← Nederland

CAR/UWO (Gilze en Rijen)

In het kort

Deze wet regelt de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie van ambtenaren binnen de gemeente Gilze en Rijen, inclusief definities van belangrijke termen en uitzonderingen op wie als ambtenaar wordt beschouwd.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; seniorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de aanstelling; arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt; overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand; Zvw: de Zorgverzekeringswet; CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; UWO: Uitwerkingsovereenkomst; functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking; LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; : Wet arbeid en zorg; SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; WPA: de Wet privatisering ABP; FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt; ZW: de Ziektewet; ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. 2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Artikel 1:1:1:1 Aanvullende begripsomschrijvingen Voor de toepassing van de CAR, de UWO, zoals overeengekomen in het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) en aangepast aan de plaatselijke situatie en de eigen rechtspositieregelingen van de Gemeente Gilze en Rijen wordt de volgende begripsomschrijving toegevoegd: GRAR: Gemeente Gilze en Rijen Arbeidsvoorwaardenregeling. hoofd van dienst: de gemeentesecretaris seniorenconvent: de commissie gevormd door de fractievoorzitters van de in gemeenteraad vertegenwoordigende politieke groeperingen Artikel 1:2 Geen ambtenaar 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening; de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg. 2 Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. 3Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing. Artikel 1:2:0:1 Begripsomschrijving Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan: buitengewoon ambtenaar:de bezoldigd buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals bedoeld in het Reglement op de burgerlijke stand. CAR/UWO:de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst van de gemeente Gilze en Rijen. Artikel 1:2:0:2 Aanstelling Aanstelling geschiedt in vaste dienst of in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd. Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege. Artikel 1:2:0:3 Bezoldiging De buitengewoon ambtenaar ontvangt een bezoldiging in de vorm van een vergoeding per voltrokken huwelijk of geregistreerd partnerschap gelijk aan twee en een half maal het uurloon behorende bij het hoogste bedrag van schaal 8, bijlage IIa van de CAR/UWO. De vergoeding bedoeld in het eerste lid, wordt opgehoogd met het percentage van de vakantietoelage van artikel 6:3, tweede lid, van de CAR/UWO. De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt opgehoogd met het percentage van de eindejaarsuitkering van artikel 3:6 van de CAR/UWO. De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt opgehoogd met een percentage van 8,6% ter compensatie van het niet genieten van het vakantieverlof. Artikel 1:2:0:4 Ontslag en schorsing Ontslag kan worden verleend overeenkomstig de artikelen 8:1 (op verzoek), 8:2 en 8:2a (na ouderdomspensioen), 8:4 (wegens reorganisatie), 8:6 (wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid),8:7 en 8:8 (overige ontslaggronden), 8:11 (wegens FPU), 8:12 en 8:12:1 (van rechtswege en tussentijds ontslag uit tijdelijke aanstelling) en 8:13 (als disciplinaire straf) van de CAR/UWO. Schorsing van de buitengewoon ambtenaar vindt plaats overeenkomstig artikel 8:15:1 en 8:15:2 van de CAR/UWO. Artikel 1:2:0:5 Overige rechten en verplichtingen De artikelen 15:1, 15:1b tot en met 15:1g (verplichtingen rond integriteit), 15:1:12 (vergoeding van schade), 15:1:15 (beoordeling van de ambtenaar),15:1:16 (uniform of dienstkleding), 15:1:19 (verbod betreden arbeidsterrein), 15:1:20 (infectieziekten), 15:1:23 tot en met 15:1:25 (vergoeden van schade) en 15:2 (klokkenluiders) van de CAR/UWO zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:2:0:6 Plichtsverzuim De buitengewoon ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens schuldig maakt aan plichtsverzuim, kan disciplinair worden gestraft, overeenkomstig hoofdstuk 16 van de CAR/UWO. Artikel 1:2:0:7 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli

  1. Artikel 1:2:0:8 Citeertitel Deze regeling kan worden aangehaald als de rechtspositieregeling voor de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Gilze en Rijen. Vastgesteld in de collegevergadering van 15 januari 2008 Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar 1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. 2 Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. 4 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing. Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar. Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende. Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar. De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal
  2. Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente. Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en
  3. Artikel 1:2:3 Instapplan Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar. Artikel 1:3 Toepassing 1De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. 2Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel 1:3a Toepassing Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO 1Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. 2Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO 1Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. 2Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen. Artikel 1:5 Omvang van de betrekking Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. Artikel 1:6 Vrijstelling 1In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. 2De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. 2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid 1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. 2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. 3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. 4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek 1 Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. 2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Artikel 2:4 Duur van de aanstelling 1 De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk. 2 Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling. 3 Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter. 4 In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen. 5 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden. 6 Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling. Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling 1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst. 2 Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. 3 De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Artikel 2:4:2 Vacatures 1 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. 2 Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst 1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. 2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. 3Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:
  4. Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht 1 De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 . 2De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur. 3 Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Artikel 2:6 Overgangsrecht 1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden. 2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli
  5. 3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 . 4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 . Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur 1 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 2 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 3 Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie. Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur 1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. 2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; het salaris evenredig wordt verhoogd; de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd; instemming van de ambtenaar is vereist; artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. 4Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. 3 Salaris en vergoedingsregelingen Artikel 3:1 Bezoldiging 1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend. 2In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt: schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop; salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage. 3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage IIen IIa van de CAR. Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is. Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken. 4Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II . 5Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken: dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ; en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa . 6Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand. 7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. 8 Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Artikel 3:1:1 Bezoldiging 1 De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn. 2Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde. 3Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen. 4Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd. Artikel 3:1:1:1 Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder; bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders; ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1 voor wie het bepaalde in artikel 3:1, lid 3, alsmede de leden 4 en 5 van toepassing is; salaris: het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, lid 2; salarisschaal: de schaal als bedoeld in artikel 3:1, lid 3, opgenomen in bijlagen II en IIa; maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal; bezoldiging: de bezoldiging, als bedoeld in artikel 3:1, lid 2; functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door het daartoe bevoegde gezag op grond van een vastgestelde functiebeschrijving is opgedragen; functiewaardering: het op systematische wijze in rangorde plaatsen van functies, met als criterium de relatieve zwaarte van het werk; conversie: de vertaling van de in het kader van de functiewaardering vastgestelde rangorde naar de salarisschalen. Artikel 3:1:1:2 Ingangsdatum van recht op bezoldiging Het recht op bezoldiging vangt aan met de dag waarop de aanstelling van of de arbeidsovereenkomst met de ambtenaar ingaat. Het recht op bezoldiging eindigt, in geval van ontslag, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat. Artikel 3:1:1:3 Berekening salaris over perioden van korter dan een maand Wanneer het salaris of een toelage moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand. Artikel 3:1:1:4 Salarisschalen De salarissen van de ambtenaren worden vastgesteld op de bedragen volgens de salarisschalen, opgenomen in bijlage II en IIa. Het salaris van een ambtenaar, die geen volledige betrekking vervult, wordt vastgesteld op een zodanig deel van het salaris van de salarisschaal waarin hij is ingedeeld als het aantal uren van de gedeeltelijke dagtaak zich verhoudt tot dat van een volle dagtaak. Schaal 15, zoals deze is opgenomen in de onder a bedoelde bijlagen, is - met inachtneming van de overige bepalingen van deze verordening en de uit deze verordening voortvloeiende nadere regelen bedoeld in artikel 3:1:1:5 - voorbehouden voor de functie van gemeentesecretaris. Artikel 3:1:1:5 Functiewaardering en conversie naar salarisschalen Het bestuursorgaan bepaalt met inachtneming van de resultaten van de functiewaardering en aan de hand van de vastgestelde conversie de voor iedere functie geldende functionele salarisschaal. Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot de uitvoering van de functiewaardering en de daarbij te hanteren methode. Het bepaalde in de leden 1 en 2, met inbegrip van de nadere regels en de te hanteren methode door burgemeester en wethouders vastgesteld, is van toepassing op de gemeentesecretaris met dien verstande dat de uitvoering daarvan geschiedt door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan." Artikel 3:1:1:6 Indeling in aanloopschaal, functionele schaal en bovenfunctionele schaal De ambtenaar wordt ingedeeld in de voor hem geldende functionele salarisschaal, tenzij hij blijkens een beoordeling de functie nog niet volledig uitoefent of zijn wijze van functioneren zich daartegen verzet danwel niet of niet geheel voldoet aan de voor de functie vastgestelde functie-eisen. In deze gevallen kan indeling in een lagere salarisschaal plaatsvinden. Het gestelde in het eerste lid, onder a, is slechts van toepassing ten aanzien van de ambtenaar waarvoor, op basis van een voor hem geldend loopbaanplan, mogelijke plaatsing wordt overwogen in een functie, waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, dan waarin hij overeenkomstig dat loopbaanplan dient te worden ingedeeld. Indien het functioneren van de ambtenaar daartoe aanleiding geeft, kan indeling in een hogere dan de functionele schaal plaatsvinden. Anders dan bij wijze van disciplinaire straf als bedoeld in hoofdstuk 16, kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, dan dat van de salarisschaal, waarin hij reeds was ingedeeld. Artikel 3:1:1:7 Inpassing bij indiensttreding Bij aanstelling of indienstneming wordt in beginsel aan de ambtenaar het salaris toegekend, dat in de aan hem - met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:1:1:6 - toegekende salarisschaal is vermeld als minimumsalaris. Van het bepaalde in het vorige lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris, indien daartoe naar het oordeel van het bestuursorgaan aanleiding bestaat. Artikel 3:1:1:8 Periodieke verhoging van salaris Bij voldoende bekwaamheid, geschiktheid en ijver wordt het salaris van de ambtenaar binnen de salarisschaal periodiek verhoogd tot het naasthogere bedrag. De verhoging van het salaris van de ambtenaar volgens de salarisschaal, waarin hij is ingedeeld, geschiedt telkens nadat hij een jaar in de betreffende salarisschaal heeft doorgebracht, tot het maximum daarvan is bereikt. De verhogingen van het salaris, als bedoeld in de leden 1 en 2, gaan in op de eerste januari. Voor de verhoging van het salaris van de ambtenaar, die in de loop van een kalenderjaar wordt aangesteld of bevorderd, wordt de tijd, die verlopen is van de dag van zijn aanstelling of bevordering tot de eerste januari daaraan volgend, voor een jaar gerekend. Aan de ambtenaar, ingedeeld in een salarisschaal in bijlage II, waaraan diensttijduitlopen zijn verbonden, wordt de eerste diensttijduitloop toegekend nadat hij 3 jaren het maximum van die salarisschaal heeft genoten. Indien deze datum valt na de eerste januari, wordt de diensttijduitloop toegekend met ingang van de eerste januari van dat jaar. De tweede diensttijduitloop wordt toegekend twee jaren na de eerste en de derde diensttijduitloop twee jaren na de tweede. De tijd gedurende welke de ambtenaar ingevolge wettelijke verplichting, als bedoeld in hoofdstuk 3 wordt geacht in zijn betrekking met verlof te zijn, wordt voor de toekenning van de periodieke verhoging als diensttijd in aanmerking genomen. Artikel 3:1:1:9 Bijzondere bepalingen m.b.t. periodieke verhoging van salaris In afwijking van het bepaalde in artikel 3:1:1:8 kan indien het functioneren van de ambtenaar daartoe aanleiding geeft: de ambtenaar een periodieke verhoging worden onthouden; het tijdstip waarop de periodieke verhoging zou worden toegekend, worden vervroegd; de ambtenaar een extra periodieke verhoging worden toegekend, indien de ambtenaar het maximumbedrag van de hem toegekende salarisschaal nog niet heeft bereikt. Artikel 3:1:1:10 Toelage boven maximumsalaris Aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, kan door het bestuursorgaan een persoonlijke toelage worden toegekend zoals aangegeven in artikel 3:7:8 van de CAR/UWO. De som van de in het lid 1 van dit artikel genoemde toelage en het salaris van de betrokken ambtenaar overschrijdt het maximumsalaris van de naasthogere salarisschaal niet. Artikel 3:1:1:11 Inpassing in hogere schaal bij bevordering Wanneer voor de ambtenaar, als bedoeld in artikel 3:1, derde lid onder a, een salarisschaal gaat gelden met een hoger maximum salaris, wordt het salaris in de nieuwe schaal zodanig vastgesteld, dat daarbij een salarisverhoging wordt verkregen, die ten minste gelijk is aan een periodieke verhoging in de nieuwe salarisschaal. Wanneer voor de ambtenaar, als bedoeld in artikel 3:1, derde lid onder b, een salarisschaal gaat gelden met een hoger maximum salaris, wordt hij voor de bepaling van het salaris in de hogere schaal ingepast op het in relatie tot zijn voormalige salaris naasthogere bedrag. Blijkt daarbij, dat de inpassing leidt tot een salarisverhoging, lager dan het bedrag genoemd in artikel 40:1:1:2 onder 1, dan wordt hij ingepast op de periodiek gelegen direct boven voornoemd naasthogere bedrag. Het bedrag genoemd in artikel 40:1:1:2, lid 1, wordt ingeval van een algemene salarisherziening dienovereenkomstig aangepast (rekenkundig afgerond op hele euro's). Artikel 3:1:1:12 Garantie minimumloon Indien het salaris minder is dan het maandbedrag van het minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als de ambtenaar, wordt aan hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil. Voor de toepassing van lid 1 wordt voor de ambtenaar met een niet-volledige werktijd, het voor werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het minimumloon bij een volledige werktijd. Artikel 3:1:1:13 Toelage wegens verrichten van onregelmatige diensten Aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11 van bijlage II en IIa, en voor wie werktijden zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 3:3, wordt door het bestuursorgaan een toelage toegekend. De in het vorige lid bedoelde toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur. Dit percentage bedraagt: 20 voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 8 uur en tussen 18 en 22 uur; 40 voor de uren op zaterdag tussen 6 en 22 uur; 45 voor de uren op maandag tot en met zaterdag tussen 0 en 6 uur en tussen 22 en 24 uur; 65 voor de uren op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1, lid 3; met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het maximum salaris van schaal
