In uitwerking van artikel 3:2:1, lid 6 komen ambtenaren ingedeeld in een salarisschaal vanaf salarisschaal 12 niet in aanmerking voor een overwerkvergoeding. Lid 2 In aanvulling op het bepaalde in artikelen 3:2 en 3:2:1 heeft de ambtenaar die volgens rooster is ingedeeld in de consignatiedienst voor de gladheidbestrijding recht op een vergoeding krachtens de regeling vergoeding voor gladheidbestrijders.” Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst 1De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op: maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur; zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur; zondag tussen 00.00 en 24.00 uur. 2In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld. 3In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld. 4In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3:3:1 Beschikbaarheidsdiensten Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 15:1:10 , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden. Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding. Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding 1Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde: feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven; werktijd, deze werktijd wordt verschoven. 2Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd. 3De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon. Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald: in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef; op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend. Artikel 3.5.1.0 Ambtsjubileumgratificatie Lid 1 Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met 70% van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Indien gedurende de diensttijd gelegen vóór het tijdstip van zijn jubileum een wijziging in de bezoldiging is opgetreden als gevolg van een ontslag als bedoeld in artikel 8:5, gevolgd door een nieuwe aanstelling met recht op een herplaatsingstoelage als bedoeld in artikel 9:1 van het Pensioenreglement, wordt de gratificatie naar evenredigheid van de diensttijd bepaald op zowel de grondslag van de bezoldiging en van de vakantietoelage zoals deze gold onmiddellijk vóór dat ontslag, als de bezoldiging en de vakantietoelage over de maand waarin hij het jubileum gedenkt. Lid 2 Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: op grond van artikel 8:4; op grond van artikel 8:5 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; op grond van artikel 8:10 of artikel 8:11 indien en voor zover het een volledig ontslag betreft; en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend. Lid 3 Het college bepaalt in een afzonderlijke regeling welke diensttijden in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de datum van een jubileum in overheidsdienst. Lid 4 Indien aan de ambtenaar op grond van het bij of krachtens lid 1 tot en met 3 van dit artikel bepaalde een gratificatie zou kunnen worden toegekend, maar hij terzake van zijn betrekking (bijvoorbeeld als militair) reeds een naar haar aard daarmee overeenkomende gratificatie of uitkering heeft ontvangen, vindt geen toekenning van de gratificatie plaats. Lid 5 Indien de ambtenaar tijdens een hem verleend buitengewoon verlof - mede dan wel overwegend in het algemeen belang gegeven - jubileert, wordt de gratificatie eerst toegekend zodra hij na beëindiging van het verlof zijn werkzaamheden hervat. Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering 1De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. 2De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. 3Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest. Artikel 3:7:1 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:2 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:3 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:4 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:5 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:6 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:7 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage 1Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat. 2De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. 4 Arbeidsduur en werktijden Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden 1Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden. 2 De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. 3 Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft. Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden 1 In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld. 2 Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen: dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is; dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt; dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken; dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te ontwijken. 3 Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen. Artikel 4.2.0.1 Kaderregeling werktijden en Regeling beschik- en bereikbaarheidstoelage In aanvulling op artikel 4:1 betreffende arbeidsduur en werktijden, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Kaderregeling werk- en arbeidstijden en Regeling beschik- en bereikbaarheidstoelage van de gemeente Nijmegen. Artikel 4:2:1 Arbeidsduur en werktijden 1 Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. 2 Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2 , tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. 3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd. 4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. 