← Nederland

CAR/UWO (Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant)

In het kort

Deze regeling, de CAR/UWO van Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, definieert belangrijke begrippen en regelt de rechtspositie van ambtenaren binnen deze Veiligheidsregio. Het bepaalt wie als ambtenaar wordt beschouwd en wie niet, en onder welke voorwaarden bepaalde regels van toepassing zijn.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; vervallen arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt; overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand; Zvw: de Zorgverzekeringswet; CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; UWO: Uitwerkingsovereenkomst; functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking; LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; WIA:Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; WAJONG:Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; WAZ:Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; Waz :Wet arbeid en zorg; SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; WPA: de Wet privatisering ABP; FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt; ZW: de Ziektewet; ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. 2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Artikel 1:1:0:1 aanvulling Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant Ingevolge artikel 1:1 eerste lid sub j is de gemiddelde arbeidsduur per jaar vastgesteld op 1816,5 uren. Artikel 1:1:1:1 Begripsomschrijvingen vervolg Voor de toepassing van de CAR, de UWO en de lokaal geldende rechtspositieregelingen worden de volgende begripsomschrijvingen toegevoegd: Werkgever: Het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant. RAVMWB:Reglement Arbeidsvoorwaarden Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant. Artikel 1:1:1:2 Wijziging begripsomschrijvingen Voor de in de CAR/UWO voorkomende vermelding van “college van burgemeester en wethouders” wordt in de RAVMWB, als bedoeld in artikel 1:1:1:1, gelezen “het dagelijks bestuur”. Voor de in de CAR/UWO voorkomende vermelding van “de gemeenteraad” wordt in de RAVMWB, als bedoeld in artikel 1:1:1:1, gelezen “het algemeen bestuur”. Voor de in de CAR/UWO voorkomende vermelding van “de raad” wordt in de RAVMWB, als bedoeld in artikel 1:1:1:1, gelezen “het algemeen bestuur”. Voor de in de CAR/UWO voorkomende vermelding van “de gemeente” wordt in de RAVMWB, als bedoeld in artikel 1:1:1:1, gelezen “de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant”. Artikel 1:2 Geen ambtenaar 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening; de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg. 2 Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. 3Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing. Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar 1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. 2 Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. 4 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing. Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar. Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende. Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar. De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal

  1. Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente. Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en
  2. Artikel 1:2:3 Instapplan Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar. Artikel 1:3 Toepassing 1De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. 2Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel 1:3a Toepassing Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO 1Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. 2Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO 1Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. 2Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen. Artikel 1:5 Omvang van de betrekking Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. Artikel 1:6 Vrijstelling 1In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. 2De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. 2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Artikel 2:1:1:1 Vervallen (Vervallen) Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst 1 De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. 2Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit artikel. 3De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente. Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst 1De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. 2Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om: tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen; tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden; beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken. 3Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt. Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid 1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. 2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. 3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek 1 Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. 2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Artikel 2:4 Duur van de aanstelling 1 De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk. 2 Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling. 3 Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter. 4 In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen. 5 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden. 6 Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling. Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling 1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst. 2 Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. 3 De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Artikel 2:4:2 Vacatures 1 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. 2 Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Artikel 2:4:2:1 De gemeente kan voor werkzaamheden medewerkers inlenen op uitzend- of detacheringsbasis. Het betreft: Werkzaamheden van tijdelijke aard, waarbij het in het belang van de bedrijfsvoering nodig is om de werkzaamheden flexibel in te vullen. Werkzaamheden van structurele aard waarbij het in het belang van de bedrijfsvoering nodig is om de werkzaamheden flexibel in te vullen. Onder deze categorie vallen ook werkzaamheden van structurele aard waarbij de betreffende medewerker nog niet over de juiste kwalificaties beschikt. Op de medewerkers die bij de gemeente werkzaam zijn op uitzend- of detacheringsbasis zijn de bepalingen in de RAVMWB niet van toepassing. De gemeente leent een medewerker in principe maximaal voor een aaneensluitende periode van drie jaar op uitzend- of detacheringsbasis in. Als de gemeente besluit om na afloop van deze drie jaar de betreffende medewerker nog langer te werk te stellen, dan doet de gemeente de medewerker een eenmalig aanbod om aangesteld te worden als ambtenaar in vaste dienst. Als de medewerker niet wenst in te gaan op dit aanbod, dan dient hij dit vast te leggen in een schriftelijke en ondertekende verklaring. De detacheringsconstructie kan dan - ook na drie jaar - worden voortgezet. De ambtenaar kan hierna geen aanspraak meer maken op een aanstelling als ambtenaar in vaste dienst. Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst 1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. 2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. 3Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:
  3. Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht 1 De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 . 2De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur. 3 Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Artikel 2:6 Overgangsrecht 1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden. 2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli
  4. 3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 . 4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 . Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur 1 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 2 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 3 Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie. Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur 1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. 2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; het salaris evenredig wordt verhoogd; de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd; instemming van de ambtenaar is vereist; artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. 4Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. 3 Salaris en vergoedingsregelingen Artikel 3:1 Bezoldiging 1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend. 2In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt: schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop; salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage. 3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage II en IIa van de CAR. Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is. Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken. 4Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II . 5Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken: dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ; en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa . 6Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand. 7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. 8 Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Artikel 3:1:0:1 Bezoldiging In dit hoofdstuk worden in aanvulling op artikel 3:1 de volgende begrippen gebruikt: salarisanciënniteit: de tijd, die in aanmerking komt voor de vaststelling van het salaris van een ambtenaar op een hoger bedrag dan het voor een volwassene geldende minimum van de schaal, welke op zijn ambt betrekking heeft; conversie: de vertaling van de functiewaardering naar de salarisschaal. Artikel 3:1:1 Bezoldiging 1 De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn. 2Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde. 3Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen. 4Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd. Artikel 3:1:2 Waarnemingstoelage 1De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid. 2De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald. 3De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1 . Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming. 4Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt. 5Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen. Artikel 3:1:2:1 Waarnemingstoelage De ambtenaren, werkzaam in de technisch uitvoerende sector in een der schalen 1 tot en met 4, hebben aanspraak op een vergoeding voor elke dag der vervanging. In overige gevallen ontstaat eerst aanspraak op een vergoeding, indien in een aaneengesloten tijdvak van 6 weken tenminste 20 volle dagen is waargenomen, in welk geval de vergoeding over de dagen waarop reeds is waargenomen alsnog wordt uitbetaald. Artikel 3:2 Overwerkvergoeding De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin. Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding 1De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde. 2Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. 3Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met
