1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; vervallen arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt; overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand; Zvw: de Zorgverzekeringswet; CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; UWO: Uitwerkingsovereenkomst; functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking; LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; WIA:Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; WAJONG:Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; WAZ:Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; Waz :Wet arbeid en zorg; SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; WPA: de Wet privatisering ABP; FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt; ZW: de Ziektewet; ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. 2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Artikel 1:1:1:1 Begripsomschrijvingen vervolg Voor de toepassing van de CAR, de UWO en de lokaal geldende rechtspositieregelingen van de gemeente Amstelveen wordt de volgende begripsomschrijving toegevoegd: ARA: Arbeidsvoorwaardenregeling Amstelveen Directeur: lid van de directie hoofd Facilitair bedrijf Afdeling: een afdeling of bedrijf Afdelingshoofd: hoofd afdeling of bedrijf Artikel 1:2 Geen ambtenaar 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening; de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg. 2 Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. 3Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing. Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar 1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. 2 Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. 4 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing. Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar. Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende. Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar. De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal
- Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente. Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en
- Artikel 1:2:3 Instapplan Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar. Artikel 1:3 Toepassing 1De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. 2Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel 1:3a Toepassing Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO 1Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. 2Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO 1Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. 2Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen. Artikel 1:5 Omvang van de betrekking Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. Artikel 1:6 Vrijstelling 1In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. 2De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. 2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst 1 De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. 2Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit artikel. 3De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente. Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst 1De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. 2Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om: tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen; tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden; beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken. 3Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt. Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid 1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. 2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. 3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek 1 Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. 2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Artikel 2:4 Duur van de aanstelling 1 De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk. 2 Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling. 3 Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter. 4 In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen. 5 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden. 6 Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling. Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling 1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst. 2 Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. 3 De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Artikel 2:4:2 Vacatures 1 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. 2 Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst 1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. 2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. 3Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:
- Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht 1 De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 . 2De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur. 3 Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Artikel 2:6 Overgangsrecht 1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden. 2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli
- 3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 . 4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 . Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur 1 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 2 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 3 Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie. Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur 1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. 2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; het salaris evenredig wordt verhoogd; de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd; instemming van de ambtenaar is vereist; artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. 4Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. 3 Salaris en vergoedingsregelingen Artikel 3:1 Bezoldiging 1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend. 2In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt: schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop; salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage. 3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage II en IIa van de CAR. Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is. Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken. 4Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II . 5Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken: dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ; en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa . 6Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand. 7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. 8 Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Artikel 3:1:1 Bezoldiging 1 De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn. 2Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde. 3Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen. 4Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd. Artikel 3:1:1:1 Begripsomschrijving Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: Ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1 , sub a van de CAR; Directeur: lid van de directie:hoofd Facilitair bedrijf Afdeling:een afdeling of bedrijf Bezoldiging: de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, onder c van de CAR; Salaris:het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, onder b; Salarisschaal:de schaal als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid onder a, en opgenomen in bijlage II en IIa van de CAR/UWO; Uitloopschaal:De uitloopschaal is de salarisschaal die één schaal boven de feitelijke salarisschaal waarin de betreffende functie ingeschaald ligt; Periodiek:Een aanduiding zijnde een getal dat bij de salarisschaal in bijlage IIa van de CAR/UWO is opgenomen; Uurloon:het uurloon als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder o van de CAR; Maximumsalaris:het hoogste bedrag van een salarisschaal; Conversie:de vertaling van de gevonden rangorde naar salarisschalen; Betrekking:de betrekking als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder b van de CAR; Volledige betrekking:de volledige betrekking als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder k van de CAR; Onvolledige betrekking:een betrekking waarbij de arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar bedraagt en de formele arbeidsduur minder dan 36 uur per week bedraagt; Overwerk:het overwerk als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder l van de CAR; Toelage:een maandelijks bedrag dat aan een ambtenaar wordt uitgekeerd bovenop de vaste bezoldiging. De reden voor het uitkeren van de toelage wordt niet meegewogen in de functiewaardering; Handwerkfunctie buitendienst:buitendienst functies van technische en uitvoerende aard, die doorgaans gepaard gaan met extra fysieke belasting (zie ook toelichting voor lijst met functienamen); Taakgebonden toelage:een toelage die een ambtenaar ontvangt voor een specifieke taak. Deze taak is geen onderdeel van de dagelijkse werkzaamheden en brengt een verzwaring van deze werkzaamheden met zich mee. De toelage wordt alleen uitgekeerd indien iemand de omschreven taak ook daadwerkelijk heeft uitgevoerd en wordt dus niet doorbetaald bij verlof en ziekte; Individuele toelage:deze toelage ontvangt een werknemer om persoonsgebonden redenen; Functionele toelage:dit is een vaste toelage die iedereen die een bepaalde functie