  6. Het bestuursorgaan kan in afwijking van het bepaalde in lid 2 een vaste onregelmatigheidstoelage voor een functie vaststellen. Artikel 3:1:1:14 Inconveniënten Aan de ambtenaar, die naar het oordeel van het bestuursorgaan extra zware werkzaamheden of werkzaamheden onder extra bezwarende omstandigheden verricht, wordt een vergoeding toegekend overeenkomstig nader door het bestuursorgaan te stellen regelen. De werkwijze voor het bepalen van toeslagen voor in de functie gelegen inconveniënten. is als volgt: Met erkenning van de huidige rangordening van functies naar inconveniënten worden gedifferentieerde toeslagen per maand toegekend naar de volgende categorieën, percentages en berekeningsbasis: Categorie 0: geen toeslag Categorie 1: ten bedrage van 1,5% Categorie 2: ten bedrage van 3 % Categorie 3: ten bedrage van 4,5% Categorie 4: ten bedrage van 6 % van het maximumsalaris van salarisschaal
  7. Wanneer als gevolg van ARBO-maatregelen of herziening van werkwijzen veranderingen optreden in bestaande functies, worden deze door de ARBO-deskundige van de ARBO-dienst en door de ARBO-commissie getoetst naar effecten, die voor de bepaling van de toeslag van belang zijn. Wanneer in het kader van de inconveniënten nieuwe functies ontstaan, worden deze in de onder a bedoelde rangordening naar categorieën ingepast, nadat daaromtrent toetsing als bedoeld onder b door de ARBO-deskundige en door de ARBO-commissie heeft plaatsgevonden. Artikel 3:1:1:15 Wacht- en consignatiediensten Aan de ambtenaar, die buiten de voor zijn betrekking vastgestelde werktijden zich op schriftelijke aanwijzing van het bestuursorgaan regelmatig bereikbaar en beschikbaar moet houden om bij oproep of ingeval van calamiteiten arbeid te gaan verrichten, wordt een vergoeding toegekend. Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door het bestuursorgaan wordt verleend zo spoedig mogelijk - in de regel binnen zes kalenderweken - na het tijdvak, waarin de ambtenaar zich bereikbaar of beschikbaar moest houden. Het verlof bedraagt: 16% van het aantal uren, waarin hij zich bereikbaar of beschikbaar moest houden, voor zover deze vielen op zondag of een der dagen genoemd in artikel 4:2:1, lid 3 en iedere andere dag, die daarboven door het bestuursorgaan wordt aangewezen en 10% van het aantal uren, waarin hij zich bereikbaar of beschikbaar moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan het dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De vergoeding bedraagt: 16% van het voor de ambtenaar geldende uurloon voor elk uur, waarin hij zich bereikbaar of beschikbaar moest houden, voor zover deze vielen op zondag of een der dagen genoemd in artikel 4:2:1, lid 3 en iedere andere dag, die daarboven door het bestuursorgaan wordt aangewezen en 10% van het voor de ambtenaar geldende uurloon voor elk uur, waarin hij zich bereikbaar of beschikbaar moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen. Het uurloon van de ambtenaar bedraagt 1/156 gedeelte van zijn salaris per maand. In bijzondere gevallen, waarin het bepaalde in lid 1 een naar het oordeel van het bestuursorgaan onvoldoende voorziening biedt, kan het bestuursorgaan een daarvan afwijkende regeling treffen. Artikel 3:1:1:16 EHBO-toelage en BHV-toelage De ambtenaren, die door het bestuursorgaan zijn aangewezen om naast hun normale werkzaamheden diensten van eerste hulp bij ongevallen te verrichten en die in het bezit zijn van een geldig E.H.B.O.-diploma óf zijn aangewezen als bedrijfshulpverlener en die in het bezit zijn van een geldig BHV- certificaat, ontvangen als toelage een verhoging van hun salaris met het bedrag, zoals dit genoemd is in artikel 40:1:1:2, lid
  8. De ambtenaren die in het bezit zijn van én een geldig E.H.B.O- diploma én een geldig B.H.V.-certificaat, ontvangen als toelage een verhoging van hun salaris met het bedrag, zoals dit genoemd is in artikel 40:1:1:2, lid
  9. De bedragen zoals genoemd in artikel 40:1:1:2, lid 4, worden ingeval van een algemene salarisherziening dienovereenkomstig aangepast (rekenkundig afgerond op hele euro's). Wijzigingen aanvulling met BHV en aanpassing vergoedingsbedragen vastgesteld in de collegevergadering van 26 november 2002 Artikel 3:1:1:17 Garantietoelagen De ambtenaar, die vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening in dienst was en die overeenkomstig artikel 18 en/of artikel 19 van de Bezoldigingsverordening Gilze en Rijen 1989 rechtens een garantietoelage genoot, behoudt zijn recht op deze toelage. Het recht op voortzetting van de toelage bedoeld in het eerste lid vervalt, zodra de ambtenaar in een hogere salarisschaal wordt ingedeeld. In dat geval wordt de toelage in het salaris geïncorporeerd. De hoogte van deze garantietoelagen wordt op persoonlijke titel toegekend op basis van het gestelde in artikel 40:1:1:2, lid
  10. De daarin genoemde bedragen worden ingeval van een algemene salarisherziening, door het bestuursorgaan dienovereenkomstig aangepast (rekenkundig afgerond op hele euro's). Artikel 3:1:1:18 Afbouw toelagen en vergoedingen Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage of vergoeding, die werd toegekend ingevolge deze verordening of daaraan voorafgegane bezoldigingsverordeningen, een blijvende verlaging ondergaat, wordt door het bestuursorgaan een aflopende toelage toegekend, indien: die blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelagen bedoeld in artikel 3:1:1:11; en de ambtenaar de toelage, als bedoeld in artikel 3:1:1:13, direct voorafgaande aan vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 2 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten; in afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 55 jaar en ouder, wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 3:1:1:13 een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend indien de ambtenaar de toelage bedoeld in artikel 3:1:1:13 direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten; de in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt en hij, onmiddellijk voor de aanvang van die toelage, gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 3:1:1:13 heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid; voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder een wezenlijke onderbreking verstaan, een onderbreking van langer dan twee maanden; het bestuursorgaan stelt voor de uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Van de in lid 1 genoemde afbouwregeling zijn uitgezonderd de toelagen bedoeld in de artikelen 14 en
  11. Artikel 3:1:1:19 Delegatie Wanneer het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) te kennen geeft, dat in het kader van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden Regeling voor de sector gemeenten tot algemene wijziging van de salarissen van gemeenteambtenaren en/of tot eenmalige uitkeringen is besloten, is het bestuursorgaan bevoegd tot: dienovereenkomstige wijziging van de bedragen in de bijlagen II en IIa en het doen van dienovereenkomstige uitkeringen. Van de besluiten bedoeld in het eerste lid geeft het bestuursorgaan kennis aan de raad en aan de commissie voor georganiseerd overleg. Artikel 3:1:1:20 Toelage coördinatorschap Aan de ambtenaar op wie het separate profiel “coördinator” uit het functieboek van toepassing is verklaard, wordt door het bestuursorgaan een toelage toegekend. Deze toelage wordt alleen toegekend als de aan de ambtenaar feitelijk toegekende salarisschaal en de vastgestelde functionele salarisschaal gelijk zijn. De hoogte van de toelage voor coördinatorschap wordt bepaald in artikel 40:1:1:2, lid 3 en wijzigt niet met de algemene salarisherziening. Deze toelage wordt niet herberekend naar rato van de werkelijke arbeidsduur. De toelage coördinatorschap vervalt als het profiel coördinator niet meer op de ambtenaar van toepassing is. Indien de toelage vervalt op basis van het gestelde in lid 5 vindt er geen afbouwregeling plaats. In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan een afwijkende regeling treffen. Vastgesteld in de collegevergadering van 4 november 2008 Artikel 3:1:1:21 Voorzieningen treffen In gevallen waarin deze verordening niet of niet naar redelijkheid voorziet treft het bestuursorgaan de nodige voorzieningen. Artikel 3:1:2 Waarnemingstoelage 1De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid. 2De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald. 3De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1 . Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming. 4Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt. 5Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen. Artikel 3:1:2:1 Doeltoelage aangewezen plaatsvervangers leidinggevenden De ambtenaar die functioneel is aangewezen als plaatsvervanger van zijn direct leidinggevende heeft aanspraak op een "doeltoelage" van 2% van zijn salaris. De aanspraak op de "doeltoelage" vervalt op het moment waarop het plaatsvervangerschap eindigt. Indien de toekenning van de "doeltoelage" eindigt ontstaat geen aanspraak op een afbouwtoelage als bedoeld in artikel 3:1:1:
  12. De "doeltoelage" wordt bij inpassing in een hogere schaal niet geïncorporeerd. Artikel 3:2 Overwerkvergoeding De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin. Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding 1De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde. 2Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. 3Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met
  13. 5Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt: 100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur 50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur; 50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur; 25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald. Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%. 6Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk.Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. 7Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen. 8Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. Artikel 3:2:1:1 Vergoeding voor overwerk De vergoeding voor overwerk geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:2:1, doch met inachtneming van het volgende: de vergoeding wordt slechts verleend, indien aan het overwerk een uitdrukkelijke opdracht ten grondslag ligt gegeven door het hoofd van dienst of - binnen een door deze bepaald kader - door het sectordirecteur c.q. hoofd van een stafafdeling als bedoeld in artikel 26:1:1:1; de vergoeding wordt tevens verleend voor overwerk waarvoor de onder I genoemde uitdrukkelijke opdracht niet noodzakelijk is, te weten het overwerk, dat voortvloeit uit een storings- of consignatiedienst; overwerk in verband met het bijwonen van commissie- en andere vergaderingen, hoorzittingen en dergelijke, aan welke de ambtenaar als secretaris of notulist is verbonden of welke hij dient bij te wonen voor het verlenen van ambtelijke bijstand; overwerk, waaraan ter wille van een goede dienstverlening een structureel karakter is verbonden. Artikel 3:2:1:2 Uitsluiting overwerkvergoeding Voor overwerk, verricht door ambtenaren ingedeeld in de op grond van functiewaardering toegekende salarisschalen 11 en hoger geldt dat geen overwerkvergoedingen wordt betaald, noch wordt aan hen de toelagen toegekend, zoals deze zijn gegeven in artikel 3:2:
  14. Voor hen wordt slechts het aantal volle uren van het overwerk op de voor hen geldende werktijd in mindering gebracht, dit indien en voor zover het dienstbelang dat mogelijk maakt. Artikel 3:2:1:3 Exceptionele situaties uitsluiting overwerk Ten aanzien van het bepaalde in artikel 3:2:1:2 behoudt het college van burgemeester en wethouders zich het recht voor om voor de daarin bedoelde ambtenaren in naar het oordeel van het hoofd van dienst - en voor het hoofd van dienst naar ons oordeel - exceptionele situaties enigerlei al of niet financiële compensatie toe te kennen, welke niet behoeft te zijn gerelateerd aan artikel 3:2:
  15. Artikel 3:2:1:4 Declareren overwerk Voor het declareren van overwerkvergoedingen dient gebruik te worden gemaakt van het bij dit artikel behorende declaratieformulier. Declaratieformulier overwerk Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst 1De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op: maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur; zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur; zondag tussen 00.00 en 24.00 uur. 2In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld. 3In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld. 4In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3:3:1 Beschikbaarheidsdiensten Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 15:1:10 , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden. Artikel 3:3:1:1 Vergoeding voor de beschikbaarheid wegens gladheidbestrijding Aan de ambtenaar, die buiten de werktijden die voor hem gelden krachtens de werktijdregeling, als bedoeld in artikel 4:2:0:6, ingevolge een schriftelijke aanwijzing van of namens het diensthoofd of op grond van de weersverwachting (temperaturen beneden de 3 graden C), zulks ter beoordeling van de opzichter, zich regelmatig of vrij regelmatig bereikbaar en beschikbaar moet houden teneinde bij oproep arbeid te gaan verrichten in het kader van de gladheidbestrijding, wordt een toelage toegekend. De vergoeding bedraagt 10% van het voor de ambtenaar geldende uurloon, met een minimum van het bij het maximum van schaal 6 behorende uurloon, voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor zover deze uren vallen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven door burgemeester en wethouders wordt aangewezen en 5% waarin hij zich ter beschikking moet houden, indien deze uren vallen op andere dagen. De vergoeding wordt gestaakt zodra: hij daadwerkelijk wordt ingezet bij calamiteiten/gladheidbestrijding bij gladheidbestrijding hem door of vanwege de opzichter wordt medegedeeld, dat consignatie op grond van de weersomstandigheden niet meer noodzakelijk is. De vergoeding voor het daadwerkelijk optreden bij gladheidbestrijding wordt conform de regeling overwerk, als bedoeld in artikel 3:2:1, in de vorm van overwerk uitbetaald. De in dit artikel vermelde vergoedingen worden naar rato verminderd indien de betreffende ambtenaar de daarbij behorende werkzaamheden niet of ten dele verricht. Artikel 3:3:1:2 Vergoeding projectleiders De ambtenaar die, naast zijn reguliere (lijn)functie, door het college van burgemeester en wethouders wordt aangewezen als projectleider ontvangt gedurende de periode dat hij als projectleider is aangewezen een vergoeding per maand. De aanwijzing als projectleider eindigt op het moment dat het project waarvoor hij als projectleider is aangewezen door het hoofd projectenbureau of de sectordirecteur als beëindigd wordt beschouwd. De vergoeding is afgestemd op het door het hoofd projectenbureau of de sectordirecteur op jaarbasis ingeschatte en schriftelijk vastgelegde aantal te besteden uren aan het project. Op basis van het aantal uren op jaarbasis bedraagt de vergoeding: tot 250 uren op jaarbasis 2% van het eigen jaarsalaris van 250 tot 500 uren op jaarbasis 4% van het eigen jaarsalaris van 500 tot 750 uren op jaarbasis 6% van het eigen jaarsalaris van 750 tot 1000 uren op jaarbasis 8% van het eigen jaarsalaris. Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding. Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding 1Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde: feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven; werktijd, deze werktijd wordt verschoven. 2Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd. 3De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon. Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald: in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef; op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend. Artikel 3:5:1 Ambtsjubileumgratificatie 1Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft.De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: op grond van artikel 8:3 ; op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; op grond van artikel 8:10 of 8:11 indien en voorzover het een volledig ontslag betreft; en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend.Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. 2Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend. Artikel 3:5:1:1 Ambtsjubileumgratificatie gemeentedienst Bij raadsbesluit van d.d. 16 december 1996 behoudt de bepaling “Dit artikel is overeenkomstige toepassing bij 25-, 40- en 50-jarige diensttijd in dienst van de Gemeente Gilze en Rijen”, zoals deze voor kwam in artikel C5 van het Algemeen Ambtenarenreglement 1994, zijn werking voor personeel, dat vóór of op 1 september 1996 in dienst was, indien en voor zolang hun dienstverband met de Gemeente Gilze en Rijen na 1 september 1996 onafgebroken wordt voortgezet. Artikel 3:5:1:2 Ambtsjubileumgratificatie 12 ½ jaar gemeentedienst Aan de ambtenaar die gedurende een onafgebroken periode van 12 ½ jaar een dienstverband bij de gemeente Gilze en Rijen heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met een kwart (1/4) van het maandsalaris waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. Het maandsalaris is het bedrag behorend bij de salarisschaal, exclusief toelagen. Ingangsdatum 1 januari 2004, collegebesluit van 4 november 2003 Artikel 3:5:1:3 Afscheidsgratificatie eervol ontslag De afscheidsgratificatie als bedoeld in de leden 1 tot en met 5 wordt toegekend indien er sprake is van een ontslag als bedoeld in de artikelen 8:2 (ouderdomspensioen), 8:3 (reorganisatie), 8:4 (arbeidsongeschiktheid), 8:10 (pre-vut) en 8:11 (FPU). De afscheidsgratificatie bedraagt 5% van de bezoldiging en de vakantietoelage per volledig dienstjaar. Op basis van de diensttijdlijn van de ambtenaar wordt door middeling de einddeeltijdfactor bepaald (zie toelichting) Deze einddeeltijdfactor én de bezoldiging en vakantietoelage van de ambtenaar op het moment van ontslag op basis van een volledig dienstverband, zijn de basis voor de berekening van de afscheidsgratificatie als bedoeld in lid
