← Nederland

Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (Zuid-Holland)

Kort samengevat

Deze verordening regelt de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland en de activiteiten die daarop van invloed kunnen zijn, met als doel de veiligheid, gezondheid, milieu en diverse waarden te beschermen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/provincie/2025/CVDR730926 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv28/2024/ZHOV /join/id/stop/work_019 2025-06-30 2025-06-30 /akn/nl/act/provincie/2025/CVDR730926/nld@2025-07-01 /join/id/proces/pv28/2

Artikel 1

.1 (begripsbepalingen) 1 Bijlage I bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. 2 Begripsbepalingen die zijn opgenomen in een algemene maatregel van bestuur op grond van de Omgevingswet zijn van toepassing op deze verordening, tenzij in de begripsbepalingen in bijlage I anders is bepaald. Artikel 1.2 (grondslag) 1 Dit besluit berust op de artikelen 2.6, 2.12, eerste lid, 2.13, 2.13a, eerste lid, 2.18, tweede lid, 2.22, 2.39, vierde lid, 2.41, eerste lid, 2.42, tweede lid, 2.44, vierde lid, 4.1, eerste lid, 5.19, eerste lid, 5.34, derde lid, aanhef, onder c, 5.40, eerste en tweede lid, 8.1, derde lid, 8.2, vijfde lid, 16.15, tweede lid, 16.55, derde lid, 18.20, tweede lid, 18.23, eerste lid, aanhef, onder b, 20.1, eerste lid, en 20.6, eerste lid, van de Omgevingswet. 2 Dit besluit berust ook op: a. artikel 145 van de Provinciewet; b. artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet; c. artikel 57 van de Wegenwet; en d. artikel 2a van de Wegenverkeerswet

  1. Afdeling 1.2 Toepassingsgebied en doelen Artikel 1.3 (fysieke leefomgeving) Deze verordening gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, bedoeld in artikel 1.2 van de Omgevingswet. Artikel 1.4 (maatschappelijke doelen van de verordening) Deze verordening is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 genoemd in de Omgevingswet, gericht op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; e. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; f. het behoud van cultureel erfgoed; g. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; h. de natuurbescherming; i. het tegengaan van klimaatverandering; j. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; k. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; l. het beheer van infrastructuur; m. het beheer van watersystemen; n. het beheer van natuurlijke hulpbronnen; o. het beheer van natuurgebieden. Artikel 1.5 (toepassing in Zuid-Holland) Deze verordening is van toepassing in Zuid-Holland, waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II, voor zover er geen andere locatie is aangewezen of geometrisch begrensd. HOOFDSTUK 2 AANWIJZING EN GEOMETRISCHE BEGRENZING VAN LOCATIES VOOR PROVINCIALE TAKEN Afdeling 2.1 Stiltegebieden Artikel 2.1 (aanwijzing en geometrische begrenzing van stiltegebieden) Stiltegebieden zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Afdeling 2.2 Grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 2.2 (aanwijzing en geometrische begrenzing van grondwaterbeschermingsgebieden) 1 Grondwaterbeschermingsgebieden zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 2 De grondwaterbeschermingsgebieden, bedoeld in het eerste lid, zijn onderverdeeld in: a. waterwingebieden; b. grondwaterbeschermingszones; c. boringsvrije zones; en d. gebieden voor aanvullende strategische voorraden; waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Afdeling 2.3 Gesloten stortplaatsen Artikel 2.3 (aanwijzing en geometrische begrenzing van beperkingengebieden gesloten stortplaatsen) 1 Gesloten stortplaatsen zijn de locaties, bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer. 2 Het beperkingengebied met betrekking tot een gesloten stortplaats is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Afdeling 2.4 Provinciale en regionale vaarwegen Artikel 2.4 (aanwijzing en geometrische begrenzing provinciale vaarwegen) 1 Provinciale vaarwegen zijn de vaarwegen en bijbehorende werken, bedoeld in bijlage VII, onder A.
  2. 2 De geometrische begrenzing van provinciale vaarwegen is vastgelegd in bijlage II. 3 Provinciale vaarwegen zijn onderverdeeld in zones die de functie hebben van: a. vaarstrook; b. veiligheidsstrook; c. overige delen van de vaarweg; of d. veiligheidszone; waarvan de locaties geometrisch zijn begrensd in bijlage II. Artikel 2.5 (aanwijzing en geometrische begrenzing regionale vaarwegen, niet in beheer bij de provincie) 1 Regionale vaarwegen zijn de vaarwegen en bijbehorende werken, waaronder sluizen en bruggen, in beheer bij waterschappen of gemeenten als bedoeld in bijlage VII, onder A.
  3. 2 De geometrische begrenzing van regionale vaarwegen is vastgelegd in bijlage II. Artikel 2.6 (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied provinciale vaarweg) Het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale vaarweg is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Artikel 2.7 (aanwijzing en geometrische begrenzing vrijwaringszone provinciale vaarweg) Een vrijwaringszone langs een provinciale vaarweg is de locatie waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II. Afdeling 2.5 Provinciale wegen Artikel 2.8 (geometrische begrenzing provinciale wegen) 1 De indicatieve geometrische begrenzing van de provinciale wegen is vastgelegd in bijlage II. 2 Voor zover de geometrische begrenzing van provinciale wegen afwijkt van de aanwijzing van een weg op een wegenlegger als bedoeld in de Wegenwet, gaat de wegenlegger voor. Artikel 2.9 (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied provinciale weg) 1 Het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg is de locatie waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 2 Voor zover het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg niet geometrisch is begrensd in bijlage II, bestaat het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg uit de provinciale weg en hetgeen daar naar zijn aard toe behoort. Artikel 2.10 (aanwijzing provinciale wegen voor beheersing van geluid) De wegen in beheer bij de provincie waarvoor provinciale staten als omgevingswaarden geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, vaststellen, zijn de provinciale wegen, bedoeld in artikel 2.8, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal gemiddeld over een kalenderjaar. Afdeling 2.6 Natuurnetwerk Nederland Artikel 2.11 (aanwijzing en geometrische begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1 Gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de Omgevingswet, vormen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 2 Het natuurnetwerk Nederland is onderverdeeld in: a. bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied, blijvend agrarisch gebied binnen Natura 2000-gebied, ecologische verbinding en zoekgebied natuur waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; b. prioritaire nieuwe natuur, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; en c. Buijtenland van Rhoon, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 3 Bestaande bebouwing, erven, tuinen en wegen met een gesloten verharding, inclusief bermen, behoren niet tot het natuurnetwerk Nederland. Afdeling 2.6a Bijzonder provinciaal landschap Artikel 2.11a (aanwijzing en geometrische begrenzing bijzonder provinciaal landschap Midden-Delfland) 1 Een bijzonder provinciaal landschap als bedoeld in artikel 2.44, vijfde lid, van de Omgevingswet is het bijzonder provinciaal landschap Midden-Delfland waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 2 Het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, en Natura 2000-gebieden maken geen onderdeel uit van het bijzonder provinciaal landschap Midden-Delfland. Afdeling 2.7 Regionale wateren Artikel 2.12 (geometrische begrenzing regionale wateren) 1 De indicatieve geometrische begrenzing van regionale wateren, die voor het beheer zijn toegedeeld aan waterschappen en aangewezen in provinciale verordeningen op grond van artikel 2 van de Waterschapswet, is vastgelegd in bijlage II. 2 Regionale wateren zijn onderverdeeld in, op grond van artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet, bij provinciale verordening bepaalde gebieden van het: a. Hoogheemraadschap van Delfland, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; b. Hoogheemraadschap van Rijnland, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; c. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; d. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; e. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht , waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; f. Waterschap Hollandse Delta, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; en g. Waterschap Rivierenland, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Afdeling 2.8 Regionale waterkeringen Artikel 2.13 (aanwijzing en geometrische begrenzing regionale waterkeringen) Regionale waterkeringen zijn de locaties waarvan de geometrisch begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II. HOOFDSTUK 3 ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING Afdeling 3.1 Algemene bepalingen over activiteiten § 3.1.1 Aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift Artikel 3.1 (algemene gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning) In aanvulling op paragraaf 7.2.1 van de Omgevingsregeling worden, bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 van de Omgevingswet, de in bijlage IV, onder A, aanvullende algemene gegevens en bescheiden verstrekt. Artikel 3.2 (algemene gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift) In aanvulling op artikel 7.217 van de Omgevingsregeling worden, bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift, de in bijlage IV, onder A, aanvullende algemene gegevens en bescheiden verstrekt. § 3.1.2 Meldingen en het verstrekken van gegevens en bescheiden Artikel 3.3 (algemene gegevens bij een melding) Een melding als bedoeld in dit hoofdstuk wordt ondertekend en bevat tenminste de meldingsgegevens, genoemd in bijlage IV, onder C. Artikel 3.4 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) Als gegevens en bescheiden als bedoeld in dit hoofdstuk worden verstrekt aan gedeputeerde staten, worden die ondertekend en voorzien van de gegevens, genoemd in bijlage IV, onder C. Artikel 3.5 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) 1 Als de gegevens, bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.4, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten. 2 Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in dit hoofdstuk, door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten. Artikel 3.6 (termijn en geldigheid melding en gegevens en bescheiden) 1 Voor zover het in dit hoofdstuk is verboden zonder melding een activiteit te verrichten, is het verboden deze activiteit uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, tenzij anders bepaald bij het verbod in een afdeling in dit hoofdstuk. 2 Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de meldingsgegevens of gegevens en bescheiden, wordt een melding gedaan. Artikel 3.7 (gegevens en bescheiden op verzoek van gedeputeerde staten) 1 Op verzoek van gedeputeerde staten worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. 2 Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. § 3.1.3 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften Artikel 3.8 (maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften) 1 Over de afdelingen 3.3, 3.4, 3.6, 3.7, 3.8, 3.9 en paragraaf 3.10.1.2, kan door gedeputeerde staten een maatwerkvoorschrift worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning worden verbonden, met uitzondering van bepalingen: a. over specifieke zorgplichten; b. waarin activiteiten worden aangewezen; en c. over meldingen. 2 Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van bij de afdelingen 3.3, 3.4, 3.6, 3.7, 3.8, 3.9 en paragraaf 3.10.1.2 gestelde regels, tenzij dat bij die regels anders is bepaald. 3 Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. 4 Op het stellen van een maatwerkvoorschrift zijn de beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften in afdeling 7.5 van overeenkomstige toepassing. § 3.1.4 Gelijkwaardigheid Artikel 3.9 (aanvraag gelijkwaardige maatregel) 1 Het treffen van een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, van de Omgevingswet is uitgesloten voor voorgeschreven maatregelen in dit hoofdstuk. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op maatregelen in de afdelingen 3.7 en 3.
  4. 3 In aanvulling op artikel 7.218 van de Omgevingsregeling worden, bij een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen, de in bijlage IV, onder A, aanvullende algemene gegevens en bescheiden verstrekt. Artikel 3.10 (gelijkwaardige maatregel via een melding) Voor zover in dit hoofdstuk het treffen van een gelijkwaardige maatregel is toegestaan zonder voorafgaande toestemming, maar wel gekoppeld aan een verbod om de maatregel te treffen zonder voorafgaande melding wordt deze melding ondertekend en bevat tenminste de meldingsgegevens, genoemd in bijlage IV, onder F. Afdeling 3.2 Activiteiten in stiltegebieden § 3.2.