uitoefent, ontvangt; Artikel 3:1:1:2 Recht op salaris Lid 1 Het recht op salaris vangt aan met de dag waarop de aanstelling van de ambtenaar ingaat. Indien in het aanstellingsbesluit geen datum van ingang is vermeld, vangt het recht op salaris aan met de dag waarop de ambtenaar feitelijk in dienst is getreden. Lid 2 Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de arbeidsduur per week, en uitbetaald per maand. Lid 3Wanneer het salaris of een toelage moet worden berekend over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het bedrag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal dagen van de betreffende kalendermaand. Lid 4Het recht op salaris eindigt, in geval van ontslag, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat. Artikel 3:1:1:3 Onvolledige betrekking Het salaris van een ambtenaar met een onvolledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou gelden bij een volledige betrekking. Artikel 3:1:1:4 Salarisbedragen Lid 1De salarissen van ambtenaren wier salaris niet bij of krachtens de wet is geregeld, worden vastgesteld op de bedragen volgens de salarisschalen zoals opgenomen in bijlage IIa. Lid 2De toepassing van bijlage IIa vindt plaats conform hetgeen is bepaald in artikel 3:1, derde tot en met vijfde lid van de CAR/UWO. Lid 3Bij het vaststellen van de functionele schalen en de aanloopschalen worden de schalen 10a en 11a buiten beschouwing gelaten. Artikel 3:1:1:5 Geldende salarisschaal Lid 1Burgemeester en wethouders hebben nadere regels gesteld voor de uitvoering van een functiewaarderingsonderzoek en de daarbij gehanteerde methode. Deze zijn vastgesteld in de Regeling functiewaardering gemeente Amstelveen 2002, zoals opgenomen in hoofdstuk 30, arbeidsvoorwaardenregeling Amstelveen (ARA). Lid 2 De voor de ambtenaar geldende salarisschaal wordt bepaald met inachtneming van de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek en aan de hand van de vastgestelde conversie, tenzij zijn wijze van functioneren zich daartegen verzet. Lid 3Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken door indeling in een salaris-schaal die één schaal lager is dan de voor zijn functie vastgestelde functionele schaal, indien de ambtenaar nog niet volledig aan de gestelde functie-eisen voldoet. Burgemeester en wethouders kunnen ter uitvoering van vorenstaande nadere regels stellen. Lid 4In bijzondere gevallen, wanneer daar een voldoende onderbouwing voor wordt gegeven, kan een ambtenaar worden ingedeeld in een salarisschaal die twee schalen lager is dan de voor zijn functie vastgestelde functionele schaal. Lid 5Van het bepaalde in het tweede lid kan eveneens worden afgeweken door indeling van de ambtenaar in een salarisschaal die één schaal hoger is dan de voor zijn functie vastgestelde functionele schaal. Met inachtneming van het bepaalde in de artikel 3:1:1:12 van deze bezoldigingsregeling. Burgemeester en wethouders stellen ter uitvoering van het vorenstaande nadere regels. Lid 6Anders dan bij het aanvaarden van passende of gangbare arbeid, dan wel bij wijze van disciplinaire straf, als bedoeld in de Arbeidsvoorwaardenregeling Amstelveen (ARA), kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal. Artikel 3:1:1:6 Periodieke verhoging van het salaris Lid 1 Het salaris van de ambtenaar die voldoende functioneert, wordt binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naast hogere bedrag. Lid 2 De periodieke verhogingen worden toegekend aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal met ingang van de eerste dag van de maand waarin zijn aanstelling een jaar is verstreken en nadien telkens na één jaar. Lid 3Het tijdstip waarop ingevolge het tweede lid voor de eerste maal een periodieke verhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor nadere regels stellen. Artikel 3:1:1:7 Extra periodieke verhoging van het salaris Lid 1Aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, kan een extra periodieke salarisverhoging tot een in de salarisschaal genoemd bedrag, dat niet uitgaat boven het maximumsalaris, worden toegekend op grond van een zeer goede of uitstekende vervulling van de betrekking. Lid 2 Bij de toepassing van het eerste lid blijft het tijdstip waarop ingevolge artikel 3:1:1:6 een salarisverhoging wordt toegekend onverlet, tenzij anders wordt bepaald. Artikel 3:1:1:8 Geen periodieke verhoging Lid 1 Indien een ambtenaar onvoldoende functioneert, kan worden bepaald dat voor hem de in artikel 3:1:1:6 bedoelde salarisverhoging achterwege wordt gelaten. Lid 2 Nadien kan worden bepaald dat de salarisverhoging, die met toepassing van het eerste lid achterwege is gelaten, al dan niet met terugwerkende kracht alsnog wordt toegekend. Lid 3Van een beslissing tot toepassing van het eerste lid wordt de ambtenaar zo spoedig mogelijk, maar in elk geval vóór de datum waarop anders de salarisverhoging zou ingaan, op de hoogte gesteld, onder vermelding van de redenen die tot de beslissing hebben geleid. Lid 4De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld ten aanzien van een voorgenomen besluit ter zake zijn visie te geven. Artikel 3:1:1:9 Salaris bij bevordering naar hogere schaal Lid 1Wanneer de ambtenaar wordt bevorderd naar een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, wordt: voor de ambtenaar, als bedoeld in artikel 3:1, derde lid, onder a van de CAR/UWO, het salaris in de nieuwe schaal vastgesteld op het bedrag, gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de ambtenaar in de oude schaal zou hebben genoten. voor de ambtenaar, als bedoeld in artikel 3:1, derde lid, onder b van de CAR/UWO, het salaris in de nieuwe schaal vastgesteld op het eerst hogere bedrag in die schaal. Hiermee wordt gerealiseerd dat het verschil tussen het nieuwe salaris en het oude salaris van de ambtenaar ten minste 75% bedraagt van het verschil tussen het bedrag dat de ambtenaar laatstelijk genoot en het naast hogere bedrag in die oude schaal, dan wel het naast lagere bedrag in die oude schaal, indien het salaris in de oude schaal reeds overeenkwam met het hoogste bedrag uit die schaal. In die specifieke gevallen waarbij bij een bevordering in schaal het recht op een toelage komt te vervallen en dit ertoe leidt dat het verschil tussen het nieuwe en het oude salaris van de ambtenaar niet overeenkomt met artikel 3:1:1:9, lid 1 onder b, dan behoudt de ambtenaar het recht op het deel van de toelage waardoor het verschil tussen het oude en nieuwe salaris wel overeenkomt met de regels, zoals gesteld in artikel 3:1:1:9, lid 1 onder b. Lid 2 Voorzover nodig zal – in afwijking van het eerste lid onder a - de vooruitgang in salaris ten gevolge van de indeling in de schaal met een hoger maximumsalaris nooit minder bedragen dan bij verhoging ingevolge artikel 3:1:1:6 in de schaal waarin de ambtenaar wordt ingedeeld. Lid 3 Bij een bevordering blijft de periodiekdatum ongewijzigd. Lid 4Indien de bevordering tegelijkertijd plaatsvindt met een periodieke verhoging in de oorspronkelijke schaal, wordt eerst de periodieke verhoging toegepast en vindt daarna de bevordering plaats. Artikel 3:1:1:10 Motiverend belonen Lid 1Indien een ambtenaar een uitstekende individuele prestatie heeft geleverd, kan aan hem een extra beloning worden toegekend in het kader van motiverend belonen. Lid 2 Aan een afdeling kan eenmaal per jaar of eenmaal per twee jaar een gezamenlijke beloning voor getoonde inzet en ter versterking van de motivatie worden verstrekt in de vorm van een uitstapje. Lid 3De in het eerste lid bedoelde beloning is gebonden aan bepaalde maximum netto bedragen, zoals opgenomen in hoofdstuk 50:0:0:9 (ARA). Lid 4De in het tweede lid bedoelde beloning is gebonden aan een maximumbedrag per persoon, zoals opgenomen in hoofdstuk 50:0:0:9 (ARA). Lid 5De in het eerste lid bedoelde beloning kan terstond worden toegekend op grond van beoordeling van een prestatie of extra inzet in een periode van korter dan zes maanden. Lid 6Toekenning van beloningen anders dan die voor motiverend belonen gelden, zoals extra periodieke verhoging(en) en gratificaties, vinden onveranderd plaats in samenhang met het bestaande beoordelingssysteem en de jaarlijks vastgestelde procedure. Lid 7De invulling van de vormgeving van motiverend belonen binnen het door burgemeester en wethouders vastgestelde kader is gemandateerd aan de afdelingshoofden en directeuren. Lid 8De medezeggenschapsorganen bij de afdelingen/bedrijven toetsen de uitvoering van de regeling op hoofdlijnen. Lid 9Indien gekozen wordt voor het toekennen van extra verlof, gebeurt dit budget neutraal. Lid 10Bij toekenning van een beloning (geldbedrag of cadeaubon) moet altijd overleg plaats vinden met de afdeling personeelszaken van het Facilitair Bedrijf in verband met de verschuldigde loonbelasting. Artikel 3:1:1:11 Gratificaties Lid 1Indien een ambtenaar een uitstekende individuele prestatie heeft geleverd, kan aan hem een gratificatie als bedoeld in artikel 15:1:28 van de CAR/UWO worden toegekend. Lid 2 De in het vorige lid bedoelde gratificatie kan worden verleend als de ambtenaar voor een periode van zes maanden of langer een extra inspanning heeft verricht, dan wel aan een bijzonder resultaat heeft gewerkt, die boven zijn normale takenpakket uitgaat. Lid 3 Degene die de gratificatie toekent aan de medewerker, bepaalt de hoogte van de gratificatie. Artikel 3:1:1:12 Uitloopschalen Lid 1Een ambtenaar kan in aanmerking komen voor een bevordering naar een salarisschaal die één schaal hoger is dan zijn functionele schaal, de zogenaamde uitloopschaal. Lid 2De in het eerste lid