Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 29 februari 2024, nr. 5202197, houdende de vaststelling van de kwalificatiestructuur en de aanwijzing van politieopleidingen en overige opleidingen (Regeling politieonderwijs) Regeling politieonderwijs De Minister van Justitie en Veiligheid, Gelet op artikel 86, tweede lid, en artikel 87, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012; Besluit: Artikel 1 Kwalificatiestructuur politieonderwijs Het stelsel van kwalificatiedossiers is vastgesteld en de kwalificatiedossiers zijn in bijlage I bij deze regeling opgenomen. Artikel 2 Politieopleidingen met een diploma 1 De politieopleidingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, subonderdeel 1°, van de Politiewet 2012, worden als volgt aangewezen: a. De opleiding ter verkrijging van het diploma Politieagent GGP (niveau 4); b. De opleiding ter verkrijging van het diploma Rechercheur (niveau 6); c. De opleiding ter verkrijging van het diploma Politieagent (niveau 6); d. De opleiding ter verkrijging van het diploma Wijkagent (niveau 6); e. De opleiding ter verkrijging van het diploma Politieleider (niveau 6); f. De combinatie van de opleiding pre-master recherchekunde en de opleiding ter verkrijging van het diploma Master of Criminal Investigation (niveau 7). 2 De vereisten waaraan voldaan moet worden om het diploma te behalen voor een opleiding als bedoeld in het eerste lid, zijn neergelegd in het bijbehorende kwalificatiedossier in bijlage I bij deze regeling. Artikel 3 Politieopleiding die leidt tot een deeldiploma 1 De politieopleiding, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, subonderdeel 2°, van de Politiewet 2012, wordt als volgt aangewezen: de opleiding ter verkrijging van het diploma Politiemedewerker Specifieke Inzet. 2 De vereisten waaraan voldaan moet worden om het deeldiploma te behalen, zijn neergelegd in het bijbehorende kwalificatiedossier in bijlage I bij deze regeling. Artikel 4 Politieopleidingen die leiden tot een certificaat 1 De politieopleidingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, subonderdeel 3°, van de Politiewet 2012, worden aangewezen in bijlage II bij deze regeling. 2 De vereisten waaraan voldaan moet worden om het certificaat te behalen zijn neergelegd in het bijbehorende kwalificatiedossier in bijlage I bij deze regeling. Artikel 5 Overige opleidingen De overige opleidingen, bedoeld in artikel 74, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Politiewet 2012, worden aangewezen in bijlage III bij deze regeling. Artikel 6 Intrekking Regeling landelijke politieopleidingen PO2002 De Regeling landelijke politieopleidingen PO2002 wordt ingetrokken. Artikel 7 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari
(2011)heeft de Politieonderwijsraad een balans opgemaakt van veranderingen in het werk van de politie en de (benodigde) doorwerking daarvan in de beroepsprofielen van de politie. Het centrale thema bleek het toenemend belang van intelligence. De samenleving wordt complexer en minder kenbaar door globalisering, digitalisering en toenemende sociaal-culturele diversiteit. De aard en afbakening van het beroep van Politieman/ -vrouw wordt beïnvloed door een verschuiving van politietaken naar andere publieke uitvoeringsdiensten (gemeentelijke bijvoorbeeld) en soms ook naar particuliere beveiligingsdiensten. Enerzijds leidde dit tot een inperking van de politietaak, anderzijds vergrootte het de noodzaak tot samenwerken en het belang van een functionele, nodale oriëntatie. Vakbekwame Politiemannen en -vrouwen op NLQF-niveau 6 zijn algemeen opsporingsbekwaam, breed inzetbaar op diverse vakgebieden en werkterreinen binnen de politie en in meerdere rollen (zoals niveau 4), maar beschikken tevens over brede aanvullende politiekundige en organisatorische expertise op hoger onderwijsniveau. Zij kunnen presteren in een onbekende, wisselende leef- en werkomgeving, ook internationaal. Zij begrijpen hoe het politiewerk in de noodhulp, de handhaving en de opsporing samenhangt, bijvoorbeeld in wijken, bij evenementen en bij calamiteiten, en weten effectief en proportioneel te handelen. Een situatie kan zo ontwikkelen of escaleren, dat een ingezette actie niet afgemaakt kan worden en een andere actie vereist is. Het adequaat kunnen kiezen uit meerdere opties vraagt een goed ontwikkeld oordeelsvermogen, in politietermen gezegd, een groot vermogen ‘om te schakelen’. Zij zijn in staat zowel territoriaal, als nodaal te opereren (met oog voor de virtuele kanten van het politiewerk) en weten een adequate keuze te maken tussen correctie en preventie. In de veiligheidsregio dragen zij adequaat bij aan het publieke gezag en de samenwerking met de brandweer en de GHOR. Deels kan dit geleerd worden in een opleiding, deels vergt dit meerjarige werkervaring. Het gaat erom de dingen goed te doen, maar ook om de goede dingen te doen. A.2 Beroepsprofiel Het volledige beroepsprofiel van de vakbekwame Politieman/ -vrouw op NLQF-niveau 6 is na te lezen in Schakelen in Verantwoordelijkheid (2011: 70–72). De vermelde competenties zijn als gevolg van de herijking in belangrijke mate nieuw, deels geconcretiseerd en slechts nog in beperkte mate hetzelfde als het beroepsprofiel dat werd vastgesteld in het jaar
- Nieuw geformuleerde competenties betreffen onder andere actuele juridische kennis en vaardigheden (strafrecht, bestuursrecht, civiel recht, internationale wet- en regelgeving) en het adequaat opstellen van dossiers, rapportages en adviezen, niet alleen in het Nederlands maar ook in een vreemde taal. Verder zijn het gebruik van (digitale) informatiebronnen benadrukt en het vermogen daar trends uit af te leiden en het toenemende belang van het kunnen ‘schakelen’. Op het terrein van de opsporing zijn diverse nieuwe competenties verwoord, onder andere op het terrein van de digitale recherche, sociale media en in internationaal verband. Adequaat kunnen omgaan met een overvloed aan informatie blijkt onontbeerlijk, alsook het vermogen om intelligence-gestuurd te handelen. Een citaat uit Schakelen op pg. 70 gaat als volgt: “De Bachelor Politiekunde is als allround operationeel expert en drager van het geweldsmonopolie volledig executief inzetbaar in zowel alle politiële kerntaken van handhaving tot en met opsporing als in het mobiliseren, organiseren of coördineren van de afstemming daarvan op de bevoegdheden van gelijksoortige ketenpartners. Hij/zij is in veranderlijke en hectische situaties verantwoordelijk voor het eigen brede handelen en een adequate doorverwijzing naar specialisten of effectieve samenwerking met ketenpartners. Op basis van het analyseren en evalueren van omgevingsontwikkelingen en scenario’s en de combinatie van lokale en nodale ‘intelligence’ zorgt hij/zij voor duurzame veiligheidsarrangementen en een proactieve aanpak van criminaliteit. Zowel het brede en tegelijkertijd gedifferentieerde taakgebied als de operationele positie in een bepaalde keten van handhaving of opsporing vraagt om cognitieve flexibiliteit, ofwel het vermogen om in het politiële handelen – zowel intern als extern – permanent te switchen tussen invalshoeken, opties, benaderingen, uitvoerders, rechtsgebieden. Politiewerk op dit niveau stelt hoge eisen aan balanceren tussen ‘street wise’ en ‘science wise’ handelen, het beantwoorden en realiseren van de verantwoordelijkheidsvraag en het winnen van gezag.” Het beroepsprofiel is vertaald naar het niveau van startbekwaamheid in het kwalificatieprofiel dat vermeld is in deel B van dit kwalificatiedossier. Tevens werkt het herijkte beroepsprofiel door in de examenvereisten en het onderwijs dat daartoe opleidt. De startbekwame Politieman/ -vrouw, die opgeleid is als Bachelor Politiekunde, is breed inzetbaar op de functieniveaus Generalist en Senior, en bij verdere doorgroei als Operationeel Expert. Een gerichte vorm van na- en bijscholing kan nuttig of noodzakelijk zijn, zodra sprake is van inzet op specifieke werkterreinen, bijv. Milieu of Verkeer, of in bepaalde rollen, zoals de Mobiele Eenheden (ME). In voorkomende gevallen kan de Politieman/ vrouw die opgeleid is als Bachelor Politiekunde gebruik maken van het bij- en nascholingsaanbod op niveau 3–5 (zie het KD Politiemedewerker en het KD Associate Politiekunde). Ook na afronding van een opleiding als Bachelor Politiekunde vergt vakbekwaamheid meerdere jaren van werkervaring. Deel B Kwalificaties B.1 Diploma’s Code KD Code KSP 2013 C Titel diploma FA 1.6.1 240 Bachelor Politiekunde Kwalificatieprofiel Een Politiekundige Bachelor kan: Noodhulp Vakmatig
- al dan niet in groepsverband als ‘troubleshooter’ opereren in de (veranderlijke) omgeving van veiligheidsregio’s, heftige en onverwachte incidenten, risicovolle calamiteiten en niet te plannen activiteiten
- zelfstandig beslissingen nemen op voorbereidend, uitvoerend en coördinerend niveau wat betreft de prioriteit van de inzet, omvang en aard van de middelen
- samen met partners beleid, modellen en strategieën ontwikkelen voor de organisatie en het monitoren van hulpverlening, noodhulp en de opschaling daarvan
- een integraal plan van aanpak van noodhulp en rampenbestrijding ontwerpen, uitvoeren en evalueren – op basis van het inschatten van potentiële risico’s Contextueel
- in het netwerk van uitvoeringsorganisaties op het terrein van intake en noodhulp opereren, coördineren en partners activeren
- omgaan met technologische vernieuwingen in apparatuur (voor de meldkamer of van medische aard) en de juridische dimensie van noodhulpsituaties
- positie kiezen in de politiek-bestuurlijke en organisatorische ontwikkelingen met betrekking tot het meldkamerdomein en de voorbereiding op rampen en calamiteiten (veiligheidsregio’s, samenwerking met gemeente en provincie en de toenemende rol van de landelijke overheid)
- capaciteitsmanagement, het National Intelligence Model (NIM) of het Referentiemodel Bedrijfsprocessen Politie (RBP) 2008 benutten om omgevingsontwikkelingen te kanaliseren Sociaal