5 Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend. Artikel 4.2.1.1 Resumé zon- en feestdagen en lokale vrije dagen De gemeente Nijmegen kent de volgende zon- en feestdagen (zie artikel 1.1.0.1) Nieuwjaarsdag 2e paasdag (1e paasdag valt altijd op een zondag) Koninginnedag Hemelvaartdag 2e Pinksterdag Beide kerstdagen Bevrijdingsdag 5 mei De vrijdagmiddag van de 4-daagse Artikel 4:2:2 Arbeidsduur en werktijden Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. Artikel 4:3 Spaarmogelijkheid 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. 2 Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode. 3 De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan. 4 In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 5 In geval van ontslag op grond van artikel 8:3 , 8:6 , 8:7 , 8:8 , 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 6 In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed 7 In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. 8 In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2 , het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 9 In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. 10 Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. Artikel 4:3:1 Vervallen (Vervallen) Artikel 4:3:2 Vervallen (Vervallen) Artikel 4:3:3 Vervallen (Vervallen) Artikel 1 Begrippenkader Kaderregeling werk- en arbeidstijden Besluit van Burgemeester en wethouders d.d. 21 januari 1997 Bij het vaststellen van een werktijdenregeling voor de directie dient rekening te worden gehouden het begrippenkader, zoals opgenomen in de Arbeidstijdenwet (ATW) en de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN). Artikel 2 Bevoegdheid en voorwaarden In een voor een directie vast te stellen regeling worden, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens wetten houdende bepalingen tot beperking van de arbeidsduur, en met inachtneming van hetgeen overigens in hoofdstuk 4 van de AGN en in deze regeling is bepaald, de werktijden vastgesteld. De vaststelling van een regeling voor de dienst behoeft de instemming van de OR/OC. Artikel 3 De onderlinge bereikbaarheid van de directies dient bij vaststelling van de roosters te worden gegarandeerd. Daarbij dient de leiding er zorg voor te dragen dat elk bureau op maandag tot en met vrijdag bereikbaar is tussen 's-morgens 08.30 uur en 's-middags 17.00 uur. Artikel 4 Variabele werktijden Van de voor een directie vast te stellen werktijdenregeling kan een regeling inzake variabele werktijden deel uitmaken. Hieronder wordt verstaan een regeling waarbij de individuele werknemer het begin en einde van zijn werktijd en de middagpauze dagelijks binnen bepaalde grenzen zelf kan bepalen. Artikel 5 Bij de vaststelling van de in het vorige artikel bedoelde regeling van variabele werktijden kan worden bepaald dat voor bepaalde functies de regeling niet, danwel in beperkte mate van toepassing zal zijn. Artikel 6 Indien een variabele werktijdenregeling binnen de directie wordt vastgesteld, worden daarin bloktijden opgenomen. Onder bloktijden wordt verstaan de tijdsperioden waarin alle werknemers aanwezig moeten zijn, danwel hun werkzaamheden moeten verrichten. De bloktijden zijn -onverminderd het bepaalde in artikel 3 van deze regeling- ten minste gelegen tussen 09.00 uur en 12.30 uur en tussen 14.00 uur en 16.00 uur. Artikel 7 In de regeling van variabele werktijden dienen in ieder geval tevens bepalingen te worden opgenomen inzake: de grenzen van begin en einde van de werktijd en de middagpauze, uiteraard met inachtneming van het bepaalde in artikel 6; de minimale duur van de middagpauze, namelijk een half uur; de bloktijden als bedoeld in artikel 6; de mogelijkheid om, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3 van deze regeling, via inroostering de keuzevrijheid van een individuele werknemer te beperken; de wijze van registratie van de feitelijke werktijd; de relatie tussen verlof voor doktersbezoek en de variabele werktijdenregeling. Artikel 8 Lid 1 De negatieve en positieve verschillen tussen werktijd en feitelijke arbeidsduur worden periodiek gesaldeerd. Lid 2 Een negatief saldo mag de in de regeling bepaalde grens niet overschrijden. Deze grens wordt op maximaal 10 uren bepaald. Een eventuele overschrijding wordt ten laste van het verloftegoed gebracht. Artikel 9 Lid 1 Het is niet toegestaan een eventueel positief saldo aan te wenden voor extra verlof in de vorm van één of meer dagdelen of ter compensatie van dagen die zijn aangewezen voor collectieve sluiting van de gemeentelijke directies. Lid 2 Het is evenmin toegestaan een positief saldo uit te betalen. Artikel 10 Het opstellen van roosters Lid 1 In verband met het bepaalde in artikel 3 van deze regeling en het uitgangspunt van handhaving van de bedrijfstijden en de daarmee samenhangende noodzakelijke minimale bezetting, worden de werktijden indien nodig via inroostering bepaald. Lid 2 Er mogen collectief geen werkroosters worden vastgesteld waarbij structureel 4 x 9 uren dan wel 5 x 7,2 uren worden ingeroosterd. Lid 3 Hoewel bij het opstellen van roosters zoveel als mogelijk is rekening zal worden gehouden met belangen en wensen van deeltijders, komen de werktijden van deeltjders indien nodig ook voor inroostering in aanmerking. Lid 4 Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 11, eerste en eventueel achtste lid, worden deze extra uren in het rooster verwerkt. De gemiddelde feitelijke arbeidsduur zal dan als gevolg daarvan langer zijn dan de formele arbeidsduur (38 i.p.v. 36 uur bij een volledige betrekking indien geen gebruik wordt gemaakt van bandbreedte). Artikel 11 Compensatie-uren Lid 1 In de regeling dient te worden verwerkt dat, indien de werknemer dit wenst, op jaarbasis maximaal 101,6 