  5. 5Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt: 100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur 50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur; 50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur; 25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald. Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%. 6Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk.Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. 7Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen. 8Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst 1De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op: maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur; zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur; zondag tussen 00.00 en 24.00 uur. 2In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld. 3In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld. 4In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3:3:1 Beschikbaarheidsdiensten Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 2:1B , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden. Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding. Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven; werktijd, deze werktijd wordt verschoven. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd. De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon. In afwijking van het in het derde lid bepaalde, bedraagt de verschuivingsvergoeding verricht op: zondag of een der feestdagen, bedoeld in artikel 4:1:1 derde lid: 100%; zaterdag of een andere dienstvrije dag: 50%. Indien de uitvoering van het bepaalde in het vierde lid voor bepaalde categorieën van ambtenaren naar het oordeel van het college op overwegende bezwaren stuit, zijn zij bevoegd daarin te voorzien door het stellen van nadere regelen. Voor verschuivingsvergoeding komt niet in aanmerking de ambtenaar voor wie, naar het oordeel van het college, bij de vaststelling van de bezoldiging of bij de regeling van de overige rechtspositie het verrichten van arbeid, als in het eerste lid bedoeld in aanmerking is genomen. Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald: in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef; op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend. Artikel 3:5:1:1 Ambtsjubileumgratificatie Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met de gehele bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: op grond van artikel 8:3; op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; op grond van artikel 8:10 of 8:11 indien en voorzover het een volledig ontslag betreft; en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend. Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering 1De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. 2De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. 3Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest. Artikel 3:7:1 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:2 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:3 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:4 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:5 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:6 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:7 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage 1Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat. 2De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. Bedragen van diverse vergoedingen en toelagen Maaltijdvergoeding bij overwerk: vergoeding werkelijke kosten tot Maximaal € 17.69 Artikel 2 Vergoeding EHBO-taak* € 10,07 Artikel 7 Vergoeding BHV* € 17,88 Artikel 8 Vergoeding bewonen dienstwoning:*Dienstwoning gemeentewerf Bewoningsplicht van dienstwoning bij droge sportaccommodaties met bewakingsplicht en inzet bij storingenBewoningsplicht van dienstwoning bij natte accommodaties € 131,71€ 382,76€ 168,39 Artikel 9 Vergoeding sneeuwruimen* € 1,76 Artikel 10 Bijdrage werkgever aan de maaltijd van de medewerker in de 24 uursdienst: € 2,15 Tegemoetkoming voor de medewerker in de 24 uursdienst die geen warme maaltijd geniet: € 2,15 Deze bedragen vormen de helft van het normbedrag per warme maaltijd zoals gehanteerd door de belastingdienst (september 2010). Deze vergoeding wordt automatisch aangepast aan de bedragen zoals vastgesteld door de belastingdienst in tabel 8: “maaltijden in bedrijfskantines”. Duiktoelage brandweer: gediplomeerd duiker per maand*Duiktoelage brandweer: duiker in opleiding per maand* € 71,48€ 35,12 Artikel 1 Vergoeding duikinstructeur per uur:Vergoeding assistent-duikinstructeur per uur (de helft) € 31.00€ 15.50 Artikel 1 Instructievergoeding Brandweerpersoneel (conform normen Landelijk Overleg Brandweer Opleidingen) m.i.v. 08-07-03 - voor groep t/m niveau rang hoofdbrandwacht, per uur: - voor groep vanaf niveau onderbrandmeester, per uur: € 31.00€ 35.00 Artikel 2 Toelage Repressieve Dagdienstbrandweer* € 115,17 Artikel 3 Maaltijdvergoeding bij dienstreizen: vergoeding werkelijke kosten tot Maximaal € 19,57 Artikel 15:1:22 Kilometervergoeding bij dienstreizen i.k.v. lokale regeling Bruto € 0.37 Artikel 15:1:22 Maximum vergoeding dubbele woonkosten (per maand) € 286,10 Artikel 18:1:5 lid 1b Maximum verhuiskostenvergoeding (onbelast maximaal 12% van het jaarloon) € 5.721.52 Artikel 18:1:5 lid 1c Vergoeding verplaatsingskosten bij eerste indiensttreding gedurende maximaal twee jaar: Openbaar vervoer: - gedurende maximaal 2 jaar volledige vergoeding van de gemaakte reiskosten woon-werkverkeer per openbaar vervoer, tweede klasse. Bij het reizen per trein geldt een tegemoetkoming tot een maximaal bedrag per maand, gebaseerd op de maximumprijs van een NS-jaar-trajectkaart tweede klasse. Max. € 3.540 per jaar Artikel 18:1:7 lid 1 en 2 Eigen vervoer: - Bij gebruikmaking van eigen vervoer i.p.v. openbaar vervoer van en naar dichtstbijzijnde NS-station geldt een vergoeding op jaarbasis. - Maandelijkse vergoeding voor verhuisplichtige ambtenaren, werkzaam op een volgens het college niet of niet doelmatig met het openbaar vervoer te bereiken plaats, al dan niet i.v.m. opgedragen werktijden: € 95,62 per jaar Artikel 18:1:7 Lid 3 Artikel 18:1:7 lid 4 Afstand enkele reis 1 dag per week 2 dagen per week 3 dagen per week 4 of meer dagen per week 0 t/m 10 km € 8.13 € 16.25 € 24.38 € 32.50 11 t/m 25 km € 16.25 € 32.50 € 48.75 € 65.00 16 t/m 20 km € 22.75 € 45.50 € 68.25 € 91.00 21 km of meer € 32.50 € 65.00 € 97.50 € 130.00 Maximum pensionkosten per maand € 391.15 Artikel 18:1:9 lid 1 Stagevergoeding MBO* € 243,07 Stagevergoeding HBO/WO* € 364,61 * Aanpassing van deze bedragen geschiedt conform de loonontwikkelingen in de Sector Gemeenten. 1 juni 2007 Artikel 1 Bezoldiging De aanspraak op bezoldiging vangt aan met de dag, waarop de aanstelling ingaat. Is in het besluit tot aanstelling geen datum van ingang vermeld, dan vangt het genot van bezoldiging aan met de dag, waarop het ambt wordt aanvaard. De bezoldiging wordt maandelijks vóór of op de laatste dag van de maand uitbetaald. Met betrekking tot de wijze van uitbetaling van de bezoldiging stelt het college nadere regels vast. Artikel 2 In gevallen, waarin de bezoldiging of de kortingsbedragen moeten worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt de bezoldiging of de korting per dag vastgesteld door de bezoldiging of korting per maand te delen door het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand. Salaris en toelagen, uitgedrukt in een bedrag per jaar worden per kalendermaand berekend op een twaalfde gedeelte van het jaarbedrag. Voor de berekening van salaris en toelagen over een gedeelte van een jaar vindt het bepaalde in het eerste lid overeenkomstige toepassing. Artikel 3 Inpassing tijdens dienstverband Het dagelijks bestuur bepaalt met inachtneming van de Regeling ODRP/OFS 2004 de voor de ambtenaar geldende salarisschaal. Als de ambtenaar nog niet voldoende functioneert, of hij nog niet alle bij de functie behorende activiteiten verricht, kan aan de ambtenaar een lagere dan de vastgestelde salarisschaal worden toegekend. Voor de toepassing van de tweede volzin van lid 1 van dit artikel, is met betrekking tot de functie van “Manschap C” binnen de stedelijke clusters Tilburg, Breda, Bergen op Zoom/Roosendaal een gedetailleerd instroom- en doorlooptraject vastgesteld. De regeling “Bevorderingsbeleid manschap C/ augustus 2009/ versie 0.1.” is als bijlage aan deze regeling toegevoegd. Met in achtneming van het bepaalde in lid
  6. van dit artikel vindt aanstelling bij aanname of bij bevordering naar een hogere functie plaats in de aanloopschaal, zijnde de schaal welke vooraf gaat aan de functionele schaal waar bij de schalen 10a en 11a buiten beschouwing worden gelaten. Bij bevordering van de aanloopschaal naar de functionele schaal of bij bevordering naar een hogere functie wordt het salaris in de nieuwe schaal vastgesteld op het naast hogere bedrag in die schaal, waarmee gerealiseerd wordt dat het verschil tussen het oude salaris en het nieuwe salaris van de ambtenaar ten minste 75% bedraagt van het gemiddelde van de periodieken in de nieuwe schaal. Bevordering van de aanloopschaal naar de functionele schaal vindt niet eerder plaats dan nadat er met betrekking tot de ambtenaar is vastgesteld dat: hij de functie volledig vervult; hij functioneert volgens de gestelde functie-eisen; hij tenminste een jaar in de aanloopschaal dienst heeft gedaan; er voorts geen belemmeringen zijn die aan een bevordering naar de functionele schaal in de weg staan. Bevordering van de medewerker naar de functionele schaal vindt met inachtneming van het bepaalde in lid 5 onder c automatisch plaats indien er zonder goede grond geen beoordeling van de medewerker heeft plaatsgevonden. Hiervan is sprake als dit verzuim in overwegende mate te wijten is aan de leidinggevende die de beoordeling diende op te maken en de ambtenaar met betrekking tot de beoordeling hierom ten minste een maal schriftelijk heeft verzocht. Voor de toepassing van de leden 4, 5 en 6 in dit artikel geldt dat zij eveneens van toepassing zijn op de functie “Manschap C” zoals vernoemd in lid 2 van dit artikel. Artikel 4 Inpassing bij indiensttreding Bij aanstelling van een ambtenaar wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 5, het salaris vastgesteld op het bedrag, dat in die schaal vermeld is voor de salarisanciënniteit, welke het college hem heeft toegekend; Voor een ambtenaar, die een ambt bekleedt, waarvoor geen salarisschaal geldt, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 5, het salaris vastgesteld op het voor het desbetreffende ambt aangegeven bedrag. Artikel 5 Het college kan het salaris hetzij bij aanstelling, hetzij nadien vaststellen op een lager bedrag dan ingevolge de overige bepalingen van deze regeling voor de ambtenaar zou gelden op grond van: waarneming van een ambt, tezamen met een of meer andere ambten; niet-volledige werktijd; in bijzondere door het college te bepalen gevallen. In geval van overgang naar een ambt gerangschikt in dezelfde schaal wordt voor de vaststelling van de salarisanciënniteit in het nieuwe ambt mede rekening gehouden met de in het verlaten ambt verworven salarisanciënniteit. In geval van bevordering wordt de salarisanciënniteit zodanig vastgesteld, dat het salaris in de nieuwe schaal te allen tijde uitgaat boven het salaris, dat de ambtenaar in de verlaten schaal zou hebben genoten. Artikel 6 Salarisanciënniteit Bij voldoende bekwaamheid, geschiktheid en dienstijver verwerft de ambtenaar een salarisanciënniteit gelijk aan de tijd gedurende welke hij als zodanig in het door hem beklede ambt is gesalarieerd, onverminderd de gevolgen van toepassing van hetgeen overigens met betrekking tot de salarisanciënniteit in dit hoofdstuk is bepaald. Artikel 7 De aan de ambtenaar verleende eerste salarisanciënniteit volgens de salarisschaal, welke op hem van toepassing is verklaard, neemt toe met de tijd, gedurende welke die schaal voor hem blijft gelden. Artikel 8 De tijd, gedurende welke de ambtenaar krachtens wettelijk voorschrift verlof geniet ter vervulling van militaire of daarvoor in de plaats tredende dienst wordt in aanmerking genomen voor de vaststelling van de salarisanciënniteit, onverminderd hetgeen overigens dienaangaande in dit hoofdstuk is bepaald. Artikel 9 