- conflicten tussen verschillende partijen en stressvolle situaties evenwichtig hanteren en daarbij fysiek, mentaal en verbaal schakelen, ook bij grotere mensenmassa’s
- verwachtingen – wat kunnen/ mogen (ontevreden, lastige of bedreigde) burgers van politiehulp verwachten – vertrouwenwekkend managen
- bij noodhulpvragen van burgers gebruik maken van hun potentieel aan zelfredzaamheid
- in de interactie met bestuur, partners en publiek alert zijn op de kenmerken/ eigenschappen van elke partij, resp. formele positie, taakopvatting, diversiteit Individueel
- adviseren over een adequate (her)inrichting van processen van intake en noodhulp
- de toepassing van protocollen en standaardprocessen combineren met actie-intelligent en situatie-intelligent optreden
- de wijze van informatievergaring optimaal afstemmen op die van samenwerkingspartners
- bijdragen aan de verbetering van het uitvoeren en monitoren van noodhulpvraagstukken Handhaving Vakmatig
- in (on)verwachte en kritische openbare orde situaties methodisch en systematisch het hoofd bieden aan hectiek en mediadruk
- discretionair omgaan met (inter)nationale wet- en regelgeving
- overtredingspatronen herkennen, daarin verbanden leggen en hypothesen voor een proactieve, preventieve of repressieve aanpak daarvan vormen en toetsen
- beleidsplannen, plannen van aanpak, draaiboeken en projecten aangaande risicosituaties op het gebied van bv. verkeer, milieu en evenementen formuleren, uitvoeren en evalueren Contextueel
- bij het coördineren van gezamenlijke projecten voortgangsbeslissingen nemen tegen de achtergrond van uiteenlopende (criteria voor) besluitvormingsprocessen
- omgaan met diverse rechtsgebieden (staats- en bestuursrecht, strafrecht, civiel recht, internationaal recht)
- rekening houden met (inter)nationale veranderingen in de organisatie en het object van handhaving van de openbare orde (bv. afstoten van taken, nodale i.p.v. gebiedsoriëntatie)
- totstandkoming van (inter)nationale wettelijke kaders en jurisprudentie duiden en veranderingen daarin vertalen in beleidsvoorstellen en procesbewaking Sociaal
- het eigen handelen en dat van collega’s toetsen op correctheid
- in het netwerken, onderhandelen en vergaderen met instanties rekening houden met verschillende protocollen, procedures en culturen
- extern schakelen en acties afstemmen in termen van gedragsbeïnvloeding en concrete activiteiten, rekening houdend met doelgroep en partners
- integer optreden, rekening houdend met de diversiteit aan medewerkers en betrokkenen Individueel
- gedragsmodellen en handhavingsscenario’s ontwerpen en evalueren naar diverse vormen
- adviseren omtrent handhaving, zowel strategisch, tactisch en operationeel
- de effecten van multidisciplinair delen van informatie en het veredelen ervan afwegen en evalueren
- de impact van handhaving relateren aan het duurzame nut voor de organisatie, partners en de burger Opsporing Vakmatig
- omgaan met hectiek, (georganiseerde) criminaliteit, diverse actoren (media, raadslieden etc.) en diversiteit in rechercheprocessen
- bij het rechercheren rechtmatigheid en wetmatigheid inschatten alsmede rechtsbeginselen en rechtsmiddelen afwegen
- forensische en tactische informatie tot ‘intelligence’ verheffen, onderbrengen in een te formuleren opsporingsplan en de onderzoeksresultaten vastleggen in een dossier
- vanuit een breed politiekundig referentiekader en criminologische expertise een tactische aanpak van (georganiseerde) criminaliteit ontwerpen en het proces ervan bewaken Contextueel
- in samenwerking met het OM, externe opsporingsinstanties en specialisten de reikwijdte van ieders bevoegdheden benutten en (internationale) rechtshulpverzoeken verwerken
- een ruim arsenaal aan opsporingsactiviteiten (waaronder digitaal/ financieel) overzien en (laten) inzetten
- bij een meer omvattend opsporingsonderzoek rekening houden met maatschappelijke, bestuurlijke, juridische en rechtspsychologische ontwikkelingen (trends in kapitale delicten, politiek-bestuurlijke prioriteiten, jurisprudentie, forensische vernieuwingen, EU-richtlijnen)
- een operationele en strategische criminaliteitsanalyse (laten) doen Sociaal
- in opsporingsonderzoek relaties managen en medewerkers coachen
- in teamverband samenwerken met personen met verschillende culturele en vakmatige achtergronden en ervaringen (intern, extern, nationaal, internationaal)
- in PV’s, verhoren, zaaksoverleg en (de)briefings: informatie, instructies, conclusies of nazorg helder communiceren en – juridisch en taalkundig – accuraat rapporteren, waar van toepassing in een vreemde taal
- in de opsporing integer gebruik maken van kennis en vaardigheden Individueel
- denken in opsporingsscenario’s
- het proces en de resultaten van een opsporingsonderzoek omzetten in een advies en aangeleverd advies benutten
- relevantie en gevoeligheid van (inter)nationaal gedeelde ‘intelligence’ inschatten, erop anticiperen en ervan leren
- recherche-ervaring omzetten in persoonlijke effectiviteit en kwaliteitsverbetering voor de organisatie Gemeenschappelijke veiligheid Vakmatig
- opereren in een versnipperd veld van heterogeen bestuurde en wisselende veiligheidsnetwerken en -instanties
- behalve in een functie ook verantwoordelijkheid en leiding nemen in een rol of positie, met inachtneming van proportionaliteit, subsidiariteit en opportuniteit
- onderzoek naar gebiedsgebonden informatiepatronen koppelen aan nodale informatiestromen (ook internationaal) en de bevindingen omzetten in ‘intelligence’
- samen met de ketenpartners integrale veiligheidsarrangementen opstellen, uitvoeren en evalueren in termen van resultaat, processen, organisatie en samenwerking Contextueel
- de regie nemen in de samenwerking met publieke en private ketenpartners of burgers bij het bevorderen of realiseren van veiligheid en leefbaarheid in lokaal of regionaal verband
- geografisch of functioneel interventies plannen en plegen, gericht op het beïnvloeden van mechanismen en patronen
- zich vergewissen van het belang van het onderscheid tussen objectieve en subjectieve veiligheid en het effect daarvan op het verwachtingspatroon van de burger
- bovenlokale en internationale problemen, politiek-bestuurlijke en digitale ontwikkelingen vertalen in risico-inventarisaties en integraal veiligheidsbeleid Sociaal
- collega’s, partners en burgers mobiliseren, motiveren, inspireren en waar nodig in een vreemde taal te woord staan
- netwerkrelaties initiëren en onderhouden met zowel gebiedsgebonden groeperingen als niet-gebiedsgebonden ‘communities’
- burgerparticipatie in het bestrijden van onveiligheid bevorderen
- rekening houden met de culturele verscheidenheid en andere vormen van diversiteit van burgers, maar objectief en zonder aanzien des persoons Individueel
- de maatschappelijke en politieel-juridische omgeving adviseren en de media te woord staan over veiligheidsvraagstukken
- onorthodoxe veiligheidsoplossingen kiezen in variabele contexten
- binnen het kader van de National Intelligence Model (NIM) actief informatie delen over de aanpak van gemeenschappelijke veiligheid op alle niveaus (intern en extern)
- de eigen ervaringen m.b.t. (on)veiligheid productief maken voor anderen en de organisatie Beroepstaken De competenties in het kwalificatieprofiel hebben betrekking op de onderstaande positie, taken en te bereiken resultaten. In deel C zijn deze uitgewerkt in examenvereisten. Context, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid De Bachelor Politiekunde is een zelfstandig functionerende agent die in staat is een complexe situatie, in een veranderlijke omgeving, af te handelen. Hij/ zij overziet de situatie, signaleert, analyseert, adviseert en onderscheidt daarbij hoofd- en bijzaken. Bij het signaleren denkt de bachelor buiten traditionele kaders. Bij het adviseren, op diverse niveaus, draagt hij/ zij bij aan creatieve en wellicht onconventionele oplossingen. De bachelor kan systematisch, probleemoplossend optreden en hierbij snel schakelen. De bachelor kan de samenhang tussen verschillende domeinen van het politievak overzien. Hij bezit onderzoeksvaardigheden en kan wetenschappelijk onderzoek vertalen naar de beroepspraktijk. De bachelor werkt zelfstandig, regisseert grote projecten, coacht collega’s en adviseert het management. Hij/zij is in het korps de schakel tussen de collega-dienders op straat en de leidinggevenden. Hij heeft een groot maatschappelijk besef en kan de positie van de politie en andere actoren inschatten. Hij werkt (multidisciplinair) samen met cruciale netwerkpartners en kan hierbij het concept van gemeenschappelijke veiligheidszorg hanteren. De politiekundige bachelor neemt beleidsinitiatieven, hij neemt zijn eigen standpunten in en verdedigt deze. De politiekundige bachelor heeft inzicht in zijn eigen functioneren en dat van anderen. Hij staat open voor, en geeft feedback. De bachelor politiekunde is een startbekwame beroepsbeoefenaar die in staat is om relevante actoren uit de omgeving (buitenwereld) te mobiliseren, te organiseren en operationeel te regisseren gericht op het tot stand brengen van veiligheidsarrangementen, waarin hij zelf ook een uitvoerende rol kan vervullen. Deze uitvoerende rol spitst zich toe op het managen van de context, met andere woorden, het creëren van duurzame condities voor een effectieve aanpak van vraagstukken. Dit zal veelal geografisch gericht zijn, maar kan ook een functionele oriëntatie hebben. Hij of zij doet zijn of haar werk op basis van een grondige analyse van de situatie, waarbij bestaande kennis op het vakgebied politiekunde wordt opgezocht, toegepast en geëvalueerd. Beroepstaak Handhaving • Organisatie en coördinatie van verkeersveiligheid, milieuvergrijpen en evenementen • Risicoplekken inventariseren, analyseren en prioriteren • Handhavingsprojecten managen op het terrein van bijv. verkeer, milieu en evenementen • Mobiliseren van en overleggen met actoren in het handhavingsnetwerk • Briefing en debriefing (van informatie en werkproces) voorbereiden