bedoelde bevordering kan alleen worden toegekend indien de ambtenaar is ingedeeld in de voor zijn functie vastgestelde functionele schaal. Lid 3De ambtenaar kan alleen in aanmerking komen voor het plaatsen in een hogere schaal zoals bedoeld in het eerste lid, indien hij structureel bovengemiddelde prestaties heeft geleverd en/of inzet heeft getoond. Burgemeester en wethouders stellen hiervoor nadere regels. Lid 4Tegelijkertijd met het toekennen van een hogere salarisschaal dan de functionele schaal moet het Persoonlijk Ontwikkel Plan (POP) van de ambtenaar aangepast worden. Lid 5Bij aanpassing van het POP staat centraal hoe de ambtenaar binnen een periode van maximaal 3 jaar geplaatst kan worden in een functie die beter aansluit bij zijn uitstekend functioneren. Lid 6Voor een ambtenaar die functioneel geplaatst is in schaal 10, geldt als uitloopschaal 10A. Lid 7Voor een ambtenaar die functioneel geplaatst is in schaal 11, geldt als uitloopschaal 11A. Artikel 3:1:1:13 Garantietoelagen Lid 1garantietoelage Aan een ambtenaar kan een garantietoelage worden toegekend. De onder het vorige lid bedoelde toelage wordt toegekend aan de ambtenaar die er bij een reorganisatie dan wel de overgang naar een andere salarisstructuur, dan wel de overgang naar een ander functiewaarderingssysteem, in salaris op achteruit gaat. De hoogte van de garantietoelage bedraagt het verschil tussen het oude salaris en het nieuwe salaris, vermeerderd met eindejaarsuitkering en vakantietoeslag. Lid 2garantietoelage buitendienst Een ambtenaar, werkzaam in een handwerkfunctie in de buitendienst, die in aanmerking komt voor een markttoelage buitendienst, zoals bedoeld in artikel 3:1:1:15 , en die vóór 1 juli 2002 in dienst was bij de gemeente Amstelveen, komt ook in aanmerking voor een garantietoelage. De garantie toelage, zoals bedoeld in het vorige lid, wordt telkens aangepast aan de algemene salarismaatregelen. Het maximale bedrag van de garantietoelage is opgenomen in artikel 50:0:0:15 (ARA). Bij de bepaling van de hoogte van dit bedrag is rekening gehouden met het vakantiegeld. Bij indeling in een hogere salarisschaal wordt de garantietoelage verminderd met het bedrag van de laatste periodieke verhoging van de nieuwe schaal (=het verschil tussen de laatste periodiek en de één na laatste periodiek van deze nieuwe schaal). Artikel 3:1:1:14 Arbeidsmarkttoelage Lid 1Aan een ambtenaar of een groep van ambtenaren kan om redenen van werving of behoud een toelage worden toegekend, de zogenaamde arbeidsmarkttoelage. Lid 2Een voorstel voor een arbeidsmarkttoelage wordt altijd voorgelegd aan de directie. Lid 3De hoogte en de duur van de toelage als bedoeld in het eerste lid worden bepaald door de gemeentesecretaris, gehoord de directie. Lid 4De in het eerste lid bedoelde toelage wordt toegekend voor een tijdvak dat van tevoren is vastgesteld, met inachtneming van een maximum van drie jaar. De ambtenaar aan wie de toelage wordt toegekend, wordt vóór de datum van ingang van de toelage in kennis gesteld van de datum waarop de toelage afloopt. Lid 5De toelage als bedoeld in het eerste lid eindigt op de ingevolge het derde lid vastgestelde vervaldatum. Wanneer de arbeidsmarktsituatie waarop de toelage is gebaseerd nog steeds bestaat, kan opnieuw een toelage als bedoeld in het eerste lid aan de ambtenaar of de groep van ambtenaren worden toegekend. Lid 6Indien een toelage noodzakelijk is om een ambtenaar te werven, maar er geen aanleiding bestaat om een voor de hele functiegroep geldende arbeidsmarkttoelage toe te kennen, kan gebruik wordt gemaakt van de tijdelijke persoonlijke toelage, zoals bedoeld in artikel 3:7:8:1, tweede lid. Artikel 3:1:1:15 Markttoelage buitendienst Lid 1 Een ambtenaar, werkzaam in een handwerkfunctie in de buitendienst maakt aanspraak op een vaste maandelijkse toelage, de markttoelage buitendienst. Lid 2 De hoogte van de toelage, zoals bedoeld in het eerste lid, is opgenomen in artikel 50:0:0:13 (ARA) en wordt telkens aangepast aan de algemene salariswijzigingen. Lid 3De aanspraak op de toelage komt te vervallen indien: de ambtenaar niet langer in een in het eerste lid bedoelde functie werkzaam is. de ambtenaar wordt ingedeeld in schaal 7 of een hogere salarisschaal. Lid 4 Bij de medewerkers van de buitendienst waarbij een bevordering naar schaal 7 niet gepaard gaat met een verhoging van het salaris zoals beschreven in artikel 3:1:1:9, lid 1 onder b, treedt artikel 3:1:1:9, lid 1 onder c in werking. Lid 5De toelage, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt doorbetaald bij verlof en ziekte. Lid 6 Bij de berekening van overwerk wordt de toelage, zoals bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. Lid 7 De toelage is inclusief vakantiegeld. Artikel 3:1:1:16 Nadere instrumenten flexibele beloning Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor de toepassing en de hoogte van instrumenten voor flexibele beloning als bedoeld in artikel 3:1:1:10 tot en met artikel 3:1:1:
- Artikel 3:1:1:17 Beëindigen instrumenten flexibele beloning Bij het beëindigen van instrumenten van flexibele beloning als bedoeld in artikel 3:1:1:10 tot en met artikel 3:1:1:15 wordt geen afbouwregeling toegepast. Artikel 3:1:1:18 Aflopende toelage Lid 1 Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een TOD als bedoeld in artikel 3:3:1:1 een blijvende verlaging ondergaat, wordt een aflopende toelage toegekend indien: de blijvende verlaging tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de persoonlijke toelagen. de ambtenaar die TOD gedurende tenminste twee jaren heeft genoten zonder wezenlijke onderbreking, dit als bedoeld in artikel 3:3:1:1 direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan. Lid 2De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van zestig jaar bereikt en hij, onmiddellijk voor de aanvang van de toelage, gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking de TOD heeft genoten, over een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid. Lid 3 Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden. Lid 4 De in het eerste lid bedoelde toelage wordt toegekend voor een periode gelijk aan ¼ deel van de tijd gedurende welke de ambtenaar de TOD heeft genoten, maar voor ten hoogste drie jaren. De aldus berekende periode wordt onderverdeeld in drie gelijke perioden. Lid 5 Gedurende de deelperioden bedraagt de toelage respectievelijk 75%, 50% en 25% van de vermindering van de bezoldiging. Lid 6 Bij algemene salariswijzigingen worden de componenten voor de berekening van de aflopende toelage herzien conform de salariswijziging. Ondergaat het salaris van de ambtenaar een wijziging in verband met een indeling in een hogere salarisschaal, dan wordt de berekeningsbasis voor de toelage aangepast. Lid 7 Indien gedurende enige tijd in de uitkeringsperiode de berekeningsbasis voor de aflopende toelage daalt onder de 3% van de oude bezoldiging, dan wordt gedurende die tijd geen aflopende toelage uitbetaald. Artikel 3:1:1:19 Premie schadevrij rijden Lid 1Op grond van de premieregeling schadevrij rijden kan aan de chauffeur van een dienstauto een premie worden toegekend. Lid 2De premie wordt slechts uitgekeerd aan de chauffeur, die regelmatig als zodanig dienst doet; dus niet aan hem, die zo nu en dan eens als vervanger optreedt. Lid 3Op de premie kan aanspraak worden gemaakt, indien in een kalenderjaar: aan de auto van de gemeente geen schade is toegebracht, welke geheel of gedeeltelijk aan de schuld van de chauffeur kan worden geweten (dit ter beoordeling van het afdelingshoofd, waarbij een advies van de afdeling betalingsverkeer & verzekeringen als leidraad dient) en/of geen schade aan derden is toegebracht, waarvoor de gemeente aansprakelijk wordt gesteld en die uitsluitend en alleen aan de chauffeur in zijn hoedanigheid van chauffeur is te wijten. Lid 4De premie wordt bepaald op een bedrag per jaar, als bedoeld in artikel 50:0:0:4 (ARA), dat telkenmale bij een algemene salarismaatregel wordt aangepast. Lid 5Het bedrag per jaar, als bedoeld in artikel 50:0:0:4 (ARA), waarop de premie is vastgesteld wordt toegekend per dienstauto en op basis van het aantal chauffeurs. Met andere woorden: het totale premiebedrag wordt verdeeld onder hen, die regelmatig als chauffeur dienst doen; dit komt neer op een bedrag per persoon dat als volgt wordt berekend: premiebedrag x aantal dienstauto's : aantal "vaste" chauffeurs. Lid 6De premie wordt eens per halfjaar berekend en uitbetaald door de afdeling personeelszaken aan de hand van een door het afdelingshoofd te verstrekken opgave. Lid 7In daartoe aanleiding gevende gevallen is het afdelingshoofd bevoegd: de premie op een lager bedrag of nihil vast te stellen en een ambtenaar, die een chauffeur gedurende langere tijd heeft vervangen, een evenredig gedeelte van de premie toe te kennen. Lid 8De premie kan op een lager bedrag of nihil worden vastgesteld bij langdurige afwezigheid wegens ziekte (wanneer een chauffeur in een kalenderjaar langer dan een maand ziek is, wordt de premie berekend naar het aantal volle maanden dat hij in dat halfjaar dienst heeft gedaan). Lid 9Bij vervanging wordt de premie berekend op basis van het aantal volle maanden dat de vervanger in het betreffende kalenderjaar dienst heeft gedaan. Artikel 3:1:1:20 Toelage werkomstandigheden Lid 1In die gevallen waarin sprake is van niet-vermijdbare of niet te ondervangen bezwarende omstandigheden kan voor het werken onder die omstandigheden een extra beloning worden toegekend. Dit onder de stringente voorwaarde dat de werkzaamheden