Voor de vaststelling van de salarisanciënniteit telt niet mede: de tijd, doorgebracht met verlof buiten genot van bezoldiging indien het verlof is verleend uitsluitend in het belang van de ambtenaar, dan wel is verleend onder voorwaarde, dat bedoelde tijd niet zal meetellen voor de vaststelling van de salarisanciënniteit; de tijd, doorgebracht met verlof buiten genot van bezoldiging, voor zover deze een tijdvak van een jaar te boven gaat; de tijd, gedurende welke de ambtenaar in de uitoefening van zijn ambt is geschorst: bij wijze van disciplinaire straf; op grond van het feit, dat tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf is ingesteld, of hem door het bestuursorgaan het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag te kennen is gegeven, of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan, dan wel dat hij in verzekering is gesteld, of zich in voorlopige hechtenis bevindt; in het belang van de dienst. Het bestuursorgaan kan beslissen, dat het bepaalde in het eerste lid, onder a en/of b en c, ten 3e geen toepassing vindt. Indien vaststaat dat een schorsing als bedoeld in het eerste lid, onder c, ten 2e, niet door het ten uitvoer leggen van een straf is gevolgd noch zal worden gevolgd, telt de tijd van deze schorsing alsnog mede bij de vaststelling van de salarisanciënniteit. Artikel 10 Ingangsdatum periodieke verhoging Een verhoging van het salaris gaat in met ingang van de eerste van de maand, waarin overeenkomstig de overige bepalingen van deze regeling en de regeling “functiebeschrijving en –waardering" de aanspraak zal ontstaan. Artikel 11 Bij onvoldoende bekwaamheid, geschiktheid of dienstijver kan de salarisanciënniteit door het bestuursorgaan worden vastgesteld op een geringer tijdvak dan is aangegeven in artikel 3:1 dan wel worden bepaald, dat verdere diensttijd niet of slechts ten dele zal meetellen voor de vaststelling van de salarisanciënniteit. Toepassing van het bepaalde in het eerste lid mag niet leiden tot vermindering van het reeds toegekende salaris. Indien na toepassing van het bepaalde in het eerste lid daartoe termen aanwezig zijn, kan het bestuursorgaan bepalen, dat de daaruit voor de ambtenaar voortvloeiende nadelen, hetzij met terugwerkende kracht, hetzij voor de toekomst, geheel of gedeeltelijk ongedaan worden gemaakt. Van de ingevolge dit artikel genomen maatregelen wordt onverwijld schriftelijk mededeling gedaan aan de ambtenaar onder opgave van de daaruit voor de eerstvolgende verhoging van zijn salaris voortvloeiende gevolgen. Artikel 12 Flexibele beloning Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de betrekking kan aan de ambtenaar, naast een tevredenheidsbetuiging, een bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van: extra verlof; gratificatie; Aan de ambtenaar die reeds vier jaar volgens het maximum van de functionele schaal wordt bezoldigd en die bovendien een duidelijke meerwaarde ontleent aan zijn anciënniteit wordt indien hij gedurende vernoemde periode een beoordeling "goed" heeft behaald een extra incidentele beloning toegekend. Artikel 13 Vervroegde of extra periodieke verhoging Het college kan aan de ambtenaar, behoudens de grens van het voor hem vastgestelde maximum salaris wegens buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en dienstijver salarisanciënniteit met ingang van een vroegere datum toekennen dan waarop hij op de gewone wijze volgens artikel 6, naar gelang van de voor de berekening van het salaris geldende salarisanciënniteit in de schaal zou worden verkregen, dan wel meer salarisanciënniteit buitengewoon toekennen, alsmede hem in beide gevallen bovendien nog een extra tijd toekennen voor de bepaling van verdere salarisanciënniteit. Deze bepaling vindt geen toepassing ten aanzien van de ambtenaar die in de schaal waarin hij is ingepast, een salaris heeft bereikt dat niet jaarlijks kan worden verhoogd. Artikel 14 Het college kan de bezoldiging van de reeds in dienst zijnde ambtenaar, die als gevolg van een interne sollicitatie in een andere functie is benoemd en die is ingepast in een hogere schaal dan hij voordien had, bij een onvoldoende eindoordeel over zijn functioneren na het doorlopen van de met hem aangegane proeftijd, zodra hem een andere passende functie wordt aangeboden, terugbrengen naar de schaal en de salarisanciënniteit, welke hij zou hebben gehad, ware hij niet in die andere functie benoemd. Artikel 15 Het college is bevoegd regelen te stellen ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk. In gevallen, waarin toepassing van dit hoofdstuk aanleiding geeft tot onbillijkheden ten opzichte van de ambtenaar, treffen zij bijzondere voorzieningen. Artikel 16 Het college is bevoegd de bedragen in de tabellen met betrekking tot inconveniëntentoelage en leeftijd-anciënniteitstoelage te herzien met dezelfde percentages, waarmede de salarisbedragen worden herzien, gehoord de commissie voor Georganiseerd overleg. Artikel 17 Inwerkingtreding Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling Beloningsbeleid Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant” en treedt in werking op 1 januari
  7. Bijlage bevorderingsbeleid/doorstroomcriteria binnen de doorloopschalen naar de functionele schaal Manschap C Artikel 1 Functiebeschrijving en -waardering In dit artikel wordt verstaan onder: ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1 en de werknemer als bedoeld in artikel 2:5; organieke functie: het geheel van taken, dat blijkens een organieke beschrijving door de ambtenaar dient te worden verricht; organieke beschrijving: de samenvattende beschrijving van de inhoud van een organieke functie; organisatorische eenheid: een verzameling organieke functies die in organisatorisch opzicht een bepaalde samenhang vertonen en onder een en dezelfde leiding staan; De algemeen directeur: de functionaris die onder de directe verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur de leiding heeft over een aan hem toegewezen (deel van de) organisatie. functiedeskundige: de door het dagelijks bestuur aangewezen deskundige functionaris, al dan niet in dienst van de aangesloten organisatie, die belast is met de uitvoering van deze regeling; functieschaal: de salarisschaal welke blijkens het functiewaarderingsresultaat overeenkomt met de waarde van de functie, zoals deze tot uitdrukking komt via de conversietabel; conversietabel: de tabel die de vertaling mogelijk maakt van waarderingsresultaten naar functieschalen; bezwarencommissie: de commissie zoals bedoeld in artikel 7, lid 2, die het dagelijks bestuur adviseert over een bezwaar tegen de functiewaardering en de daaraan gekoppelde salarisschaal. De vaststelling van de functiebeschrijving en functiewaardering gebeurt met toepassing van de regeling ODRP/OFS
  8. Deze is als bijlage toegevoegd. Artikel 2 Werkingssfeer functiewaardering Alle bij de aangesloten organisatie voorkomende organieke functies zullen samenvattend (getypeerd) worden vastgelegd en gebundeld in een functieboek. Alle organieke functies als vastgelegd in het functieboek zullen van een functieniveau worden voorzien volgens de geldende methode van functiebeschrijving en functiewaardering, als bedoeld in artikel
  9. Van het gestelde onder lid 2 worden uitgesloten de functies van: stagiaires; vakantiekrachten; (gewezen) ID-banen; Functies uitgeoefend in het kader van de Wet Sociale werkvoorziening. Om zwaarwichtige redenen kan het dagelijks bestuur ook andere dan de in lid 3 bedoelde functies van het onder lid 2 gestelde uitsluiten. Artikel 3 De organieke beschrijving Door of namens algemeen directeur wordt met behulp van een standaardformulier een concept organieke beschrijving opgesteld. De organieke beschrijving van de algemeen directeur wordt opgesteld door of namens het dagelijks bestuur. De concept organieke beschrijving wordt door de opsteller, als bedoeld in lid 1, besproken met de direct leidinggevende; Indien dat naar het oordeel van de algemeen directeur wenselijk is, wordt de concept organieke beschrijving aangepast en door hem ondertekend. Indien er sprake is van een aanpassing wordt hiervan verslag gedaan in het op te stellen advies voor de vaststelling. De direct leidinggevende tekent de concept organieke beschrijving en het eventueel bijgevoegde verslag voor gezien; Indien de algemeen directeur instemt met de concept organieke beschrijving, tekent hij deze voor akkoord en brengt hij de typering ter kennis van de medewerker(s); Indien de algemeen directeur, na (eventuele) reactie van de medewerker instemt met de (eventueel aangepaste) organieke beschrijving, tekent hij deze voor akkoord; Indien de organieke beschrijving wordt opgesteld in het kader van een structurele wijziging van de organisatie waarbij meerdere functies betrokken zijn, legt de algemeen directeur in zijn hoedanigheid van bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden de te wijzigen organieke beschrijvingen tevens ter advisering voor aan de Ondernemingsraad. Met inachtneming van het advies van de Ondernemingsraad stelt het dagelijks bestuur vervolgens de organieke beschrijvingen vast. Een wijziging in een organieke beschrijving kan maximaal met 1 jaar terugwerkende kracht worden doorgevoerd. In samenhang hiermee worden voor zover noodzakelijk de organieke beschrijvingen jaarlijks in een zogenaamde onderhoudsronde aangepast. Indien de wijziging van een organieke beschrijving langer dan 1 jaar in beslag neemt wordt als datum ingang gehanteerd de datum waarop de ambtenaar, de leidinggevende van de ambtenaar of de algemeen directeur schriftelijk te kennen heeft gegeven dat de organieke beschrijving niet in overeenstemming is met de organieke functie. Artikel 4 Eerste organieke beschrijving en wijziging van een organieke beschrijving, alsmede bezwaar Organieke beschrijvingen worden opgemaakt voor nieuwe organieke functies welke duurzaam worden vervuld, alsook bij wijziging van de organisatie of wijziging van de taakinhoud van een of meer organieke functies, alsdan voor alle functies die bij deze wijziging zijn betrokken. Indien de ambtenaar het met het besluit tot eerste opstelling of wijziging van een organieke beschrijving van de door hem vervulde functie niet eens is, kan hij gebruik maken van de mogelijkheden van het maken van bezwaar conform de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht. Dit wordt in de bezwarencommissie behandeld zoals genoemd in artikel 7, lid
  10. Artikel 5 Vaststelling functiewaarderingsresultaat Het Dagelijks Bestuur stelt de methodiek van functiewaardering, alsmede de conversietabel vast. Na vaststelling van de organieke beschrijving door de algemeen directeur, doet de algemeen directeur op advies van de functiedeskundige een voorstel tot waardering van de functie aan het Dagelijks Bestuur. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld zijn mening ten aanzien van de waardering kenbaar te maken. Het dagelijks bestuur stelt het functiewaarderingsresultaat vast op grond van het voorstel ter zake van de algemeen directeur, het (eventuele) standpunt van de ambtenaar en het advies van de functiedeskundige. Het dagelijks bestuur stelt de ambtenaar en de algemeen directeur schriftelijk van het in lid 3 bedoelde besluit in kennis. De functiedeskundige is bevoegd functionarissen te horen die met betrekking tot de aan de orde zijnde zaken relevante toegevoegde informatie kunnen verstrekken. Artikel 6 Besluitvorming Het dagelijks bestuur stelt de waardering van de functie alsook, met toepassing van de conversietabel, het niveau van de functie vast, zulks met inachtneming van het advies van de algemeen directeur. Indien van dit advies wordt afgeweken, wordt dit inhoudelijk gemotiveerd. Het besluit van het dagelijks bestuur inzake de functiewaardering alsmede de toepasselijke functieschaal wordt vervolgens schriftelijk en gemotiveerd bekend gemaakt aan de ambtenaar en diens leidinggevende(n). Artikel 7 Mogelijkheden tot het maken van bezwaar Het dagelijks bestuur stelt een bezwarencommissie in welke tot taak heeft het dagelijks bestuur van advies te dienen ter zake bezwaren betreffende de functiewaardering of -beschrijving. Het dagelijks bestuur neemt een definitief besluit, rekening houdend met het advies van de bezwarencommissie. Van dit besluit wordt de ambtenaar schriftelijk en gemotiveerd in kennis gesteld. Artikel 8 Slotbepalingen In die gevallen waarin deze regeling niet voorziet beslist het dagelijks bestuur. De methode functiebeschrijving en functiewaardering ODRP/OFS 2004 is opgenomen in de bijlagen. Artikel 9 Inwerkingtreding Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling Functiebeschrijving en –waardering Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant” en treedt in werking op 1 januari