en uitvoeren • De openbare orde handhaven in onverwachte en verwachte situaties • Gebruiken van het NIM en het RBP Beroepstaak Noodhulp • Organiserend optreden bij intake (meldingen) en noodhulp in situaties van geweld, ongevallen, overlast, asociaal gedrag en voorbereidende rechercheactiviteiten • Noodhulp aansturen, voorbereiden en verbeteren • Samenwerken met een netwerk van uitvoeringsorganisaties • Afstemmen met meldkamers van bestuurlijke en veiligheidspartners (regionaal en landelijk) • Opereren in de bestrijding, voorbereiding en evaluaties van rampen en calamiteiten • Hanteren van het NIM, capaciteitsmanagement en het RBP Beroepstaak Opsporing • Tactische opsporingsactiviteiten en uitvoeren of uitbesteden • Alle elementen van opsporingsonderzoek uitvoeren in een veranderlijke omgeving • Briefing en debriefing (van informatie en werkproces) voorbereiden en uitvoeren • Coördineren van een meer omvattend opsporingsonderzoek • Integraal opsporingsplan opstellen • Samenwerken met opsporingsinstanties en het OM • Netwerk opbouwen en onderhouden • Coördineren van een Plaats Delict • Hanteren van het NIM, capaciteitsmanagement en het RBP Beroepstaak Gemeenschappelijke veiligheidskunde • Samenwerken in veiligheidsnetwerken, met diverse veiligheidsinstanties (overheden, ketenpartners, private partijen) en met (groepen van) burgers • Systematisch onderzoeken van informatie en kennisbronnen • Definiëren van politieactiviteiten binnen een integrale aanpak • Creëren van effectieve samenwerkingsverbanden • Gemeenschappelijk veiligheidsbeleid ontwerpen en uitvoering ervan coördineren in regelmatig voorkomende gevallen van criminaliteit, overlast, allerlei vormen van geweld, discriminatie, asociaal gedrag etc. • Hanteren van het NIM, capaciteitsmanagement, programmasturing en het RBP B.2 Deeldiploma’s Code KD Code KSP 2013 C Titel deeldiploma FA 1.6.2 15 Algemene Opsporingsbekwaamheid en Politiële Vorming (AOPV) Het deeldiploma Algemene Opsporingsbekwaamheid en Politiële vorming (AOPV), dat per 1 januari 2015 deel uitmaakt van alle kwalificatiedossiers politieonderwijs vanaf NLQF-niveau 2 t/m NLQF-niveau 6, is bedoeld als ‘vaste voet’ van het politieonderwijs en staat voor een algemene basis van kennis, inzicht, vaardigheden en houding met betrekking tot wat politiewerk in de Nederlandse democratie en rechtstaat inhoudt, hoe de politie is georganiseerd en wat politiewerk vereist van individuele beroepsbeoefenaren. Het deeldiploma sluit aan op het referentiekader generieke competenties dat verwoordt met welke bagage studenten vanuit het voortgezet onderwijs het politieonderwijs binnenkomen. Het deeldiploma AOPV is opgebouwd uit vier thema’s: 1) Democratie, Rechtsstaat en Politiefunctie (‘de politie staat niet op zichzelf’) 2) Nederlandse Politie (‘dit is de politie’) 3) Politiewerk (‘dit doet de politie’) 4) Algemene Politiële Beroepsvorming (‘weten en geweten van de politie’). Een toelichting op de vier thema’s van de AOPV is te vinden in de deelkwalificatie AOPV, waarvan de integrale tekst te vinden is op www.politieonderwijsraad.nl. B.3 Certificaten van na- en bijscholing Code KD Code KSP 2013 C Titel certificaat FA 1.6.3 Er zijn geen certificaten van na- en bijscholing bij deze kwalificatie. Instroomeisen Minimaal: Havo-diploma of relevant mbo 4-diploma. Ook: vwo-diploma, propedeutisch bewijs hbo of wo, een met voorgaande kwalificaties vergelijkbaar buitenlands diploma. Voor aanvang van de opleiding kunnen op grond van eerder of elders verworven competenties mogelijke vrijstellingen worden verkregen voor onderdelen van de opleiding. Deel C Examenvereisten Hieronder volgt een beschrijving van de examenvereisten zoals deze worden geëxamineerd door de Politieacademie. In de hieronder beschreven examenvereisten zijn soms gedragsaspecten of taken opgenomen waarbij de vaardigheden en/ of de kennis nog niet in alle gevallen concreet zijn uitgewerkt. C.1 Examenvereisten diploma Bachelor Politiekunde De examenvereisten moeten gelezen worden in het licht van onderstaande beroepstaken:
(4)Gemeenschappelijke veiligheid1 1 In de opleiding wordt de naam Gemeenschappelijke Veiligheidskunde gehanteerd. Vakkennis – Beschikt over de vakkennis beschreven in het beroepsprofiel en de kwalificatieprofielen voor de Politiekundige bachelor. – Kent de werkprocessen rondom aangifte-, getuigen- en verdachtenverhoor en buurtonderzoek. – Kent de richtlijnen binnen het korps met betrekking tot de kerntaken intake, noodhulp, opsporing en handhaving. – Kent relevante wet- en regelgeving. – Kent de juridische criteria die het Wetboek van Strafvordering stelt aan processen-verbaal. – Heeft kennis van de laatste ontwikkelingen in het vakgebied. – Kan verbindingen tussen theorie en praktijk leggen. Vakvaardigheden Basisvaardigheden – Kan afstemmen, samenwerken, bemiddelen en onderhandelen met betrokken partijen. – Is breed inzetbaar – Bezit de leervaardigheden om taken die een hoog niveau van autonomie veronderstellen, succesvol af te ronden en een vervolgstudie op dit niveau aan te gaan. Veiligheid – Borgt de veiligheid van zichzelf en anderen. – Rijdt, verantwoord en veilig naar een (ongeval)melding. – Past in onverwachte en hectische situaties de protocollen en standaardprocessen toe en combineert deze met actie-intelligent en situatie-intelligent optreden. – Beschikt over de fysieke conditie en vaardigheden om een slachtoffer op het land of in het water in veiligheid te brengen. – Verleent eerste hulp volgens de geldende richtlijnen. – Beheerst de kennis en vaardigheden zoals beschreven in artikel 1D, 1E en 1F van de Regeling Toetsing Geweldbeheersing Politie (RTGP). Onderzoek uitvoeren – Verzamelt en analyseert relevante informatie, legt verbanden en herkent patronen, ontwikkelt bruikbare scenario’s. – Vormt een goed onderbouwd oordeel over de essentie van de problematiek. – Overziet welke opsporingsactiviteiten ingezet kunnen worden. – Formuleert een probleemstelling. – Vertaalt een analyse naar een relevant projectvoorstel of plan van aanpak. – Neemt een verhoor af en verwerkt dit systematisch. – Onderbouwt en beschrijft zijn handelingswijze en de toegepaste methoden. – Trekt op basis van onderzoek overtuigende, onderbouwde conclusies en vormt een oordeel. – Doet recht aan verschillende perspectieven, benoemt de meest relevante argumenten pro en contra. – Verwerkt informatie reproduceerbaar en controleerbaar in een proces-verbaal. – Kan de gevoeligheid van intelligence correct inschatten en resultaten in intelligence omzetten. – Breidt het proces-verbaal indien gewenst uit met een relaas. – Vertaalt onderzoeksresultaten op innovatieve wijze naar de beroepspraktijk. Communiceren – Communiceert en presenteert professioneel, helder, boeiend, kernachtig, efficiënt, overzichtelijk en representatief, waar nodig in een vreemde taal. – Onderhoudt en initieert netwerkrelaties. – Gaat deskundig om met kritische vragen en kan zijn oordeel met inhoudelijke argumenten onderbouwen. Praktijkrepertoire Functie/rol – Heeft een professionele grondhouding, handelt: gemotiveerd, effectief, methodisch, discretionair, proportioneel, rechtmatig, zelfstandig, samen, stressbestendig, integer, slagvaardig, vernieuwend, flexibel, probleemgericht, vanuit professionele weerbaarheid en straalt gezag uit. – Toont weerbaarheid en reageert effectief en evenwichtig op heftige en onverwachte incidenten, risicovolle calamiteiten en conflicten. – Coördineert en regisseert activiteiten op daadkrachtige, betrouwbare en deskundige wijze. – Neemt zelfstandig beslissingen op voorbereidend, uitvoerend en coördinerend niveau wat betreft de prioriteit van de inzet, omvang en aard van middelen. – Neemt (beleids)initiatieven. – Toont bewustzijn van de omvang en reikwijdte van zijn rol binnen de politieorganisatie en kan de positie van politie, ketenpartners en andere actoren inschatten. – Overziet alle belanghebbenden in een opsporingssituatie en schakelt tussen uitvoeren en doorverwijzen naar specialist of ketenpartners. – Benut de reikwijdte van de bevoegdheden van partners optimaal en gaat zo creatief om met ieders rol in het opsporingsproces. Begeleiden/coachen – Activeert, motiveert, enthousiasmeert, stemt af met in- en externe partners en spreekt hen aan op hun verantwoordelijkheid. – Coacht en begeleidt collega’s. Vervult een voorbeeldfunctie. Kwaliteit – Handelt ten bate van de kwaliteitsverbetering voor de organisatie. – Onderbouwt wat het nut van een actie is voor korps, partners en burgers. Rekening houden met belangen – Houdt rekening met de belangen van alle betrokkenen. – Managet verwachtingen van burgers. – Maakt op integere wijze gebruik van de ingewonnen informatie en schat de gevoeligheid van intelligence correct in. Expertise Handelen op basis van expertise – Handelt op deskundige en professionele wijze op basis van actuele theoretische kennis en kan zijn handelen verantwoorden. – Kan rechtmatigheid en wetmatigheid inschatten en rechtsbeginselen en -middelen afwegen. – Heeft de vereiste kennis en vaardigheden om een verhoor voor te bereiden. – Onderbouwt welke bevoegdheden hij toepast bij het constateren van een overtreding. – Evalueert de resultaten van een actie. Eigen standpunt onderbouwen – Neemt eigen standpunten in en kan deze verdedigen. – Biedt tegenspraak ten opzichte van standpunten of conclusies van collega’s. – Staat open voor inzichten van anderen en is, indien nodig, bereid zijn standpunt te nuanceren of bij te stellen. Adviseren – Geeft bevoegd gezag deskundig en overtuigend advies en beargumenteert zijn keuzes. – Adviseert de maatschappelijke en politieel-juridische omgeving en staat de media te woord over veiligheidsvraagstukken. – Maakt afwegingen met betrekking tot het technisch en moreel handelen en beargumenteert en verantwoordt die afwegingen. Oordeelsvermogen Omgevings- en organisatiebewustzijn tonen – Signaleert ontwikkelingen en vertaalt deze naar politieel handelen. – Toont bewustzijn van maatschappelijke