  16. De afscheidsgratificatie als bedoeld in lid 1 wordt betaalbaar gesteld in de maand na het volledig eindigen van de arbeidsrelatie bij de gemeente Gilze en Rijen. De afscheidsgratificatie, als bedoeld in lid 1, wordt door de werkgever overeenkomstig de terzake geldende fiscale voorschiften betaalbaar gesteld en bedraagt, ongeacht het aantal uren dienstverband, tenminste 10% van het maximum van schaal 1 van bijlage IIa inclusief vakantietoelage. Gewijzigde regeling, collegebesluit van 30 mei 2006 Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering 1De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. 2De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. 3Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest. Artikel 3:7:1 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:2 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:3 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:4 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:5 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:6 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:7 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage 1Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat. 2De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. 4 Arbeidsduur en werktijden Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden 1Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden. 2 De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. 3 Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft. Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden 1 In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld. 2 Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen: dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is; dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt; dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken; dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te ontwijken. 3 Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen. Artikel 4:2:0:1 Werktijden algemeen De werktijden voor het personeel van de gemeente Gilze en Rijen zijn met ingang van 1 januari 1997 per categorie vastgesteld. Met ingang van 1 januari 1997 geldt voor het personeel met een volledige betrekking een werktijd van gemiddeld 36 uren per week. Ten aanzien van het personeel met een deeltijdbetrekking geldt dat het aantal te werken uren bij benoemingsakte wordt vastgesteld. Het aantal uren per dagdeel wordt, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 4:2:0:2, jaarlijks en bij tussentijdse wijziging (in overleg met betrokkene) door de directleidinggevende vastgesteld en, door middel van vermelding op een daarvoor bestemd formulier, gemeld aan de groep personeel en organisatie. Formulier vaststelling werktijden t.b.v. (senioren)deeltijders over Artikel 4:2:0:2 Indeling in categorieën De indeling in categorieën, als bedoeld in artikel 4:2:0:1, lid 1, is als volgt: voor de medewerkers van de groep buitendienst van de afdeling gemeentewerken gelden, met gebruikmaking van de bandbreedte, de werktijden, zoals weergegeven in artikel 4:2:0:6: voor de medewerkers van de groep reiniging van afdeling milieu en het beroepsper-soneel van de vrijwillige brandweer, belast met onderhoudswerkzaamheden, gelden de volgende werktijden: dagelijks van 8.00 tot 12.30 uur en van 13.00 tot 16.30 uur; eens per periode van 2 weken wordt op vrijdag géén arbeid verricht; de werktijden voor het personeel werkzaam bij de afdeling sport worden, met ge-bruikmaking van de bandbreedte, maandelijks bij rooster vastgesteld; voor de binnendienstmedewerkers zijn,met uitzondering van het personeel waar-voor vaste werktijden zijn bepaald, variabele werktijden vastgesteld, waarbij geldt dat op de vrijdagmiddag vanaf 13.00 uur géén arbeid wordt verricht. Onder varia-bele werktijd wordt verstaan de tijdsperiode, waarbinnen men onder bepaalde voorwaarden zelf kan bepalen, hoe laat men het werk begint en eindigt met dien verstande, dat de gemiddelde werktijd 36 uur per week bedraagt. Artikel 4:2:0:3 Werking van de regeling De regeling van de variabele werktijden, als bedoeld in artikel 4:2:0:2, onder d is als volgt: Begripsomschrijvingen: bloktijden: dit zijn de uren, gedurende welke iedereen aanwezig dient te zijn t.w.: 09.00 tot 12.00 uur 14.00 tot 16.00 uur. Op verzoek kan de directleidinggevende ontheffing geven van de aanvangsbloktijd tot 09.15 uur, indien de gezinssituatie van verzoeker daartoe aanleiding geeft. variabele tijden: dit zijn de uren, waarin iedereen vrij is te variëren t.w.: 07.30 tot 09.00 uur 12.00 tot 14.00 uur 16.00 tot 18.00 uur. middag-pauze: deze moet minimaal 1/2 uur bedragen. maximum-werktijd: 9 uren per dag, 45 uren per week. minimum-werktijd: uren per dag, 23 uren per week. vaste pauze: voor degenen, die gedurende de middag-pauze niet in de gelegenheid zijn van de tijdklok gebruik te maken, geldt een vaste pauze van 12.30 tot 13.00 uur. doktersbezoek: dit zal zo enigszins mogelijk buiten werktijd dienen plaats te vinden. Is dat niet mogelijk, dan wordt een fictieve begin- of eindtijd bepaald op het tijdstip, dat gemiddeld genomen voor de betreffende belanghebbende gebruikelijk is. verlof: als rekeneenheid wordt voor dit doel aangehouden:voor medewerk(st)ers met een volledige betrekking hele dag = 8 uur; halve dag = 4 uur.voor medewerk(st)ers met een deeltijdbetrekking hele dag = het vastgestelde aantal arbeidsuren van die dag(en); halve dag = de helft van het vastgestelde aantal arbeidsuren van die dag(en); Positieve en negatieve saldi zijn toegestaan tot maximaal 15 uren. Positieve saldi, welke de 15 uren te boven gaan, vervallen voor het meerdere, negatieve saldi van meer dan 15 uren worden voor het meerdere in mindering gebracht op het vakantieverlof. Saldi mogen worden aangewend voor het opnemen van een verlofdag tot een maximum van één per kalendermaand en zes per kalenderjaar. Het gestelde in dit artikel onder lid 1 "verlof" is hierop van toepassing. Indien burgemeester en wethouders in enig kalenderjaar verplichte sluitingsdagen hebben aangewezen, mag het in lid 2 bepaalde maximum van het positieve saldo tijdelijk worden overschreden. Van de in dit artikel gegeven mogelijkheid tot het opnemen van verlof kan slechts gebruik worden gemaakt, indien en voor zover de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten. Een opgedragen dagtaak dient te worden afgemaakt. De registratie van de werktijd geschiedt door middel van een elektronisch aanwezigheidsregistratie systeem. Ieder ontvangt daartoe een persoonsgebonden badge, die bij gebruik de aanvang en het einde van de ochtend- en middagdienst registreert. Door middel van een codering dient de reden te worden aangegeven van de afwezigheid, welke niet door het systeem wordt geregistreerd (verlof, ziekte enz.). Indien men niet in de gelegenheid is om op werkdagen van het systeem gebruik te maken, dient de begin- en eindtijd via codering in het systeem te worden vastgelegd. Burgemeester en wethouders kunnen, op voorstel van het hoofd van dienst, voor zover het dienstbelang dit vordert, bepalen, dat personeelsleden buiten de gestelde bloktijden aanwezig moeten zijn of dat door bepaalde groepen van personeel op vaste tijden moet worden gewerkt. Van de mogelijkheid tot werken op variabele tijden kan slechts dan gebruik worden gemaakt, als een (minimale) bureaubezetting is gegarandeerd tot 17.00 uur en op vrijdag tot 12.30 uur. Er is sprake van overwerk wanneer: hiervoor opdracht is gegeven én; de feitelijke arbeidsduur wordt overschreden. Artikel 4:2:0:4 Jongeren Personeel beneden de leeftijd van 18 jaar mag het werk niet voor 08.00 uur beginnen. Artikel 4:2:0:5 Vermindering arbeidstijd bij feestdag Indien een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, lid 3 en artikel 4:2:1:1 wordt de arbeidstijd van de ambtenaar met een volledige betrekking in die week met één werkdag verminderd. Voor de ambtenaar met een deeltijdbetrekking vindt de vermindering van de arbeidstijd, als bedoeld in het 1e lid, in die week naar rato van de deeltijdfactor plaats. Artikel 4:2:0:6 Werktijden buitendienst gemeentewerken Periode 1 januari tot en met 28 februari Werktijden 08.00 – 12.30 uur 13.00 – 16.30 uur = 8 uur per dag 1 x per 14 dagen, hele dag vrij ("ADV") Periode 1 maart tot en met 31 mei Werktijden 08.00 – 12.30 uur 13.00 – 16.30 uur = 8 uur per dag Gedurende deze periode van 13 weken geniet men géén "ADV" doch men spaart 4 uren ADV per week op. Deze gespaarde uren worden gebruikt voor de vastgestelde sluitingsdagen. Wat daarna nog aan uren resteert wordt bijgeschreven op de vakantiekaart. Periode 1 juni tot en met 31 december Werktijden 08.00 – 12.30 uur 13.00 – 16.30 uur = 8 uur per dag 1 x per 14 dagen, hele dag vrij ("ADV") Artikel 4:2:1 Arbeidsduur en werktijden 1 Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. 