  11. ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)® 2004 1 Voorwoord 2 Inleiding 2.1 Varianten binnen het systeem 2.2 Competentiebeloning 3 Systeemintroductie 3.1 Inleiding tot het systeem 4 Niveau-indeling hoofdgroepen 4.1 Hoofdgroep I 4.2 Hoofdgroep II 4.3 Hoofdgroep III 4.4 Hoofdgroep IV 4.5 Hoofdgroep V 4.6 Hoofdgroep VI 5 Secundaire factoren 5.1 Functionele vorming 5.2 Handelingsvrijheid 5.3 Keuzemogelijkheden 5.4 Variant: zelfstandigheid 5.5 Leidinggeven 5.6 Contact 6 Conversietabellen 6.1 Voorbeeld-conversietabel I zonder tussenschalen 6.2 Voorbeeld-conversietabel II met tussenschaal 10A 6.3 Voorbeeld-conversietabel III met tussenschalen 10A en 11A 7 Nadere informatie Voor u ligt het ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)®
  12. Na de introductie van het door ODRP organisatieadviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ontworpen eerste Gemeentelijk Functiewaarderingssysteem in 1980, aangepast in 1982 en 1986, heeft ODRP organisatieadviesbureau bij zijn verzelfstandiging in 1990 het ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)® 1991, geschikt voor alle overheden, geïntroduceerd. In 1992 is het systeem herzien en voor het laatst aangepast in
  13. In 1996 is het ODRP organisatieadviesbureau samengegaan met Moret Ernst & Young Management Consultants, later Ernst & Young Consulting, alwaar het systeem 2000 is ontwikkeld. Dit systeem is inmiddels over gegaan op de rechtsopvolger Capgemini (tot 15 april 2004 Cap Gemini Ernst & Young) en is al weer aan herziening toe; vandaar het systeem
  14. Bij het actualiseren van het systeem is rekening gehouden met ontwikkelingen in de organisaties voor wat betreft de wijze van werken, de opkomst van geautomatiseerde systemen en met opmerkingen van gebruikers. Dit heeft onder meer geleid tot: het aanpassen van de omschrijvingen binnen de hoofdgroepindeling; het veranderen van de teksten voor de secundaire factor ‘Functionele vorming’, conform de wijzigingen in de onderwijsstructuur van het MBO, HBO en universitair onderwijs; de herijking van de secundaire factor ‘Handelingsvrijheid’ zodat er een werkelijke keuze is tussen vier scores; het verwijderen van de hoofdvariant ‘volledig/partieel leidinggeven’: het gezichtspunt leidinggeven kent in de versies tot 2000 twee hoofdvarianten: volledig/partieel leidinggeven en het echelonmodel. Omdat de variant volledig en partieel leidinggeven niet langer past binnen de huidige visie op leidinggevende taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden en het echelon model voldoende mogelijkheden biedt om dit gezichtspunt te waarderen, volstaan wij vanaf versie 2004 met de variant ‘echelonmodel’. Ook de procedureregelingen zijn (voor het laatst in 2003) aangepast aan recente ontwikkelingen in jurisprudentie op grond van de Algemene wet bestuursrecht. ODRP heeft in 1995 zijn functiewaarderingssysteem en de daarbij behorende regelgeving door een extern, op dat gebied landelijk erkend bureau, laten toetsen op sekseneutraliteit. Dat bureau is van mening dat het ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)®, behoudens enkele ondergeschikte opmerkingen, volledig voldoet aan de gestelde eisen. Het ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)® is voor klanten onder bepaalde voorwaarden geautomatiseerd verkrijgbaar. Het ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)®, de daarbij behorende regelgeving en de naamgeving is een beschermd systeem, omdat het systeem en de procedureregelingen door derden op oneigen-lijke en onjuiste wijze werden en worden gebruikt. Deze bescherming heeft tot gevolg dat het systeem en de procedureregelingen (zowel de huidige als voorgaande versies) voor eigen gebruik en gebruik ten behoeve van derden in licentie kunnen worden gegeven. Aan licentienemers wordt een abonnementensysteem geboden voor updates van zowel het ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)®, de ODRP procedureregelingen en het geautomatiseerde systeem: OFS® Cliënt. Tot slot vermelden wij dat de alom bekende introductie- en bijscholingscursussen functiewaardering van Capgemini jaarlijks zullen worden georganiseerd. Licentienemers van het ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)® zullen hiervan op de hoogte worden gehouden. Functiewaarderen is het ordenen van functies naar zwaarte binnen een bepaalde organisatie en het daaraan koppelen van salarisschalen. De formele basis voor het functiewaarderen is te vinden in twee goed te onderscheiden, maar wel één geheel vormende documenten, te weten:
  15. de procedureregeling;
  16. het waarderingssysteem. Bij functiewaarderen kunnen zich voor wat betreft het begrip functie twee mogelijkheden voordoen: MensfunctieHet geheel van werkzaamheden, door de ambtenaar verricht krachtens en overeenkomstig het-geen hem/haar door het daartoe bevoegde bestuursorgaan is opgedragen. Het gaat dus om de werkelijk verrichte taken in opdracht van het bevoegde bestuursorgaan. Organieke functieWanneer dit uitdrukkelijk als zodanig is vermeld, kan er ook sprake zijn van 'te verrichten werkzaamheden', dat wil zeggen datgene wat iemand zou moeten doen in opdracht van het bevoegde bestuursorgaan. Uit de procedureregeling moet duidelijk blijken welke keuze is gemaakt met betrekking tot het begrip functie. Er zijn nog maar weinig organisaties die hun medewerkers de werkzaamheden die worden verricht laten beschrijven met behulp van functie inventarisatieformulieren (de zogenaamde mensfuncties). De meeste organisaties zijn inmiddels overgestapt op organieke functies waarbij de leidinggevenden verantwoordelijk zijn voor het beschrijven van de te verrichten werkzaamheden. Een variant van organieke functies die steeds vaker wordt ingevoerd is het beschrijven van functiegroepen, ook wel functiefamilies genoemd. Een functiefamilie is een groep functies die naar aard en werkzaamheden en/of aard van werkgebied een bepaalde samenhang vertoont. Elke functiefamilie bestaat uit meerdere bandbreedtes (d.i. niveau’s). In de bandbreedtes worden de niveaubepalende bestanddelen onderscheidend van elkaar beschreven. Het voor u liggende ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)® 2004 is een waarderingssysteem dat in elke gewenste procedure bruikbaar is en binnen elke non-profit organisatie toepasbaar is. In de navolgende tekst kan voor bepaalde onderdelen van het systeem worden gekozen uit enkele varianten. Het betreft: de gezichtspunten ‘Handelingsvrijheid’ en ‘Keuzemogelijkheden’ (zie 5.2 respectievelijk 5.3), met als variant de combinatiefactor 'Zelfstandigheid'. Standaard wordt uitgegaan van de afzonderlijke gezichtspunten. De variant ‘Zelfstandigheid’ wordt alleen gebruikt indien de licentiehouder hiervoor expliciet kiest. Licentiehouders van de geautomatiseerde versie (OFS® Cliënt) wordt in ieder geval sterk afgeraden voornoemde combinatie te gebruiken, omdat de geautomatiseerde versie deze combinatie niet kent. Handhaving van de combinatie Handelingsvrijheid/Zelfstandigheid wordt in deze versie van het systeem gehandhaafd op uitdrukkelijk verzoek van een aantal gebruikers. varianten in de benadering van het leidinggeven; de subvariant ’functioneel leiding geven’ ten behoeve van een ‘platte’ organisatiestructuur en daarmee het belonen van het niet-hiërarchisch (ook wel werkleiding genoemd) leidinggeven. de mogelijkheid van varianten in de conversietabel, waarbij een tweetal tabellen met de tussenschalen 10A respectievelijk 10A en 11A zijn opgenomen. Vóór de vaststelling van het systeem dient de keuze uit de hoofd- en subvarianten te worden gemaakt. De conversietabel, waarvan drie voorbeelden zijn opgenomen, wordt in de regel twee maal door het bevoegd gezag in overleg met de vakorganisaties (GO) aan de orde gesteld. De eerste keer aan het begin van het traject ten behoeve van de conceptwaarderingen. De tweede keer na afloop van de rangordening ten behoeve van de definitieve vaststelling, teneinde een zo goed mogelijke aansluiting bij de bestaande bezoldigingslijn te verkrijgen. Steeds meer organisaties gaan ertoe over in de functiebeschrijvingen competenties op te nemen. Een vraag die zich dan ook steeds vaker aandient, is of competentieontwikkeling beloond dient te worden en hoe dat vervolgens dient te gebeuren. Capgemini heeft op grond van haar ervaringen in de praktijk op het terrein van beloningsbeleid, functiewaardering en competentiemanagement in zowel de profit als de non-profit sector een visie ontwikkeld op competentiewaardering en -beloning. In deze visie zijn functiewaardering en competentiebeloning onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het verschil tussen beide entiteiten is gelegen in hun functie: functiewaardering legt de basis voor een vaste beloning die de nodige inkomenszekerheid en rechtvaardigheid biedt. Competentiebeloning heeft als doel het beleid te ondersteunen dat de inzetbaarheid (employability) van werknemers wordt vergroot. Ze komt daarmee tegemoet aan de behoefte individuele bijdragen aan de inputkant te belonen. Dit in tegenstelling tot prestatiebeloning, waarbij de nadruk ligt op het belonen van individuele bijdragen aan de outputkant. Functiewaardering legt dus de basis voor een vaste beloning en wel door de zwaarte van functies ten opzichte van elkaar te meten, resulterend in een schaalindeling voor elke functie. In het ODRP-functiewaarderingssysteem wordt daarvoor de zwaarte van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden gewaardeerd en de benodigde kennis en vaardigheden bepaald. De praktijk heeft geleerd dat houding- en gedragsaspecten minder geschikt zijn om te waarderen, omdat ze veelal leiden tot definitieproblemen, interpretatieverschillen, moeilijk te kwantificeren zijn en daarmee leiden tot verstarring van het beloningssysteem, daar waar flexibiliteit juist de inzet is. Veel organisaties hanteren in hun beloningsbeleid een vorm van flexibel belonen, bestaande uit bijvoorbeeld een aanloop- en functieschaal en een vorm van uitloop (bijvoorbeeld in de vorm van een uitloopschaal). Medewerkers worden bij aanstelling op grond van de taakinhoud van hun functie, de daarvoor vereiste competenties en de mate waarin zij functievolwassen zijn, ingepast in een daarbij horende schaal. Uitbreiding van functietaken en ontwikkeling van competenties worden beloond door middel van groei in de loonscha(a)l(en); competentiebeloning is daarmee een vertaling van de snelheid waarmee een medewerker de bandbreedte van de beloningsspreiding (van minimumschaal tot maximumschaal) doorloopt: ontwikkelt een medewerker zich zeer snel en is daartoe relatief eerder functie volwassen, dan zal hij/zij eerder de top van de beloningsspreiding behorende bij die functie hebben bereikt en eventueel toe zijn aan een zwaardere functie. Het gaat daarbij om de vaste beloning; dit in tegenstelling tot prestatiebeloning waarbij het veelal gaat om variabele beloning, bijvoorbeeld een gratificatie voor bijzondere resultaten die niet direct gekoppeld zijn aan de