verantwoordelijkheid. – Weegt en evalueert de effecten van multidisciplinair delen en veredelen van informatie. – Neemt een stimulerende en verbindende rol aan. – Beschouwt veiligheids- of leefbaarheidsproblemen vanuit een breed politiekundig referentiekader. Situatie analyseren en oplossing genereren – Vormt een onderbouwd oordeel gebaseerd op steekhoudende argumenten waarin de wetenschappelijke, maatschappelijke en ethische overwegingen zijn meegenomen. – Genereert duurzame, efficiënte, effectieve, innovatieve en creatieve probleemoplossingen en toepassingen van methodieken die bijdragen aan het oplossen van een problematiek of het verbeteren van een situatie. Deze oplossingen en toepassingen zijn gebaseerd op een breed politiekundig referentiekader. Veiligheid genereren – Vertaalt bovenlokale en internationale problemen, politiek-bestuurlijke en digitale ontwikkelingen in risico-inventarisaties en integraal veiligheidsbeleid. – Stelt samen met de ketenpartners integrale veiligheidsarrangementen op, voert deze uit en evalueert deze in termen van resultaat, processen, organisatie en samenwerking. – Plant en pleegt, geografisch of functioneel, interventies, gericht op het beïnvloeden van mechanismen en patronen. – Kiest onorthodoxe veiligheidsoplossingen in variabele contexten. Reflecteren en evalueren – Reflecteert op de door hem gemaakte keuzes en het effect van zijn handelen. – Geeft kritische, maar opbouwende feedback, formuleert goed onderbouwde leerpunten en duurzame aanbevelingen. – Evalueert op systematische wijze het proces, product, de werkwijze, zijn eigen ontwikkeling en verbindt hieraan conclusies. C.2 Examenvereisten deeldiploma Algemene Opsporingsbekwaamheid en Politiële Vorming (AOPV) I Democratie, Rechtsstaat en de Politiefunctie Recht en veiligheid – Kan taken van de Nederlandse staat benoemen qua recht en veiligheid, alsmede de hoofdlijnen van het Nederlands recht en de voor de politie relevante wetten. – Heeft inzicht in de werking van de Nederlandse democratie en trias politica, in het bijzonder het onderscheid tussen rechtshandhaving en rechtspleging. Uitvoerende overheidsorganen – Kan de voornaamste overheidsorganen benoemen die werkzaam zijn in de handhaving, opsporing en hulpverlening, waaronder de politie, en de relevante wettelijke kaders. – Toont inzicht in de taken van deze organen, de begrenzing van hun taakopdracht en hoe ze elkaar aanvullen. Burger en politieambtenaar – Kan verschillen en overeenkomsten benoemen tussen burgers en politieambtenaren qua maatschappelijke positie (rechten, plichten, verantwoordelijkheden). – Kan de onderscheiden maatschappelijke posities van burgers en politieambtenaren toelichten aan de hand van gegeven casuïstiek. II Nederlandse Politie Nederlandse politieorganisatie – Kent de formele positie en taakopdracht van de Nederlandse politie, de hoofdkenmerken van de organisatiestructuur en relevante overlegstructuren (lokaal, regionaal, landelijk). – Kent relevante ontwikkelingen uit het verleden en hoe deze doorwerken in de huidige politieorganisatie. Taakopdracht in delen – Heeft kennis van algemene, veelvoorkomende politietaken en van specifieke taken van de politie. – Kan uitleggen dat onderscheiden taken onderdeel uitmaken van werkprocessen binnen de politie en in samenwerking met partnerorganisaties. Bevoegdheid, ruimte en begrenzing – Kent de uit de aanstelling voortvloeiende bevoegdheden van de politieambtenaar en heeft inzicht in de begrenzing daarvan, waaronder het gebruik van geweld. – Kan aan de hand van gegeven casuïstiek uitleggen wat de betekenis is van de begrippen ‘professionele ruimte’ en ‘discretionaire bevoegdheid’. III Politiewerk Vraagstukken en schaal – Heeft zicht op wat politiewerk omvat in termen van vraagstukken, in Nederland en in relatie tot het buitenland. – Kan uitleggen waardoor veranderingen in het politiewerk worden veroorzaakt en dat dit samenhangt met de informatiepositie en de informatievaardigheid van de politie zelf. Werk en werkrelaties – Kan de organisatie van het politiewerk beschrijven qua inrichting en functioneren en uitleggen hoe dat verband houdt met wet- en regelgeving. – Weet dat gebiedsgebonden politiewerk andere eisen stelt aan onderlinge informatie en communicatie, dan specialismen die op (inter)nationaal niveau zijn georganiseerd. Gebruik systemen, procedures, formats – Kan de voornaamste systemen, procedures en formats benoemen, zoals gehanteerd binnen de Nederlandse politie. – Heeft inzicht in de doelen, vormen en uitgangspunten van processen-verbaal en kan een proces-verbaal opstellen in het kader van gegeven casuïstiek. IV Algemene Politiële Beroepsvorming Samenleving, veiligheid en politie – Kent de missie en de kernwaarden van de Nederlandse politie en kan deze verbinden met relevante wetgeving en het dienstverleningsconcept van de politie. – Kan met casuïstiek uitleggen hoe de missie en kernwaarden door (moeten) werken in de politiepraktijk met gebruik van de begrippen ‘rechtmatig’ en ‘rechtvaardig’. Standaarden, ruimte en rekenschap – Kan het belang van gestandaardiseerde werkmethoden uitleggen en ook waarom er soms van afgeweken wordt. – Kan met voorbeelden uitleggen waarom de politie verantwoording aflegt over het eigen handelen, resultaten en onvoorziene effecten. Positie, gedrag en balans – Weet dat belangen en emoties van mensen verschillen, dat dit inlevingsvermogen en flexibiliteit vraagt van de politie, maar ook een gezaghebbende en weerbare positie. – Kan aan de hand van casuïstiek laten zien wat inleven in belangen en emoties van anderen betekent voor de politie en hoe tot een bevredigende balans gekomen kan worden. C.3 Examenvereisten certificaten van na- en bijscholing Deel D Verantwoording en Ontwikkelpunten D.1 Verantwoording Doelmatigheid In het LFNP zijn de functielagen Medewerker, Generalist, Senior en Operationeel Expert onderscheiden. Functiebeschrijvingen zijn geformuleerd in termen van vakbekwaamheid. De kwalificatie Bachelor Politiekunde correspondeert met de functielagen Medewerker en Generalist (startbekwaam, breed inzetbaar, inclusief algemene opsporingsbekwaamheid en politiële vorming). De kwalificatie Bachelor Politiekunde is qua breedte vergelijkbaar met de kwalificatie Allround Politiemedewerker, maar stelt qua examenvereisten hogere eisen aan inzicht, overzicht en ontwikkelend vermogen. In plaats van examenvereisten op het terrein van Intake & Service, zijn er examenvereisten geformuleerd op het terrein van Gemeenschappelijke Veiligheid. Met de kwalificatie Bachelor Politiekunde is de basis tevens gelegd voor de functielagen Senior en Operationeel Expert in de vakgebieden die tot het beroep Politieman/ -vrouw gerekend worden (Beveiliging, GGP, Interventie, Meldkamer, Intake & Service). Voor wat betreft de vakgebieden en werkterreinen die tot het beroep Rechercheur gerekend worden (Tactische Opsporing, Forensische Opsporing, Observatie, Intelligence, Informantenrunner) biedt de kwalificatie Bachelor Politiekunde een beperktere startbekwaamheid (een differentiatie met de omvang van 30C). Verbreding en deels ook verdieping is mogelijk door middel van certificaten van na- en bijscholing die geordend zijn in het KD Recherchemedewerker. Ontwikkeling van een volwaardige Bachelor Recherchekunde kan hierin verandering brengen (zie het betreffende KD). Navolgbaarheid Het KD is gebaseerd op analyses in Schakelen en het herijkte beroepsprofiel Bachelor Politiekunde (pg. 70–72). Parallel aan de herijking vonden consultaties plaats in de kring van de RKC en werd het curriculum opnieuw gedefinieerd (betere aansluiting op de beroepspraktijk, minder grote nadruk op ‘beleid’). De examenvereisten zijn niet onderscheiden naar de differentiaties binnen de opleiding, waaronder de differentiatie Recherchekunde. Een verdere verheldering hiervan is van belang in verband de ontwikkeling van een volwaardige bachelor Recherchekunde. Wat geldt voor alle bachelors Politiekunde en wat geldt voor hen die de differentiatie Recherchekunde kiezen? Ook een nadere verheldering is nodig op het punt van de doorstroomkwalificatie richting de wo Master Politiekunde (pre-master), zie ook KD Master Politiekunde. De kwalificatie Bachelor Politiekunde behoort al sedert 2002 tot het stelsel van politieonderwijs. Onderbouwing In Schakelen is het belang van een kwalificatie Politieman/ -vrouw op hbo-niveau benadrukt. De toenemende complexiteit van de samenleving en het politiewerk vraagt om een hoger niveau van kwalificatie, zodanig dat ermee een substantiële basis gelegd wordt voor de functielagen van Senior en Operationeel Expert. Werkervaring in de functielagen Medewerker en/ of Generalist is echter mede een voorwaarde voor de uitoefening van functies op een hoger niveau. Bronnen bij deel C: • Examen behorende bij Oriëntatiefase B000030.001, versienummer: 2015.33.7 • Examen behorende bij Functioneringsfase- handhaving B000033.001, versienummer: 2017.05.3 • Examen behorende bij Functioneringsfase- noodhulp B000031.001, versienummer: 2017.05.3 • Examen behorende bij Functioneringsfase- opsporing B000032.001, versienummer: 2017.05.3 • Examen behorende bij Integratiefase 5601670, versienummer 2013.45.2 • Examen behorende bij Bachelorthesis 5601218, versienummer 2014.45.4 • Beoordelingscriteria minor • Toetsmatrix Bachelor of Policing Samenhang Ontwikkeling van het KD Associate Politiekunde kan niet zonder inbreng vanuit het KD Bachelor Politiekunde. NLQF 5 betreft een kwalificatieniveau dat overlapt met NLQF
- Een volledige Associate Degree (een nieuwe graad binnen het hoger beroepsonderwijs) telt 120 C van de 240 C van de Bachelor Degree. Een vergelijkbare afstemming is nodig voor de ontwikkeling van het KD Bachelor Recherchekunde. Een vervolg op de huidige Bachelor Politiekunde is mogelijk op NLQF niveau 5 (verbreding inzetbaarheid door middel van gerichte, specialistische na- en bijscholing) en op kwalificatieniveau 7 (Master Politiekunde; Master Recherchekunde). Zie D.