Artikel 3.11 (activiteiten) Deze afdeling gaat over activiteiten in stiltegebieden.

Artikel 3.12 (oogmerken) De regels in deze afdeling over stiltegebiedactiviteiten zijn gesteld met het oog op het voorkomen en beperken van geluidbelasting in de stiltegebieden. Artikel 3.13 (normadressaat) Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.14 (specifieke zorgplicht) Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een stiltegebied de stilte op significante wijze kan worden verstoord, moet: a. dergelijk handelen achterwege te laten, tenzij dat handelen op grond van deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan; of b. als dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die verstoring te voorkomen of te beperken. Artikel 3.15 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning) In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B.1, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. § 3.2.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.16 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een stiltegebiedactiviteit als bedoeld in artikel 3.11, te verrichten, voor zover het gaat om: a. het gebruiken van een toestel waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord; b. het rijden met een motorrijtuig buiten de weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen; c. het houden van een toertocht voor motorrijtuigen; d. het deelnemen aan een toertocht voor motorrijtuigen; e. het varen met een watervoertuig, zoals een motorboot of waterscooter, sneller dan 9 km/u. 2 Tot een toestel als bedoeld in het eerste lid, onder a, behoren in ieder geval: a. een airgun en andere knalapparatuur; b. een toestel om geluid elektrisch versterkt voort te brengen, waaronder een muziekinstrument en een omroepinstallatie; c. een modelvliegtuig, modelboot en een modelauto, als deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; en d. een schietwapen. Artikel 3.17 (aanwijzing vergunningvrije gevallen) 1 Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder a, geldt niet voor: a. het gebruik van een toestel in een woning, de tuin daarvan of een ander bij die woning behorend gebouw, onder de voorwaarde dat het toestel niet hoorbaar is op een afstand van 50 m van dat toestel; b. het gebruik van een schietwapen als dat wordt gebruikt: ○ 1°. als het een noodseinmiddel betreft: ingeval van nood; ○ 2°. met inachtneming van de regels voor de jacht in overeenstemming met de Omgevingswet; 2 Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder a of b, geldt niet voor: a. de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; b. de openbare drinkwatervoorziening, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Drinkwaterwet- of de openbare energievoorziening; c. de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken of werken van telecommunicatie; d. het bouwen of het onderhoud van gebouwen; e. de bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied. 3 Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder a, b en e, geldt niet voor zover: a. het gebruik rechtstreeks verband houdt met de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; b. het gebruik wordt verricht door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van de bedoelde functie. 4 Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder b, geldt niet voor het rijden in een gehandicaptenvoertuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, dat wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte. 5 Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder b tot en met e, geldt niet voor motorrijtuigen, waterscooters of snelle motorboten die elektrisch worden aangedreven. Afdeling 3.3 Activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden § 3.3.

Artikel 3

.18 (activiteiten) 1 Deze afdeling gaat over milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in de paragrafen 3.3.2 tot en met 3.3.