waaraan de bezwarende omstandigheden zijn verbonden slechts incidenteel voorkomen en daarmee kunnen worden geacht niet tot het normale takenpakket van de desbetreffende ambtenaar te behoren. Lid 2Aan werkzaamheden verbonden bezwarende omstandigheden dienen zo veel als mogelijk te worden beperkt dan wel te worden vermeden. Alléén daar waar dit niet of niet ten volle mogelijk is, mogen bezwarende omstandigheden worden geaccepteerd. Gevaren voor de veiligheid en gezondheid van medewerkers, alsmede alle overige zaken die bij wet of regelgeving verboden zijn, kunnen echter nimmer worden geaccepteerd. Lid 3Onder bezwarende omstandigheden in de zin van deze regeling worden verstaan: het werken met sterk onaangename geuren of werken met onaangenaam aandoende en sterk afkeer oproepende materialen; het verrichten van werkzaamheden waarbij men is blootgesteld aan een onaangenaam lage temperatuur; het werken in beschermende kleding bij een meer dan normale omgevingstemperatuur; alle andere dan de hiervoor bedoelde omstandigheden die naar het oordeel van de directeur in de zin van deze regeling zijn aan te merken als bezwarend. Lid 4Voor de hoogte van de beloning zijn de bezwarende omstandigheden in te delen in vier categorieën, te weten: categorie 1: licht bezwarend; categorie 2: matig bezwarend; categorie 3: ernstig bezwarend; categorie 4: zeer bezwarend. Daarbij is van categorie 3 en 4 in ieder geval sprake, wanneer er een combinatie van bezwarende omstandigheden is opgetreden. Lid 5De beloning bedraagt voor: categorie 1: 7,5%; categorie 2: 10%; categorie 3: 15% en categorie 4: 17,5% van de berekeningsbasis per uur of een deel daarvan dat sprake is geweest van werken onder bezwarende omstandigheden. Die berekeningsbasis is gelijk aan het tot een uurloon herleide bedrag van het maximum salaris van schaal 4 volgens bijlage IIa. Lid 6Ten aanzien van het aanmerken van omstandigheden als bezwarend en de indeling in een categorie voor de beloning dient het medezeggenschapsorgaan overeenstemming te bereiken met het afdelingshoofd. Lid 7In gevallen waarin niet tot overeenstemming kan worden gekomen beslist het college van burgemeester en wethouders. Artikel 3:1:1:21 Bezoldiging huwelijksvoltrekking Lid 1De ambtenaar van de burgerlijke stand, die niet tevens een andere bezoldigde betrekking in dienst van de gemeente Amstelveen bekleedt en uit hoofde van zijn functie belast is met het voltrekken van huwelijken, ontvangt hiervoor een vergoeding. Lid 2Deze vergoeding, opgenomen in artikel 50:0:0:10 (ARA), zal bij iedere algemene salariswijziging overeenkomstig de ter zake gegeven richtlijnen worden aangepast. Artikel 3:1:1:22 Onvoorziene gevallen Voor gevallen waarin deze verordening niet of niet billijk voorziet, treffen burgemeester en wethouders een bijzondere regeling. Artikel 3:1:1:23 Slotbepalingen Lid 1De bezoldigingsverordening gemeente Amstelveen, zoals vastgesteld 8 oktober 2002 en zoals sindsdien gewijzigd, wordt ingetrokken. Lid 2 Deze regeling werkt vanaf de datum van inwerkintreding terug tot 1 augustus 2009 en kan worden aangehaald als de “Bezoldigingsregeling gemeente Amstelveen
- Artikel 3:1:2 Waarnemingstoelage 1De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid. 2De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald. 3De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1 . Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming. 4Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt. 5Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen. Artikel 3:2 Overwerkvergoeding De ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste zin. Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding 1De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde. 2Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. 3Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met
- 5Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt: 100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur 50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur; 50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur; 25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:5 , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald. Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:5, derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:5, derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%. 6Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk.Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. 7Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen. 8Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. Artikel 3:2:1:1 Overwerkvergoeding Aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11, wordt bij overwerk een overwerkvergoeding toegekend conform wat is geregeld in artikel 3:2 en 3:2:
- Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst 1De ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op: maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur; zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur; zondag tussen 0.00 en 24.00 uur. 2In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld. 3In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld. 4In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3:3:1 Vervallen per 1-1-2014 Artikel 3:3A Beschikbaarheidsdiensten 1Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting bedoeld in artikel 2:1B, tweede lid, onderdeel c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend indien uitdrukkelijk is bepaald dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting rekening is gehouden. 2De ambtenaar die valt onder de standaardregeling en die aangewezen is voor het verrichten van beschikbaarheidsdiensten als bedoeld in artikel 2:1B, tweede lid, onderdeel c, heeft over de uren buiten het dagvenster dat hij daadwerkelijk arbeid verricht recht op een buitendagvenstervergoeding. Artikel 3:3a:0:1 Algemene bepalingen Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1; en de werknemer als bedoeld in artikel 2:5, lid 1, onderdeel a, met wie een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan. piketdienst: het zich door de ambtenaar buiten de voor hem vastgestelde dienst of werktijden, dan wel buiten de voor het dienstonderdeel waar hij werkzaam is vastgestelde bedrijfstijden, volgens rooster of op incidentele aanwijzing verplicht beschikbaar c.q. bereikbaar houden voor het eventueel verrichten van werkzaamheden; thuisgebonden beschikbaarheid: het aan de woning gebonden zijn van de ambtenaar tijdens de piketdienst in verband met het feit dat hij niet via door of vanwege de dienst beschikbaar gestelde draadloze verbindingsapparatuur bereikbaar is, dan wel fungeert als telefoonwacht; niet-thuisgebonden beschikbaarheid: het niet aan de woning gebonden zijn van de ambtenaar tijdens de piketdienst, omdat hij via door of vanwege de dienst beschikbaar gestelde draadloze verbindingsapparatuur bereikbaar is en er ook overigens geen noodzaak is voor thuisgebonden beschikbaarheid; berekeningsbasis: het hoogste salaris in schaal 3 opgenomen in bijlage IIa van de CAR; zondag: zondagen en daarmee gelijkgestelde dagen, als genoemd in artikel 4:5; roostervrije uren: de uren die voor de ambtenaar persoonlijk of voor het dienstonderdeel waar hij werkzaam is als roostervrije tijd zijn vastgelegd dan wel zijn ingeroosterd in zijn persoonlijk werkrooster of dat van zijn dienstonderdeel; directeur: Lid van de directie Hoofd Facilitair bedrijf Artikel 3:3a:0:2 Algemene bepalingen Lid 1 Voor het instellen van piketdiensten door de afdelingshoofd, zowel voor incidentele gevallen als structureel, is toestemming van de directie vereist. Lid 2 Een voorstel ter zake van de afdelingshoofd dient de instemming te hebben van de medezeggenschapsorgaan van zijn afdeling/bedrijf. Artikel 3:3a:0:3 Algemene bepalingen Lid 1 Het afdelingshoofd wijst de ambtenaren of groepen van ambtenaren aan op wie de verplichting rust volgens rooster dan wel incidenteel piketdienst te verrichten. Lid 2 Het rooster voor de piketdienst dat voor een aangewezen ambtenaar of groep van ambtenaren zal gaan gelden, wordt, na overleg met die ambtenaar of groep van ambtenaren, vastgesteld door het afdelingshoofd. Dit nadat hij over dit rooster overleg heeft gepleegd met de medezeggenschapsorgaan van zijn afdeling/bedrijf en die commissie aan het rooster zijn instemming heeft gegeven. Lid 3 Bij de aanwijzing, als bedoeld in lid 1, wordt door het afdelingshoofd, rekening houdend met onder meer het al dan niet beschikbaar gesteld zijn van draadloze verbindingsapparatuur, vastgelegd voor wie een thuisgebonden beschikbaarheid zal gelden en voor wie een niet-thuisgebonden beschikbaarheid. Lid 4 Wanneer een wijziging optreedt in onder meer de beschikbaarheid van draadloze verbindingsapparatuur, neemt het afdelingshoofd ter zake van de aard van de gebondenheid een nieuw besluit. Degene die leiding geeft aan het piket waarin de betreffende ambtenaar of groep van ambtenaren functioneert, meldt de betreffende wijziging binnen één week aan het afdelingshoofd. Artikel 3:3a:0:4 Algemene bepalingen Lid 1 Het rooster, als bedoeld in artikel 3:3a:0:3, lid 2, omvat weekdiensten die beginnen op enige dag in een week en die eindigen op dezelfde dag in de volgende week, op een door het afdelingshoofd vast te stellen tijdstip. Lid 2 Het in het vorig lid bedoelde tijdstip waarop een weekdienst begint kan worden vastgesteld op het einde van de voor de ambtenaar voor die dag vastgestelde werktijd dan wel het einde van de voor die dag