- Historie van het kwalificatiedossier De eerste versie van het kwalificatiedossier is vastgesteld in
- Conform de monitor- en onderhoudsagenda, die in het Voorjaarsadvies van 2016 is voorgesteld, heeft in september 2017 een actualisatie van het kwalificatiedossier plaatsgevonden. Dit is een lichte actualisatie geweest, mede met het oog op de herijking van de beroepsprofielen, die naar verwachting in 2018 gereed is. Er wordt voorzien dat deze herijking grondige doorwerking in het kwalificatiedossier vereist. In onderstaande tabel is weergegeven welke elementen van het dossier zijn gewijzigd. Onderdeel van het kwalificatiedossier Wijziging Deel A Beroepsprofiel In dit deel is verduidelijkt dat de kwalificatie zich op NLQF-niveau 6 bevindt. Deel B Kwalificatieprofiel Dit deel is niet gewijzigd. Deel C. Examenvereisten De examenvereisten zijn geactualiseerd, door deze opnieuw naast de beoordelingscriteria te leggen. Wijzigingen in de beoordelingscriteria zijn verwerkt in de examenvereisten. Deze zijn overwegend tekstueel van aard. Deel D Verantwoording en ontwikkelpunten Een aantal algemene ontwikkelpunten is beoordeeld en opgelost gebleken. Als specifieke ontwikkelpunten zijn punt 2, 3 en 4 toegevoegd. Punt 1 en 5 zijn naar aanleiding van de actualisatie verder aangevuld. D.2 Ontwikkelpunten Algemeen In het Najaarsadvies 2013 van de Politieonderwijsraad zijn enkele algemene ontwikkelpunten benoemd, die mede betrekking hebben op het KD Bachelor Politiekunde. Een aantal hiervan heeft al doorwerking gehad in het kwalificatiedossier, zoals de integratie van de AOPV in het dossier. Van de indertijd geformuleerde ontwikkelpunten resteert het volgende:
- Er wordt gewerkt aan Referentiekader Generieke Competenties voor het gehele politieonderwijs, waarnaar verwezen wordt bij de examenvereisten in deel C vanaf een nader te bepalen jaar (gestreefd wordt naar 2016). Dit referentiekader wordt stapsgewijs ontwikkeld. Referenties hebben betrekking op Nederlands, Moderne Vreemde Talen, Rekenen/wiskunde, Democratie en Rechtstaat, Internationalisering, Digitalisering en Diversiteit en variëren naar drie niveaus van functionele kennis en vaardigheden. In 2015/2016 heeft de Politieacademie een uitvoeringstoets gedaan voor deze generieke competenties. Ook voorziet de AOPV, die inmiddels in het dossier geïntegreerd is, deels in een aantal generieke competenties. Nader onderzoek is wenselijk om vast te stellen welke generieke competenties, uit het genoemde Referentiekader Generieke Competenties, nog in de kwalificatie ontbreken. Specifiek
- Met de komst van het LFNP, in het bijzonder de functielagen vanaf Senior, moet een nieuw evenwicht gevonden worden tussen kwalificatieniveau enerzijds en differentiatie/ specialisatie (naar vakgebied en/ of werkterrein) anderzijds. Daaraan gekoppeld zijn heroverwegingen aan de orde voor wat betreft operationele sturing en de regie van netwerken, en de samenwerking met ketenpartners. Ook kan naar verwachting, als doorwerking van de herijking van de beroepsprofielen, de oriëntatie van de Bachelor Politiekunde worden uitgebreid richting de functie Operationeel Specialist, naast de bestaande oriëntatie op de Senior GGP en de Operationeel Expert.
- Het blijft essentieel dat het verschil tussen de bachelor en de allround goed geduid wordt en op het juiste niveau. Het gaat bij de bachelor om het functioneren in de operatie en de basispolitievaardigheden moeten dus gewoon goed aangelegd zijn. De verdachte zou niet moeten merken of zijn aanhouding door een allrounder of een bachelor wordt uitgevoerd. Het zijn de hbo-competenties die de bachelor in staat stellen overstijgend te denken, door analytisch vermogen patronen te zien, enz.
- De roep om meer hogeropgeleiden binnen de politie klinkt vanuit diverse dossiers en portefeuilles (o.a. opsporing, GGP), tegelijkertijd is de integratie van hogeropgeleiden in de organisatie een punt dat aandacht verdient.
- De indeling in hoofdprocessen dient nader bekeken te worden op actualiteit.
- De Associate Degree Politiekunde vergt een overlap van 120C met de Bachelor Politiekunde. Dit dient tot uitdrukking te komen in de kwalificatieprofielen en de beroepstaken (deel B) en de examenvereisten (deel C) van beide kwalificaties. Inmiddels ligt een wetsvoorstel voor, om de Associate Degree zelfstandig te positioneren binnen het bekostigd onderwijsbestel. Hiermee wordt de strikte koppeling aan de verwante Bacheloropleiding losgelaten. Als de voorgestelde wet in werking treedt, kan worden bezien welke gevolgen dit heeft voor de Associate Degree Politiekunde.
- Schakelen heeft zowel op NLQF-niveau 5, als NLQF-niveau 6 een beroepsprofiel Rechercheur opgeleverd, dat verder vertaald is kwalificatieprofielen (zie de betreffende KD’s). De huidige differentiatie Recherchekunde binnen het KD Bachelor Politiekunde vormt een belangrijk vertrekpunt, zoals ook de huidige certificaten van na- en bijscholing op het terrein van de recherche (zie deel B.3 van het KD Associate Recherchekunde). Uitgezocht moet worden wat de doelmatigheid kan zijn van een volwaardige Bachelor Recherchekunde, met gebruikmaking van de relevante overlap tussen beide Bachelor Degrees. Bijlage 1 Begrippenlijst Beroepen bij de politie: Binnen de Nederlandse politie zijn drie brede beroepen onderscheiden, de Politieman/ -vrouw, de Rechercheur en de Politiechef. Deze beroepen worden beoefend op verschillende niveaus van complexiteit, expertise, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Om deze niveaus te duiden in relatie tot het politieonderwijs wordt aangesloten bij de kwalificatieniveaus van het NLQF. Er zijn 9 ministerieel vastgestelde beroepsprofielen. Beroepskolom: Omdat het beroep (Politieman/ -vrouw, Rechercheur, Politiechef wordt uitgeoefend op meerdere functioneringsniveaus, kan gesproken worden van een beroepskolom. Beroepsprofiel: Globale beschrijving van een beroep en wat er van een vakbekwame beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Wordt een beroepsprofiel uitgedrukt in een competentieprofiel, dan is sprake van beroepscompetentieprofiel. Een beroep dekt een categorie van functies af. Beroepsspecifieke competenties: Competenties die nodig zijn om een beroepstaak adequaat uit te voeren, inclusief de daarin begrepen kennis, vaardigheden en expertise en de benodigde redzaamheid, teamroutine en praktijkrepertoire. Beroepstaak: Een onderscheiden deel van de beroepsuitoefening. Beroepstaken zijn kenmerkende werkzaamheden waarop een kwalificatie is gericht. Beroepstaken kunnen meer of minder breed zijn geformuleerd en meer of minder deskundigheid vergen. Certificaten van na- en bijscholing: Het politieonderwijs kent een groot aantal certificaten van na- en bijscholing, gericht op diverse beroepstaken en politiële rollen en handelingen. Een certificaat van na- en bijscholing wordt eenmaal vermeld binnen de kwalificatiestructuur in één bepaald KD. Met na- en bijscholing worden additionele deskundigheden en vaardigheden verworven op vakgebieden en werkterreinen die sinds kort gestandaardiseerd zijn onderscheiden in het LFNP. Ook kan het gaan om deskundigheden en vaardigheden die betrekking hebben op politiële rollen en handelingen die niet direct herkenbaar zijn in het LFNP. Na- en bijscholing impliceert niet altijd dat er ‘iets nieuws’ wordt geleerd, onderhoud van de vakbekwaamheid behoort er evenzeer toe. Competentie: Een competentie betreft het vermogen om een taak op een juiste en verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren. Competentie blijkt uit oordeelsvermogen en handelingsbekwaamheid en veronderstelt kennis, inzicht, vaardigheden, houding en ervaring. Competenties zoals bedoeld binnen het politieonderwijs zijn ten eerste beroepsspecifieke competenties, geënt op onderscheiden beroepstaken en daarmee verbonden normen. Daarnaast worden bepaalde generieke competenties onderscheiden die voorondersteld en voorwaardelijk zijn voor de uitoefening van een politieberoep, dan wel daarin een eigenstandige relevantie hebben. Competentiemodel: Het competentiemodel dat in de kwalificatieprofielen wordt gehanteerd bestaat uit vier categorieën: vakmatig, contextueel, sociaal en individueel. Het competentiemodel dat in de opleidingen en examens wordt gebruikt kent zeven velden: oordeelsvermogen, expertise, kennis, vaardigheden, praktijkrepertoire, redzaamheid en teamroutine. Credits: Het politieonderwijs hanteert, zoals het regulier onderwijs, het European Credit Transfer System (ECTS). Gekoppeld aan het kwalificatieniveau levert dit de waarde van een kwalificatie (diploma, certificaat) op. Credits zijn tevens een belangrijke parameter in de bekostiging van opleidingen. Eén credit staat dan voor 28 studiebelastingsuren. Diploma politieonderwijs: Door de Minister van Veiligheid en Justitie erkend document waarmee is aangetoond en vastgelegd dat de eigenaar de examenvereisten zoals beschreven in een kwalificatiedossier heeft behaald. Deeldiploma politieonderwijs: Een politiediploma kan één of meerdere deeldiploma’s omvatten, mits sprake is van een eigenstandige arbeidsrelevantie van het betreffende deel en duidelijk afgebakende examentermen. Een deeldiploma