  1. 2 Deze afdeling gaat niet over de uitvoering van taken door drinkwaterbedrijven, bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet. Artikel 3.19 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water; en b. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, voor zover het gaat om het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bested water. Artikel 3.20 (normadressaat) Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.21 (specifieke zorgplicht) 1 Degene die in een grondwaterbeschermingsgebied een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.19, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Voor milieubelastende activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd binnen acht weken na beëindiging van een activiteit. Artikel 3.22 (aanwijzing schadelijke stoffen) Schadelijk voor de kwaliteit van het grondwater zijn de stoffen, mengsels, materialen en producten die zijn opgenomen in bijlage III, onder A.
  2. Artikel 3.23 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning) In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B.2 en onder B.3, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. Artikel 3.24 (specifieke gegevens bij een melding) In aanvulling op artikel 3.3 bevat een melding specifieke gegevens en bescheiden als bedoeld in bijlage IV, onder D.
  3. Artikel 3.25 (informeren over een ongewoon voorval) Gedeputeerde staten en het drinkwaterbedrijf worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval. Artikel 3.26 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval) Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten en het drinkwaterbedrijf. § 3.3.2 Aantasten slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel 3.27 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 in een grondwaterbeschermingsgebied wordt aangewezen: a. graven of ontgronden; b. de aanleg, verandering of verwijdering van een ondergronds bouwwerk, zoals funderingen, een kelder, of een ondergrondse installatie of constructie, zoals een damwand of heipaal; c. het verrichten van een gestuurde boring; d. het maken van een boorgat; e. de uitvoering van een sondering; f. werkzaamheden voor bodemstabilisering, met inbegrip van verticale of horizontale drainage; g. het gebruik van stoffen die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kunnen aantasten; en h. het verrichten van andere activiteiten die de slecht doorlatende eigenschappen van een bodemlaag aantasten of kunnen aantasten. 2 Onder de aanwijzing valt niet: a. het in een waterwingebied graven ten behoeve van het openbaar vuilwaterriool, voor zover dat tot een diepte van 2,5 m onder het maaiveld gelegen is en geen sprake is van drukrioleringen en persleidingen; b. het in een grondwaterbeschermingszone, boringsvrije zone of gebied voor aanvullende strategische voorraden graven ten behoeve van het openbaar vuilwaterriool, voor zover dat tot een diepte van 4 m onder het maaiveld gelegen is en geen sprake is van drukrioleringen en persleidingen; c. het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen, voor zover die tot een diepte van 2,5 m onder het maaiveld gelegen zijn; d. het aanleggen van een gladde heipaal zonder een verbreding of verbrede voet, anders dan ten behoeve van een palenmatras bij de aanleg van een weg, een spoorweg, of een parkeerterrein; en e. het plaatsen van een aardpen. Artikel 3.28 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.27 te verrichten. 2 Het verbod geldt niet voor zover het gaat over een geval dat is aangewezen als meldingsplichtig in artikel 3.
  4. Artikel 3.29 (melding) Het is verboden om zonder melding een activiteit als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, d en e, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone, een boringsvrije zone of een gebied voor aanvullende strategische voorraden, voor zover het gaat om: a. het graven tot een diepte van 4 m onder het maaiveld, anders dan voor het aanleggen van een bouwwerk; b. het maken van boorgaten, het plaatsen van peilbuizen en sonderingen ten behoeve van bodemonderzoek tot aan het zoet-brakgrensvlak; c. het verrichten van werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 4 m beneden het maaiveld, ten behoeve van waterstaatswerken en dijkverbetering. Artikel 3.30 (algemene regels) 1 Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 3.110 tot en met 3.
  5. 2 Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b, c en h, wordt voldaan aan de regels over graven, bedoeld in artikel 3.
  6. 3 Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder d en e, wordt voldaan aan de regels over bodemonderzoek, bedoeld in artikel 3.
  7. § 3.3.3 Saneren van de bodem Artikel 3.31 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 in een grondwaterbeschermingsgebied wordt aangewezen het saneren van de bodem als er sprake is van een mobiele verontreinigende stof in de vaste bodem die zich ook in het grondwater bevindt in concentraties hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage III, onder Aa.1.
  8. Artikel 3.32 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.31 te verrichten. Artikel 3.33 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.31 wordt voldaan aan de regels over: a. graven als bedoeld in artikel 3.108; b. werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 3.110 tot en met 3.113; en c. saneren als bedoeld in de artikelen 3.114 tot en met 3.
  9. § 3.3.4 Mijnbouwwerken, bodemenergiesystemen Artikel 3.34 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een grondwaterbeschermingsgebied: a. aanleggen van een mijnbouwwerk; b. aanleggen en het gebruiken van een bodemenergiesysteem. Artikel 3.35 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.34 te verrichten. Artikel 3.36 (overgangsrecht: bodemenergiesystemen) 1 Een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.34, aanhef en onder b, dat vóór 1 mei 2013 geïnstalleerd is of wordt geïnstalleerd in overeenstemming met de daarvoor destijds geldende regels zoals gesteld in de provinciale milieuverordening, mag gebruikt worden tot 1 januari
  10. 2 Een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid mag niet vervangen worden. 3 Een gesloten bodemenergiesysteem, voldoet aan de regels over bestaande gesloten bodemenergiesystemen, bedoeld in artikel 3.
  11. § 3.3.5 Vaste en vloeibare schadelijke stoffen Artikel 3.37 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen: a. het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone opslaan, overslaan, vervoeren of op of in de bodem brengen van vaste en vloeibare schadelijke stoffen; b. het in een boringsvrije zone of gebied voor aanvullende strategische voorraden tijdelijk opslaan, overslaan, vervoeren of op of in de bodem brengen van vaste en vloeibare schadelijke stoffen tijdens het verrichten van milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 3.
  12. 2 Onder het vervoeren, bedoeld in het eerste lid, wordt ook verstaan het vervoeren door een buisleiding. 3 Onder de aanwijzing valt niet: a. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen ten behoeve van normaal, bovengronds, gebruik in en bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; b. schadelijke stoffen in een vervoermiddel of een verplaatsbaar werktuig of apparaat ten behoeve van het doen functioneren van zo’n vervoermiddel, werktuig of apparaat, mits deugdelijk geladen en verpakt, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; c. handelingen met gevaarlijke stoffen overeenkomstig de bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gestelde voorschriften; d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen; e. het openbaar vuilwaterriool in waterwingebieden, voor zover dat tot een diepte van 2,5 m beneden het maaiveld is gelegen en geen sprake is van drukrioleringen en persleidingen; en f. het openbaar vuilwaterriool in grondwaterbeschermingszones, voor zover dat tot een diepte van 4 m beneden het maaiveld is gelegen en geen sprake is van drukrioleringen en persleidingen. Artikel 3.38 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, onder a, te verrichten. Artikel 3.39 (melding) Het is verboden om zonder melding een activiteit als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, onder b,te verrichten. Artikel 3.40 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.37 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  13. § 3.3.6 Grond en baggerspecie Artikel 3.41 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een grondwaterbeschermingsgebied: a. toepassen van grond of baggerspecie; b. opslaan bij een grondbank of grondreinigingsbedrijf van meer dan één partij ingezamelde of afgegeven grond of baggerspecie en het bewerken van grond of baggerspecie. 2 Onder de aanwijzing valt niet: a. grond of baggerspecie dat ten minste voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen; en b. grond of baggerspecie dat voldoet aan de achtergrondwaarden als het wordt toegepast in het duingebied. Artikel 3.42 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.41 te verrichten. Artikel 3.43 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.41 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  14. § 3.3.7 Meststoffen Artikel 3.44 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen; b. opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen; c. exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het behandelen van dierlijke of overige organische meststoffen op een andere locatie dan de locatie van productie; d. behandelen van dierlijke meststoffen of overige organische meststoffen; e. opslaan van organische meststoffen; f. op of in de bodem brengen van meststoffen. 2 Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder e, valt niet het in een grondwaterbeschermingszone opslaan van dierlijke meststoffen van landbouwhuisdieren die gehouden worden door degene die de activiteit verricht en worden gebruikt voor het verrichten van agrarische activiteiten op dezelfde locatie. 3 Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder f, valt niet het: a. normaal landbouwkundig gebruik van anorganische meststoffen; b. op of in de bodem brengen van meststoffen op weidegronden in een waterwingebied; en c. op of in de bodem brengen van meststoffen bestaande uit dierlijke meststoffen, compost of overige organische meststoffen die geproduceerd zijn uit materialen van plantaardige herkomst in een grondwaterbeschermingszone. 4 De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en c, omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen. Artikel 3.45 (aanwijzing verboden gevallen) 1 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.44 te verrichten in een waterwingebied. 2 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.44, eerste lid, aanhef en onder c, d, e en f, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone. 3 Het verbod, bedoeld in het eerste, respectievelijk tweede lid, geldt niet voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen als vergunningplichtig. Artikel 3.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.44, eerste lid, aanhef en onder a, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone. 2 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.44, eerste lid, aanhef en onder b, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone, voor zover het gaat om het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen van meer dan: a. 100.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 1.2 of 1.3 van PGS 7; b. 50.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 2 van PGS 7; c. 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 3 of 4 van PGS
  15. 3 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.44, eerste lid, aanhef en onder e, te verrichten, voor zover het gaat om het in een duingebied in een waterwingebied opslaan van organische meststoffen die geproduceerd zijn uit materialen van plantaardige herkomst in een hoeveelheid van ten hoogste 10 m
  16. 4 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.44, eerste lid, aanhef en onder f, te verrichten, voor zover het gaat om: a. het op of in de bodem brengen van compost of overige organische meststoffen geproduceerd uit materialen van plantaardige herkomst in een waterwingebied; b. het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib dat afkomstig is van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk of stedelijk afvalwater in een grondwaterbeschermingszone. Artikel 3.47 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.44 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  17. § 3.3.8 Vuurwerk en explosieven Artikel 3.48 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. opslaan, overslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; b. opslaan of toepassen van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 voor civiel gebruik; c. opslaan, bewerken of gebruiken van ontplofbare stoffen op een terrein als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2 Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder a, valt niet de opslag, overslag, herverpakking of bewerking van vuurwerk van categorie F1 in een hoeveelheid van minder dan 200 kg en categorie F2 en F3 in een hoeveelheid van minder dan 25 kg. 3 Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder b, valt niet de opslag op een vuurwerkverkooplocatie tot een hoeveelheid van 10.000 kg of het normaal, particulier afsteken van vuurwerk. Artikel 3.49 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.48 te verrichten. § 3.3.9 Afvalstoffen Artikel 3.50 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone opslaan of overslaan, inzamelen, verwerken, mengen of het in de bodem brengen van afvalstoffen, het verbranden van afvalstoffen of het voorbereiden of voorbehandelen van afvalstoffen voor hergebruik of recycling, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen. 2 Onder de aanwijzing valt niet: a. de opslag van huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte en opslag bij woningen in daarvoor bestemde vuilcontainers; en b. tijdelijke opslag van bedrijfsafval op de locatie van productie in daarvoor bestemde vuilcontainers, voorafgaand aan inzameling. Artikel 3.51 (aanwijzing verboden gevallen) 1 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.50 te verrichten. 2 Het verbod geldt niet voor zover het gaat over een activiteit die is aangewezen in artikel 3.
  18. Artikel 3.52 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.50 te verrichten, voor zover het gaat om de nuttige toepassing van afvalstoffen, anders dan gevaarlijke afvalstoffen, in het kader van grond-, weg- of waterbouw. Artikel 3.53 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.50 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  19. § 3.3.10 Zuiveringstechnische werken Artikel 3.54 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen of exploiteren van een zuiveringstechnisch werk. 2 Onder de aanwijzing valt niet een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater voor het uitoefenen van de taken, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder 1°, 2° en 3° van de Omgevingswet. Artikel 3.55 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.54 te verrichten. § 3.3.11 Lozingen in of op de bodem Artikel 3.56 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone verrichten van een lozing in of op de bodem. 2 Onder de aanwijzing vallen niet lozingen: a. waarbij ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde bodemlaag wordt gebracht dan waar het uit afkomstig is, en: ○ 1°. waaraan geen schadelijke stoffen zijn toegevoegd; ○ 2°. door een bewerking de concentratie aan schadelijke stoffen is toegenomen; of ○ 3°. waaraan warmte is toegevoegd; b. ten behoeve van het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebracht materiaal; c. ten behoeve van het reinigen van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf tenzij dat landbouwvoertuig of die machine is gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden; d. op of in een vloeiveld, bezinkveld of een veld met gewassen; e. in verband met het opspuiten van terreinen met het oog op het bouwrijp maken onder de voorwaarde dat een deklaag met slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse aanwezig is. Artikel 3.57 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om in een waterwingebied een activiteit als bedoeld in artikel 3.56 te verrichten. Artikel 3.58 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een grondwaterbeschermingszone een activiteit als bedoeld in artikel 3.56 te verrichten. Artikel 3.59 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.56 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  20. § 3.3.12 Infrastructuur Artikel 3.60 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingszone aanleggen, in gebruik nemen of gebruiken van infrastructuur, voor zover het gaat om: a. een weg of terrein dat open staat voor gemotoriseerd verkeer, met inbegrip van terreinen voor het sporten of recreëren met gemotoriseerde voertuigen; b. een spoorweg of een spoorwegemplacement; of c. een luchthaven. 2 Onder de aanwijzing valt niet: a. het in een grondwaterbeschermingszone aanleggen, in gebruik nemen of gebruiken van wegen met een verkeersintensiteit van minder dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal; of b. infrastructuur als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, in een grondwaterbeschermingszone die op 1 januari 1989 bestond of in aanleg was, in de tot die datum verkerende toestand. Artikel 3.61 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.60, eerste lid, onder c, te verrichten. Artikel 3.62 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.60, eerste lid, onder a en b, te verrichten. Artikel 3.63 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.60 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  21. § 3.3.13 Campings, recreatieterreinen, openbare zwembaden Artikel 3.64 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen, in gebruik nemen of gebruiken van: a. een camping; b. een ander recreatieterrein dan een camping; of c. een openbaar zwembad. Artikel 3.65 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.64, aanhef en onder a en c, te verrichten. Artikel 3.66 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.64, aanhef en onder b te verrichten. Artikel 3.67 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.64 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  22. § 3.3.14 Begraafplaatsen Artikel 3.68 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen, in gebruik nemen of gebruiken van een begraafplaats of een terrein voor de uitstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats. 2 Onder de aanwijzing valt niet een begraafplaats of een terrein voor de uitstrooiing van as in een grondwaterbeschermingszone die op 1 januari 1989 bestond of in aanleg was, in de tot die datum verkerende toestand. Artikel 3.69 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.68 te verrichten. § 3.3.15 Scheepswerven Artikel 3.70 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen of het in gebruik nemen van scheepswerven. Artikel 3.71 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.70 te verrichten. § 3.3.16 Schietbanen Artikel 3.72 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen of het in gebruik nemen van een schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten. Artikel 3.73 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.72 te verrichten. § 3.3.17 Bouwwerken Artikel 3.74 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone bouwen van een bovengronds bouwwerk. 2 Onder de aanwijzing valt niet het gewone onderhoud aan bouwwerken. Artikel 3.75 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.74 te verrichten. 2 Het verbod geldt niet voor zover het gaat over een geval dat is aangewezen als meldingsplichtig in artikel 3.