voor het onderdeel van de afdeling/bedrijf waar de ambtenaar werkzaam is vastgestelde bedrijfstijd. Het in het vorig lid bedoelde tijdstip waarop een weekdienst eindigt kan worden vastgesteld op het begin van de voor die dag voor de ambtenaar gelden werktijd dan wel het begin van de voor die dag voor het onderdeel van de afdeling/bedrijf waar de ambtenaar werkzaam is geldende bedrijfstijd. Ook kunnen begin en einde van een weekdienst om praktische redenen worden vastgesteld op andere dan de hiervoor bedoelde tijdstippen. Lid 3 Het rooster wordt zodanig ingericht, dat in een periode van vier weken de ambtenaar gedurende ten minste tweemaal een periode van 7 x 24 uur aaneengesloten geen dienst behoeft te doen. Lid 4 Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen waarin daartoe door het afdelingshoofd de noodzaak wordt aangetoond van het gestelde in het vorig lid afwijken. Artikel 3:3a:0:5 Algemene bepalingen Aan de ambtenaar die op aanwijzing volgens rooster of in incidentele gevallen piketdiensten verricht worden door het afdelingshoofd, met inachtneming van hetgeen in de hierna volgende artikelen is bepaald, een geldelijke vergoeding en compensatie-uren toegekend. Artikel 3:3a:0:6 Geldelijke vergoeding en compensatie-uren Lid 1 De in artikel 3:3a:0:5 bedoelde geldelijke vergoeding voor de ambtenaar, ingedeeld in een rooster als bedoeld in artikel 3:3a:0:4, lid 1, wordt uitgedrukt in een percentage van de berekeningsbasis. Dit percentage bedraagt bij een frequentie in het verrichten van volle weekdiensten van: eenmaal in de twee weken: 17,6%; eenmaal in de drie weken: 11,7%; eenmaal in de vier weken: 8,7%; eenmaal in de vijf weken: 6,9%; eenmaal in de zes weken: 5,8%; eenmaal in de zeven weken: 4,9%; eenmaal in de acht weken: 4,3%; eenmaal in de negen weken: 3,8%; eenmaal in de tien weken: 3,5%; eenmaal in de elf weken: 3,2% en eenmaal in de twaalf weken van de berekeningsbasis.: 2,8% Lid 2 In het geval dat een piketdienst van een ambtenaar slechts een deel van de uren tussen het einde van de werktijd/bedrijfstijd op de ene werkdag en het begin daarvan op de volgende werkdag beslaat, wordt de vergoeding naar rato toegekend. Lid 3 Wanneer daar, naar het oordeel van het afdelingshoofd, aanleiding toe bestaat, kan deze, anders dan in gevallen bedoeld in het vorig lid, de in het eerste lid bedoelde vergoedingspercentages verlagen. Alvorens hij hiertoe kan overgaan, dient hij een gemotiveerd voorstel aan de medezeggenschapsorgaan van zijn afdeling/bedrijf te overleggen, die daarop zijn instemming dient te geven. Lid 4 Wanneer in een week waarin de ambtenaar dienst doet sprake is van roostervrije uren, dan wordt voor die uren een aanvullende vergoeding toegekend. Dit geldt in gelijke mate voor de uren tussen het tijdstip van einde van de bedrijfstijd van het onderdeel van de afdeling/bedrijf waar de ambtenaar werkzaam is en het tijdstip van 18.00 uur, voor zover die bedrijfstijd voor 17.00 uur eindigt. De vergoeding bedraagt in deze gevallen voor ieder uur waarop dienst wordt gedaan, voor zover vallend tussen 08.00 uur en 18.00 uur, 10% van de tot een uurloon herleide berekeningsbasis. Artikel 3:3a:0:7 Geldelijke vergoeding en compensatie-uren Lid 1 De ambtenaar die in incidentele gevallen dienst doet, heeft voor iedere volle week dienst doen aanspraak op een geldelijke vergoeding ter grootte van 8% van de berekeningsbasis. Lid 2 Wordt niet een volle week dienst gedaan, dan bedraagt de vergoeding voor ieder uur van de beschikbaarheid: voor uren op maandag tot en met zaterdag 10% van de tot een uurloon herleide berekeningsbasis en voor uren op zondagen 16% van de tot een uurloon herleide berekeningsbasis. Lid 3 Het bepaalde in artikel 3:3a:0:6, lid 2, is op de ambtenaar, bedoeld in de vorige leden, van overeenkomstige toepassing. Lid 4 Het bepaalde in de vorige leden is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die is ingedeeld in een rooster en die buiten de voor hem in het rooster vastgelegde diensten extra diensten verricht ter vervanging van afwezige collega's. Artikel 3:3a:0:8 Geldelijke vergoeding en compensatie-uren Alvorens bij afwezigheid van een volgens rooster dienst hebbend ambtenaar tot aanwijzing van een vervanger wordt overgegaan, dient door degene die leiding geeft aan het piket waarin de ambtenaar dienst doet te worden nagegaan of in de vervanging kan worden voorzien door ruiling van de dienst. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 3:3a:0:4, lid
- Artikel 3:3a:0:9 Compensatie-uren Lid 1 De ambtenaar die piketdienst verricht, heeft voor iedere volle week dienst doen, als bedoeld in artikel 3:3a:0:4, aanspraak op compensatie-uren en wel tot het volgend aantal: vier bij thuisgebonden beschikbaarheid en twee bij niet-thuisgebonden beschikbaarheid. Lid 2 De ambtenaar die aan het vorig lid aanspraken ontleent, heeft geen aanspraak op het extra verlof op grond van het bepaalde in artikel 6:2:1, lid
- Artikel 3:3a:0:10 Compensatie-uren Lid 1 De compensatie-uren, als bedoeld in artikel 3:3a:0:9, dienen door de ambtenaar te worden opgenomen uiterlijk zes weken na het einde van de week waarin de aanspraak is ontstaan. Lid 2 Indien het dienstbelang het niet toelaat dat de compensatie-uren binnen de in het vorig lid bedoelde termijn worden opgenomen, dan kan die termijn door de directeur eenmalig met vier weken worden verlengd. Artikel 3:3a:0:11 Compensatie-uren Wanneer de ambtenaar in een thuisgebonden beschikbaarheid dienst doet op één van de feestdagen genoemd in artikel 4:5, lid 1, en deze dag valt niet in een weekeinde, dan bestaat voor deze dag voor hem aanspraak op twee extra compensatie-uren. Artikel 3:3a:0:12 Overwerk tijdens piketdienst Lid 1 Wanneer de ambtenaar gedurende de uren waarover hij aanspraak heeft op een vergoeding volgens deze regeling overwerk verricht, is op hem het bepaalde in artikel 3:2 onverminderd van toepassing. Lid 2Wanneer sprake is van overwerk als bedoeld in het vorig lid, dan dient er rekening mee te worden gehouden dat ingevolge de bepalingen in en op grond van de Arbeidstijdenwet per dienst maximaal twaalf uren mag worden gewerkt en dat tussen twee diensten ten minste elf uren rust genoten moet worden. Hierbij wordt als een dienst aangemerkt alle werkzaamheden waarvan het begin binnen een en hetzelfde etmaal valt. Artikel 3:3a:0:13 Wegvallen of verminderen van de vergoeding Lid 1 De ambtenaar die als gevolg van reorganisatie of op medische gronden geen piketdiensten meer verricht of dit met een lagere frequentie gaat doen, heeft aanspraak op een aflopende vergoeding. Dit op voorwaarde, dat hij gedurende ten minste twee aaneengesloten jaren volgens rooster piketdiensten heeft verricht. Lid 2 De aflopende vergoeding volgens het vorig lid wordt door de directeur toegekend voor een periode die gelijk is aan een tiende deel van de tijd gedurende welke de ambtenaar in het piketrooster opgenomen is geweest. Deze periode wordt uitgedrukt in volle maanden, waarbij een berekend deel van een maand wordt afgerond naar boven op een volle maand. Voor de berekening wordt een jaar gesteld op 360 dagen en een maand op dertig dagen. Lid 3 De aflopende vergoeding bedraagt: gedurende de eerste twee maanden 75%; gedurende de volgende twee maanden 50% en vervolgens 25% van het bedrag van de laatst genoten vergoeding wanneer geen piketdiensten meer worden verricht dan wel van het bedrag waarmee de vergoeding wordt verminderd bij een lagere frequentie van dienst doen. Lid 4 Is de ambtenaar op de datum waarop sprake is van beëindiging of vermindering van de piketdienst 60 jaar of ouder of hij bereikt die leeftijd tijdens de periode waarover hij aanspraak zou hebben gemaakt op een aflopende vergoeding, dan behoudt hij de aanspraak op de vergoeding die hij laatstelijk voorafgaande aan die beëindiging of vermindering genoot. Artikel 3:3a:0:14 Overgangs- en slotbepalingen In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, treffen burgemeester en wethouders een voorziening. Artikel 3:3a:0:15 Overgangs- en slotbepalingen De bepalingen van deze regeling zijn niet van toepassing op hen die benoemd tot directeur/afdelingshoofd of teamleider/coördinator Artikel 3:3:1:1 Toelage onregelmatige dienst (TOD) Lid 1 Aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11 en voor wie de werktijden zijn vastgesteld conform artikel 3:3, wordt een toelage toegekend op grond van artikel 3:
- Lid 2 De toelage als bedoeld in het eerste lid bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel: 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6.00 en 8.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur; 40% voor de uren op zaterdag en voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur; 65% voor de uren op zondag en op feestdagen genoemd in artikel 4:2.1, derde lid, met dien ten verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris van salarisschaal