uren bij een volledige betrekking als compensatie-uren vrij opneembaar zijn, voor zover de werkzaamheden dat toelaten. Lid 2 Compensatie-uren dienen in het begin van elk kalenderjaar, of aanvang van het dienstverband, bijgeschreven te worden op de verlofkaart. Zij worden echter wel apart vermeld. Lid 3 De opname van compensatie-uren (compensatieverlof) geschiedt op dezelfde wijze als opname van verlofuren; daarbij wordt wel vermeld dat het compensatie-uren betreft. Lid 4 Bij ziekte tijdens ingeroosterd compensatie-verlof worden deze uren als opgenomen beschouwd. Lid 5 Bij ziekte langer dan drie maanden, wordt de werknemer geacht voor elke 4 weken dat de ziekte langer duurt, 8 uren compensatieverlof te hebben opgenomen. Lid 6 De aan het einde van een kalenderjaar niet opgenomen compensatie-uren kunnen niet worden overgeschreven, en vervallen derhalve. Lid 7 De teveel opgenomen compensatie-uren bij beëindiging van het dienstverband worden verrekend (bijvoorbeeld met de resterende verlofdagen). Niet-genoten compensatie-uren worden daarentegen uitbetaald. Lid 8 Voor de werknemer met een niet-volledige betrekking wordt voorde toepassing van het in het eerste en vijfde lid bepaalde een berekening naar evenredigheid toegepast. Artikel 12 (vervallen) Artikel 13 Collectieve sluiting Lid 1 Het college behoudt zich het recht voor om, met instemming van de COR, tot collectieve sluiting van de gemeentelijke directies te besluiten. Lid 2 Aanwijzing van deze collectieve sluiting voor het daaropvolgende kalenderjaar geschiedt telkenjare zo mogelijk voor 1 december van het lopende kalenderjaar. Lid 3 In overeenstemming met de OR mag de directeur van de directie voor (onderdelen van) zijn dienst een verdere collectieve sluiting overeenkomen. Lid 4 Bij het vaststellen van de roosters en werktijden van enig kalenderjaar, wordt rekening gehouden met de collectieve sluiting en kunnen daaromtrent nadere afspraken worden gemaakt. Deze dagen worden derhalve, indien de ambtenaar dat wenst, ingeroosterd. Lid 5 Indien de collectieve sluiting niet conform het bepaalde in het vorige lid in het rooster is verwerkt, dienen voor de collectieve sluiting compensatie-uren c.q. verlofuren te worden ingezet. Artikel 14 Overgangs- en slotbepalingen Lid 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari
  9. Lid 2 Met ingang van de in het vorige lid genoemde datum worden de bestaande regelingen inzake variabele werktijden ingetrokken. Indien en voor zolang op dat moment nog geen regeling voor de dienst is vastgesteld, en deze kaderregeling niet volledig in de gewenste behoefte voorziet, kunnen tijdelijke aanvullende afspraken worden gemaakt. Algemene toelichting Op basis van een sectoraal accoord inzake verdere arbeidsduurverkorting geldt per 1 januari 1997 een gemiddeld 36-urige werkweek. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over mogelijkheden tot meer flexibele inzet van het gemeentelijk personeel alsmede een spaarvariant in het kader van de vormgeving van de arbeidsduurverkorting. Deze afspraken zijn in de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN) vastgelegd. Een verdere detaillering van door sociale partners gemaakte afspraken geschiedt op lokaal niveau. Daarbij komen lokaal bestaande afspraken omtrent invulling van de vorige ADV-ronde van 40 naar 38 uur in beginsel te vervallen. In het 'Accoord Arbeidsvoorwaarden april 1996-januari 1998 zijn daarom enkele randvoorwaarden omtrent de vormgeving van de 36-urige werkweek geformuleerd, en is besloten tot vaststelling van een kaderregeling werk- en arbeidstijden, te hanteren bij de regeling van werk- en arbeidstijden op directieniveau. Deze randvoorwaarden zijn: er vindt geen algehele inkrimping van bedrijfstijden plaats. werkroosters van structureel 4 x 9 uur en van 5 x 7,2 uur worden niet collectief vastgesteld; een dergelijk rooster kan wel in voorkomende gevallen met individuele werknemers worden overeengekomen. de huidige regelingen met betrekking tot variabele werktijden en bloktijden kunnen per dienst worden geactualiseerd, met instemming van de OR/OC. de onderlinge bereikbaarheid van diensten zal worden gegarandeerd. bij de invulling van werktijden en roosters wordt waar mogelijk rekening gehouden met individuele wensen en omstandigheden. Bij nader inzien is het noodzakelijk gebleken om de onder c genoemde randvoorwaarde minder vrijblijvend te formuleren. Zulks in verband met hetgeen is bepaald inzake de inzet van compensatie- of verlofuren bij collectieve sluiting (artikel 13). Deze kaderregeling moet in acht worden genomen bij de op directieniveau met de OR/OC te maken bindende afspraken over een regeling voor werk- en arbeidstijden. De OR/OC heeft instemmingsbevoegdheid. Bij het inrichten van de werkprocessen moet de 36-urige werkweek als vertrekpunt worden genomen. Aangezien in de lokale CAO ook afspraken zijn gemaakt omtrent het vrij opneembaar blijven van 101,6 uren per jaar -zoals dat tot op heden ook het geval was in de vorm van 12 adv-dagen- zal dat, indien de medewerker van deze regeling gebruik wenst te maken, in een patroon van gemiddeld 38 arbeidsuren bij een volledige betrekking in het rooster tot uitdrukking komen. Indien er in enige periode meer dan 36 uren gemiddeld zijn ingeroosterd, kan dat ook het gevolg zijn van: ingeroosterde uren als gevolg van het gebruik maken van de bandbreedte, of: uren als gevolg van de spaarregeling als bedoeld in artikel 4:3 van de AGN. Indien individueel een spaarverlofregeling wordt overeengekomen, is het noodzakelijk dat -alvorens feitelijk hiertoe wordt overgegaan- de afspraken schriftelijk worden vastgelegd. De voorbeeld-spaarovereenkomst van het College voor Arbeidszaken van de VNG dient hierbij als uitgangspunt. De spaarregeling is opgenomen als artikel 4:3 in de AGN. In het verleden gemaakte principe-afspraken over dagen waarop de gemeentelijke directies of onderdelen collectief gesloten zullen zijn, zijn nu formeel vastgelegd in deze kaderregeling. 