  23. Artikel 3.76 (melding) Het is verboden om zonder een daaraan voorafgaande melding een activiteit als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, in een grondwaterbeschermingszone te verrichten, voor zover het gaat om het bouwen, in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarbij geen slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen worden aangetast. Artikel 3.77 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.74 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  24. § 3.3.18 Opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie Artikel 3.78 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. aanleggen en gebruiken van een opslagtank voor de opslag van schadelijke stoffen; b. aanleggen en gebruiken van tankinstallaties voor het aftanken van gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen, spoorvoertuigen, vliegtuigen of werktuigen; c. aanleggen en gebruiken van een stookinstallatie; d. aanleggen en gebruiken van een koelinstallatie met meer dan 10 kg koolstofdioxide, 5 kg koolwaterstoffen of 10 kg ammoniak; e. maken van materialen, eindproducten of halffabricaten met behulp van: ○ 1°. een stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 400 kW; ○ 2°. een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of ○ 3°. een oplosmiddeleninstallatie. 2 Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder c, valt niet het aanleggen en het gebruiken van stookinstallaties bij huishoudens. Artikel 3.79 (aanwijzing verboden gevallen) 1 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder a, te verrichten, voor zover het gaat om: a. de opslag in opslagtanks voor handelsdoeleinden; b. het voorafgaand aan vervoer opslaan van chemicaliën of brandstoffen in opslagtanks; of c. de opslag in ondergrondse opslagtanks. 2 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder b, te verrichten. 3 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder c, d en e, te verrichten in een waterwingebied. 4 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder e, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone, voor zover het gaat om de productie van organisch-chemische producten, anorganisch-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming of biociden, farmaceutische producten en explosieven. Artikel 3.80 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder a, te verrichten, voor zover het gaat om andere dan de in artikel 3.79, eerste lid, bedoeld gevallen. 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder c en d, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone. 3 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit, als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder e, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone, voor zover het gaat om andere dan de in artikel 3.79, vierde lid, bedoelde gevallen. Artikel 3.81 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.78 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  25. § 3.3.19 Ippc-installaties en Seveso-inrichting Artikel 3.82 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen of gebruiken van een ippc-installatie of het exploiteren van een Seveso-inrichting. Artikel 3.83 (aanwijzing verboden gevallen) 1 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.82 te verrichten in waterwingebieden. 2 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.82 in grondwaterbeschermingszones te verrichten, voor zover het gaat om: a. het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies; b. het behandelen van het oppervlak van stoffen, voorwerpen of producten met organische oplosmiddelen, bedoeld in categorie 6.7 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies; c. het raffineren van aardolie en gas, het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen en het maken van cokes; d. het roosten of sinteren van ertsen, het maken van ijzer of staal, het verwerken van ferrometalen door warmwalsen, het smeden met hamers of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, het smelten of gieten van ferrometalen, of het winnen van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen, het smelten, met inbegrip van het legeren, en het gieten van non-ferrometalen; e. het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk en magnesiumoxide, asbest en asbestproducten, glas, glasvezels, mineraalvezels, glazuren of emailles en koolstof of elektrografiet door verbranding of grafitisering; f. het smelten van minerale stoffen, en het maken van mineraalvezels, glazuren of emailles; g. het maken van organisch-chemische producten, anorganisch-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming of biociden, farmaceutische producten en explosieven; h. het maken van papierpulp, papier, karton- of oriented strand board, spaanplaat of vezelplaat van hout; i. het verwijderen en het nuttig toepassen van gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen, de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, met inbegrip van het ondergronds opslaan, het storten van afvalstoffen en het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen en de destructie van kadavers of dierlijk afval; j. het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in bijlage I van de richtlijn industriële emissies, als het oppervlak van metalen wordt behandeld; k. het maken van keramische producten door verhitting; of l. het conserveren van hout en houtproducten met chemische stoffen. Artikel 3.84 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.82 in een grondwaterbeschermingszone te verrichten, voor zover het gaat om: a. een andere installatie dan genoemd in artikel 3.83, tweede lid; b. een Seveso-inrichting. Artikel 3.85 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.82 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  26. § 3.3.20 Productie van chemische producten Artikel 3.86 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen, vloeibare biobrandstof, vloeibare gassen uit de buitenlucht, schoonmaakmiddelen of cosmetica en het vullen van spuitbussen met drijfgassen. 2 Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht: a. bij een huishouden; b. bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; c. voor educatieve doeleinden; of d. bij een laboratorium. Artikel 3.87 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.86 te verrichten. § 3.3.21 Papierindustrie, houtindustrie Artikel 3.88 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone maken van papierpulp, papier of karton en het conserveren van hout of houtproducten met chemische stoffen. 2 Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht: a. bij een huishouden; b. bij het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis; c. voor educatieve doeleinden; of d. als dit onderdeel uitmaakt van bosbouw of natuurbeheer. Artikel 3.89 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.88 te verrichten. § 3.3.22 Metaalproductenindustrie Artikel 3.90 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. verwerken van metalen door smelten, legeren, gieten, walsen, trekken, klinken of smeden met hamers; b. op metaal aanbrengen van anorganische deklagen, conversielagen of deklagen van gesmolten metaal; c. behandelen van het oppervlak van metalen door een elektrolytisch of chemisch procedé; d. harden of gloeien van metalen en het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak; en e. maken van producten van metaal. 2 Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht: a. bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of b. voor educatieve doeleinden. Artikel 3.91 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.90 te verrichten. § 3.3.23 Mineralen Artikel 3.92 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. maken van producten van glas; b. maken van keramische producten door verhitting; c. maken van asfalt of asfaltproducten; d. winnen van steen, mergel, zand, grind of kalk; e. breken, malen, zeven en drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan; f. maken van kalkzandsteen of cellenbeton; en g. maken van betonmortel of producten van betonmortel. 2 Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze worden verricht: a. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit, het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van kabels en leidingen; b. tijdens ontgrondingen, waarbij de winning van grondstoffen niet het primaire doel is; c. bij een huishouden; d. bij het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis; of e. voor educatieve doeleinden. Artikel 3.93 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, te verrichten. Artikel 3.94 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onder e tot en met g, te verrichten. Artikel 3.95 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.92 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  27. § 3.3.24 Drukkerijen Artikel 3.96 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone bedrukken van materialen met zeefdruk of illustratiediepdruk. 2 Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht: a. bij een huishouden; b. bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of c. voor educatieve doeleinden. Artikel 3.97 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.96 te verrichten. § 3.3.25 Reinigingsactiviteiten Artikel 3.98 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1 Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. chemisch reinigen van textiel; b. inwendig reinigen van opslagtanks of verpakkingen waarin schadelijke stoffen zijn opgeslagen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden of de verpakkingen zijn gebruikt en het inwendig reinigen van voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin schadelijke stoffen zijn vervoerd; of c. onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen of werktuigen, autobussen, spoorvoertuigen en vliegtuigen en het reviseren van verbrandingsmotoren en gasturbines. 2 Onder de aanwijzing valt niet: a. het onderhouden en repareren van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf; en b. het schoonmaken van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf tenzij dat landbouwvoertuig of die machine is gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden. Artikel 3.99 (aanwijzing verboden gevallen) 1 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.98 in waterwingebieden te verrichten. 2 Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.98, eerste lid, aanhef en onder b en c, in grondwaterbeschermingszones te verrichten. Artikel 3.100 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.98, eerste lid, aanhef en onder a, in een grondwaterbeschermingszone te verrichten. Artikel 3.101 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.98 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  28. § 3.3.26 Overige milieubelastende activiteiten Artikel 3.102 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen: a. het in een waterwingebied verrichten van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet eerder genoemd in paragraaf 3.3.2 tot en met 3.3.25; b. het in een grondwaterbeschermingsgebied veranderen of uitbreiden van een milieubelastende activiteit genoemd in paragraaf 3.3.2 tot en met 3.3.
  29. Artikel 3.103 (aanwijzing verboden gevallen) Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.102, aanhef en onder a, te verrichten. Artikel 3.104 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.102, aanhef en onder b, te verrichten. 2 Het verbod geldt niet voor zover het gaat over een geval dat is aangewezen als meldingsplichtig in artikel 3.29, 3.39 of 3.
  30. Artikel 3.105 (algemene regels) Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.102 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.
  31. § 3.3.27 Inhoudelijke regels Artikel 3.106 (toepassingsbereik) De regels van deze paragraaf zijn van toepassing voor zover dat in artikel 3.30, 3.33, 3.36, 3.40, 3.43, 3.47, 3.53, 3.59, 3.63, 3.67, 3.77, 3.81, 3.85, 3.95, 3.101 of 3.105 is bepaald. Artikel 3.107 (overgangsrecht: bestaande gesloten bodemenergiesystemen) 1 Een gesloten bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.36, derde lid, voldoet aan het tweede tot en met het vijfde lid. 2 In het ondergrondse deel van het gesloten bodemenergiesysteem wordt alleen leidingwater, monopropyleen glycol of een stof met een aantoonbaar vergelijkbare of betere biologische afbreekbaarheid en aantoonbaar vergelijkbare of lagere toxiciteit als medium toegepast. 3 Het gesloten bodemenergiesysteem is voorzien van een lekdetectiesysteem met automatisch alarm. 4 Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een lekkage of andere bodembedreigende situaties. 5 In geval van lekkage of andere bodembedreigende situaties worden alle maatregelen genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om aantasting van de kwaliteit van het grondwater te voorkomen; als die aantasting niet kan worden voorkomen, wordt deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Artikel 3.108 (graven) 1 De mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende laag is na de ingreep niet groter dan daarvoor. 2 Na afronding van de werkzaamheden worden de slecht doorlatende bodemlagen zoveel als mogelijk in de oorspronkelijk staat hersteld met een hiervoor geschikt kleiproduct, zoals bentoniet, drillgrout of dämmer. Artikel 3.109 (bodemonderzoek) Na beëindiging van een boring of een sondering in het kader van bodemonderzoek wordt het boorgat meteen volledig afsluitend opgevuld met een hiervoor geschikt kleiproduct, zoals bentoniet, drillgrout of dämmer. Artikel 3.110 (werkzaamheden: algemeen) 1 Degene die is belast met de werkzaamheden, wordt voorafgaand daaraan, door degene die voor die werkzaamheden opdracht heeft gegeven op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van het grondwaterbeschermingsgebied en van de toepasselijkheid van de voor dat gebied ten aanzien van die werkzaamheden geldende regels. 2 Het tijdens de werkzaamheden toe te passen water is van drinkwaterkwaliteit. Onder deze werkzaamheden wordt ook verstaan het aanvullen van boorspoeling. 3 Voorzieningen worden getroffen dat tijdens het gebruik of het aanleggen van een boorgat geen bodembedreigende stoffen via dit boorgat in de bodem terecht kunnen komen. 4 Voor het maken van boorspoeling mag alleen klei worden toegepast. Het toepassen van andersoortige organische of anorganische hulpstoffen is niet toegestaan, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad. 5 Voorzieningen worden getroffen dat gedurende de werkzaamheden geen bodembedreigende stoffen in de bodem terecht kunnen komen. Artikel 3.111 (werkzaamheden: materialen en grond) 1 Bij ingrepen toe te passen opvulmaterialen, zoals bentoniet, drillgrout of dämmer, zijn voorzien van een erkende kwaliteitsverklaring, deze verklaring is op het werk aanwezig. 2 De plaats van opslag van bouwmateriaal en -materieel is afgedekt met folie. 3 In een bouwput mogen geen schadelijke stoffen worden opgeslagen. 4 De staat, uitrusting en het gebruik van bouwmaterieel is zodanig, dat de kans op olieverontreiniging of andere vormen van verontreiniging van de bodem verwaarloosbaar is. 5 Grond die bij de werkzaamheden vrijkomt wordt verzameld en afgevoerd naar een erkend verwerker. Artikel 3.112 (werkzaamheden: spoelwater, lekkage en morsen) 1 Het tijdens en na de werkzaamheden gebruikte spoelwater wordt opgevangen in een daarvoor geschikte vloeistofdichte opvangvoorziening en afgevoerd naar een erkende verwerker. 2 Gemorste of anders vrijgekomen schadelijke stoffen worden onmiddellijk verzameld in een vloeistofdichte verpakking en op een zodanige wijze verwerkt of verwijderd dat verontreiniging van de bodem is uitgesloten. 3 Voor zover als gevolg van lekkage, morsen of op een andere manier grond en grondwater wordt verontreinigd of gevaar voor verontreiniging dreigt, stelt de ter plaatse verantwoordelijke persoon onmiddellijk gedeputeerde staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf hiervan in kennis. Artikel 3.113 (werkzaamheden: bouwkeet) Voor zover tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een bouwkeet, gelden de volgende voorschriften: a. de afvoer van huishoudelijk afvalwater van een bouwkeet geschiedt via een vloeistofdicht stelsel van leidingen naar het openbaar vuilwaterriool. b. als aan het voorschrift, bedoeld onder a om technische of operationele redenen niet kan worden voldaan, geschiedt de afvoer van toiletafvalwater via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een opvangtank die of een mobiel toilet dat steeds bijtijds geleegd wordt; c. keukenafvalwater wordt afgevoerd via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een bezinkput die steeds bijtijds geleegd wordt; d. toiletafvalwater, keukenafvalwater en ander afvalwater worden te allen tijde gescheiden gehouden en afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of geloosd op het openbaar vuilwaterriool; e. een bouwkeet wordt niet op aardolie verwarmd. Artikel 3.114 (saneren: saneringsdoelstelling) Verontreiniging van de bodem wordt beperkt of ongedaan gemaakt waarbij zo veel als redelijkerwijs mogelijk de inbreng van verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater wordt voorkomen of beperkt. Artikel 3.115 (saneren: saneringsaanpak) 1 Saneren van de bodem wordt uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2 De saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is niet toegestaan bij het saneren van de bodem, bedoeld in het artikel 3.31, tenzij: a. de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. 3 Met een maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een andere saneringsaanpak worden toegestaan als die andere saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. Artikel 3.116 (saneren: veranderingen in bodemgesteldheid) Bij een sanering van de bodem als bedoeld in artikel 3.31, wordt rekening gehouden met mogelijke veranderingen in de bodemgesteldheid die een nadelige invloed kunnen hebben op een grondwaterbeschermingsgebied. Artikel 3.117 (saneren: afvoeren verontreinigde grond, niet herschikken) Grond die vrijkomt bij een sanering wordt afgevoerd naar een erkende verwerker. Afdeling 3.4 Activiteiten in verband met verontreiniging van het grondwater § 3.4.