- Lid 3 Voor de in het vorige lid onder a. genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage slechts berekend indien de arbeid is aangevangen vóór 7.00 uur, respectievelijk beëindigd na 19.00 uur. Lid 4 In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen die het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt. Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de vastgestelde werktijden per week van de ambtenaar als bedoeld in artikel 4:3 en 4:8 anders dan op verzoek van de ambtenaar aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding. Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding 1Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde werktijd, de werktijden worden verschoven. 2Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd. 3De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon. Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald: in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef; op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend. Artikel 3:5:1 Ambtsjubileumgratificatie 1Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft.De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: op grond van artikel 8:3 ; op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; op grond van 8:11 indien en voorzover het een volledig ontslag betreft; en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend.Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. 2Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend. Artikel 3:5:1:1 Nadere uitwerking ambtsjubileumgratificatie Lid 1 Aan de ambtenaar die gedurende 12,5 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met een kwart van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met 70% van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf gulden. Lid 2 Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: op grond van artikel 8:3; op grond van artikel 8:5 of op grond van artikel 8:11 indien en voorzover het een volledig ontslag betreft; en die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt of overschreden, alsmede aan de ambtenaar die wordt ontslagen op grond van artikel 8:10, wordt een gratificatie wegens ambtsjubileum toegekend, mits hij bij voortduren van het dienstverband tot de pensioengerechtigde leeftijd een van de in het vorige lid bedoelde ambtsjubilea zou hebben gevierd. De gratificatie is dezelfde als waar hij bij viering van het jubileum recht op zou hebben gehad. Lid 3 Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: op grond van artikel 8:4, lid1 of op grond van artikel 8:5 en die de leeftijd van 60 jaar nog niet heeft bereikt, en die, indien het ontslag niet had plaatsgevonden, het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaar na de ontslagdatum had kunnen vervullen; alsmede aan de ambtenaar die wordt ontslagen op grond van: artikel 8:3 of artikel 8:5 en die de leeftijd van 60 jaar reeds heeft bereikt of overschreden en die, bij voorduren van het dienstverband tot de pensioengerechtigde leeftijd geen van de in lid 1 bedoelde ambtsjubilea zou hebben gevierd, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden: de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. Wanneer een ambtenaar na ontslag op grond van artikel 8:5 te eniger tijd opnieuw in dienst treedt, zal een in verband met het ontslag uitbetaalde proportionele gratificatie worden verrekend met de eerste ambtsjubileumgratificatie, waarop in de nieuwe betrekking aanspraak ontstaat. Lid 4 Bij gedeeltelijk ontslag wordt de ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend Artikel 3:5:1:2 Ambtsjubileum en herplaatsing Voor een ambtenaar, die, na afkeuring voor zijn betrekking, is herplaatst in een andere deeltijd of voltijd betrekking, wordt een ambtsjubileumgratificatie deels berekend naar de diensttijd in de oorspronkelijke betrekking en deels naar de diensttijd in de nieuwe betrekking. Daarbij wordt: het ene deel berekend op basis van het laatstelijk genoten salaris in de oorspronkelijke betrekking zoals dat op de dag van het jubileum zou hebben gegolden en het andere deel berekend op basis van het salaris dat betrokkene in de nieuwe betrekking geniet. Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering 1De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. 2De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. 3Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest. Artikel 3:7:1 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:2 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:3 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:4 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:5 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:6 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:7 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage 1Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat. 2De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. Artikel 3:7:8:1 Tijdelijke persoonlijke toelage Lid 1Aan een ambtenaar kan een tijdelijke persoonlijke toelage als bedoeld in artikel 3:7:8 van de CAR/UWO worden toegekend, indien de betrokkene gedurende een tijdvak van een tenminste twee jaar een bovengemiddelde individuele prestatie heeft geleverd. Lid 2In het bijzondere geval dat het noodzakelijk wordt geacht om redenen van werving een functionaris een toelage toe te kennen, kan worden afgeweken van het eerste lid en kan aan een ambtenaar bij de indiensttreding een tijdelijke persoonlijke toelage worden toegekend. Lid 3Een afdelingshoofd legt een voorstel een tijdelijke persoonlijke toelage toe te kennen voor aan de directie. De directie legt een voorstel voor het toekennen van een tijdelijke persoonlijke toelage aan een afdelingshoofd voor aan de gemeentesecretaris. Lid 4De directie respectievelijk de gemeentesecretaris bepaalt de hoogte en de duur van de toelage. Lid 5De in het eerste lid bedoelde toelage bedraagt maximaal 10% van de voor de betrokken ambtenaar geldende salarisschaal. De directie respectievelijk de gemeentesecretaris kan een lager percentage voorstellen, maar nooit minder dan 5%. Lid 6De in het eerste lid bedoelde toelage wordt voor een periode van maximaal drie jaar toegekend. De ambtenaar aan wie de toelage wordt toegekend, wordt vóór de datum van ingang van de toelage in kennis gesteld van de datum waarop de toelage afloopt. Lid 7De in het eerste lid bedoelde toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage wordt toegekend niet meer aanwezig zijn. Lid 8Tegelijkertijd met de toekenning van de in het eerste lid bedoelde toelage moet worden nagegaan welke inspanningen gepleegd moeten worden door zowel de ambtenaar als zijn direct leidinggevende, teneinde te bereiken dat eerstgenoemde in de toekomst kan worden bevorderd naar een hoger gewaardeerde functie, welke beter aansluit bij zijn niveau van functioneren. Artikel 3:8 Buitendagvenstervergoeding 1 De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college aangewezen is om arbeid te verrichten buiten het dagvenster als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, heeft recht op een buitendagvenstervergoeding. 2De buitendagvenstervergoeding bedraagt: 50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur; 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag; 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid. 3De ambtenaar die een functie bekleedt waaraan een functieschaal 11 of hoger verbonden is heeft geen recht op een buitendagvenstervergoeding. 4 Arbeidsduur en werktijden Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden 1De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster. 2Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur. 3De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar. 4Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college; de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven; de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken. 5Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden aangepast worden. 6De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden. 7Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk teveel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof. 8de ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is.. Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstervergoeding als bedoeld in artikel 3:
- 9Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing. 10Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk. 11Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstervergoeding, zoals omschreven in artikel 3:8, tweede lid, eerste aandachtstreepje. Artikel 3:8, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 12Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken. 13Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden Artikel 4:3 Werkingssfeer Artikel 4:4 Vaststelling werktijden Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen Artikel 4:7 Nadere regels Artikel 4:3 Werkingssfeer Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college. Artikel 4:4 Vaststelling werktijden 1 Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. 2De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. 3Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college deze vast in een rooster. 4Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen: De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar. De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken. Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen 1 De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. 2Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. 3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. 4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. 5Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend. Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3, arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. Artikel 4:7 Nadere regels Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen. Artikel 4:7:0:0 Regeling werktijden gemeente Amstelveen 2014 Inhoudsopgaveparagraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities Artikel 2 Toepassing Artikel 3 Arbeidsduur Artikel 4 Werktijden en pauze Artikel 5 Bedrijfstijd paragraaf 2 De standaardregeling Artikel 6 Dagvenster Artikel 7 bezetting en werkafspraken Artikel 8 Plaatsonafhankelijk werken Artikel 9 Buitendagvenstervergoeding Artikel 10 Beschikbaarheiddiensten paragraaf 3 De bijzondere regeling Artikel 11 Bijzondere regeling paragraaf 4 Slotbepalingen Artikel 12 Onvoorziene gevallen Artikel 13 Citeertitel en inwerkingtreding Bijlage A overzicht van functies op welke de bijzondere regeling van toepassing is Bijlage B berekening maximale formele arbeidsduur per jaar bij volledige betrekking Bijlage C locaties met afwijkende bedrijfstijden (art. 5 lid 2) paragraaf 1 Algemene bepalingenArtikel 1 DefinitiesVoor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Bedrijfstijd;de tijd waarin medewerkers op een gemeentelijke locatie werkzaamheden kunnen verrichten Werktijd;de periode waarin de medewerker arbeid verricht Pauze;een periode van een onafgebroken aantal minuten, voorafgegaan en gevolgd door werktijd, waarin geen arbeid wordt verricht Feitelijke arbeidsduur;het aantal uren dat de medewerkers in een bepaalde periode arbeid heeft verricht Formele arbeidsduur;de volgens de aanstelling vastgestelde omvang van het aantal uren dat de medewerker in een bepaalde periode arbeid moet verrichten Werkgever;het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen Medewerker;de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, sub a van de CAR-UWO Artikel 2 ToepassingLid 1Deze regeling is van toepassing op alle medewerkers. De regeling kent een standaardregeling en een bijzondere regeling. Lid 2De standaardregeling geldt voor de medewerkers die zelf (enige) regelruimte hebben voor het bepalen van hun werktijden. Lid 3De bijzondere regeling is van toepassing op medewerkers die volgens (wisselend) rooster werken, waarvoor de individuele werktijden éénzijdig door de werkgever worden vastgesteld. Die medewerkers hebben (vrijwel) geen regelruimte. Het college bepaalt welke functies onder de bijzondere regeling vallen. Deze functies zijn opgenomen in bijlage A bij deze regeling. Artikel 3 ArbeidsduurLid 1De formele arbeidsduur bedraagt bij een voltijd dienstverband gemiddeld 36 uren per week en ten hoogste 1831 uren per jaar, volgens de berekening zoals opgenomen in bijlage B bij deze regeling. Lid 2Bij een deeltijd dienstverband is de formele arbeidsduur per week het aantal uren zoals in de aanstelling is vermeld. De formele arbeidsduur per jaar wordt naar rato berekend. Lid 3De feitelijke arbeidsduur kan afwijken van de formele arbeidsduur, met inachtneming van de artikelen uit hoofdstuk 4 van de CAR-UWO. Artikel 4 Werktijden en pauzeLid 1De werktijden moeten binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven. Lid 2De werktijd is per dag ten hoogste 11 uren en per week ten hoogste 50 uren. Lid 3De medewerker die meer dan 5,5 uren op een dag werkt dient ten minste een half uur pauze te genieten. De pauzetijd kan ineens of in twee delen worden genoten. Lid 4De medewerker die meer dan 10 uren per dag werkt, heeft ten minste recht op 45 minuten pauze. Deze 45 minuten moet in minimaal twee delen worden genoten. Artikel 5 BedrijfstijdLid 1De bedrijfstijd kan per locatie verschillen. Indien voor een locatie geen bedrijfstijd is bepaald geldt daar een standaard bedrijfstijd van maandag tot en met vrijdag van 07:00 uur tot 19:00 uur. Lid 2In bijlage C bij deze regeling zijn locaties met van het vorige lid afwijkende bedrijfstijden opgenomen. paragraaf 2 De standaardregelingArtikel 6 DagvensterMedewerkers kunnen werkzaamheden verrichten binnen het dagvenster van maandag tot en met vrijdag tussen 07:00 uur en 22:00 uur. Artikel 7 bezetting en werkafsprakenLid 1De leidinggevende is verantwoordelijk voor de bezetting van de afdeling. Lid 2Eenmaal per jaar worden basisafspraken gemaakt tussen de leidinggevende en de medewerker over de werktijden binnen het dagvenster. Deze afspraken worden schriftelijk vastgelegd. Lid 3Dit onderwerp wordt besproken tijdens het jaarlijkse werkplangesprek. Lid 4Randvoorwaarden bij het maken van de basisafspraken over werktijden zijn een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering, een goede procesgang van de werkzaamheden en werkoverleg op de afdeling, bereikbaarheid voor interne en externe klanten, en tenslotte een optimale samenwerking en afstemming binnen en tussen de afdelingen. Lid 5De volgende onderwerpen over werktijden komen in ieder geval bij het jaarlijkse gesprek aan de orde: het aantal uren per werkdag dat de medewerker normaal gesproken werkt of gebruik zal worden gemaakt van een tijdregistratiesysteem Lid 6Tussentijdse bijstelling van de afspraken kan in overleg plaatsvinden. In ieder geval worden tweemaal per jaar de basisafspraken over werktijden geëvalueerd. Lid 7Wanneer de medewerker binnen het dagvenster werkzaamheden moet verrichten buiten de afgesproken werktijden wordt de gewerkte uren op een ander moment gecompenseerd. De leidinggevende en medewerker maken samen afspraken om de tijd op korte termijn te compenseren. Deze uren kunnen niet worden opgespaard of omgezet in vakantie-uren. Artikel 8 Plaatsonafhankelijk werkenDe medewerker kan de leidinggevende verzoeken op een andere locatie dan de gebruikelijke een deel van zijn of haar werkzaamheden te verrichten, voorzover dat deel niet plaatsgebonden is. De werkgever zorgt bij een gehonoreerd verzoek in dit verband voor toegang op afstand tot de individuele digitale werkomgeving. Artikel 9 BuitendagvenstervergoedingLid 1De medewerker die buiten het dagvenster werkzaamheden moet verrichten komt in aanmerking voor de buitendagvenstervergoeding zoals omschreven in artikel 3:8 CAR-UWO. Deze vergoeding bedraagt een percentage van het uurloon per buiten het dagvenster gewerkt uur. Deze gewerkte uren zelf worden op een ander moment gecompenseerd in overleg tussen de medewerker en de leidinggevende. Lid 2De medewerker die een functie bekleedt waaraan een functieschaal 11 of hoger verbonden is heeft conform artikel 3:8 CAR-UWO geen recht op een buitendagvenstervergoeding. Artikel 10 Beschikbaarheiddiensten Lid 1De medewerker die is aangewezen voor beschikbaarheiddiensten heeft hiervoor recht op een vergoeding. Lid 2De medewerker die wordt opgeroepen tijdens de beschikbaarheiddienst en werkzaamheden verricht binnen het dagvenster heeft recht compensatie van de gewerkte uren, en maakt over compensatie op korte termijn afspraken met de leidinggevende. Lid 3De medewerker die wordt opgeroepen tijdens de beschikbaarheiddienst en werkzaamheden verricht buiten het dagvenster, komt in aanmerking voor de buitendagvenstervergoeding zoals beschreven in artikel 3:8 CAR-UWO. Deze vergoeding bedraagt een percentage van het uurloon per buiten het dagvenster gewerkt uur. Deze gewerkte uren zelf worden op een ander moment gecompenseerd in overleg tussen de medewerker en de leidinggevende. paragraaf 3 De bijzondere regelingArtikel 11 Bijzondere regelingLid 1De bijzondere regeling is van toepassing op de in bijlage A opgenomen functies. Lid 2De leidinggevende stelt voor deze medewerkers eenzijdig de individuele werktijden vast conform artikel 4:4 CAR-UWO. Lid 3Medewerkers in de bijzondere regeling kunnen conform de bepalingen in de CAR-UWO aanspraak maken op de overwerkvergoeding (artikel 3:2:1 CAR-UWO), toelage onregelmatige dienst (artikel 3:3), beschikbaarheidsvergoeding (artikel 3:3:1 CAR-UWO) en verschuivingsvergoeding (artikel 3:4 CAR-UWO). paragraaf 4 SlotbepalingenArtikel 12 Onvoorziene gevallenIn gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet kan de werkgever een bijzondere voorziening treffen. Artikel 13 Citeertitel en inwerkingtredingDeze regeling kan worden aangehaald als de “regeling werktijden gemeente Amstelveen 2014” en treedt in werking met ingang van 1 januari
- Bijlage A overzicht van functies op welke de bijzondere regeling van toepassing isMagazijnbeheerder werf Chauffeur/machinist Medewerker afvalbreng- en overslagstation Medewerker beheer en onderhoud Monteur Vakbekwaam medewerker riolering Vakspecialist rioleringen Depotbeheerder composteerinrichting Straatreiniger Straatreiniger/machinist Straatreiniger/machinist/ongediertebestrijder Straatreiniger/chauffeur Tuinman Voorman Meewerkend voorman Integraal technisch medewerker Medewerker tractie Vakman Vakman/straatreiniger/machinist Vakman tractie Medewerker wijkbeheer/volière Vakvrouw Medewerker herstel Vakman spelrecreatie Medewerker Elsenhove Vakman schoolwerktuinen Handhaver Senior handhaver Parkeercontroleur Jongerenwerker A Jongerenwerker B Bode Aalsmeer Parkwacht/Gastheer Zorgvlied Bijlage B berekening maximale formele arbeidsduur per jaar bij volledige betrekkingAantel werkdagen per jaar, verminderd met het aantal, niet jaarlijks in het weekeinde vallende, feestdagen per jaar, gecorrigeerd met de kans dat zij periodiek in het weekeinde vallen. Aantal doordeweekse dagen 365,25 * 5/7 Nieuwjaarsdag - 5/7 2e Paasdag - 7/7 Koningsdag - 5/7 Bevrijdingsdag - 5/7 Hemelvaartsdag - 7/7 2e Pinksterdag - 7/7 1e Kerstdag - 5/7 2e Kerstdag - 5/7 Aantal werkdagen * 7,2 uren 254,32 Aantal uren 1831 Bijlage C locaties met afwijkende bedrijfstijden (artikel 5 lid 2)Locatie Raadhuis: maandag tot en met donderdag van 07:00 uur tot 19:00 uur, vrijdag van 07:00 uur tot 17:00 uur. Locatie Zorgvlied: maandag tot en met vrijdag van 07:00 uur tot en met 22:00 uur. Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters 1 De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster. 2Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een werktijdenregeling vast. 3Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden. Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid 1Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar 2Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode. 3De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan. 4In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 5In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 6In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. 7In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. 8In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 9In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. 10Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. 4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid. 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum. 3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid. 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 4a:3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding 1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. 2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld. Artikel 4a:3:0:1 Definities In deze regeling wordt verstaan onder: Werkgever:Gemeente Amstelveen, hierna te noemen Gemeente Amstelveen. Werknemer:Degene die een arbeidsovereenkomst heeft voor bepaalde en onbepaald tijd met de Gemeente Amstelveen. Medewerkers die gedetacheerd zijn, stagiaires, vakantiehulpen, wachtgelders, oproep- en invalkrachten en overige medewerkers niet in loondienst, vallen niet onder het begrip “werknemer” in de zin van deze regeling. Deelnemer:Een werknemer die gebruik maakt van het Nationale Fietsplan bij Gemeente Amstelveen. Nationale Fiets Projecten (ook wel afgekort als NFP):Een onafhankelijke niet merkgebonden organisatie die Gemeente Amstelveen adviseert en ondersteunt bij het inrichten en implementeren van het fietsplan, met als doel het fietsgebruik in woon-werkverkeer te stimuleren. Hiervoor heeft NFP zich verzekerd van samenwerking met alle grote Nederlandse rijwielfabrikanten en -importeurs. Bovendien heeft NFP middels overeenkomsten met erkende rijwielhandelaren een zeer dicht landelijk netwerk opgebouwd van meer dan 2.500 dealers. Woon-werkverkeer:Iedere in artikel 1:2 bedoelde werknemer die niet meer dan 15 kilometer van zijn werkplek woont en op meer dan de helft van het voor hem geldend aantal werkdagen per jaar gebruik maakt van de fiets voor het woon-werkverkeer, kan deelnemen aan het fietsproject. Onder woon-werkverkeer in de vorige volzin wordt tevens verstaan de afstand tussen woning van de ambtenaar en de dichtstbijzijnde stopplaats van een middel van openbaar vervoer waarvan de ambtenaar mede gebruik maakt voor het afleggen van de afstand tussen woning en werkplek. Fiets:Een rijwiel zonder hulpmotor (een fiets met elektrische trapondersteuning (zgn. E-bike) mag wel). Fietspakket:Het fietspakket omvat de volgende onderdelen: een fiets naar keuze; verplicht een driejarige fietsverzekering, diefstal of all-risk. NFP Fietskaart:Fietskaart waarop een werknemer de samenstelling van het fietspakket weergeeft en zijn aanvraag tot deelname ter goedkeuring voorlegt bij de werkgever. Aanvulling op de Arbeidsovereenkomst:De overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarin o.a. de voorwaarden voor deelname en het fietsgebruik wordt overeengekomen. Artikel 4a:3:0:2 Doel van het fietsplan Het Nationale Fietsplan bij Gemeente Amstelveen heeft ten doel het gebruik van de fiets voor het woon-werkverkeer door werknemers van Gemeente Amstelveen te bevorderen. Fietsen is niet alleen gezond, het is ook goedkoop, milieuvriendelijk en het levert bovendien een bijdrage tot het verminderen van parkeer- en fileproblemen. Tevens wil Gemeente Amstelveen hiermee haar arbeidsvoorwaardenpakket uitbreiden met één van de meest populaire arbeidsvoorwaarden: de ‘fiets van de zaak’. Artikel 4a:3:0:3 Fiscale faciliteiten: een compleet fietspakket
- FietsIn het Nationale Fietsplan schaft Gemeente Amstelveen een nieuwe fiets aan voor werknemers die deze fiets (willen gaan) gebruiken voor (een deel van) het woon-werkverkeer. Gemeente Amstelveen draagt de fiets direct na aanschaf in eigendom over aan de deelnemer, die daardoor meteen eigenaar van de fiets wordt. Bij een fietspakket boven € 530,- wordt de meerprijs d.m.v. een automatische incasso door NFP bij de deelnemer geïncasseerd, omdat deze buiten de faciliteiten van de fietsregeling valt. Uiteraard mag de fiets naast het woon-werkverkeer ook voor privé ritten worden gebruikt.
- VerzekeringOm zeker te zijn van lang fietsplezier is het bij het Nationale Fietsplan van Gemeente Amstelveen verplicht om een driejarige diefstal- of all-riskverzekering af te sluiten. De hoogte van de premie voor de verzekering is zowel afhankelijk van de fietsprijs als van de woonplaats van de werknemer. In sommige regio’s is het diefstalrisico dermate hoog dat gesproken wordt van risicogebieden. Een overzicht met de postcodes van de risicogebieden evenals de tarieven en belangrijkste verzekeringsvoorwaarden staan vermeld op achterzijde van de werknemersbrochure.Compleet fietspakket tot € 530,- gratisHet fiscaalvrije fietspakket, wat dus bestaat uit de fiets plus de fietsverzekering, wordt tot een maximum van € 530,- door Gemeente Amstelveen aan de deelnemer onbelast geschonken. De eventuele meerwaarde van het fietspakket wordt via een automatische incasso door NFP bij de deelnemer geïncasseerd. Artikel 4a:3:0:4 Voorwaarden voor deelname Lid 1 Deelname aan het Nationale Fietsplan staat open voor werknemers van wie het volgens de Belastingdienst opgestelde criteria aannemelijk is dat zij de fiets in voldoende mate voor het woon-werkverkeer zullen gebruiken. Dit fietsgebruik dient gedurende tenminste drie kalenderjaren op meer dan de helft van het aantal dagen dat de werknemer pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer plaats te vinden. Lid 2U moet daartoe wel in dienst zijn bij de gemeente en maximaal 15 kilometer van uw werk wonen. Lid 3Eens per vijf kalenderjaren is deelname aan de fietsregeling toegestaan, waarbij de datum van aflevering van de fiets als ingangsdatum bepalend is voor het berekenen van deze periode. Lid 4 Deelname geschiedt door het indienen van een volledig ingevuld en ondertekend NFP Fietskaart, evenals een volledig ingevulde en ondertekende Aanvulling op de Arbeidsovereenkomst. Artikel 4a:3:0:5 Keuze rijwielhandelaar en fiets Lid 1 Keuzevrijheid staat centraal in het Nationale Fietsplan. Het uitleveren van de fiets vindt plaats via één van de bij NFP aangesloten rijwielhandelaren, waarbij de werknemer keuze heeft uit ruim 2.500 erkende rijwielhandelaren. Het volledige overzicht met aangesloten dealers kan via de NFP website geraadpleegd worden: www.nationalefietsprojecten.nl/zoekrijwielhandelaar. Lid 2Iedere werknemer mag een fiets naar eigen keuze uitzoeken. Naast de A-merken Batavus, Cannondale, Gazelle, Giant, Koga Miyata, Puch, Rih, Sparta en Union komen dus ook alle andere merken in aanmerking. Deze overige merken dienen wel uit eigen voorraad van een aangesloten rijwielhandelaar te worden geleverd. Een deelnemer kan bij de dealer informeren naar de mogelijkheden. Lid 3De keuze van het type fiets is door de fiscus in die zin beperkt, dat er geen kinderfietsen of motorisch aangedreven fietsen gekozen kunnen worden. Fietsen met elektrische trapondersteuning, ook wel e-bikes genoemd, zijn daarentegen wel toegestaan. Voorts worden mannelijke werknemers geacht een herenfiets te kiezen en vrouwelijke medewerkers een damesfiets, waarvan alleen onder speciale omstandigheden kan worden afgeweken (bijvoorbeeld op basis van medische gronden). Artikel 4a:3:0:6 Aanmeldingsprocedure Lid 1De werknemer die gebruik wil en kan maken van het Nationale Fietsplan registreert zich via www.nationalefietsprojecten.nl/extranet door een eigen account aan te maken. De werknemer ontvangt hiertoe van Gemeente Amstelveen een Projectnummer en een Controle Code. Na het invullen van het eigen e-mailadres en een door de werknemer zelf te bepalen wachtwoord, kiest de werknemer voor ‘aanmaken’. De werknemer ontvangt vervolgens een e-mail met zijn accountgegevens en een stappenplan om de fiets daadwerkelijk te bestellen. De werknemer kan nu de NFP Fietskaart downloaden waar alle projectvoorwaarden van Gemeente Amstelveen op vermeld zijn. Met een uitdraai van deze NFP Fietskaart gaat de werknemer naar een aangesloten rijwielhandelaar om de fiets uit te zoeken. De werknemer vult samen met de rijwielhandelaar de NFP Fietskaart in. Let hierbij speciaal op de volgende zaken: Laat de rijwielhandelaar op het formulier de ‘fietsgegevens’ invullen en onder ‘levering’ aankruisen of de dealer de fiets aangeleverd dient te krijgen door de fabrikant óf direct uit eigen voorraad wil leveren. Bepaal de keuze voor de driejarige diefstal- of all-riskverzekering en vermeld dit onder ‘berekening’ bij het betreffende onderdeel van het fietspakket. Kruis bij ‘betaling’ de keuze ‘door werkgever’ aan en vul het totaalbedrag van het fiscaalvrije fietspakket tot maximaal € 530,-. Indien het fietspakket meer dan € 530,- bedraagt, wordt de meerprijs door middel van een automatische incasso door NFP bij de deelnemer geïncasseerd.Let er daarom op dat het bank- of girorekeningnummer wordt ingevuld. Lid 2De werknemer vult via www.nationalefietsprojecten.nl/extranet de gegevens digitaal in en bepaalt daar de keuze voor de driejarige diefstal- of all-riskverzekering en rondt door de vervolgstappen te volgen de bestelling verder