2 Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2 , tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. 3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd. 4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. 5 Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend. Artikel 4:2:1:1 Aangewezen feestdagen Lid 4 van artikel 4:2:1 is van overeenkomstige toepassing op Carnavalsdinsdag, de Goede Vrijdag, 5 mei en de dinsdag , die samenvalt met de jaarmarkt te Rijen. Artikel 4:2:2 Arbeidsduur en werktijden Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. Artikel 4:3 Spaarmogelijkheid 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. 2 Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode. 3 De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan. 4 In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 5 In geval van ontslag op grond van artikel 8:3 , 8:6 , 8:7 , 8:8 , 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 6 In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed 7 In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. 8 In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2 , het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 9 In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. 10 Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. Artikel 4:3:1 Vervallen (Vervallen) Artikel 4:3:2 Vervallen (Vervallen) Artikel 4:3:3 Vervallen (Vervallen) 4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid. 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum. 3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid. 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 4a:3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding 1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. 2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld. Artikel 4a:3:1:0 Definities voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder : werkgever: de gemeente Gilze en Rijen; werknemer: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1, lid 1 onder a voor de duur van tenminste 1 jaar . fiets: fiets welke hoofdzakelijk gebruik wordt voor het woon-werkverkeer op meer dan de helft van de voor de werknemer overeengekomen werkdagen. vakantie-uren: de vergoeding, zoals gedefinieerd in artikel 4a:1 lid
  17. eindejaarsuitkering: de uitkering, zoals gedefinieerd in artikel 3:
  18. vakantietoelage: de toelage, zoals gedefinieerd in artikel 6:
  19. brutolooncomponenten: de vergoeding, de uitkering en toelage, zoals genoemd onder d. , e. en f. Artikel 4a:3:1:1 Waardebepaling belastingvrije vergoeding Voor de bepaling van de waarde van de brutolooncomponenten zoals bedoeld in artikel 4a:3:1:0 onderdeel g. geldt als berekeningsbasis de maand januari van het kalenderjaar waarin aan de regeling wordt deelgenomen, De waarde van een uur ingevolge artikel 4a:3:1:0 onderdeel d. komt bij een volledige betrekking overeen met het bruto bedrag gelijk aan 1/156 van het van toepassing zijnde schaalbedrag, De waarde ingevolge artikel 4a:3:1:0 onderdelen e. en f. komt overeen met het bruto bedrag van de reservering. Artikel 4a:3:1:2 Verklaring Om aanspraak te kunnen maken op een (gedeeltelijke) vergoeding van de aanschafprijs van de fiets dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe overgaat, Het in artikel 4a:3:1:7 bedoelde aanmeldingsformulier, met betrekking tot de aankoop, de motivering van het woon-werkverkeer en het verrekenplan, volledig in te vullen. Artikel 4a:3:1:3 Procedure aanschaf fiets Indien de werkgever beschikt over de in artikel 4a:3:1:2 bedoelde aanmelding en na overlegging van de in artikel 4a:3:1:5, lid 1 onder b genoemde originele nota verleent de werkgever aan werknemer een vergoeding voor de aangeschafte fiets eventueel vermeerderd met de kosten van een afgesloten rijwielverzekering. De cataloguswaarde van de fiets is geheel vrij, echter de maximum toegestane vergoeding mag niet meer bedragen dan het bedrag genoemd in artikel 40:1:1:5, lid
  20. De aanschaf van de fiets dient te geschieden bij een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onderneming. De werknemer kan in een periode van 36 kalendermaanden eenmaal aanspraak maken op de in lid 2 genoemde aanschaf van een fiets. De verstrekte vergoeding aan de werknemer dient in het kalenderjaar van aanschaf van de fiets verrekend te worden door: verlaging van bijzondere beloningen, te weten de vakantietoeslag, en/of eindejaarsuitkering; verkoop van vakantie-uren, zoals geregeld in hoofdstuk 4a. De in lid 1 bedoelde vergoeding wordt verminderd met het normbedrag dat niet belastingvrij vergoed mag worden. Dit bedrag is opgenomen in artikel 40:1:1:5, lid
  21. Bij beëindiging van het dienstverband voordat er verrekening conform lid 4 heeft plaats gevonden wordt het aan u uitgekeerde bedrag alsnog netto op u verhaald c.q. met u verrekend. Artikel 4a:3:1:4 Eigendom De fiets is eigendom van de werknemer. Beschadiging, diefstal e.d. zijn voor rekening en risico van de werknemer. Garantiebepalingen gelden volgens de (standaard-)voorwaarden en contractuele voorwaarden van de leverancier. Zij kunnen op geen enkele wijze door de werkgever worden gewaarborgd. Artikel 4a:3:1:5 Bescheiden De werknemer dient de volgende bescheiden te overleggen: het in artikel 4a:3:1:7 opgenomen aanmeldingsformulier; een op naam van de werknemer gestelde originele aankoopnota, niet ouder dan twee maanden; De werkgever bewaart deze bescheiden bij de loonadministratie. Artikel 4a:3:1:6 Slotbepalingen Indien bij controle door de inspecteur der belastingen blijkt dat de fiets niet is gebruikt overeenkomstig de voorwaarden/richtlijnen en dientengevolge naheffing bij de werkgever plaatsvindt, dan komt deze naheffing (inclusief eventuele rente en boete) voor rekening van de werknemer. Artikel 4a:3:1:7 Aanmelding deelname Fiets-Privé-Regeling Het aanmeldingsformulier wordt te zijner tijd opgenomen in hoofdstuk
  22. Tot nader bericht is het verkrijgbaar bij de afdeling Personeel en Organisatie. Artikel 4a:3:2:1 Begripsomschrijving Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: werknemer: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1, lid 1, van de CAR/UWO; huisadres: het adres van de woning waar werknemer daadwerkelijk woonachtig is; plaats van tewerkstelling: het adres van het gebouw, gebouwencomplex of terrein waarop de werknemer voor de normale uitoefening van zijn functie is aangewezen. Artikel 4a:3:2:2 Tegemoetkoming in reiskosten woon-werk Werknemers in dienst van de gemeente Gilze en Rijen kunnen aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten voor het regelmatig reizen tussen het huisadres en de plaats van tewerkstelling. Deze aanspraak is alleen mogelijk indien de werknemer gebruik maakt van de mogelijkheid tot het uitruilen van (een gedeelte van) de bruto eindejaarsuitkering van het betreffende kalenderjaar of, als deze niet toereikend is zal het verschil van de toekomende vergoeding uitgeruild worden met (een gedeelte van) de uitbetaling van de eerstvolgende vakantiegelduitkering. Ook kunnen de middels het cafetariamodel aangeboden vakantie-uren op basis van artikel 4a:1 van het betreffende kalenderjaar ingezet worden voor deze tegemoetkoming. Artikel 4a:3:2:3 Reisafstand Voor de bepaling van de enkele reisafstand geldt de werkelijke afstand tussen het huisadres en het adres van de plaats van tewerkstelling, berekend aan de hand van de meest recent beschikbare versie van de ANWB routeplanner, via de kortste route. Als de aanvrager bij zijn aanvraag gemotiveerd (en met bewijs) aan kan tonen dat de route zoals door hem bijgevoegd, “Kortste route volgens de ANWB-routeplanner”, fouten c.q. onmogelijkheden vertoont, kan voor deze aanvrager als alternatief uitgegaan worden van de “Snelste route volgens de ANWB-routeplanner”. Bovenstaande wordt door een medewerker van de afdeling Personeel en Organisatie kortgesloten met betreffende leidinggevende en op de achterzijde van het aanvraagformulier schriftelijk bevestigd. Als de aanvrager bij zijn aanvraag gemotiveerd (en met bewijs) aan kan tonen dat het reizen volgens de “Kortste route volgens de ANWB-routeplanner” onevenredig belastend is in reistijd, mag uitgegaan worden van de afstand volgens de “Snelste route volgens de ANWB-routeplanner” als de aangegeven reistijd van de kortste route de snelste met tenminste 50% overtreft. Artikel 4a:3:2:4 Wijze van vervoer Gebruikmaking van eigen vervoermiddel: Voor de bepaling van de vrije vergoeding woon-werkverkeer op jaarbasis wordt uitgegaan van de volgende factoren: Het maximum aantal dagen voor vergoeding bedraagt 214 per jaar. Dit sluit aan bij het maximum zoals door de belastingdienst is voorgeschreven in de vaste vergoeding voor woon- werkverkeer. Hierbij is al rekening gehouden met kortstondige afwezigheid wegens vakantie, ziekte en verlof. Bij parttimers wordt dit herrekend conform het “Formulier vaststelling werktijden” zoals dit jaarlijks door het afdelingshoofd in januari aangeleverd dient te worden; De reisafstand is gemaximeerd op 75 kilometer enkele reis. De werknemer reist tenminste 