functieinhoud. Het beoordelingsgesprek is het instrument waarmee onder andere wordt vastgesteld of uitbreiding van functie-invulling heeft plaatsgevonden en in hoeverre de vereiste competenties zijn ontwikkeld. Competentiebeloning vereist meer dan een goed beoordelingssysteem met duidelijke afspraken en richtlijnen. Het management dient zich tevens bewust te zijn van de consequenties van deze beloningsvorm: een hogere salarisschaal toekennen is makkelijker dan de medewerker uitleggen dat hij/zij daar (nog) niet voor in aanmerking komt. Functiebeschrijving en -waardering, werving en selectie, inpassing, opleidingsbeleid, loopbaanplanning, beoordeling en competentiebeloning worden door deze benadering onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zij vormen daarmee de basis voor een rechtvaardig integraal personeelsbeleid dat recht doet aan de individuele inzet van medewerkers. Uitgangspunt bij de bepaling van het functieniveau is de indeling van de functies in zes hoofdgroepen. Met behulp van vijf criteria, de secundaire factoren, wordt binnen de hoofdgroepen I t/m VI de nodige verfijning verkregen (d.i. tweetrapssytematiek). Als basis voor de verfijning gelden de niveaubepalende werkzaamheden (dit zijn die werkzaamheden die blijkens de functiebeschrijving het niveau van de hoofdgroep bepalen). De hoofdgroepindeling is gebaseerd op het werk- en denkniveau, dat wil zeggen: het minimale niveau dat nodig is om de functie op normaal goede wijze te vervullen. De begrippen werken en denken zijn uiteraard niet in tegenstellende zin bedoeld. Het woord 'werkniveau' alleen zou toereikend zijn geweest. De toevoeging geeft slechts aan dat het niveau van denken (in en ten behoeve van het werk) een belangrijke rol speelt bij de hoofdgroepindeling. In de karakteristieken van de hoofdgroepen is het algemeen werken denkniveau verwoord, dat als basis dient voor de indeling van de functie in de desbetreffende hoofdgroep. Hierbij kan als indicatie worden gehanteerd de voor de werkzaamheden van belang zijnde opleiding. Wanneer in de advertentietekst een te hoge opleiding wordt gevraagd, kan dit conform constante jurisprudentie consequenties hebben voor de indeling van een functionaris in een salarisschaal. Het mag duidelijk zijn dat het niet gaat om officiële kwalificaties van de persoon, maar om de functie-eisen. Bij de werving van personeel zullen in de advertentietekst opleidingen dienen te worden vermeld, die direct aansluiten bij het beoogde werk- en denkniveau. De wijze waarop het onder beroepsvorming vermelde kennisniveau is verkregen, bijvoorbeeld door opleiding, vorming, ervaring of anderszins, is van geen belang. Bij het algemeen werk- en denkniveau gaat het om een ondeelbaar begrip. Hierbij kan het opleidingsaspect wel eens te veel aandacht krijgen. Vooropgesteld dat reële opleidingseisen een zeer bruikbare indicatie verschaffen, kijkt de functiewaarderingsdeskundige bij het bepalen van de hoofdgroep niet alleen naar de vereiste opleiding, zoals aangegeven in de functiebeschrijving, maar zoekt hij/zij aansluiting bij de omschreven karakteristiek (d.w.z. aard/ karakter van de werkzaamheden). Wanneer bijvoorbeeld voor een leidinggevende functie geen MBO wordt gevraagd, maar VMBO, eventueel aangevuld met langdurige speciale cursussen, dan zou door de functiewaarderingsdeskundige een indeling in hoofdgroep III overwogen kunnen worden wanneer het een duidelijke kaderfunctie betreft en in de functie een beroep wordt gedaan op kwaliteiten als bijvoorbeeld het vermogen tot organiseren, coördineren, meedenken en verdergaand specialisme in een breder verband. Kernvraag voor de indeling is: wat zijn het karakter en het gehalte van de betreffende functie? Het is vervolgens dan ook de functiewaarderingsdeskundige die bij het bepalen van de hoofdgroepindeling en de score voor functionele vorming een advies geeft over de kennis en ervaring die minimaal noodzakelijk is, waarbij het kortste opleidingstraject wordt gekozen, om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen. Tegen zowel de mens- als de organieke functiebeschrijving en tegen de uitslag van de functiewaardering staat op grond van jurisprudentie bezwaar en beroep open in het kader van de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdgroep en functionele vorming (zie 5.1) zijn niet van elkaar te scheiden; ze geven het totale werk-en denkniveau weer, ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een en ander houdt in dat in geval van bezwaar en beroep tegen de score voor functionele vorming en/of tegen de hoofdgroepindeling zowel de hoofdgroepindeling als de score voor het gezichtspunt functionele vorming moet worden beoordeeld, eventueel herzien en vastgesteld. Bij het honoreren van een bezwaarschrift tegen de hoofdgroepindeling en/of de functionele vorming moet de score voor de secundaire factoren handelingsvrijheid en keuzemogelijkheden opnieuw worden bezien (op grond van de niveaubepalende werkzaamheden). Onder opleidingsniveau, voor zover dit betrekking heeft op de hoofdgroepindeling, wordt verstaan de totale theoretische opleiding, inclusief de tijd die in de regel nodig is om de opgedane kennis in de praktijk te leren toepassen. De tijd die nodig is om bedoelde kennis operationeel te maken, wordt bij de bepaling van de score voor functionele vorming buiten beschouwing gelaten. Het aantal jaren dat men reeds een functie vervult alsmede de studie voor het op peil houden van vakkennis worden bij de functiewaardering eveneens buiten beschouwing gelaten. Om op het aangegeven niveau te kunnen functioneren is in de zin van het ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)® de volgende, niet mee te tellen relevante werkervaring (d.i. inwerkperiode) nodig: Hoofdgroep I 0 jaar Hoofdgroep II 1 jaar Hoofdgroep III 2 jaar Hoofdgroep IV 3 jaar Hoofdgroep V 4 jaar Hoofdgroep VI (zie 4.6) Zie ook hoofdstuk 5.1 (functionele vorming) Na het behalen van een HBO-diploma (bijvoorbeeld HTO/HEO) heeft men in de regel nog drie jaar nodig om het geleerde in de praktijk te leren toepassen. Bij parttime opleidingen is dit in de regel korter; de relevante werkervaring wordt namelijk reeds tijdens de opleiding verkregen. De kwalificatiestructuur binnen het Middelbaar Beroepsonderwijs bestaat sinds de Wet Educatie Beroepsonderwijs

(1996)uit vier niveaus. Deze kwalificatieniveaus laten zich binnen het functiewaarderingssysteem als volgt vertalen: Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 1 geldt hoofdgroep I. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 1 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking in de score voor functionele vorming. Een MBO-opleiding op niveau 2 wordt gelijkgesteld aan een VMBO-opleiding. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 2 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking door een indeling in hoofdgroep II. Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 3 geldt hoofdgroep II. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 3 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking in de score voor functionele vorming. Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 4 geldt hoofdgroep III. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 4 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking door een indeling in hoofdgroep III. Zie verder 4.
  1. Vervanging bij ziekte, verlof, vakantie of andere tijdelijke afwezigheid wordt niet bij de functiewaardering betrokken. Het maakt hierbij geen verschil of vervanging als hiervoor bedoeld in de functiebeschrijving is opgenomen. Ook langdurige vervanging speelt geen rol bij functiewaardering. De functiewaardering is in dat geval nog steeds gebaseerd op de organieke beschrijving. Bij langdurige vervanging geeft CAR/UWO een oplossing door een bezoldigingsmaatregel ten gunste van de vervanger. Indien (meestal door een leidinggevende) structureel taken worden afgestoten, zoals bijvoorbeeld bij een gemeentesecretaris naar een adjunct-secretaris, wordt in dat geval de organieke beschrijving aangevuld met dat taakonderdeel. In de functiewaardering wordt dit taakonderdeel dan wel meegewogen. In bijzondere situaties waarin het systeem niet of niet goed toepasbaar is, kan het bestuursorgaan een aanvullende interpretatie geven. Deze interpretatie mag niet in strijd zijn met de tekst van het systeem. Zij dient, indien zij algemene geldigheid heeft, overeenkomstig de daarvoor geldende procedure te worden vastgesteld en in het waarderingssysteem te worden opgenomen. Het systeem kan worden toegepast in zowel profit als non-profit organisaties. In het systeem sluit de gebruikte terminologie van sectorhoofd, afdelingshoofd, onderafdelingshoofd, opzichter, voorman e.a. aan bij de organisatiestructuur van veel gemeentelijke overheden. Indien de organisatiestructuur, zoals die blijkt uit de organisatieverordening, daarmee niet overeenkomt, dient de terminologie te worden aangepast, met andere woorden de terminologie dient binnen de context van de organisatie te passen. Werkzaamheden die in het algemeen worden gevormd door op zichzelf staande dan wel in eenvoudige combinatie voorkomende, afzonderlijke handelingen en gekenmerkt worden door een routinematig karakter en een belangrijke fysieke component. De benodigde vaardigheid kan worden verkregen door routine, door training of scholing in de werksituatie en/of een bedrijfsopleiding. Te denken valt aan: werkzaamheden waartoe de vaardigheid en bekwaamheid in het algemeen slechts denkbaar zijn op basis van primair onderwijs (basisonderwijs); assistent van vakman of vaklieden; werkzaamheden waarvoor enige scholing of oefening is vereist; administratieve werkzaamheden waarvoor de eisen ten aanzien van lezen en rekenen niet verder gaan dan eenvoudige notities en berekeningen. Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 1 geldt hoofdgroep I. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 1 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking in de score voor functionele vorming, zie verder 5.
  2. Werkzaamheden die een vaardigheid en bekwaamheid vereisen, die in belangrijke mate worden bepaald door routine in de toepassing van nauw bepaalde werkwijzen en door ervaringskennis bij deze toepassing. In de functie treden eigen oordeel, handelingskeuze of gedragsbepaling op ter realisering van gestelde taken. De benodigde vaardigheid kan worden verkregen door onder meer een afgeronde vaktechnische scholing op het hoogste VMBO-niveau en/of routine in de toepassing van nauw bepaalde werkwijzen. Te denken valt aan werkzaamheden: waarvoor ambachtelijke kennis of vaardigheid is vereist; als allround chauffeur die op een aantal typen voertuigen structureel wordt ingezet (bijvoorbeeld huisvuilauto + veegauto + kolkenzuiger + vrachtauto e.d.); van dagelijks toezicht op de uitvoering van (technische) werkzaamheden (tot en met hoofdgroep II, bijvoorbeeld meewerkend voorman e.a.); waarvoor vakinhoudelijke kennis dan wel gedegen kennis van de Nederlandse taal is vereist. Indien voor een functie een HAVO-niveau wordt geadviseerd, dan komt het verschil met VMBO-niveau tot uitdrukking in de score voor functionele vorming. Als basis voor een HAVO-niveau geldt hoofdgroep II met 3 punten voor functionele vorming (gebaseerd op 3,6 jaar aanvullende schoolopleiding, conform constante jurisprudentie - 2 jaar dagopleiding na VMBO en 1,6 jaar thuisstudie). Een MBO-opleiding op niveau 2 wordt gelijkgesteld aan een VMBO-opleiding. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 2 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking door een indeling in hoofdgroep II. Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 3 geldt hoofdgroep II. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 3 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking in de score voor functionele vorming, zie verder 5.