4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden Artikel 4a:0:0:1 Arbeidsvoorwaardenregeling In aanvulling op Hoofdstuk 4a betreffende het uitwisselen van arbeidsvoorwaarden, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” het Keuzemenu Individueel Arbeidsvoorwaardenpakket Nijmegen (KIAN) en de Fietsregeling. Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid. 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum. 3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 4a:1:1:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:1 kan de ambtenaar bij het college voor 1 februari van het betreffende jaar een verzoek indienen om gedurende het kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid. Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid. 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 4a:2:2:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:2 kan de ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om gedurende het betreffende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid. Artikel 4a:3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding 1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. 2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld. Artikel 4a.3.0.1 Vakantie-uren benutten voor bestedingsdoelen Lid 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de vergoeding van een deel van de vakantie-uren, genoemd in artikel 4a:1, te benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. Lid 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het deel van de vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 21,6 uren. Voor de ambtenaar met een deeltijdbetrekking geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Lid 3 De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden, dient het in het eerste lid bedoelde verzoek in te dienen uiterlijk binnen een maand na de datum van indiensttreding. Voor hem bedraagt het deel van de vakantie-uren maximaal zoveel maal 1/12 gedeelte van de in het tweede lid genoemde aantal vakantie-uren als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking vervult. Hij ontvangt, in afwijking van artikel 4a:1, vijfde lid voor elk vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet op de datum van indiensttreding. Lid 4 In afwijking van het eerste lid dient de ambtenaar het verzoek voor het kalenderjaar 2005 uiterlijk voor 1 februari 2005 te hebben ingediend. Lid 5 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gesteld. Artikel 4a:3:0:1:1 Vakantie-uren benutten voor bestedingsdoelen In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:
  10. kan de ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om gedurende het betreffende kalenderjaar de vergoeding van een deel van de vakantie-uren, genoemd in artikel 4a:1, te benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden genoemd in lid 7 van artikel 4a:3:0:
  11. Artikel 4a:3:0:2 Persoonlijk budget voor bestedingsdoelen Lid 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om hem gedurende het betreffende kalenderjaar een bedrag aan persoonlijk budget beschikbaar te stellen. Lid 2 De ambtenaar kan het toegekende bedrag van het persoonlijk budget slechts benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. Lid 3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking stelt het college het bedrag van het persoonlijk budget per kalenderjaar vast. Voor de ambtenaar met een deeltijdbetrekking geldt een naar evenredigheid lager bedrag als persoonlijk budget per kalenderjaar. Lid 4 De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden, dient het in het eerste lid bedoelde verzoek in te dienen uiterlijk binnen een maand na de datum van indiensttreding. Voor hem bedraagt het persoonlijk budget zoveel maal 1/12 gedeelte van het in het derde lid genoemde bedrag als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking vervult. Lid 5 De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar uit dienst treedt, hoeft het op grond van dit artikel toegekende bedrag aan persoonlijk budget niet terug te betalen. Lid 6 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gesteld. Lid 7 De bestedingsdoelen voor het persoonlijk budget zijn: Fiets voor woon- werkverkeer Spaarloon Premie voor bijverzekering pensioen Premie voor bijverzekering ANW Lidmaatschap beroepsvereniging Abonnement(en)/ supplementen vakliteratuur Aanvullende verhuiskostenvergoeding Vergoeding vakbondscontributie. Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze regeling verstaat onder: werkgever:de gemeente Nijmegen; werknemer:de ambtenaar in de zin van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor zover deze een vaste aanstelling heeft dan wel tijdelijk is aangesteld voor de duur van tenminste één jaar; de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond van artikel 2:5, eerste lid sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen voor tenminste één jaar; Diegenen wier verzoek om de bestaande duurzame arbeidsrelatie om te zetten in een dienstbetrekking zoals geregeld in artikel 4, onderdeel f van de wet op de loonbelasting 1964, door de Belastingdienst is ingewilligd. fiets:Een fiets is een rijwiel zonder hulpmotor. Ook de Spartamet en zoemfietsen zijn als fiets aan te merken. Zoemfietsen zijn fietsen met een elektrisch of motorisch aangedreven trapondersteuning