36 weken naar zijn vaste arbeidsplaats. Bij indiensttreding of ontslag in de loop van het jaar of een part-time dienstverband vindt deze berekening naar evenredigheid plaats. De toegestane vrije vergoeding voor reiskosten woon-werkverkeer is dan op jaarbasis bij een fulltime dienstverband: 214 dagen x (2 x enkele reisafstand) x de belastingvrije vergoeding per kilometer. Gebruikmaking van het openbaar vervoer: Indien de werknemer per openbaar vervoer reist dan worden de daadwerkelijke kosten voor berekening van de vergoeding in aanmerking genomen. De vervoerbewijzen dienen aan de afdeling Personeel en Organisatie te worden overlegd. Artikel 4a:3:2:5 Afwezigheid In de berekening van het gemiddelde aantal werkdagen is rekening gehouden met korte afwezigheid. Pas bij een afwezigheid van langer dan zes aaneengesloten weken zal het aantal werkdagen naar beneden worden bijgesteld met het totaal aantal verzuimde werkdagen. Artikel 4a:3:2:6 Maximering van de vergoeding De maximale vergoeding voor woon-werkverkeer is gelijk aan de in artikel 4a:3:2:2, 2e lid genoemde uitkeringen. Echter als betrokkene ook andere regelingen binnen het cafetariamodel gebruikt kunnen de gezamenlijke vergoedingen hiervan nooit groter zijn dan het in bovenstaande zin genoemde maximum. Artikel 4a:3:2:7 Voorziening Het college is bevoegd in gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet een voorziening te treffen. Artikel 4a:3:2:8 Gevolgen voor werknemersverzekeringen Het uitruilen van de bruto eindejaarsuitkering en/of vakantiegelduitkering voor een tegemoetkoming woon-werkverkeer heeft gevolgen voor het inkomen van de ambtenaar. Er worden minder WAO- en WW-rechten opgebouwd over het gedeelte dat wordt uitgeruild voor de tegemoetkoming woon-werkverkeer. Artikel 4a:3:2:9 Procedureverloop Het verzoek voor een tegemoetkoming dient op een standaard aanvraagformulier ingediend te worden vóór 1 november van het betreffende kalenderjaar; Uitbetaling zal plaatsvinden met het salaris over de maand december daarop volgend. Artikel 4a:3:2:10 Overeenkomst van uitwisseling arbeidsvoorwaarden Na ondertekening van het aanvraagformulier door het afdelingshoofd Personeel en Organisatie heeft dit formulier het karakter van een overeenkomst met betrekking tot de uitwisseling van de daarin genoemde arbeidsvoorwaarden. 4a:3:2:11 Inwerkingtreding en werkingsduur Deze regeling treedt heden in werking en werkt terug tot 1 januari
  23. Indien wijzigingen van wetten, arbeidsvoorwaarden, beleid van de staatssecretaris en/of jurisprudentie hiertoe aanleiding geven zal de regeling worden aangepast of ingetrokken. Vastgesteld in de collegevergadering van 25 augustus 2009 Artikel 4a:3:3:1 Begripsomschrijving Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: werknemer:de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1, lid 1, van de CAR/UWO; Artikel 4a:3:3:2 Tegemoetkoming in vakbondscontributie Werknemers in dienst van de gemeente Gilze en Rijen kunnen aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten voor vakbondscontributie. Deze aanspraak is alleen mogelijk indien de werknemer gebruik maakt van de mogelijkheid tot het uitruilen van (een gedeelte van) de bruto eindejaarsuitkering van het betreffende kalenderjaar of, als deze niet toereikend is zal het verschil van de toekomende vergoeding uitgeruild worden met (een gedeelte van) de uitbetaling van de eerstvolgende vakantiegelduitkering. Ook kunnen de middels het cafetariamodel aangeboden vakantie-uren op basis van artikel 4a:1 van het betreffende kalenderjaar ingezet worden voor deze tegemoetkoming. Artikel 4a:3:3:3 Maximering van de vergoeding De maximale vergoeding voor vakbondscontributie is gelijk aan de in artikel 4a:3:3:2, 2e lid genoemde uitkeringen. Echter als betrokkene ook andere regelingen binnen het cafetariamodel gebruikt kunnen de gezamenlijke vergoedingen hiervoor nooit hoger zijn dan het in bovenstaande zin genoemde maximum. Artikel 4a:3:3:4 Voorziening Het college is bevoegd in gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet een voorziening te treffen. Artikel 4a:3:3:5 Gevolgen voor werknemersverzekeringen Het uitruilen van de bruto eindejaarsuitkering en/of vakantiegelduitkering voor een tegemoetkoming vakbondscontributie heeft gevolgen voor het inkomen van de ambtenaar. Er worden minder WAO- en WW-rechten opgebouwd over het gedeelte dat wordt uitgeruild voor de tegemoetkoming vakbondscontributie. Artikel 4a:3:3:6 Procedureverloop Het verzoek voor een tegemoetkoming dient op een standaard voorgeschreven aanvraagformulier ingediend te worden vóór 1 november van het betreffende kalenderjaar onder overlegging van de daar genoemde bewijsstukken; Uitbetaling zal plaatsvinden met het salaris over de maand december daarop volgend. Artikel 4a:3:3:7 Overeenkomst van uitwisseling arbeidsvoorwaarden Na ondertekening van het aanvraagformulier door het afdelingshoofd Personeel en Organisatie heeft dit formulier het karakter van een overeenkomst met betrekking tot de uitwisseling van de daarin genoemde arbeidsvoorwaarden. Artikel 4a:3:3:8 Inwerkingtreding en werkingsduur Deze regeling treedt heden in werking en werkt terug tot 1 januari
  24. Indien wijzigingen van wetten, arbeidsvoorwaarden, beleid van de staatssecretaris en/of jurisprudentie hiertoe aanleiding geven zal de regeling worden aangepast of ingetrokken. Vastgesteld in de collegevergadering van 25 augustus 2009 Artikel 4a:3:4:1 Begripsomschrijving Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Werknemer:de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1, lid 1, van de CAR/UWO; fitnesslocatie:de locatie aangegeven door de werkgever waar bedrijfsfitness wordt uitgevoerd. bedrijfsfitness:conditie of krachttraining van werknemer georganiseerd door de werkgever onder deskundig toezicht. Het gebruik van sauna valt hier niet onder. Artikel 4a:3:4:2 Tegemoetkoming in kosten bedrijfsfitness Werknemers in dienst van de gemeente Gilze en Rijen kunnen aanspraak maken op een vergoeding voor de kosten voor bedrijfsfitness. Deze aanspraak is alleen mogelijk indien de werknemer gebruik maakt van de mogelijkheid tot het uitruilen van (een gedeelte van) de bruto eindejaarsuitkering van het betreffende kalenderjaar of, als deze niet toereikend is zal het verschil van de toekomende vergoeding uitgeruild worden met (een gedeelte van) de uitbetaling van de eerstvolgende vakantiegelduitkering. Ook kunnen de middels het cafetariamodel aangeboden vakantie-uren op basis van art. 4a:1 van het betreffende kalenderjaar ingezet worden voor deze tegemoetkoming. Deze aanspraak is alleen mogelijk indien de werknemer gebruik maakt van de door de werkgever aangewezen fitnesslocatie. Artikel 4a:3:4:3 Maximering van de vergoeding De maximale vergoeding voor bedrijfsfitness is gelijk aan de in artikel 4a:3:4:2, 2e lid genoemde uitkeringen. Echter als betrokkene ook andere regelingen binnen het cafetariamodel gebruikt kunnen de gezamenlijke vergoedingen hiervoor nooit hoger zijn dan het in bovenstaande zin genoemde maximum. Artikel 4a:3:4:4 Voorziening Het college is bevoegd in gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet een voorziening te treffen. Artikel 4a:3:4:5 Gevolgen voor werknemersverzekeringen en pensioengrondslag Het uitruilen van de bruto eindejaarsuitkering en/of vakantiegelduitkering voor een tegemoetkoming in de kosten voor bedrijfsfitness heeft gevolgen voor het inkomen van de ambtenaar. Er worden minder WAO- en WW-rechten opgebouwd over het gedeelte dat wordt uitgeruild voor de tegemoetkoming bedrijfsfitness. De grondslag voor de pensioenopbouw wordt evenwel niet verlaagd. Artikel 4a:3:4:6 Procedureverloop Het verzoek voor een tegemoetkoming dient op een standaard aanvraagformulier ingediend te worden vóór 1 november van het betreffende kalenderjaar onder overlegging van de daar genoemde bewijsstukken; Uitbetaling zal plaatsvinden met het salaris over de maand december daarop volgend. Artikel 4a:3:4:7 Overeenkomst van uitwisseling arbeidsvoorwaarden Na ondertekening van het aanvraagformulier door het afdelingshoofd Personeel & Organisatie heeft dit formulier het karakter van een overeenkomst met betrekking tot de uitwisseling van de daarin genoemde arbeidsvoorwaarden. Artikel 4a:3:4:8 Inwerkingtreding en werkingsduur Deze regeling treedt in werking op 1 januari