Artikel 3.118 (toepassingsbereik) Deze afdeling gaat over: a.

de module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit; b. de activiteit grondwatersanering; c. een activiteit op een locatie waar na het verrichten van een grondwatersanering een verontreiniging van het grondwater aanwezig is gebleven; d. een toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater. Artikel 3.119 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. het vervullen van de maatschappelijke functies die op grond van de Omgevingswet aan watersystemen zijn toegekend. Artikel 3.120 (normadressaat) Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.121 (specifieke zorgplicht) 1 Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.118 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.119, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.118 houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit. Artikel 3.122 (informeren over een ongewoon voorval) Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval. Artikel 3.123 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval) Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten. § 3.4.2 Module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit Artikel 3.124 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van het omgevingsplan of deze omgevingsverordening is bepaald dat een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vereist. Artikel 3.125 (aanwijzing andere modules: voorafgaand bodemonderzoek) Bij het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.126 (risicobeoordeling grondwaterkwaliteit – methoden) 1 Een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt verricht om een verontreiniging van grondwater en de mogelijke risico’s daarvan voor het gebruik dat afhangt van het grondwater te beoordelen. 2 Bij de beoordeling van een verontreiniging van grondwater en de mogelijke risico’s daarvan voor het grondwater en het gebruik dat afhangt van het grondwater worden één of meerdere van de volgende methoden toegepast: a. de methode algemene grondwaterkwaliteit, bedoeld in bijlage III, onder Aa.2.1; b. de methode krw-oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in bijlage III, onder Aa.2.2; c. de methode water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in bijlage III, onder Aa.2.3; of d. de methode grondwaterafhankelijke natuur, bedoeld in bijlage III, onder Aa.2.