maakt aanstelling in een afgebakend deel van het politieberoep mogelijk en nodigt uit tot het behalen van het volledige diploma. Een deeldiploma genereert een beperkte inzetbaarheid binnen de werkprocessen van de politie op het betreffende kwalificatieniveau. Doelmatigheid: Een van verantwoordingscriteria van het kwalificatiedossier. De aansluiting van een kwalificatie op de vraag vanuit de politieorganisatie, de samenleving en het vervolgonderwijs op het naast hoger gelegen kwalificatieniveau. Examenvereisten: De examenvereisten van elk (deel)diploma en certificaat van na- en bijscholing zijn verwoord in toetsbare examentermen, deels beroepsspecifiek in relatie tot onderscheiden beroepstaken en deels generiek in relatie tot relevante, algemene kennis, vaardigheden en expertise. Functie: De politie als werkorganisatie heeft het werk beschreven in termen van kerntaken, vakgebieden, functies, werkterreinen en rollen en meer of minder omvattende beschrijvingen van werkprocessen, verantwoordelijkheden en te bereiken resultaten. Functiebeschrijvingen verwoorden het werk in een bepaald vakgebied, eventueel verbijzonderd naar werkterrein op een bepaald niveau van complexiteit, expertise, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. In vergelijking met de beschrijving van beroepen zijn functiebeschrijvingen aanmerkelijk specifieker. Generieke competenties: Breed toepasbare algemene kennis, vaardigheden en expertise. Voor wat betreft het politiewerk en het politieonderwijs gaat het om competenties die voorondersteld of voorwaardelijk zijn voor de uitoefening van een politieberoep, dan wel daarin een eigenstandige relevantie hebben. Kerntaak: De Nederlandse politie heeft de eigen wettelijke taakopdracht, cf. artikel 3 van de Politiewet, onderscheiden in vijf kerntaken, te weten Intake & Service, Handhaving, Noodhulp, Opsporing en Signaleren & Adviseren. Het begrip kerntaak wordt alleen in deze betekenis gebruikt. Voor wat betreft de taken binnen het kader van een beroep, functie, werkterrein of rol waartoe het politieonderwijs opleidt, wordt gesproken van beroepstaken. Kwalificatie: Een kwalificatie van het politieonderwijs is een waardepapier, erkend door de Minister van Veiligheid en Justitie, dat verworven competenties en daarin begrepen kennis, vaardigheden uitdrukt. Er zijn drie soorten kwalificaties: diploma’s, deeldiploma’s en certificaten van na- en bijscholing. De waarde van een kwalificatie wordt uitgedrukt in termen van credits en kwalificatieniveau. Het aantal credits drukt tevens de nominale studieduur uit en is als zodanig een belangrijke parameter voor de bekostiging van opleidingen. Kwalificatiedossier: Het kwalificatiedossier vormt een verzameling van direct met elkaar samenhangende kwalificaties, naar inhoud en niveau. Kwalificatiedossiers beschrijven de aansluiting op het afnemend werkveld en de uitwerking van kwalificaties naar beoogde leeropbrengsten en examentermen. Met ingang van 2013 gelden er binnen het politieonderwijs twaalf kwalificatiedossiers, verdeeld over drie brede politieberoepen (beroepskolommen) en zes kwalificatieniveaus. In een kwalificatiedossier staan de leeropbrengsten van het politieonderwijs centraal, verbijzonderd naar drie typen kwalificaties: diploma’s, deeldiploma’s en certificaten van na- en bijscholing. Het geheel van alle erkende kwalificaties is opgenomen in een jaarlijks vast te stellen kwalificatiematrix. Kwalificatiematrix: De kwalificatiestructuur als geheel is weergegeven in de vorm van een kwalificatiematrix. Hierin zijn alle door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende diploma’s, deeldiploma’s en certificaten van na- en bijscholing vermeld. Kwalificatieniveau: Diploma’s en certificaten van na- en bijscholing zijn geordend naar niveau. Hierbij is aangesloten bij het NLQF, het Netherlands Qualifications Framework, de Nederlandse variant van het EQF, het European Qualifications Framework. De niveaus die voor wat betreft het Nederlandse politieonderwijs gebruikt worden, zijn de niveaus 2 tot en met
- Zie verder bijlage
- Kwalificatieprofiel: Een kwalificatieprofiel betreft de competenties van startbekwaamheid die bewezen verworven zijn als een diploma, deeldiploma of certificaat van na- en bijscholing wordt uitgereikt. Kwalificatiestructuur: Landelijk stelsel van alle vastgestelde kwalificatiedossiers en daarin besloten diploma’s, deeldiploma’s en certificaten van na- en bijscholing. LFNP: Het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en de daarin naar vakgebied beschreven functies, inclusief de verbijzondering naar werkterreinen, aandachtsgebieden, rollen en opleidingsprofielen. Navolgbaarheid: Een van verantwoordingscriteria van het kwalificatiedossier. Betreft de wijze waarop voorstellen voor (wijziging van) kwalificaties tot stand komen. Daarbij is in ieder geval de relatie met de leiding van de nationale politie van belang, hoewel ook andere belanghebbenden relevante bijdrage verwacht mogen worden. Nominale studieduur: De standaard studieduur die benodigd is voor het behalen van een kwalificatie, uitgaande van de wettelijke vooropleidingseisen en de gehanteerde standaard selectie-eisen, uitgedrukt in credits. Onderbouwing: Een van verantwoordingscriteria van het kwalificatiedossier. Betreft de inhoudelijke onderbouwing van voorstellen voor (wijziging van) kwalificaties plaatsvindt (validiteit van argumenten, bronnen). Ontwikkelagenda: De thema’s die van belang zijn voor de verdere ontwikkeling van een kwalificatiedossier, de kwalificatiestructuur in brede zin en het politieonderwijs. Opleidingsdossier: Een opleidingsdossier bevat een verzameling van direct met elkaar samenhangende opleidingen en/ of leerwegen, zoals verzorgd door de Politieacademie. Opleidingsdossiers sluiten direct aan op kwalificatiedossiers, zoals door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld. Referentiekader Nederlandse taal en rekenen: Wettelijke kader waarin referentieniveaus voor Nederlands en rekenen zijn aangegeven met betrekking tot het reguliere onderwijs dat valt onder de ministeries van OCW en ELI. In verband met de aansluiting van het politieonderwijs op het reguliere onderwijs, wordt dit kader ook toegepast in de kwalificatiedossiers van het politieonderwijs. Samenhang: Een van verantwoordingscriteria van het kwalificatiedossier. Betreft de samenhang tussen kwalificaties onderling, waarbij ondoelmatige overlap is vermeden en doorlopende studielijnen zijn geborgd. Startbekwaamheid: De bekwaamheid van een beginnend beroepsbeoefenaar en waartoe een politieopleiding opleidt. Studie- en loopbaanperspectief: De gebruikelijke doorstroommogelijkheden van een gediplomeerde in de politieorganisatie en in het vervolgonderwijs (politieonderwijs of anderszins). Vakbekwaamheid: De mate van bekwaamheid die ontwikkeld kan zijn op basis van meerjarige werkervaring. Vakkennis en -vaardigheid: Het geheel van feiten, beginselen, theorieën en manier van werken dat nodig is voor een succesvolle uitoefening van de beroepstaak. Verantwoordelijkheid en zelfstandigheid: Eén van de descriptoren uit het NLQF. Betreft de mate van samenwerking en de mate waarin een startbekwame beroepsbeoefenaar aanspreekbaar is op het eigen handelen en/ of dat van anderen en de mate waarin verantwoordelijkheid gedragen kan worden voor de eigen werk- en studieresultaten en/ of dat van anderen. Wettelijke beroepsvereisten: Wettelijke eisen die gesteld worden aan de uitoefening van het beroep en de beroepsbeoefenaar. In het geval van de politie hebben deze in algemene zin betrekking op het juridische kader waarbinnen het politiewerk wordt uigevoerd. Meer specifiek hebben wettelijke beroepsvereisten betrekking op bijv. op het gebruik van geweldsmiddelen en het ambtsedig opmaken van een proces verbaal. Wettelijke beroepsvereisten zijn vastgelegd in een nationale of internationale wet of verdrag. Bijlage 2 Descriptoren NLQF Niveau 6 Context: Een onbekende, wisselende leef- en werkomgeving, ook internationaal. Kennis: Bezit een gevorderde gespecialiseerde kennis en kritisch inzicht in theorieën en beginselen van een beroep, kennisdomein en breed wetenschapsgebied. Bezit brede, geïntegreerde kennis en begrip van de omvang, de belangrijkste gebieden en grenzen van een beroep, kennisdomein en breed wetenschapsgebied. Bezit kennis en begrip van enkele belangrijke actuele onderwerpen en specialismen gerelateerd aan het beroep of kennisdomein en breed wetenschapsgebied. Gevorderde kennis van een werk- of studiegebied, die een kritisch inzicht in theorieën en beginselen impliceert. Vaardigheden: Toepassen van kennis: Reproduceert en analyseert de kennis en past deze toe, ook in andere contexten zodanig dat dit een professionele en wetenschappelijke benadering in beroep en kennisdomein laat zien. Past complexe gespecialiseerde vaardigheden toe op de uitkomsten van onderzoek. Brengt met begeleiding op basis van methodologische kennis een praktijkgericht of fundamenteel onderzoek tot een goed einde. Stelt argumentaties op en verdiept die. Evalueert en combineert kennis en inzichten uit een specifiek domein kritisch. Signaleert beperkingen van bestaande kennis in