  25. Indien wijzigingen van wetten, arbeidsvoorwaarden, beleid van de staatssecretaris en/of jurisprudentie hiertoe aanleiding geven zal de regeling worden aangepast of ingetrokken. Vastgesteld in de collegevergadering van 21 augustus 2007 5 Seniorenmaatregelen Artikel 5:1 56-jarenregeling Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) 1De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 56 jaar en ouder, die een ononderbroken diensttijd heeft van ten minste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; en geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een leeftijdsgrens is bepaald wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, op zijn verzoek met een vijfde deel teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Er dient minimaal een arbeidsduur van 7,2 uur per week te resteren. 2Onder diensttijd als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 2, tweede lid, onder de punten a tot en met c, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering. 3Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met een vijfde teruggebrachte seniorenarbeidsduur. Artikel 5:2 Pré-vut Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) 1 De werknemer in de zin van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering heeft recht op een uitkering krachtens het bepaalde in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van dat reglement, met ingang van de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De uitkering wordt betaald met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop het recht op de uitkering ontstaat. De pré-vut-uitkering wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Voor de duur van de periode van de pré-vut blijven de bepalingen van het reglement vrijwillig vervroegde uittreding van kracht zoals die regeling laatstelijk luidde voor 1 april
  26. 2 De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75% van het inkomen zoals omschreven in artikel 1, onderdeel v, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, met dien verstande dat het uitkeringspercentage voor de ambtenaar, die wordt bezoldigd volgens de salarisschalen 1 en 2, 80% van evenbedoeld inkomen bedraagt. 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de ambtenaar wiens verzoek, bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, is ingewilligd. Artikel 5:3 60-jarigenregeling Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) 1 Met inachtneming van het gestelde in het tweede lid, wordt de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 60 jaar en ouder, die: een aanstelling heeft van tenminste 14,4 uur per week, en; een ononderbroken diensttijd heeft van tenminste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; op verzoek van de ambtenaar dan wel op verzoek van het college, met de helft teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur en onder doorbetaling van 95% van de bezoldiging. De bezoldiging wordt voor 95% doorbetaald tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt; van de ambtenaar die bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar geen gebruikmaakt van de FPU-regeling om uit te treden, wordt, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, de bezoldiging voor 50% doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden tot een maximum van 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, blijft de omvang van de verminderde seniorenarbeidsduur gehandhaafd op 50%. De bezoldiging wordt voor 50% van de bezoldiging zoals die voor hem gold voordat hij gebruik ging maken van de FPU, doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden voor meer dan 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, worden de formele arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur en de bezoldiging zoals die voor hem golden voordat hij gebruik ging maken van de FPU, met eenzelfde percentage aangepast. Het verzoek van de ambtenaar kan slechts worden geweigerd indien naar het oordeel van het college sprake is van een organisatorisch belang. De ambtenaar heeft te allen tijde het recht op grond van hem moverende redenen het verzoek van het college te weigeren. 2Ten aanzien van de ambtenaar waarvan de seniorenarbeidsduur reeds met een vijfde is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar, die reeds met een vijfde deel is teruggebracht op grond van het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, wordt tot de helft teruggebracht, uitgaande van de omvang van de aanstelling, zoals die gold op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ingevolge artikel 5:1; Ten aanzien van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur voor 1 april 1996 is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, geldt dat deze ambtenaar tot 1 mei 1996 kan verzoeken om in aanmerking te komen voor de 60-jarigenregeling. Indien het verzoek tot vermindering van de seniorenarbeidsduur is ingewilligd, wordt de doorbetaling van de bezoldiging met ingang van 1 mei 1996 teruggebracht tot 90%. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. 3 Onder diensttijd als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 5:1, tweede lid. 4 Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met de helft teruggebrachte seniorenarbeidsduur per week. 5 Wanneer de betrokkene inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur met de helft is teruggebracht dan wel schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, worden die inkomsten in mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben met dien verstande dat het percentage van de door te betalen bezoldiging na vermindering nooit minder bedraagt dan
  27. Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt niet begrepen een uitkering op grond van de FPU-regeling. 6 Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurend vakantie, verlof of non-activiteit onmiddellijk voor afgaande aan de vermindering van de seniorenarbeidsduur. 7 Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het vijfde lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen voor evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het vijfde lid van overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de vermindering van de werktijd. 8 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur is verminderd of schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, terstond mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig op voor het verschijnen van de eerstvolgende bezoldigingstermijn. 9 Indien de in het vijfde tot en met zevende lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij voor het verschijnen van elke bezoldigingstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. 10 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave als bedoeld in het achtste lid worden afgeweken. 11 Het in het zevende en achtste lid bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in het vijfde en zesde lid. 12 Door het aanvaarden van de vermindering van de seniorenarbeidsduur wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijke inlichtingen geven. 13 Indien de betrokkene één of meerdere verplichtingen als bedoeld in het zevende en achtste lid niet nakomt, kan het college de doorbetaling van de bezoldiging tijdelijk of definitief op een lager percentage stellen, met dien verstande dat het aldus vastgestelde percentage nooit minder dan 50 kan bedragen. 14 Het verzoek voor het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur moet minimaal drie maanden voor aanvang van de vermindering worden ingediend. Artikel 5:4 Ingangsdatum seniorenmaatregelen Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de seniorenarbeidsduur te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, of 5:3, eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar vanaf de dag dat de leeftijd is bereikt, zoals vermeld in de voorgaande artikelen, aanspraak op vermindering van de seniorenarbeidsduur. Op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop tenminste de vereiste leeftijdwordt bereikt, wordt de seniorenarbeidsduur teruggebracht en wordt de bezoldiging gedeeltelijk uitbetaald, op grond van het bepaalde in artikel 5:1 en 5:
  28. Artikel 5:5 Overgangsbepaling Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) De ambtenaar waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5:1 is gehonoreerd en waarvan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ligt voor 1 april 1996, behoudt voor de duur van de periode van deze vermindering van seniorenarbeidsduur, de volledig voor hem geldende bezoldiging, behoudens ingeval artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is. Artikel 5:6 Slotbepalingen 1 Een ambtenaar die gebruik maakt of heeft gemaakt van de regeling zoals opgenomen in hoofdstuk 5a, kan niet deelnemen aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. 2 Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. 5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen Artikel 5a:1 Recht op uitkering De ambtenaar die: ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever. Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag 1 In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat. 2 Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever. Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever 1 De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt: Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd 56 6,9 57 8,0 58 9,4 59 11,3 60 14 61 of ouder 16 2 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd. 3De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt. Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten 1 Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. 2 Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid. 3de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt. Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten 1 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.