zoals de Epacs en Saxonette. verzekering:een gangbare verzekering voor de fiets voor de duur van drie jaar, die dekking geeft tegen nieuwwaarde bij diefstal en schade; accessoires: de met de fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, waaronder mede begrepen fiets- en regenkleding. brutoloon:de eindejaarsuitkering waarop de werknemer aanspraak heeft ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor dat gedeelte dat vanaf de maand volgende op de datering van de in artikel 2, vierde lid, bedoelde verklaring nog opgebouwd dient te worden tot aan het eerstvolgende moment van uitbetaling; de vakantietoelage, voor zover meer bedragend dan 8% van het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag, waarop de werknemer aanspraak heeft ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor dat gedeelte dat vanaf de maand volgende op de datering van de in artikel 2, vierde lid, bedoelde verklaring nog opgebouwd dient te worden tot aan het eerstvolgende moment van uitbetaling. nettoloon:de bezoldiging na aftrek van verschuldigde premies en loonbelasting; AGN:de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen. Artikel 2 Voorfinanciering fiets Lid 1 Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de kosten van een fiets met verzekering , dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe overgaat, een volledig ingevulde "Verklaring inzake aanschaf en terugbetaling van vergoede fiets" te overleggen. Hierin verklaart de werknemer dat hij op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van het woon-werkverkeer de fiets zal gebruiken, waaronder mede begrepen het gebruik van de fiets in voor- of natransport (bijvoorbeeld van en naar NS-station). Deze verklaring wordt door de werkgever bevestigd. In de verklaring wordt tevens - op de wijze zoals in lid 4 van dit artikel is bepaald - aangegeven op welke wijze het brutoloon van de werknemer zal worden verlaagd. Lid 2 De werknemer vult tevens een bestelformulier in, dat namens de werkgever door de afdeling P&O van de dienst\directie wordt voorzien van handtekening en stempel. Lid 3 Na ontvangst van de factuur (met kopie van het bestelformulier) betaalt de werkgever rechtstreeks aan de leverancier dan wel de werknemer de kosten van de te vergoeden fiets, en de verzekering. Een fiets wordt slechts één keer per drie jaren vergoed. De verzekering dient bij de bestelling van de fiets te worden afgesloten. Lid 4 De werknemer dient schriftelijk te verklaren dat hij in een periode van maximaal drie jaren na datum van vergoeding van de kosten afstand doet van zijn brutoloon ter grootte van het aanschafbedrag van de fiets dan wel maximaal het bedrag als genoemd in artikel 37, lid 1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting
  12. Lid 5 Indien bij beëindiging van de arbeidsverhouding nog verrekening dient plaats te vinden, wordt het restant verrekend met de vakantietoelage en eventueel de eindejaarsuitkering. Indien de vakantietoelage en/of eventueel de eindejaarsuitkering daartoe niet toereikend zijn, zal het restant op het nettoloon in mindering worden gebracht. Artikel 3 Voorfinanciering fiets In verband met, en tegelijk met de overdracht van het eigendom van de fiets en de vergoeding van de kosten daarvan aan de werknemer, wordt bij de eerstvolgende loonbetaling aan de werknemer, indien het aankoopbedrag van de fiets meer bedraagt dan het bedrag als genoemd in artikel 37, lid 1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001, eenmalig op zijn nettoloon ingehouden het meerdere boven dit bedrag. Artikel 4 Voorfinanciering accessoires Lid 1 Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de kosten van de met de fiets samenhangende accessoires, dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe overgaat, een door het college vastgesteld formulier inzake de vergoeding van de accessoires volledig in te vullen. Lid 2 Gedurende de looptijd van de regeling kunnen de kosten van de met de fiets samenhangende accessoires éénmaal per kalenderjaar worden gedeclareerd tot het maximumbedrag als genoemd in artikel 37, lid 5 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting
  13. Het gedeclareerde bedrag wordt vervolgens in mindering gebracht op de vakantie-uitkering of op de eindejaarsuitkering van de medewerker van het betreffende jaar. Lid 3 Indien het gedeclareerde bedrag het in lid 2 van dit artikel bedoelde maximumbedrag overstijgt, wordt het restant in mindering gebracht op het eerstvolgende nettoloon. Artikel 5 Slotbepalingen Indien controle door de inspecteur der belastingen er toe leidt dat alsnog een naheffing wordt opgelegd, dan komt deze naheffing (inclusief eventuele rente en boete) voor rekening van de werknemer. Voorts aanvaardt de werkgever geen enkele verantwoordelijkheid voor de mogelijk in andere (wettelijke) regelingen opkomende gevolgen van de verlaging van het brutoloon bij het gebruikmaken van deze regeling. Artikel 6 Slotbepalingen De werknemer is verplicht een verzekering af te sluiten. Artikel 7 Bij de toepassing van de regeling wordt geen rekening gehouden met eventuele inruil. Artikel 8 Lid 1 Deze regeling treedt, onder intrekking van de regeling “Regeling faciliteiten ter zake van verstrekking / aanschaf van een fiets 1 april 1999”, in werking met ingang van heden. Lid 2 De regeling kan worden aangehaald als regeling “Faciliteiten ter zake van aanschaf van een fiets 2008". 