de beroepspraktijk en in het kennisdomein en onderneemt actie. Analyseert complexe beroeps- en wetenschappelijke taken en voert deze uit. Probleemoplossende vaardigheden: Onderkent en analyseert complexe problemen in de beroepspraktijk en in het kennisdomein en lost deze op tactische, strategische en creatieve wijze op door gegevens te identificeren en te gebruiken. Leer en ontwikkelvaardigheden: Ontwikkelt zich door zelfreflectie en zelf beoordeling van eigen(leer) resultaten. Informatievaardigheden: Verzamelt en analyseert op een verantwoorde, kritische manier brede, verdiepte en gedetailleerde aan het beroep gerelateerde of wetenschappelijke informatie over een beperkte reeks van basis theorieën, principes en concepten van en gerelateerd aan een beroep of kennisdomein, evenals beperkte informatie over enkele belangrijke actuele onderwerpen en specialismen gerelateerd aan het beroep en kennisdomein en geeft deze informatie weer. Communicatievaardigheden: Communiceert doelgericht op basis van in de context en beroepspraktijk geldende conventies met gelijken, specialisten en niet-specialisten, leidinggevenden en cliënten. Competentie: Verantwoordelijkheid en Zelfstandigheid: Werkt samen met gelijken, specialisten en niet-specialisten, leidinggevenden en cliënten. Draagt verantwoordelijkheid voor resultaten van eigen werk en studie en het resultaat van het werk van anderen. Draagt gedeelde verantwoordelijkheid voor het aansturen van processen en de professionele ontwikkeling van personen en groepen. Verzamelt en interpreteert relevante gegevens met het doel een oordeel te vormen dat mede gebaseerd is op het afwegen van relevante sociaalmaatschappelijke, beroepsmatige, wetenschappelijke of ethische aspecten. 8 Kwalificatiedossier Basis Afdeling Vreemdelingen Identificatie en Mensenhandel (AVIM) – Heeft kennis van de opbouw en de structuur van het vreemdelingenrecht. – Heeft kennis van relevante nationale en internationale wet- en regelgeving voor AVIM en kan deze toepassen. – Heeft kennis van de relevante bevoegdheden en kan deze toepassen. – Kan de rol, positie en de doelstellingen van relevante ketenpartners van AVIM benoemen. – Heeft kennis van informatiesystemen die relevant zijn binnen de AVIM. – Kan signalen mensenhandel, mensensmokkel en migratiecriminaliteit gerelateerde strafbare feiten herkennen en hierop anticiperen. – Kan gedragingen van relevante culturele achtergronden herkennen en hierop anticiperen. – Is zich bewust van de invloed van zijn eigen handelen en gedragingen op de ander en kan hier sturing aan geven indien nodig. – Kan relevante identiteitsdocumenten herkennen en beoordelen op de criteria echt, eigen, geldig en gekwalificeerd. – Heeft kennis van de mogelijke middelen die kunnen worden ingezet voor identiteitsonderzoek. – Kan gespreksvaardigheden en -technieken toepassen. – Kan een gehoor in het kader van vaststelling identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie voorbereiden en uitvoeren. – Kan het doel en het proces van het gehoor in het kader van vaststelling identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie uitleggen aan de gesprekspartner. 9 Kwalificatiedossier Basis intelligence Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet beheersen en kunnen aantonen om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. Intelligence neemt inmiddels een nadrukkelijke positie in binnen Politie Nederland en de ondersteunende diensten. Dat vraagt wat van de informatiemedewerker van nu en van de toekomst. Van de intelligencemedewerkers wordt veel verwacht; het duiden van informatie en het geven van advies, zorgen voor draagvlak en overdracht van kennis, proactief, prospectief met een brede oriëntatie. De BIN beschrijft de basisprincipes van het vakgebied Intelligence, die elke medewerker Intelligence moet beheersen, met als doel deze kennis in te zetten bij het werk binnen de Intelligence-afdeling. Overkoepelende competenties • Reflectie • Flexibel gedrag en klantgerichtheid • Communicatief vaardig • Initiatief • Probleemanalyse • Resultaatgerichtheid • Vakmanschap • Creatief Leeruitkomsten BIN De student • Reflecteert op eigen handelen. • Past handelen aan op mogelijke opdrachtgevers. • Neemt een onderzoekende en kritische houding aan. • Begrijpt hoe je je kritisch kan opstellen ten aanzien van eigen werkzaamheden en dat van anderen. • Begrijpt hoe ethiek een rol speelt bij het werken met data. • Kan uitleggen wat Intelligence betekent en welk doel Intelligence heeft. • Heeft kennis om zich pro actief op te stellen t.o.v. thema’s en trends binnen Intelligence. • Heeft zicht op de interne en externe netwerkpartners. • Kan vergelijkende zaken, sociale netwerkanalyse, scenarioanalyse en veiligheidsanalyse toepassen. • Kan op basis van de verkregen informatie een weloverwogen keuze maken voor de beste analysemethodiek en techniek. • Past de stappen van de Intelligence cyclus toe binnen de werkzaamheden. • Kan uitleggen wat de elementen van een intakegesprek zijn en deze vertalen naar een plan van aanpak. • Kan op de juiste wijze informatie verzamelen van open en gesloten bronnen. • Kan benoemen op welke manier structuur aangebracht kan worden binnen een Intelligence onderzoek. • Begrijpt wat er bedoeld wordt met analyseren, duiden en vastleggen van informatie. • Kan de verschillende presentatiemogelijkheden om een Intelligence product te maken uitleggen en kan onderbouwen welke mogelijkheden wanneer toegepast kunnen worden. • Kan denktechnieken inzetten om tot nieuwe inzichten en oplossingen te komen. 10 Kwalificatiedossier Basis motorsurveillant I Beschrijving functiegerichte applicatie Een belangrijk onderdeel van de werkzaamheden van de basis motorsurveillant is het houden van verkeerstoezicht, waarbij onder meer overtreders achterhaald en staande gehouden moeten worden. Hierbij wordt ingehaald en worden zo nodig overtredingen gepleegd, zoals het overschrijden van een doorgetrokken streep, het negeren van een inhaalverbod, het overschrijden van de maximum snelheid en het rijden door rood licht. Uiteraard wordt hierbij het proportionaliteitsbeginsel in acht genomen. Daarnaast vervult de motorsurveillant allerlei politietaken zoals de behandeling van aanrijdingen, hulpverlening, spoedopdrachten, het gidsen van voertuigen, begeleidingen van wielerrondes, Sinterklaas e.d. Resultaat II Examenvereisten – Beheerst de algemene motorrijvaardigheden (ook bij het rijden bij duisternis) • Voert voertuigcontrole + motivering correct uit • Past voertuigbediening toe • Rijdt technisch • Past wettelijke bepalingen toe • Voert bochtentechniek correct uit • Voert inhaaltechniek correct uit, ook met hogere snelheden • Bedient het voertuig veilig en beheerst – Beheerst algemene politiële rijvaardigheid (ook bij het rijden bij duisternis) • Is in staat om te rijden met hogere snelheden, gebruikt bij duisternis grootlicht – dimlicht zodat verantwoord met hoge snelheid gereden kan worden • Past bevoegdheden en vrijstellingen toe • Benut de meerwaarde van het voertuig optimaal • Voert keermanoeuvres correct uit – Beheerst specifieke politiële rijvaardigheid (ook bij het rijden bij duisternis) • Voert zoekopdracht correct uit • Voert surveillancetaak correct uit (neemt eenvoudige overtredingen waar, signaleert gebrekkige wegsituaties, kan op juiste en veilige wijze stoptekens geven, en kan volgtechnieken toepassen) • Hanteert risicoperceptie, herkent gevaarszettingen en past het handelen daarop aan – Beheerst het totaalbeeld • Heeft verkeersinzicht / anticipeert ○ Schat weersomstandigheden, weg- en verkeerssituaties juist in ○ Neemt op basis van inschattingen tijdig logische beslissingen ○ Verantwoord beslissingen ○ Speelt tijdig in op gedragingen van andere weggebruikers ○ Herkent de beperkingen en mogelijkheden van het verkeer en maakt daar zo nodig effectief gebruik van • Leest de ‘taal van de weg’, maakt nuttig gebruik van de informatie die o.a. gehaald wordt uit de voor- en achterverlichting van overige verkeersdeelnemers • Past snelheid aan afhankelijk van de omstandigheden • Houdt voortdurend rekening met de voorbeeldfunctie • Waarborgt de veiligheid van zichzelf en van de omgeving 11 Kwalificatiedossier Basis Plaats Delict Onderzoek Forensische Opsporing Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid voor basis plaats delict (PD) onderzoek en om het bijhorende certificaat te ontvangen. Deze kwalificatievereisten beperken zich tot de startbekwame basis forensisch plaats delict onderzoeker die zelfstandig onderzoek verricht op een standaard plaats delict. Een standaard plaats delict is een overzichtelijke en beheersbare onderzoekssituatie die zich kenmerkt door een beperkte omvang, duidelijke afbakening, relatief voorspelbare omstandigheden en lage juridische, technische of maatschappelijke impact. Het sporenbeeld bestaat doorgaans uit herkenbare en goed interpreteerbare sporen. Er zijn meestal weinig betrokkenen en er is geen sprake van verstorende factoren zoals extreem weer, grootschalige schade, of intense media- of tijdsdruk. Als basis forensisch PD onderzoeker pas je de fundamentele aspecten van forensisch PD onderzoek nauwkeurig en