  3. Werkzaamheden waarvoor een praktische vaardigheid is vereist, die mede berust op theoretische kennis en op breder inzicht in de technische, organisatorische, economische en/of maatschappelijke samenhang. De werkzaamheden als zodanig zijn in het algemeen nog bepaald tot een vrij nauw afgebakend werkgebied of takenpakket, maar vereisen eigen analyse, interpretatie, conceptie en aanpak c.q. optreden en gedragsbepaling. De benodigde bekwaamheid kan worden verkregen door een afgeronde, middelbare vaktechnische scholing (MBO niveau 4). Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 4 geldt hoofdgroep III. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 4 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking door een indeling in hoofdgroep III. Zie verder 5.
  4. Te denken valt aan werkzaamheden: van dagelijks toezicht op de uitvoering van meer gecompliceerde werkzaamheden (tot en met hoofdgroep III); van in het algemeen meer uitvoerend karakter, waartoe echter naast praktisch gerichte vakkennis ook een theoretische ondergrond aanwezig moet zijn voor het opvangen van zich in de uitvoering voordoende problemen of voor het uitwerken van meer gecompliceerde opdrachten. Werkzaamheden waarvoor praktisch inzicht en praktijkkennis is vereist van theoretische grondslagen enerzijds en een oriëntatie buiten het eigen vakgebied anderzijds. Het arbeidsveld of vakgebied als zodanig is meestal nog begrensd, maar raakt aan andere terreinen en vakrichtingen waarop moet worden ingespeeld. Werkzaamheden waarbij veelal in direct samenspel met beleidsfunctionarissen en/of uitgaande van globaal geformuleerde algemene beleidslijnen en/of richtlijnen wordt deelgenomen aan de beleidsvoorbereiding, hooggekwalificeerde uitvoerende en/of controlerende werkzaamheden op een afzonderlijk terrein van overheidszorg, management of beheer dan wel wetenschap en techniek. De benodigde bekwaamheid kan worden verkregen middels afronding van hogere vaktechnische scholing (HBO Bachelorniveau). Te denken valt aan: het verrichten van therapeutische werkzaamheden in het begeleiden van mensen, bijvoorbeeld bij maatschappelijk werk (langdurige immateriële begeleiding); werkzaamheden van hoofden van onderdelen, die als zodanig in een groter organisatorisch verband een vrij afgeronde en zelfstandige functie vervullen; dagelijks toezicht op omvangrijke en gecompliceerde technische werkzaamheden (tot en met hoofdgroep IV); statische berekeningen van ingewikkelde staal- en/of betonconstructies; handhaven van milieuvoorschriften bij de zwaardere categorie bedrijven. Als basis voor een HBO Bacheloropleiding geldt hoofdgroep IV. Indien voor een functie een HBO Masteropleiding (voormalig Post-HBO) wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking in de score voor functionele vorming, zie verder 5.
  5. Het Universitair Bachelorniveau wordt in dit systeem niet als een volledige wetenschappelijke studie gezien; de basis is derhalve hoofdgroep IV. Indien voor een functie een Universitair Bacheloropleiding wordt geadviseerd, dan komt het verschil met een HBO Bacheloropleiding tot uitdrukking in de score voor functionele vorming, zie verder 5.
  6. NB. Voor het begrip ‘beleid’ verwijzen wij naar de toelichting onder 5.
  7. Werkzaamheden waarbij de vereiste bekwaamheid vooral de kwaliteit van analytisch, synthetisch-methodisch denken betreft, alsmede creativiteit en onafhankelijke oordeelsvorming. De werkzaamheden omvatten onder andere het uitwerken van beleidsideeën (prognose, planning, onderzoek), het ontwikkelen van beleidslijnen op een breed terrein en op lange termijn. Daarnaast betreft het standpuntbepaling en belangenbehartiging in contacten met maatschappelijke groeperingen, in commissies enz., ook internationaal, in het (mede) geven van richting aan de ontwikkeling van grote technische of maatschappelijke projecten. Werkzaamheden in de sfeer van bestuur en beleid op onderscheiden terreinen van overheidszorg/bedrijfsvoering/(toegepaste) wetenschapsbeoefening. De benodigde bekwaamheid kan worden verkregen middels afronding van een wetenschappelijke studie (Universitair Masterniveau). Te denken valt aan: hoofden van zeer grote afdelingen; hoofden van kleine tot middelgrote sectoren; directeuren van kleinere organisaties; concerncontrollers; concernadviseurs van grote organisaties; schoolartsen, bedrijfsartsen e.a. Werkzaamheden waarbij de bekwaamheid deskundigheid betreft op een theoretisch, fundamenteel gebied alsmede het hebben van diepgaand inzicht in politiek-bestuurlijke, sociaal-maatschappelijke, wetenschappelijke of bedrijfsstructuren. De werkzaamheden betreffen (integraal, operationeel, sectoraal of specialistisch) management ten aanzien van een afgerond terrein van (overheids) bestuur, aansturing van een omvangrijke dienst/instelling/sector dan wel het fungeren als intermediair tussen de politieke organisatie en de ambtelijke organisatie. De werkzaamheden hebben als doel het realiseren van een geheel van (beleids)doelstellingen die op politiek-bestuurlijk, maatschappelijk en/of wetenschappelijk-strategisch niveau zijn vastgesteld. De wijze van uitvoering en de te bereiken resultaten hebben een duidelijke, veelal duurzame invloed op het functioneren van de maatschappij, het overheidsapparaat en/of op omvangrijke delen van de samenleving. De benodigde bekwaamheid kan worden verkregen middels afronding van een wetenschappelijke opleiding (Universitair Masterniveau), aangevuld met 7 jaar aanvullende school- en/of praktijkopleiding (ruime managementervaring en/of wetenschappelijke ervaring; voltooide tweede-fase-opleiding). Te denken valt aan: hoofden van zeer grote, zware beleids- en technische afdelingen; hoofden van grote tot zeer grote sectoren; directeuren van middelgrote tot grote organisaties; het leiden van zware beleids- en staforganen, wetenschappelijke instituten of diensten. Na de indeling in hoofdgroepen I t/m VI, kan met de zogenaamde secundaire factoren (verfijningscriteria) tot de gewenste differentiatie worden gekomen. Als criteria worden gehanteerd: Functionele vorming Handelingsvrijheid Keuzemogelijkheden Variant: Zelfstandigheid (een combinatie van handelingsvrijheid en keuzemogelijkheden) Leidinggeven Contact Voor elk van deze criteria is een score van 1, 2, 3 of 4 punten mogelijk, met dien verstande dat voor het criterium zelfstandigheid maximaal 8 punten gescoord kan worden en voor leidinggeven ook score 0 mogelijk is. De som van de behaalde scores is bepalend voor de plaats binnen de hoofdgroep in de conversietabel. Functionele vorming omvat de minimale theoretische en praktische kennis die de functie verlangt, uitgaande boven het werk- en denkniveau dat bepalend is geweest voor de hoofdgroepindeling. Dit wordt ook wel functiegerichte kennisvermeerdering genoemd. De functionele vorming wordt binnen de hoofdgroepen I t/m V uitgedrukt in het totaal benodigde aantal jaren school- en praktijkopleiding en omvat ook de normale te achten studie thuis. Ter benadering van de waardering kunnen fictieve opleidingen worden geconstrueerd. Uitdrukkelijk wordt hier nog eens herhaald dat in de hoofdgroepindeling kennisvermeerdering (d.i. inwerkperiode) is opgenomen die bij functionele vorming niet meetelt. Onder hoofdstuk 3.1.9 is weergegeven hoeveel niet mee te tellen relevante werkervaring per hoofdgroep is geïncorporeerd. Bij de indeling in hoofdgroep VI is rekening gehouden met een voltooide wetenschappelijke studie, aangevuld met meer dan 7 jaar aanvullende school- en praktijkopleiding (zie hoofdgroep VI (4.6)). De score voor functionele vorming wordt bij hoofdgroep VI niet meer bepaald door kennis, maar door de nodige extra ervaring die uitstijgt boven de genoemde voltooide wetenschappelijke studie plus meer dan 7 jaar aanvullende school- en/of praktijkopleiding. De extra benodigde ervaring is afhankelijk van: de mate waarin er sprake is van initiëren van en richting geven aan nieuw beleid; \ het aantal beleidsvelden, de breedte en de diepgang daarvan, behorend tot de betrokken functie; het aantal formatieplaatsen waaruit de organisatorische eenheid bestaat en de zwaarte daarvan, bijvoorbeeld tot uitdrukking komend in het aantal beleidsfuncties op academisch niveau. De telling van de extra jaren benodigde ervaring loopt parallel aan de jaren voor functionele vorming, die bij de scores is vermeld. Score Omschrijving 1 Na de beroepsopleiding (inclusief inwerkperiodeDeze inwerkperiode betreft het aantal jaren praktijkervaring behorende bij de hoofdgroep (zie paragraaf 3.1.9).) is maximaal 1 jaar school- en/of praktijkopleiding nodig. 2 Na de beroepsopleiding (inclusief inwerkperiode) is meer dan 1 tot maximaal 2 jaar school- en/of praktijkopleiding nodig. 3 Na de beroepsopleiding (inclusief inwerkperiode) is meer dan 2 tot maximaal 4 jaar school- en/of praktijkopleiding nodig. 