5 Seniorenmaatregelen Artikel 5:1 56-jarenregeling Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) 1De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 56 jaar en ouder, die een ononderbroken diensttijd heeft van ten minste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; en geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een leeftijdsgrens is bepaald wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, op zijn verzoek met een vijfde deel teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Er dient minimaal een arbeidsduur van 7,2 uur per week te resteren. 2Onder diensttijd als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 2, tweede lid, onder de punten a tot en met c, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering. 3Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met een vijfde teruggebrachte seniorenarbeidsduur. Artikel 5:2 Pré-vut Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) 1 De werknemer in de zin van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering heeft recht op een uitkering krachtens het bepaalde in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van dat reglement, met ingang van de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De uitkering wordt betaald met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop het recht op de uitkering ontstaat. De pré-vut-uitkering wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Voor de duur van de periode van de pré-vut blijven de bepalingen van het reglement vrijwillig vervroegde uittreding van kracht zoals die regeling laatstelijk luidde voor 1 april
  14. 2 De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75% van het inkomen zoals omschreven in artikel 1, onderdeel v, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, met dien verstande dat het uitkeringspercentage voor de ambtenaar, die wordt bezoldigd volgens de salarisschalen 1 en 2, 80% van evenbedoeld inkomen bedraagt. 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de ambtenaar wiens verzoek, bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, is ingewilligd. Artikel 5:3 60-jarigenregeling Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) 1 Met inachtneming van het gestelde in het tweede lid, wordt de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 60 jaar en ouder, die: een aanstelling heeft van tenminste 14,4 uur per week, en; een ononderbroken diensttijd heeft van tenminste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; op verzoek van de ambtenaar dan wel op verzoek van het college, met de helft teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur en onder doorbetaling van 95% van de bezoldiging. De bezoldiging wordt voor 95% doorbetaald tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt; van de ambtenaar die bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar geen gebruikmaakt van de FPU-regeling om uit te treden, wordt, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, de bezoldiging voor 50% doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden tot een maximum van 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, blijft de omvang van de verminderde seniorenarbeidsduur gehandhaafd op 50%. De bezoldiging wordt voor 50% van de bezoldiging zoals die voor hem gold voordat hij gebruik ging maken van de FPU, doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden voor meer dan 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, worden de formele arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur en de bezoldiging zoals die voor hem golden voordat hij gebruik ging maken van de FPU, met eenzelfde percentage aangepast. Het verzoek van de ambtenaar kan slechts worden geweigerd indien naar het oordeel van het college sprake is van een organisatorisch belang. De ambtenaar heeft te allen tijde het recht op grond van hem moverende redenen het verzoek van het college te weigeren. 2Ten aanzien van de ambtenaar waarvan de seniorenarbeidsduur reeds met een vijfde is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar, die reeds met een vijfde deel is teruggebracht op grond van het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, wordt tot de helft teruggebracht, uitgaande van de omvang van de aanstelling, zoals die gold op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ingevolge artikel 5:1; Ten aanzien van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur voor 1 april 1996 is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, geldt dat deze ambtenaar tot 1 mei 1996 kan verzoeken om in aanmerking te komen voor de 60-jarigenregeling. Indien het verzoek tot vermindering van de seniorenarbeidsduur is ingewilligd, wordt de doorbetaling van de bezoldiging met ingang van 1 mei 1996 teruggebracht tot 90%. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. 3 Onder diensttijd als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 5:1, tweede lid. 4 Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met de helft teruggebrachte seniorenarbeidsduur per week. 5 Wanneer de betrokkene inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur met de helft is teruggebracht dan wel schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, worden die inkomsten in mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben met dien verstande dat het percentage van de door te betalen bezoldiging na vermindering nooit minder bedraagt dan