  1. Artikel 3.127 (methode: algemene grondwaterkwaliteit) De methode algemene grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder a, wordt toegepast als de verontreinigingscontour van één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage III, onder Aa.1, overschrijdt. Artikel 3.128 (methode: krw-oppervlaktewaterlichaam) 1 De methode krw-oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder b, wordt toegepast als een verontreiniging van grondwater: a. voor één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage III, onder Aa.1, overschrijdt; en b. de verontreiniging in staat is een in het regionaal waterprogramma of nationaal waterprogramma aangewezen krw-oppervlaktewaterlichaam te beïnvloeden. 2 Een verontreiniging van grondwater wordt geacht een krw-oppervlaktewaterlichaam te beïnvloeden als de verontreiniging zich bevindt: a. in of binnen 100 m van het krw-oppervlaktewaterlichaam; b. in een watervoerend pakket van waaruit het krw-oppervlaktewaterlichaam kan worden beïnvloed; en c. in de stroombaan richting het krw-oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.129 (methode: water bestemd voor menselijke consumptie) 1 De methode water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder c, wordt toegepast als een verontreiniging van grondwater: a. voor één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de voorkeurswaarde, bedoeld in bijlage III, onder Aa.1, overschrijdt; en b. in staat is een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 te beïnvloeden. 2 Een verontreiniging van grondwater wordt geacht een grondwaterbeschermingsgebied te beïnvloeden als de verontreiniging zich bevindt: a. in of binnen 100 m van het grondwaterbeschermingsgebied; b. in een watervoerend pakket van waaruit het grondwaterbeschermingsgebied kan worden beïnvloed; en c. in de stroombaan richting het grondwaterbeschermingsgebied. Artikel 3.130 (methode: grondwaterafhankelijke natuur) 1 De methode grondwaterafhankelijke natuur, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder d, wordt toegepast als een verontreiniging van grondwater: a. voor één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de voorkeurswaarde, bedoeld in bijlage III, onder Aa.1, overschrijdt; en b. in staat is het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, te beïnvloeden. 2 Een verontreiniging van grondwater wordt geacht een natuurnetwerk Nederland te beïnvloeden als de verontreiniging zich bevindt: a. in of binnen 100 m van het natuurnetwerk Nederland; b. in een watervoerend pakket van waaruit het natuurnetwerk Nederland kan worden beïnvloed; en c. in de stroombaan richting het natuurnetwerk Nederland. Artikel 3.131 (risicobeoordeling grondwaterkwaliteit: uitkomsten) Uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt of een verontreiniging een risico vormt voor het grondwater en het gebruik dat afhangt van het grondwater en leidt tot één van de volgende uitkomsten: a. niet-significante grondwaterverontreiniging; b. significante grondwaterverontreiniging met bronaanpak op een natuurlijk moment; of c. significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft. Artikel 3.132 (gegevens en bescheiden: na uitvoeren risicobeoordeling grondwaterkwaliteit) Ten hoogste vier weken na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder D.2, verstrekt aan gedeputeerde staten. § 3.4.3 Grondwatersanering Artikel 3.133 (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is van toepassing op een grondwatersanering als het oogmerk het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater is. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op een grondwatersanering in het gebied waarvan het grondwaterkwaliteitsbeheer in relatie tot historische verontreinigingen van grondwater aan het gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam is toegedeeld, bedoeld in artikel 6.
  2. Artikel 3.134 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering te verrichten, als: a. de grondwatersanering betrekking heeft op een verontreiniging van grondwater waarvan op basis van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vastgesteld dat het een significante grondwaterverontreiniging betreft die direct aandacht behoeft, bedoeld in artikel 3.131, onder c; of b. de grondwatersanering wordt uitgevoerd in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.
  3. Artikel 3.135 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning) In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B.4, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. Artikel 3.136 (melding) 1 Het is verboden om zonder melding een grondwatersanering te verrichten. 2 Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.
  4. Artikel 3.137 (specifieke gegevens en bescheiden bij een melding) In aanvulling op artikel 3.3 bevat een melding specifieke gegevens en bescheiden als bedoeld in bijlage IV, onder D.2a. Artikel 3.138 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit) Ten minste vier weken voor het begin van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten de gegevens en bescheiden, genoemd in bijlage IV, onder D.3, verstrekt. Artikel 3.139 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit) Ten minste een week voor het begin van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten de gegevens en bescheiden, genoemd in bijlage IV, onder D.4, verstrekt. Artikel 3.140 (aanwijzing modules: voorafgaand bodemonderzoek) Bij het verrichten van een grondwatersanering wordt voldaan aan het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.141 (grondwater: saneringsaanpakken) Met het oog op het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, wordt een grondwatersanering verricht volgens één van de volgende aanpakken of een combinatie daarvan: a. het onttrekken van verontreinigd grondwater; b. het inzetten van gangbare en bewezen technieken die biologische afbraak of omzetting, of chemische omzetting van een verontreiniging tot niet schadelijke eindproducten tot gevolg hebben; of c. een andere saneringsaanpak als daarmee het saneringsresultaat, bedoeld in artikel 3.141a, bereikt wordt. Artikel 3.141a (resultaat saneringsaanpak) 1 De saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3.141, leidt ertoe dat de verontreinigende stof in het grondwater niet langer voorkomt in concentraties waarbij sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.
  5. 2 Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een ander saneringsresultaat is toegestaan, leidt de grondwatersanering er ten minste toe dat niet langer sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c. Artikel 3.141b (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift) Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift over deze paragraaf kan alleen een ander saneringsresultaat toestaan als de grondwatersanering er ten minste toe leidt dat niet langer sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c. Artikel 3.141c (kwaliteitsborging grondwatersanering) Een grondwatersanering wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB
  6. Artikel 3.141d (milieukundige begeleiding grondwatersanering) De begeleiding van een grondwatersanering wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB
  7. Artikel 3.141e (beëindiging activiteit: gegevens en bescheiden) 1 Ten hoogste vier weken na het beëindigen van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB
  8. 2 Als na het verrichten van een grondwatersanering verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven worden ook gegevens en bescheiden bij het evaluatieverslag verstrekt over: a. de gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van het grondwaterlichaam en voor de aan het grondwaterlichaam toegekende maatschappelijke functies; b. een voorstel van de nazorgmaatregelen. Artikel 3.141f (uitvoering nazorgmaatregelen) Degene die een grondwatersanering uitvoert is ook belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen, bedoeld in artikel 3.141e, tweede lid, onder b, tenzij in het evaluatieverslag een ander daarvoor is aangewezen. § 3.4.4 Activiteiten op een locatie waar na het verrichten van een grondwatersanering een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven. Artikel 3.141g (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waar na het uitvoeren van een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 uit het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 3.141e, eerste lid, blijkt dat verontreiniging van het grondwater aanwezig is gebleven. Artikel 3.141h (maatregelen: gebruiksbeperkingen saneren van het grondwater) Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.141g verricht neemt in het belang van het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem en vanwege het vervullen van de aan het watersysteem toegekende maatschappelijke functie de gebruiksbeperkingen, bedoeld in artikel 3.141e, tweede lid, onder a, in acht. § 3.4.5 Toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater Artikel 3.141i (aantreffen verontreiniging van het grondwater) 1 Het aantreffen van een verontreiniging van het grondwater is een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet. 2 Gedeputeerde staten kunnen voor een activiteit waarbij een verontreiniging van het grondwater wordt aangetroffen bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet en afdeling 12a.1 bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. 3 Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet. Afdeling 3.5 § 3.5.1 Artikel 3.142 Artikel 3.143 Artikel 3.144 Artikel 3.145 § 3.5.2 Artikel 3.146 Artikel 3.147 Afdeling 3.6 Activiteiten op of rond gesloten stortplaatsen § 3.6.

Artikel 3

.148 (activiteiten) Deze afdeling gaat over activiteiten in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd in beperkingengebieden met betrekking tot gesloten stortplaatsen. Artikel 3.149 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de bescherming van het milieu tegen nadelige gevolgen veroorzaakt door gesloten stortplaatsen; en b. de goede uitvoering van de zorg voor gesloten stortplaatsen, waaronder: ○ 1°. de bereikbaarheid van de voorzieningen ter bescherming van de bodem te garanderen; ○ 2°. te voorkomen dat de werking van de voorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en ○ 3°. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg op een andere manier wordt belemmerd. Artikel 3.150 (normadressaat) Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.151 (specifieke zorgplicht) 1 Degene die een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.149, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaats wordt verzekerd; en b. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1 van de Omgevingswet. Artikel 3.152 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning) In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B.6, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. Artikel 3.153 (informeren over een ongewoon voorval) Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats. Artikel 3.154 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval) Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten. § 3.6.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.155 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats te verrichten: a. werken te maken of te behouden; b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; c. andere dan de onder a of b bedoelde activiteiten te verrichten als die activiteiten de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2 Onder activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden in ieder geval begrepen: a. bouwactiviteiten voor werken en kunstwerken; b. civieltechnische werken, waaronder grondverzet, boringen, en aanbrengen van grondkerende constructies. 3 Onder activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden in ieder geval begrepen: a. het plaatsen van een container; b. het deponeren of toepassen van grond, baggerspecie of bouwstoffen. 4 Onder activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder c, worden in ieder geval begrepen: a. de wijziging van het gebruik of de inrichting van het terrein; b. grondbewerkingen dieper dan 30 cm; c. onttrekken of inbrengen van grondwater of het op een andere manier wijzigen van de grondwaterstand. 5 Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer in opdracht van gedeputeerde staten. Artikel 3.156 (melding) 1 Het is verboden zonder melding activiteiten in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats te verrichten. 2 Dit artikel is niet van toepassing: a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.155. b. op het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer in opdracht van gedeputeerde staten. Afdeling 3.7 Activiteiten rond provinciale vaarwegen § 3.7.

Artikel 3

.157 (activiteiten) Deze afdeling gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot provinciale vaarwegen. Artikel 3.158 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale vaarweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die provinciale vaarweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die vaarweg en het belang van onderhoud aan die vaarweg behoort. Artikel 3.159 (normadressaat) Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.160 (specifieke zorgplicht) 1 Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot de provinciale vaarweg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de provinciale vaarweg verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.158, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale vaarweg wordt verzekerd; b. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; en c. houtgewas, bomen of takken van bomen zodanig worden geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken. Artikel 3.161 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning) In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B.7, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. Artikel 3.162 (informeren over een ongewoon voorval) Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval. Artikel 3.163 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval) Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten. Artikel 3.164 (verhalen van schepen) 1 Een stilliggend schip, het samenstel van schepen of drijvende voorwerpen worden op aanwijzing van gedeputeerde staten over korte afstand langs een oever of kade naar een andere ligplaats verplaatst, als naar hun oordeel het onderhoud van een provinciale vaarweg aldaar werkzaamheden nodig maakt. 2 Spoedeisende gevallen uitgezonderd, stellen gedeputeerde staten de rechthebbenden of gebruikers van het schip, het samenstel van schepen of de drijvende voorwerpen tijdig van tevoren in kennis van de voorgenomen werkzaamheden. § 3.7.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.165 (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een provinciale vaarweg: a. het veranderen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de provinciale vaarweg; b. het maken, behouden, veranderen of verwijderen van werken op de provinciale vaarweg; c. het storten, plaatsen, neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste stoffen of voorwerpen op, in, over of onder de provinciale vaarweg; d. het beplanten, behouden of vellen van houtgewas; e. het geheel of gedeeltelijk stremmen of belemmeren van het verkeer op de provinciale vaarweg; f. het innemen van een ligplaats en het meren of ankeren met een schip of een drijvend bouwsel in de provinciale vaarweg. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van gedeputeerde staten. Artikel 3.166 (aanwijzing vergunningplichtig geval: veranderen van het werk of werken maken of behouden) Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale vaarweg te verrichten, door: a. de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de provinciale vaarweg te veranderen; of b. werken te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen. Artikel 3.167 (aanwijzing vergunningplichtig geval: vaste stoffen of voorwerpen plaatsen en houtgewas) 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale vaarweg te verrichten door op, in, over of onder de provinciale vaarweg, vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning over provinciale vaarwegen houtgewas te beplanten, te behouden of te vellen. Artikel 3.168 (aanwijzing vergunningplichtig geval: stremmen of belemmeren van de scheepvaart) Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verkeer op een provinciale vaarweg geheel of gedeeltelijk te stremmen of te belemmeren. Artikel 3.169 (aanwijzing vergunningplichtig geval: ligplaats innemen) 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een schip of een drijvend bouwsel, ligplaats in te nemen, te meren of te ankeren in een provinciale vaarweg, tenzij de locatie is toegestaan krachtens een verkeersbesluit. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op kort verblijf aan een particuliere oever in een vaarstrook of een veiligheidsstrook. Afdeling 3.8 Activiteiten rond provinciale wegen § 3.8.