4 Na de beroepsopleiding (inclusief inwerkperiode) is meer dan 4 tot maximaal 7 jaar school- en/of praktijkopleiding nodig. Indien de aanvullende kennis meer dan 7 jaar bedraagt, wordt de functie ingedeeld in de naasthogere hoofdgroep, als regel, met 1 punt voor functionele vorming. Bij functionele vorming mogen alleen die aspecten worden meegenomen, waarvan mag worden verwacht dat deze in de beroepsopleiding (hoofdgroep) niet of nauwelijks zijn behandeld en die door het volgen van een aanvullende studie c.q. praktijkopleiding (praktijkervaring als kennisvermeerdering) eigen moeten worden gemaakt. Bij de bepaling van de hoofdgroep en score voor functionele vorming wordt uitsluitend de kennisvermeerdering die nodig is voor de functie gehonoreerd (functiegerichte kennisvermeerdering). Eén jaar schoolopleiding bij functionele vorming komt overeen met 40 studieweken. Bij de bepaling van de studieduur wordt uitgegaan van het normaal geachte aantal les- en studie-uren (10-15 uur per week), tenzij duidelijk kan worden aangetoond dat dit aantal hoger of lager ligt. Eén jaar praktijkopleiding komt overeen met 1 jaar aanvullende studie als bij punt 3 gedefinieerd, tenzij duidelijk kan worden aangetoond dat het aantal opleidingsuren duidelijk hoger of lager is dan 10-15 uur per week. Bij de bepaling van het aantal jaren school- en/of praktijkopleiding wordt in principe uitgegaan van de kortste weg die gegaan moet worden om de kennis en/ of ervaring te vergaren die benodigd is om de functie uit te kunnen oefenen. Ook kennis die nodig is om leiding te kunnen geven of voor het kunnen hebben van (ingewikkelde) contacten, dient bij dit gezichtspunt te worden gewaardeerd. Bij zowel de hoofdgroepindeling als functionele vorming, worden opleidingen gehanteerd die geen discussie opleveren over het niveau van de opleiding èn die passen binnen de structuur van het kennisaspect van het functiewaarderingssysteem. Opleidingen waarover discussie kan ontstaan en waarvoor algemeen gangbare en erkende alternatieve opleidingen aanwezig zijn worden in principe niet gebruikt. De algemeen gangbare en erkende opleiding wordt gehanteerd. Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 2 of 3 geldt hoofdgroep II met respectievelijk 1 en 3 punten voor functionele vorming gebaseerd op de duur van de opleidingen. Als basis voor een HBO Bacheloropleiding geldt hoofdgroep IV. Indien voor de functie een HBO Masteropleiding wordt geadviseerd, geldt als basis hoofdgroep IV met 3 punten voor functionele vorming, gebaseerd op 60 studiepunten (1680 studie-uren). Als basis voor een Universitair Bachelorniveau geldt hoofdgroep IV met 1 punt voor functionele vorming, gebaseerd op de duur van een deficiëntie- of schakelprogramma. 5.2 Handelingsvrijheid Het gaat hierbij om de mogelijkheid die de functie biedt beslissingen naar eigen inzicht te nemen. Deze mogelijkheid wordt onder meer beperkt door toezicht, controle, toetsing, beoordeling door of namens de leiding, een en ander afhankelijk van de aard van de werkzaamheden. Deze controle/ toetsing/beoordeling kan plaatsvinden door onder meer de direct leidinggevende, een hogere leidinggevende, een namens de leiding met controle/ toetsing/beoordeling belaste functionaris, al dan niet in het kader van een bepaalde procedure of werkproces, een in een procedure of werkproces ingebrachte zelfcontrole of systeemcontrole. De frequentie van deze controle/toetsing/beoordeling wordt mede als maatstaf gehanteerd voor het bepalen van de score. Voor de bepaling van de score mogen uitsluitend die werkzaamheden (functiebestanddelen) in aanmerking komen, die van overwegende invloed zijn geweest voor de bepaling van het totale werk- en denkniveau (hoofdgroep en functionele vorming). Score Omschrijving 1 Gegeven de aard van de werkzaamheden mag worden verwacht dat het werk(resultaat) of de werksituatie aan een regelmatige dan wel gedetailleerde (systeem)controle/toetsing/beoordeling wordt onderworpen. 2 Gegeven de aard van de werkzaamheden mag worden verwacht dat het werk(resultaat) of de werksituatie steekproefsgewijs dan wel in grote lijnen wordt gecontroleerd/getoetst/beoordeeld. 3 Gegeven de aard van de werkzaamheden mag worden verwacht dat het werk(resultaat) of werksituatie slechts aan een eindcontrole/-toetsing/-beoordeling kan worden onderworpen. 4 Gegeven de aard van de werkzaamheden kan beoordeling/toetsing van het werk(resultaat) slechts plaatsvinden op grond van de uitwerking in de praktijk. De mogelijkheid van methodische zelfcontrole en de in de procedure/ werkmethode ingebouwde (systeem)controle is van invloed bij de bepaling van de score. Partiële verantwoordelijkheid leidt nooit tot de maximale score. Score 4 wordt gegeven indien de werkzaamheden zodanig van aard zijn dat er sprake is van een groot aantal onzekere factoren die door de functionaris in de afweging moeten worden betrokken, terwijl de inbreng in de beleidsadvisering en/of besluitvorming doorslaggevend is. Onzekere factoren zijn bijvoorbeeld het inschatten van ontwikkelingen op lange termijn, waarbij alleen de praktijk kan uitwijzen of de inschatting de juiste is geweest. Dit zal veelal pas na verloop van jaren mogelijk zijn. Het gaat hierbij om de mate waarin de organisatie en de (aard van de) werkzaamheden de functionaris de mogelijkheid bieden tot het ontwikkelen van initiatieven, het bewandelen van andere wegen dan de gebruikelijke en het oplossen van zich voordoende problemen naar eigen inzicht. Deze keuzen kunnen worden beperkt door wetgeving, jurisprudentie, voorschriften, richtlijnen (bijvoorbeeld NEN-bladen, vakvoorschriften, overheidsvoorschriften en/of -richtlijnen, veiligheidsvoorschriften etc.), instructies, werkafspraken e.d. Bij de bepaling van de score mogen uitsluitend die werkzaamheden (functiebestanddelen) in aanmerking worden genomen, die van overwegende invloed zijn geweest voor de bepaling van het totale werk- en denkniveau (hoofdgroep en functionele vorming). Score Omschrijving 1 Door voorschriften en gedragsregels liggen werkmethoden en/of werkvolgorde vast; er wordt slechts vrijheid gelaten in tevoren bepaalde gevallen (details en routinebeslissingen). 2 Werkmethoden en/of werkvolgorde liggen niet vast. Het werk of een onderdeel daarvan kan op meerdere, maar wel bekende manieren worden uitgevoerd. Afhankelijk van de omstandigheden dient een keuze te worden gemaakt. 3 Het werk omvat het ontwerpen en realiseren van nieuwe oplossingen voor problemen in de uitvoeringssfeer. In de regel zijn dit eenmalige oplossingen dan wel in het kader van beleidsuitvoering en/of beleidsadvisering binnen vastgestelde of aangegeven beleidslijnen en/of instructies. 4 Het werk omvat het ontwerpen en realiseren van nieuwe oplossingen voor problemen in de sfeer van het beleid dan wel dat het gaat om structurele oplossingen die een fundamentele uitwerking zullen hebben in de organisatie. Hierbij is een vereiste dat beleidsontwikkeling in overwegende mate in de functie is opgenomen c.q. de functionaris eindverantwoordelijk is voor de beleidsontwikkeling binnen het betreffende organisatieonderdeel. Bij het honoreren van een bezwaarschrift tegen de hoofdgroepindeling en/of score voor functionele vorming moet de score voor dit gezichtspunt opnieuw worden bepaald (op grond van niveaubepalende werkzaamheden). Keuzen die voor het eerst zijn/worden gemaakt, behoeven niet altijd te worden gerekend tot nieuwe oplossingen. Keuzen bij werkzaamheden waarvoor algemeen aanvaarde methoden gelden, hoewel nog niet toegepast in de organisatie en/of het werk, worden gerekend tot score
  8. Onder nieuwe oplossingen/wegen dient te worden verstaan die oplossingen/wegen die op grond van het werk- en denkniveau, zoals blijkt uit de hoofdgroepindeling en de score voor functionele vorming van de functie, niet bekend mogen worden verondersteld. Onder beleid wordt verstaan: het formuleren van doelstellingen en de weg die moet worden gegaan om de doelstellingen te bereiken. Kenmerken van beleidsontwikkeling zijn: het ontwikkelen van een visie geldend voor de langere termijn, op een breed terrein en grensoverschrijdend naar andere vakdisciplines. Indien beleidsontwikkeling niet in overwegende mate in de functie is opgenomen, met andere woorden geen substantieel onderdeel uitmaakt van de functie, dan geldt voor keuzemogelijkheden een score
  9. De zelfstandigheid in de functie komt tot uitdrukking in de gezichtspunten handelingsvrijheid en keuzemogelijkheden. Indien de licentiehouder hier expliciet voor kiest kunnen beide gezichtspunten gezamenlijk worden gehanteerd. Indien wordt overgegaan tot het gezamenlijk hanteren van de gezichtspunten handelingsvrijheid en keuzemogelijkheden, kan de hiernavolgende hulptabel worden gebruikt voor de bepaling van de totaalscore voor het kenmerk zelfstandigheid. In het waarderingsrapport dient de kolom- en rij-ingang te worden gemotiveerd. Leidinggeven is het richting geven aan de activiteiten van functionarissen die hiërarchisch direct of indirect ondergeschikt zijn - of zich in een situatie bevinden, die daarmee vergelijkbaar is - teneinde de gestelde doelen te bereiken. Het leidinggeven kenmerkt zich in beginsel door de aanwezigheid van een gezagssituatie, waarbij de medewerkers zich (uiteindelijk) hebben te voegen naar hetgeen de leidinggevende juist of noodzakelijk acht. In het echelonmodel wordt de zwaarte van het gezichtspunt leidinggeven voornamelijk bepaald door het hiërarchische niveau waarop de leidinggevende functie is gepositioneerd. Onderscheid wordt gemaakt tussen bijvoorbeeld: 1e echelon leidinggevenden : directielid/sectorhoofden 2e echelon leidinggevenden : afdelingshoofden 3e en volgende echelon leidinggevenden : bureauhoofden/opzichters Functioneel leidinggeven : coördinatoren/projectleiders NB. De terminologie dient te worden aangepast aan de organisatiestructuur. Ook kan naast het echelonmodel het functioneel leidinggeven worden gewaardeerd. In dat geval moet aan de criteria voldaan worden zoals die hieronder zijn beschreven. Deze subvariant van leidinggeven is opgenomen ten behoeve van een ‘platte’ organisatiestructuur. Het ontbreken van een hiërarchische tussenlaag wordt bij functiewaardering soms als een nadeel ervaren voor die functionarissen die structureel c.q. voor een langere periode met coördinerende