  15. Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt niet begrepen een uitkering op grond van de FPU-regeling. 6 Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurend vakantie, verlof of non-activiteit onmiddellijk voor afgaande aan de vermindering van de seniorenarbeidsduur. 7 Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het vijfde lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen voor evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het vijfde lid van overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de vermindering van de werktijd. 8 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur is verminderd of schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, terstond mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig op voor het verschijnen van de eerstvolgende bezoldigingstermijn. 9 Indien de in het vijfde tot en met zevende lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij voor het verschijnen van elke bezoldigingstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. 10 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave als bedoeld in het achtste lid worden afgeweken. 11 Het in het zevende en achtste lid bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in het vijfde en zesde lid. 12 Door het aanvaarden van de vermindering van de seniorenarbeidsduur wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijke inlichtingen geven. 13 Indien de betrokkene één of meerdere verplichtingen als bedoeld in het zevende en achtste lid niet nakomt, kan het college de doorbetaling van de bezoldiging tijdelijk of definitief op een lager percentage stellen, met dien verstande dat het aldus vastgestelde percentage nooit minder dan 50 kan bedragen. 14 Het verzoek voor het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur moet minimaal drie maanden voor aanvang van de vermindering worden ingediend. Artikel 5.3.0.1 Werktijdenverkorting 60 jaar en ouder Lid 1 De ambtenaar die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, een volledige betrekking vervult en geen gebruik maakt van de voorziening als bedoeld in artikel 5:1 kan, indien hij zulks wenst, in aanmerking komen voor een vermindering van zijn werktijd met een half uur per dag. Lid 2 Indien naar het oordeel van het college het dienstbelang zich tegen toepassing van het in het voorgaande lid bepaalde verzet, heeft de ambtenaar echter recht op een vrije dag zodra een periode verstreken is waarin het totaal aantal halve uren dat hem met toepassing van het eerste lid aan werktijdverkorting zou zijn toegestaan, overeenkomt met een werkdag. Artikel 5:4 Ingangsdatum seniorenmaatregelen Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de seniorenarbeidsduur te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, of 5:3, eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar vanaf de dag dat de leeftijd is bereikt, zoals vermeld in de voorgaande artikelen, aanspraak op vermindering van de seniorenarbeidsduur. Op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop tenminste de vereiste leeftijdwordt bereikt, wordt de seniorenarbeidsduur teruggebracht en wordt de bezoldiging gedeeltelijk uitbetaald, op grond van het bepaalde in artikel 5:1 en 5:
  16. Artikel 5:5 Overgangsbepaling Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) De ambtenaar waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5:1 is gehonoreerd en waarvan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ligt voor 1 april 1996, behoudt voor de duur van de periode van deze vermindering van seniorenarbeidsduur, de volledig voor hem geldende bezoldiging, behoudens ingeval artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is. Artikel 5:6 Slotbepalingen 1 Een ambtenaar die gebruik maakt of heeft gemaakt van de regeling zoals opgenomen in hoofdstuk 5a, kan niet deelnemen aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. 2 Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. Artikel 5.6.0.1 Slotbepalingen In aanvulling op het gestelde in artikel 5:6 lid 2 (waarin gesteld wordt dat een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren geen recht meer heeft op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen) dient vermeld te worden dat dit geldt met uitzondering van het bepaalde in artikel 5.3.0.
  17. Artikel 1 Rechthebbende Onder “ambtenaar” als bedoeld in deze regeling wordt verstaan: De ambtenaar als bedoeld in hoofdstuk 1, artikel 1:1, eerste lid onder a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (verder: AGN) die de 55-jarige leeftijd heeft bereikt en: die door het bevoegd gezag door organisatieverandering of bezuinigingsmaatregel (meestal na toepassing van een sociaal plan/personeelsplan) als herschikker is aangewezen of die door het bevoegd gezag als herplaatser is aangewezen omdat betrokkene om andere redenen de functie niet meer kan uitoefenen of wiens functie op basis van door het bevoegd gezag te maken inschattingen op korte termijn dreigt te vervallen en daardoor mogelijk als herschikker zal worden aangewezen of die weliswaar niet voldoet aan het bepaalde onder a., b. of c., doch die door uit te treden de mogelijkheid biedt - al dan niet via verschuiving - aan een herschikker of toekomstige herschikker in een functie in te stromen, zulks ter beoordeling van het college. Artikel 2 Ontslag met FPU Om voor toepassing van deze regeling in aanmerking te komen verplicht de ambtenaar zich ontslag te nemen op grond van artikel 8:11 van de AGN. In afwijking van het bepaalde in artikel 8:11, lid 2 van de AGN dient voor toepassing van deze regeling het ontslag voor de volledige omvang van de op dat moment geldende formele arbeidsuur per week te worden verzocht. Artikel 3 Aanvulling FPU De ambtenaar die een verzoek om ontslag heeft ingediend als bedoeld in artikel 2 van deze regeling heeft recht op een aanvulling van zijn FPU-uitkering tot: het percentage van de FPU-grondslag waarop hij recht had kunnen doen gelden bij uitreden op de eerste dag van de maand volgende op die waarop hij de 58-jarige leeftijd zou hebben bereikt, indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 55, 56 jaren of 57 heeft bereikt; 80% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 58 jaren heeft bereikt; 82% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 59 jaren heeft bereikt en 84% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 60 jaren heeft bereikt. Indien de ambtenaar in deeltijd werkzaam is, geldt het in lid 1 van dit artikel genoemde percentage slechts voor dat gedeelte van de betrekking op grond waarvan het ontslag als bedoeld in artikel 2 van deze regeling is verzocht. Indien de in het tweede lid bedoelde ambtenaar reeds eerder gedeeltelijk van de FPU-regeling gebruik heeft gemaakt, zal de som van de FPU-uitkering en aanvulling nooit meer bedragen dan waarop hij recht zou kunnen doen gelden indien hij bij het bereiken van de 58- jarige leeftijd