Artikel 3

.170 (activiteiten) Deze afdeling gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot provinciale wegen. Artikel 3.171 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die provinciale weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die provinciale weg en het belang van onderhoud aan die provinciale weg behoort en op het voorkomen en beperken van schade aan planten in wegbermen. Artikel 3.172 (normadressaat) Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.173 (specifieke zorgplicht) 1 Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale weg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de provinciale weg verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.171, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale weg wordt verzekerd; b. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; en c. houtgewas, bomen of takken van bomen worden zodanig geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken. Artikel 3.174 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning) In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B.8, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. Artikel 3.175 (informeren over een ongewoon voorval) Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval. Artikel 3.176 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval) Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten. § 3.8.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.177 (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een provinciale weg: a. het veranderen van de vorm, loop, constructie of het profiel van de provinciale weg; b. het maken, behouden, veranderen of verwijderen van werken; c. het storten, plaatsen, neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste stoffen of voorwerpen; d. het beplanten, behouden of vellen van houtgewas; en e. het ten behoeve van handel of bedrijf met daarvoor bestemde middelen innemen van een standplaats. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van gedeputeerde staten. Artikel 3.178 (aanwijzing vergunningplichtig gevallen) 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit te verrichten als bedoeld in artikel 3.177. 2 Het verbod geldt niet voor werkzaamheden die op grond van artikel 3.179 zijn verboden zonder dit te melden. Artikel 3.179 (melding) 1 Het is verboden zonder melding een beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in artikel 3.177 te verrichten op locaties waar ten minste 200 m vrij zicht is op de provinciale weg en waar geen aanleg, wijziging of herinrichting van de provinciale weg in voorbereiding of uitvoering is, voor zover het gaat om: a. het leggen, verwijderen of behouden van een kabel of leiding voor een huisaansluiting, bouwaansluiting of kastaansluiting tot een lengte van maximaal 20 m; b. het aanbrengen, wijzigen, gebruiken of verwijderen van een kathodische beschermpaal; c. het inblazen van glasvezel in een bestaande buis; d. het uitvoeren van werkzaamheden bij een lasgat, afsluiter of verbindingsmof; e. het uitvoeren van een sondering, proefsleuf, grondboring of asfaltboring; of f. het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan een tracé of onderdeel daarvan. 2 Het verbod geldt niet voor: a. het openbreken van gesloten verharding; b. het aanbrengen van een kabel op minder dan 0,6 m onder het maaiveld of het aanbrengen van een leiding op minder dan 0,8 m onder het maaiveld; of c. het op minder dan 1 m buiten de wegverharding parallel aan de verharding aanbrengen van een werk. Artikel 3.180 (informatieplicht) 1 Ten minste 15 werkdagen voor het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.177 wordt aan gedeputeerde staten een verkeersmaatregelenplan verstrekt voor zover deze activiteiten binnen een afstand van 4,5 m tot de rijbaan worden verricht. 2 Een verkeersmaatregelenplan: a. bevat een beschrijving van de te treffen tijdelijke verkeersmaatregelen die met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de provinciale weg noodzakelijk zijn bij het verrichten van de activiteit; en b. maakt inzichtelijk op welke wijze de te treffen tijdelijke verkeersmaatregelen in overeenstemming zijn met de toepasselijke richtlijnen voor tijdelijke verkeersmaatregelen van de provincie en van de Stichting CROW, kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. 3 In afwijking het eerste lid wordt het verkeersmaatregelenplan onverwijld verstrekt, voor zover het gaat over een herstelwerkzaamheid als bedoeld in artikel 3.179, eerste lid, onder f, of een andere niet-planbare werkzaamheid. Artikel 3.180a (voorbereiding) 1 Een activiteit als bedoeld in artikel 3.177 wordt niet verricht zonder het treffen van tijdelijke verkeersmaatregelen die in overeenstemming zijn met het verkeersmaatregelenplan, bedoeld in artikel 3.180, tweede lid. 2 Een verkeersmaatregel wordt uitgevoerd door een BRL9101-gecertificeerd bedrijf. Artikel 3.180b (uitvoering) 1 Een gat of sleuf in een provinciale weg wordt mechanisch verdicht in lagen, die ieder na verdichting niet dikker zijn dan 30 cm. 2 Ieder gat en iedere sleuf in een provinciale weg wordt binnen een dag volledig tot aan het maaiveld of tot aan het profiel van de provinciale weg verdicht in overeenstemming met het eerste lid. 3 Door het uitvoeren van de werkzaamheden wordt geen beplanting beschadigd, wat in ieder geval inhoudt dat aanwezige beplanting die wordt verwijderd tijdelijk wordt ingekuild en na afronding van de werkzaamheden wordt teruggeplaatst. 4 Bij de werkzaamheden vrijkomend puin wordt afgevoerd. 5 De werkzaamheden worden niet uitgevoerd als door atmosferische omstandigheden het zicht op de provinciale weg minder dan 200 m bedraagt op de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Artikel 3.180c (oplevering en nazorg) 1 Werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.179 worden binnen een aaneengesloten periode van een week uitgevoerd, gerekend vanaf de dag waarop een begin wordt gemaakt met de werkzaamheden. 2 Gedurende de eerste zes maanden na afronding van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.177, wordt iedere verzakking in een onverharde berm of talud hersteld. 3 Gedurende de eerste twaalf maanden na afronding van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.177, wordt: a. iedere verzakking in bestrating hersteld; en b. alle teruggeplaatste beplanting in goede staat gehouden. Afdeling 3.9 Activiteiten die de natuur betreffen § 3.9.1 Activiteiten met betrekking tot dieren in het wild § 3.9.1.

Artikel 3.181 (activiteiten) 1 Paragraaf 3.9.1 gaat over: a.