werkzaamheden zijn belast en daar een substantieel deel van hun werktijd aan besteden. Onder coördinerende werkzaamheden worden onder meer verstaan het daadwerkelijk coördineren van de dagelijkse werkzaamheden met verantwoordelijkheid voor het eindresultaat en daarmee met de bevoegdheid om collega’s en derden te instrueren (al dan niet in projecten), te controleren en hun werkzaamheden te bepalen en regelen - inclusief planning en verdelen - van werkzaamheden, het signaleren van problemen, het optreden als klankbord en als eerste aanspreekpunt. Indien de subvariant functioneel leidinggeven wenselijk wordt geacht, dient de opdrachtgever hier expliciet voor te kiezen door het opnemen van deze variant in de scoretabel voor leidinggeven. Bij functioneel leidinggeven is er geen sprake van een hiërarchische relatie, terwijl de functionaris daadwerkelijk met een aantal leidinggevende taken wordt belast. Om voor functioneel leidinggeven in aanmerking te komen dient aan alle navolgende voorwaarden te worden voldaan: Er dient sprake te zijn van structureel, dat wil zeggen langer dan 3 jaar (Aanpassen aan lokale behoefte), functioneel leidinggeven op het terrein van het eigen vakgebied. Er dient functioneel leiding te worden gegeven aan ten minste 4 (Aanpassen aan lokale behoefte) volledige formatieplaatsen. Het functioneel leidinggeven dient te blijken uit een aanwijzing door het bestuursorgaan dan wel te blijken uit de functiebeschrijving. Een substantieel deel, namelijk 25% van de werktijd wordt besteed aan het functioneel leiderschap. Tot het functioneel leidinggeven wordt ook gerekend formeel projectleiderschap, voor zover dit gedurende 2 à 3 jaar minimaal 25% van de werktijd vergt en voor zover de projectleider verantwoordelijk is voor het eindproduct. Bovendien dient projectleiderschap het leidinggeven aan een aantal projectmedewerkers te omvatten. In dit geval bestaat er overigens geen hiërarchische relatie met de personen aan wie leiding wordt gegeven. Score OMSCHRIJVING 1e echelon 2e echelon 3e echelon Functioneel leidinggeven 0 Zeer kleine afdeling Zeer kleine onderafdeling Geen of nauwelijks coördinatie 1 Kleine afdeling Onderafdeling van beperkte omvang Coördinatie van een groep van middel-grote omvang 2 Kleine sector Middelgrote afdeling Onderafdeling van ruimere omvang Coördinatie van een groep van grote omvang 3 Middelgrote sector Grote afdeling Onderafdeling van grote omvang 4 Grote sector/De gehele organisatie Zeer grote afdeling Bij dit gezichtspunt ligt met uitzondering van functioneel leidinggeven de nadruk op de aanwezigheid van een hiërarchische verhouding. Mentorschap, kameroudste, eerste medewerk(st)er e.d. worden bij dit gezichtspunt niet gewaardeerd. Het samenwerken van een aantal medewerkers, waarbij een van deze personen optreedt als eerste man/vrouw/voorman (bijvoorbeeld vakman ten opzichte van assistenten, chauffeur ten opzichte van bijrijders/beladers, fitter ten opzichte van grondwerker(s), wordt niet bij dit gezichtspunt gewaardeerd. Indien een functionaris als eerste aanspreekpunt structureel met coördinerende werkzaamheden is belast, kan dit bij functioneel leidinggeven worden gewaardeerd. Tijdelijk personeel (bijvoorbeeld stagiaires, uitzendkrachten e.a.) wordt bij dit gezichtspunt niet meegeteld, tenzij het aanwezig zijn daarvan een permanent karakter draagt en productiegericht is. Het leidinggeven aan ingehuurd personeel zonder eigen leiding, één en ander met een vrijwel permanent karakter, wordt gelijkgesteld met het leidinggeven op 3e echelon of functioneel leidinggeven. Bij fluctuaties in aantallen (bijvoorbeeld werken met seizoenkrachten) wordt in principe uitgegaan van het jaargemiddelde. Bij deeltijders/parttimers e.a. geschiedt de aantalbepaling als volgt: Voor deeltijders/parttimers die 50% of meer werkzaam zijn: (aantal medewerkers + aantal formatieplaatsen) : 2 = aantal; Voor deeltijders/parttimers die minder dan 50% werkzaam zijn: 1,5 maal het aantal overeenkomstige formatieplaatsen. Afronding vindt plaats tot hele getallen via de natuurlijke afronding (dat wil zeggen 0,5 en meer naar boven en 0,49 en lager naar beneden afronden). Indien het aantal kleiner is dan 1, wordt het aantal bepaald op
  10. In de systeemtekst zijn geen aantallen formatieplaatsen voor groepsgrootte vermeld. In deze toelichting wordt een tabel weergegeven, waarbij op een evenwichtige manier de groepsgrootte in categorieën is onderverdeeld. In deze tabel worden de echelons en functioneel leidinggeven apart vermeld. Afhankelijk van de aard van de organisatie zal een op die organisatie toegespitste tabel wenselijk zijn. Hieromtrent dient een expliciet besluit te worden genomen. Score OMSCHRIJVING 1e echelon (aantal fte) 2e echelon (aantal fte) 3e echelon (aantal fte) Functioneel leidinggeven (aantal fte) 0 0 0 en 1 0 t/m 3 1 1 t/m 4 2 t/m 8 4 t/m 12 2 1 t/m 9 5 t/m 12 9 t/m 24 13 en meer 3 10 t/m 20 13 t/m 40 25 en meer 4 21 en meer 41 en meer Score OMSCHRIJVING 1e echelon 2e echelon 3e echelon (aantal fte) Functioneel leidinggeven (aantal fte) 0 1 t/m 3 1 1 t/m 7 4 t/m 12 2 8 en meer 13 en meer 3 X 4 X In voorbeeld twee van de scoretabel leidinggeven die hierboven is weergegeven, wordt een score van vier punten gegeven voor het eerste echelon, zonder op de omvang van het betreffende onderdeel te scoren. Het gaat op dit echelon immers om de managementbevoegdheden en -competenties, ongeacht de omvang. Daar behoort dan ook het accent te liggen. Het tweede echelon kan om dezelfde reden drie punten scoren. Het is voorstelbaar dat op het derde echelon en bij functioneel leidinggevenden de groepsomvang wèl meespeelt, omdat de leidinggevende activiteiten van deze leidinggevenden anders van aard zijn, namelijk naast leidinggevende taken, (gedelegeerde) inhoudelijke aansturingstaken. Leidinggeven aan vrijwilligers wordt slechts meegenomen bij dit gezichtspunt indien sprake is van een structureel karakter. Van een structureel karakter kan sprake zijn indien: de vrijwilliger een schriftelijk aanstellingsbesluit heeft gekregen van het bestuursorgaan; b. de vrijwilliger gezien over een langere periode - zo mogelijk twee jaar - regelmatig in de organisatie werkzaam is. Dergelijke vrijwilligers worden meegenomen als waren zij in dienst van de organisatie. In het algemeen zal er sprake zijn van leidinggeven conform het 3e echelon. Voor de toepassing van de scoretabel wordt uitgegaan van fulltime formatieplaatsen. Voor de berekening van de formatie wordt uitgegaan van de gemiddelde werktijd per week (ziekte, vakantie en verlof niet meegerekend), gerekend over een periode van zo mogelijk twee jaar. Vervanging wordt bij dit gezichtspunt alleen meegenomen wanneer voldaan is aan het gestelde in artikel 3:1:
  11. Hierbij komen tot uitdrukking de aard van de contacten en de eisen die derhalve aan de contactvaar-digheid in de functie worden gesteld met betrekking tot personen met wie de functionaris in een niet-hiërarchische verhouding staat. Ervaringskennis op het terrein van de menselijke verhoudingen, kennis van mentaliteit, levensgewoonten, sociale omstandigheden, levensbeschouwelijke invloeden met betrekking tot bepaalde (groepen) personen e.d. worden als kennis aangemerkt en derhalve gewaardeerd in de hoofdgroep en functionele vorming. Bezinning op de wijze waarop gerezen moeilijkheden in de contactverhoudingen moeten worden aangepakt of voorkomen, alsmede overwegingen welke gedragslijn te volgen, worden in het gezichtspunt 'keuzemogelijkheden' en/of 'zelfstandigheid' gewaardeerd. Score Omschrijving 1 Het gaat in de contacten om het signaleren en informeren: het overdragen of inwinnen van feitelijke informatie. Hierbij heeft de ander in het algemeen geen belang bij het achterhouden van informatie. 2 Het contact is een essentieel onderdeel van de functie. Het gaat hierbij om het behulpzaam zijn en/of om het verkrijgen van begrip. 3 Het gaat in de contacten om het verkrijgen van medewerking: er is sprake van een duidelijke belangentegenstelling, waarbij echter de beslissing vastligt, zodat het gaat om anderen ertoe te brengen tot actie over te gaan dan wel dit juist niet te doen. Vaak is een machtsmiddel of een terugkoppelingsmogelijkheid aanwezig. 4 In de contacten is sprake van controversiële situaties, waarbij een zwaarwegende beslissing tot stand moet komen, hetzij door overtuigen, hetzij door onderhandelen. In principe is geen machtsmiddel of terugkoppelingsmogelijkheid aanwezig. Indien bij een contact de 'beslissingsbevoegdheid' aan de kant van de functionaris ligt, zal een dergelijk contact om die reden nimmer leiden tot score
  12. Score 4 voor dit gezichtspunt wordt bereikt indien naast het feit dat geen machtsmiddel aanwezig is in een gesprek op dat moment een zwaarwegende beslissing moet worden genomen EN er sprake is van volledige zelfstandigheid (geen min of meer gelijkwaardige of eerder aanspreek-bare persoon aanwezig is), waarbij de functionaris verantwoordelijk is voor een beslissing waarop niet kan worden teruggekomen (of alleen met ernstig afbreuk van het vertrouwen in de gesprekspartner of organisatie, of met hoge kosten enz.). Indien een functionaris regelmatig in contact komt met agressieve burgers/cliënten, geldt score 3 voor dit gezichtspunt. SN H O O F D G R O E P I II III IV V VI 12 4 en 56 t/m 8 34 9 en meer 4 t/m 67 t/m 9 56 10 t/m 1213 en meer 4 t/m 67 t/m 9 78 10 t/m 1112 t/m 14 4 t/m 67 t/m 9 910 15 en meer 10 t/m 1112 t/m 14 4 t/m 9 1112 15 t/m 1718 en 20 10 t/m 1213 t/m 15 1314 16 t/m 1819 en 20 4 t/m 1213 t/m 15

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.