(1a)respectievelijk de voor hem geldende spilleeftijd (1b, 1c en 1d) c.q. de datum van zijn 42-jarig dienstjubileum volledig zou zijn uitgetreden. Voor de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de in hoofdstuk 5 van de AGN bedoelde seniorenmaatregelen wordt een afzonderlijke regeling getroffen, waarbij rekening wordt gehouden met de periode en omvang van de verminderde arbeidsduur. Artikel 4 Pensioenopbouw Lid 1 De werkgever neemt voor de ambtenaar die is geboren vóór 1 april 1947 de aan de pensioenopbouw van de ambtenaar verbonden kosten voor haar rekening gedurende de periode dat deze regeling geldt, tot uiterlijk het moment waarop de zogenoemde spilleeftijd voor FPU-ontslag zou worden bereikt, evenwel met een maximum van vier jaren. Lid 2Deze voortgezette pensioenopbouw is conform artikel 16.5 van het pensioenreglement qua duur de helft van de gebruikelijke pensioenopbouw. De in het eerste lid genoemde kosten worden voor rekening van de werkgever genomen, voor zover het betreft dat gedeelte van de betrekking op grond waarvan het ontslag als bedoeld in artikel 2 van deze regeling is verzocht. Artikel 5 Inkomsten Lid 1 De ambtenaar dient van het verkrijgen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen op of na de datum van ontslag, onder overlegging van de terzake noodzakelijk geachte specificaties, onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen. Lid 2 Naast een eventuele korting op de uitkering door het ABP, wordt door de gemeente indien nog van toepassing een korting op de in artikel 3 bedoelde aanvulling toegepast gelijk aan het gedeelte waarmee de som van de (gekorte) fpu-uitkering, de aanvulling en de inkomsten 100% van de fpu-grondslag te boven gaan. Artikel 6 Geldigheidsduur Van deze regeling kan gebruik gemaakt worden tussen 1 januari 2005 en 1 januari 2006 Artikel 7 Algemene bepalingen Lid 1 Het belang van de organisatie moet met de beoogde maatregel duidelijk zijn gediend; bij de afweging met het individuele belang van de ambtenaar is het belang van de organisatie altijd doorslaggevend. Lid 2 Van de in artikel 1 onder d. genoemde medewerkers wordt een lijst gemaakt van functies. Deze functielijst wordt in de organisatie bekend gemaakt om het domino-effect te bevorderen en te kunnen bewerkstelligen. Artikel 8 Niet-voorziene gevallen In die gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet kan een besluit worden genomen zonodig in afwijking van het in deze regeling bepaalde. Artikel 9 Besluit Alle besluiten ten aanzien van de uitvoering van deze regeling worden door het college -op voorstel en advies van de directeur van een directie- genomen. Artikel 10 Titel Deze regeling kan worden aangehaald als "Regeling uitstroom ouderen 2005". Artikel 11 Schematisch overzicht regeling uitstroom ouderen 2005 Schematisch overzicht regeling uitstroom ouderen 2005 Artikel 12 Melding kandidaat regeling uitstroom ouderen 2005 Melding kandidaat Regeling Uitstroom Ouderen 2005 5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen Artikel 5a.0.0.1 Lokale FPU-maatregelen In aanvulling op Hoofdstuk 5a “FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen”, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de lokale FPU-maatregelen van de gemeente Nijmegen. Artikel 5a:1 Recht op uitkering De ambtenaar die: ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever. Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag 1 In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat. 2 Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever. Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever 1 De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt: Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd 56 6,9 57 8,0 58 9,4 59 11,3 60 14 61 of ouder 16 2 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd. 3De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt. Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten 1 Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. 2 Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid. 3de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt. Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten 1 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. 2 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. 3 De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 60 jaar na 1 april 1947: 61 jaar Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten 1 Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van: de FPU-uitkering; de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11; de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11; de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking. 2 De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag. 3 De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11. 4 Bij de in het eerste lid, onder a, b

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.