flora- en fauna-activiteiten; b. het handelen volgens een faunabeheerplan; c. activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden, met uitzondering van de jacht; en d. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden. 2 Paragraaf 3.9.1 bevat aanvullingen en afwijkingen ten opzichte van de paragrafen 11.2.2, 11.2.4, 11.2.6 en 11.2.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.182 (oogmerken) 1 De regels in de en paragrafen 3.9.1.2 en 3.9.1.4 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. goed jachthouderschap; c. het voorkomen en bestrijden van schade door in het wild levende dieren; d. het waarborgen van de volksgezondheid; en e. het waarborgen van de veiligheid. 2 De regels in paragraaf 3.9.1.3 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; en c. bestendig beheer of onderhoud. § 3.9.1.2 Flora- en fauna-activiteiten: vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn Artikel 3.183 (aanwijzing vergunningvrije gevallen vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van de brandgans, de grauwe gans en de kolgans) Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten geldt niet voor de brandgans, de grauwe gans, en de kolgans en kruisingen daarvan in de periode van 1 februari tot en met 30 juni, voor zover de handelingen door of namens de grondgebruiker plaatsvinden in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid; b. de veiligheid van het luchtverkeer; c. de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. Artikel 3.184 (aanwijzing vergunningvrije gevallen vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van de knobbelzwaan) Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten geldt niet voor de knobbelzwaan in de periode van 1 maart tot en met 30 april, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid; b. de veiligheid van het luchtverkeer; c. de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. Artikel 3.185 (aanwijzing vergunningvrije gevallen vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van de kleine mantelmeeuw en de zilvermeeuw) Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten geldt niet voor de kleine mantelmeeuw en de zilvermeeuw in de periode van 1 april tot en met 31 juli, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid; b. de veiligheid van het luchtverkeer. Artikel 3.186 (aanwijzing vergunningvrije gevallen directe schadebestrijding brandgans, grauwe gans, kolgans en Canadese gans) 1 Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de brandgans, de grauwe gans, en de kolgans en kruisingen daarvan buiten de winterperiode, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid; b. de veiligheid van het luchtverkeer; c. de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen; d. de bescherming van flora of fauna. 2 Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de grauwe gans en de kolgans en kruisingen daarvan binnen de winterperiode, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht op de door hem gebruikte gronden met een kwetsbaar gewas in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen. 3 Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de Canadese gans in de perioden van een half uur voor zonsopgang tot zonsopgang en van zonsondergang tot een half uur na zonsondergang, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid; b. de veiligheid van het luchtverkeer; c. de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen; d. de bescherming van flora of fauna. 4 De winterperiode betreft de volgende periode: a. in de regio Noordelijke Delta van 1 november tot en met 14 februari; b. in de regio's Delfland en Schieland, Veenweiden en Zuid Holland-Noord: van 1 november tot en met 29 februari. 5 De grens tussen de regio Noordelijke Delta en de overige regio’s wordt gevormd door de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas, de Noord en de Beneden-Merwede (van west naar oost). Artikel 3.187 (aanwijzing vergunningvrij geval directe schadebestrijding knobbelzwaan) 1 Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de knobbelzwaan voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht: a. in de periode 1 oktober tot en met 31 mei tussen zonsopgang en zonsondergang op de door hem gebruikte gronden met ingezaaid gras, graszoden, graszaad en koolzaad in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen; b. in de periode 15 november tot en met 31 mei tussen zonsopgang en zonsondergang op de door hem gebruikte gronden met gras en granen in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen; of c. op de door hem gebruikte gronden in het belang van de openbare veiligheid als de politie of de burgemeester daarvoor opdracht geeft. 2 Afschot van knobbelzwanen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is alleen toegestaan, als de ter plaatse aanwezige groep knobbelzwanen uit ten minste vijftien exemplaren bestaat. Als een groep bestaat uit meer dan vijftig knobbelzwanen geldt een maximum van 10% dat mag worden gedood. 3 Paartjes broedende knobbelzwanen en de erbij lopende (niet vliegende) jongen mogen niet worden gedood, tenzij de knobbelzwanen zich in de onmiddellijke nabijheid van wegen of fietspaden bevinden en er sprake is van een risico voor de openbare veiligheid, naar het oordeel van de politie of de burgemeester. Artikel 3.188 (aanwijzing vergunningvrij geval directe schadebestrijding smient) 1 Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor de smient voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in de periode 1 oktober tot en met 31 mei op de door hem gebruikte gronden met ingezaaid gras, graszoden, graszaad, overige akkerbouwgewassen en vollegrondsgroente in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de handelingen plaatsvinden in de volgende Natura 2000-gebieden: a. Biesbosch; b. Boezems Kinderdijk; c. Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein; d. Donkse Laagten; e. Grevelingen; f. Haringvliet; g. Hollands Diep; h. Duinen Goeree & Kwade Hoek; i. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck; j. Oudeland van Strijen; k. Krammer-Volkerak; l. De Wilck. § 3.9.1.3 Flora- en fauna-activiteiten: vergunningvrije gevallen andere soorten Artikel 3.189 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten inrichting, ontwikkeling, beheer en onderhoud) 1 Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor de aangewezen andere soorten opgenomen in bijlage III, onder C.1, voor zover de activiteit wordt verricht in het kader van: a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. bestendig beheer of onderhoud in de land- of bosbouw; c. bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of d. bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. 2 Het eerste lid is ook van toepassing als geen andere bevredigende oplossing dan het verrichten van de activiteit bestaat als bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. § 3.9.1.4 Inhoudelijke regels Artikel 3.190 (middelen bij schadebestrijding) 1 Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in de artikelen 3.186, 3.187 en 3.188 kan alleen gebruik worden gemaakt van: a. geweren; b. honden, maar geen lange honden; c. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis) of slechtvalken (Falco peregrinus); d. woestijnbuizerds; e. slag-, snij- of steekwapens; f. lokvogels; en g. middelen waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt. 2 Slag-, snij- of steekwapens mogen alleen gebruikt worden voor het doden van gewonde dieren. Artikel 3.191 (overige regels schadebestrijding) 1 Bij activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.186, 3.187 en 3.188, waarbij een geweer mag worden gebruikt, kan het geweer worden gebruikt gedurende de periode vanaf een halfuur voor zonsopgang tot een halfuur na zonsondergang. 2 De grondgebruiker of degene die de activiteit, bedoeld in de artikelen 3.186, 3.187 en 3.188, verricht, informeert over en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. § 3.9.2 Activiteiten die houtopstanden betreffen § 3.9.2.

Artikel 3

.192 (activiteiten) 1 Paragraaf 3.9.2 gaat over het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, bedoeld in artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2 Paragraaf 3.9.2 bevat aanvullingen en afwijkingen ten opzichte van paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.193 (oogmerken) De regels in paragraaf 3.9.2.2 zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden; en c. bestendig beheer of onderhoud. Artikel 3.194 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om maatwerkvoorschrift) In aanvulling op artikel 3.2 zijn in bijlage IV, onder B.9, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. § 3.9.2.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.194a (maatwerkregel: meldplicht vellen houtopstanden) In afwijking van artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder dit ten minste vier weken maar niet eerder dan 14 maanden voor het begin daarvan te melden. Artikel 3.195 (maatwerkregel: uitzondering op meldplicht vellen houtopstanden) De meldplicht, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is niet van toepassing op: a. het kappen van verjongingsgaten, als: ○ 1°. deze per verjongingsgat niet groter zijn dan drie maal de boomhoogte met een maximum van 0,25 ha; ○ 2°. deze nieuwe verjongingsgaten gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel; ○ 3°. dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt; en ○ 4°. in de oude verjongingsgaten is voldaan aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving. b. het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen, als de te verwijderen houtopstand ontstaan is als gevolg van achterstallig onderhoud. Artikel 3.196 (maatwerkregel: specifieke gegevens en bescheiden vellen houtopstanden) Als gedeputeerde staten het bevoegd gezag is waaraan een melding voor het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt gedaan, worden uiterlijk gelijktijdig met de melding de specifieke gegevens en bescheiden verstrekt, bedoeld in bijlage IV, onder D.5. Artikel 3.196a (maatwerkregel: gegevens en bescheiden: start vellen houtopstanden) Ten minste een dag voor het begin van het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand, bedoeld in artikel 11.126, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden gedeputeerde staten, als zij het bevoegd gezag zijn, daarover geïnformeerd. Artikel 3.197 (maatwerkregel: plicht tot herbeplanting) 1 In aanvulling op artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt voor de plicht tot herbeplanting dat: a. de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; b. de herbeplanting kwalitatief en kwantitatief minimaal in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of op een andere manier tenietgegane houtopstand; c. de te herbeplanten houtopstand, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand met minimaal een vergelijkbare bosstructuur als de gevelde opstand. 2 Aan de plicht tot herbeplanting kan ook worden voldaan door spontane natuurlijke verjonging als daarmee aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden wordt voldaan en de bodemopbouw zoveel mogelijk intact wordt gelaten. Artikel 3.198 (maatwerkregel: uitzondering op plicht tot herbeplanting) Artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing op: a. het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen als de houtopstanden ontstaan zijn als gevolg van achterstallig onderhoud en niet zijn ontwikkeld in het kader van een plicht tot herbeplanting; b. het op natuurlijke wijze tenietgaan van houtopstanden als dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen. Artikel 3.199 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: herbeplanting) 1 Het met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving door gedeputeerde staten toestaan van herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan als: a. deze grond onbeplant is; b. op deze grond geen herplanting moet plaatsvinden ter uitvoering van een plicht tot herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. op deze grond geen uitvoering moet plaatsvinden van (natuur)compensatieverplichtingen; d. geen wettelijk voorschrift of provinciale doelstelling aan herbeplanting in de weg staat; en e. deze grond buiten de bebouwingscontour houtkap is gelegen. 2 Met een maatwerkvoorschrift wordt geen herbeplanting op andere grond binnen het natuurnetwerk Nederland toegestaan als de tenietgegane houtopstand buiten het natuurnetwerk Nederland is gelegen. 3 Als de tenietgegane houtopstand is gelegen buiten recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, wordt met een maatwerkvoorschrift alleen herbeplanting op andere grond toegestaan binnen recreatiegebied, als de oppervlakte van de herbeplanting ten minste twee keer zo groot is als de tenietgegane houtopstand. 4 Met een maatwerkvoorschrift wordt geen herbeplanting op andere grond toegestaan als de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, bosreservaat of groen erfgoed, bestaande uit landschappen met oude boskernen, houtwallen en heggen, cultuurhistorische bosjes of kleine landschapselementen, eendenkooien en kansrijke gebieden groen erfgoed, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, tenzij is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; en b. de velling is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 5 Aan een maatwerkvoorschrift waarbij herbeplanting op andere grond wordt toegestaan en de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, bosreservaat of groen erfgoed, bestaande uit landschappen met oude boskernen, houtwallen en heggen, cultuurhistorische bosjes of kleine landschapselementen, eendenkooien en kansrijke gebieden groen erfgoed, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, verbinden gedeputeerde staten voorschriften die het vellen van de houtopstand verbieden tot het moment waarop het besluit voor de ontwikkeling ter plaatse van de te vellen houtopstand onherroepelijk is geworden. Artikel 3.200 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: provinciale maatwerkregels: afwijken in het belang van evenwichtige besluitvorming) Met een maatwerkvoorschrift kan van paragraaf 3.9.2.2 worden afgeweken als dit in overeenstemming is met het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, en naar het oordeel van gedeputeerde staten niet tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden. Afdeling 3.10 Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden § 3.10.1 Zwemlocaties in oppervlaktewateren § 3.10.1.

Artikel 3

.201 (activiteiten) Paragraaf 3.10.1 gaat over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden op daarvoor door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocaties als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.202 (oogmerken) De regels in paragraaf 3.10.1 zijn gesteld met het oog op de veiligheid en gezondheid van gebruikers van zwemlocaties als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, meer specifiek op: a. het behoud en verbetering van de zwemwaterkwaliteit op een zwemlocatie; b. het behoud en verbetering van de veiligheid en hygiëne op een zwemlocatie; en c. het voorkomen van verdrinking en letsel van gebruikers op en in de directe nabijheid van een zwemlocatie. Artikel 3.203 (normadressaat) Aan paragraaf 3.10.1 wordt voldaan door de houder van een zwemlocatie. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden op een door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocatie. Artikel 3.204 (specifieke zorgplicht) 1 De houder van een zwemlocatie die gedurende het badseizoen gelegenheid biedt tot zwemmen of baden op een daarvoor door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocatie als bedoeld in artikel 3.201, die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 3.202, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voor

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.