consistent toe, bestaande uit de professionele kwaliteitsstandaarden, principes van forensische wetenschap en onderzoek. Dit doe je binnen de juridische kaders. Je beveiligt de PD volgens landelijke richtlijnen en stelt een risico-inventarisatie op. Je kan op professionele wijze communiceren met betrokkenen. Je verzamelt en beoordeelt informatie die je vóór, tijdens en na je onderzoek verkrijgt, objectief en kritisch en hierbij werk je datagedreven. Om risico’s voor de omgeving, personen en het bewijs te beperken tref je vóór, tijdens en na het onderzoek veiligheidsmaatregelen. Je formuleert en overweegt meerdere scenario’s op basis van je waarnemingen, waarbij je verbanden legt tussen sporen, tijdlijnen en omgevingsfactoren. Je stelt een strategie en vereisten op, met fasering en afbakening van onderzoeksvragen, om het PD onderzoek uit te voeren. Je verzamelt biologisch, biometrisch, fysisch en digitaal bewijsmateriaal. Je demonstreert basistechnieken en methoden voor detecteren, identificeren, verzamelen, verpakken en documenteren van bewijsmateriaal volgens landelijke richtlijnen, waarbij je de integriteit van het onderzoek waarborgt. Je duidt, analyseert, evalueert en verantwoordt je onderzoeksbevindingen in relatie tot scenario’s, op basis van logische redenering. Je stelt onderzoeksaanvragen op voor vervolgonderzoeken. Je documenteert de verrichte handelingen en bevindingen methodisch en herleidbaar volgens de geldende richtlijnen in een dossier, zowel visueel als schriftelijk. Je stelt een proces verbaal op en levert deze conform landelijke richtlijnen aan en kan hierover verantwoording afleggen. Je werkt effectief samen met de betrokken ketenpartners. Je kan de juiste ketenpartner inschakelen binnen het onderzoek waarin je werkzaam bent. Je analyseert bevindingen van de betrokken ketenpartners en duidt deze in het licht van je onderzoek. Je reflecteert kritisch op eigen gedrag, handelen en gemaakte keuzes tijdens je werk. Je kunt feedback vragen en ontvangen. Je handelt met inachtneming van de kernwaarden van je eigen organisatie. 12 Kwalificatiedossier Basis Rijvaardigheid Auto KSP modaliteit 2 Kwalificatievereisten Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren. Kerntaak Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Basis Rijvaardigheid Auto is er één kerntaak: Het vlot, veilig en verantwoord besturen van een politievoertuig conform de (basis-)rijtaak. Werkproces Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Basis Rijvaardigheid Auto kent vijf werkprocessen. Kerntaken Werkprocessen Het vlot, veilig en verantwoord besturen van een politievoertuig conform de (basis-) rijtaak.
- Voorbereiden besturen politievoertuig
- Zoekopdracht vinden
- Toepassen voertuigbeheersing en rijtechniek
- Risicoperceptie, anticiperen en wettelijke bevoegdheden toepassen
- Professionele beroepshouding tonen Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de politiemedewerker binnen de basis rijtaak wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de politiemedewerker uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR. Werkproces 1: Voorbereiden besturen van een politievoertuig Omschrijving Competenties De politiemedewerker kan zelfstandig het voertuig inzet gereed maken voor de rijtaak. • Initiatief • Zelfreflectie • Flexibel gedrag • Samenwerken Gedrag De politiemedewerker: Voorbereidingshandelingen • stelt het voertuig op de juiste wijze in en controleert deze op veiligheidsaspecten. • kent de werking van de voertuigspecifieke apparatuur en gebruikt deze, binnen de rijtaak, op de juiste wijze. Werkproces 2: Zoekopdracht vinden Omschrijving Competenties De politiemedewerker kan, binnen zijn rijtaak, de juiste richting volgen en de gegeven zoekopdrachten op vlotte, veilige en verantwoorde wijze vinden. • Initiatief • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag • Samenwerken Gedrag Richting volgen en zoekopdrachten vinden • kan binnen de rijtaak de opgegeven richting volgen. • kan conform zoekopdracht het gevraagde doel bereiken. • maakt binnen deze rijtaak gebruik van de taal van de weg. Presteren onder psychische- en tijdsdruk • is in staat om de rijtaak onder druk goed en veilig uit te voeren. Werkproces 3: Toepassen voertuigbeheersing en rijtechniek Omschrijving Competenties De politiemedewerker houdt gedurende zijn rijtaak het voertuig onder controle en past daarbij de juiste rijtechnieken toe. • Initiatief • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag Gedrag De politiemedewerker: Uitvoeren rijtechnieken • voert de onderstaande rijtechnieken op een veilige, functionele en technisch juiste wijze uit: ○ bochtentechniek ○ inhaaltechniek ○ stuurtechniek ○ berijden van auto (snel-)wegen ○ keertechniek ○ parkeertechniek ○ rood licht negatie. Tonen voertuigbeheersing • houdt het voertuig onder alle omstandigheden goed onder controle. • is binnen de rijtaak in staat de voertuig specifieke eigenschappen te (her-)kennen en te beheersen. • Is zich bewust van de passagiers in het voertuig en past zijn rijgedrag daar op aan (geldt specifiek voor de ROI Arrestantentaken). Werkproces 4: Risicoperceptie, anticiperen en wettelijke bevoegdheden toepassen Omschrijving Competenties De politiemedewerker anticipeert tijdig op (on)voorspelbare gedragingen van het overige verkeer. Hierbij toont hij risicoperceptie en past hij, daar waar noodzakelijk, de wettelijke bevoegdheden op juiste wijze toe. • Initiatief • Gezag • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag • Samenwerken Gedrag De politiemedewerker: Anticiperen en verkeersinzicht • vermijdt voorspelbare gevaren tijdig en behoudt voldoende werkruimte en vlotheid. • voorspelt het gedrag van andere weggebruikers en past het eigen rijgedrag daarop aan. • maakt binnen de rijtaak gebruik van de taal van de weg. Tonen beslissingsvaardigheid • neemt vlotte en daadkrachtige beslissingen. • rijdt binnen de specifieke rijtaak zo vlot als mogelijk. Risicoperceptie /-acceptatie • is alert op verdachte situaties en handelt daar, rij-technisch gezien, adequaat naar. • zorgt dat zijn (rij-)gedrag in overeenstemming is met het te bereiken doel (proportioneel). Wettelijke bepalingen toepassen • waarborgt zowel de eigen veiligheid als de veiligheid van het overige verkeer. • past de Vrijstelling en de Brancherichtlijn Verkeer Politie binnen de specifieke rijtaak toe. • is binnen de specifieke rijtaak in staat om vlot en verantwoord met Optische- en Geluidssignalen te rijden. Werkproces 5: Professionele beroepshouding tonen Omschrijving Competenties De politiemedewerker laat tijdens zijn verkeersdeelneming en tijdens zijn reflectie zien dat hij professioneel en integer handelt. Hierbij is hij zich bewust zijn voorbeeldfunctie. • Initiatief • Gezag • Stressbestendigheid • Zelfreflectie • Flexibel gedrag • Samenwerken Gedrag De politiemedewerker: Professionele beroepshouding tonen • laat binnen de specifieke rijtaak zien zich bewust te zijn van de voorbeeldfunctie, gerelateerd aan de uit te voeren taak. • toont aan professioneel en integer te handelen, overeenkomstig de waarden en missie van de Nationale Politie. • beïnvloedt, daar waar mogelijk, de verkeersdeelneming van anderen en door de eigen verkeersdeelneming het beeld van de politie, op een positieve manier. • reflecteert op zijn eigen handelen. 13 Kwalificatiedossier Basis Ruiter Bereden Politie De Ruiter Bereden Politie: Vakvaardigheden Rijvaardigheid Beheerst de volgende aspecten van rijvaardigheden te paard:
- kan de basisvaardigheden van dressuur rijden uitvoeren waarbij hij een logische opbouw in het werk van het paard laat zien.
- is in staat een eenvoudig parcours te springen.
- is in staat om met zijn paard op een gecontroleerde manier door het terrein te rijden en daarbij natuurlijke hindernissen te overwinnen in een tempo dat bij terreinrijden passend is. Politiële vaardigheden
- kan politiële aanhouding- en zelfverdedigingsvaardigheden uitvoeren in combinatie met de hippische vaardigheden.
- is in staat groepsgewijs te rijden en daarbij adequaat in te spelen op onvoorspelbare en onverwachte situaties. Overige werkzaamheden
- is in staat het paard, de stalling en materialen op correcte wijze te verzorgen.
- is in staat op een correcte wijze met het paard om te gaan.
- heeft relevante kennis rondom het paard en het dierenwelzijn.
- kan een paard zelfstandig longeren. Ontwikkeling en houding
- past reflectie toe om zelfinzicht te vergroten.
- toont een passende beroepshouding. 14 Kwalificatiedossier Bedienaar meetmiddelen verkeer Kwalificatievereisten geven aan wat de medewerker moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. Kwalificatievereisten Voor het uitvoeren van verkeerscontroles dienen medewerkers uit zowel basisteams als specialistische teams hun bekwaamheid in de bediening van verschillende meetmiddelen verkeer aan te tonen. Zij dienen te voldoen aan de volgende robuuste kwalificatievereisten, die gelden voor verschillende meetmiddelen. Vakvaardigheden De student: • Kent de voor het meten met het meetmiddel relevante artikelen uit wet- en regelgeving, instructies en aanwijzingen, en past deze correct toe. • Handelt een overtreding af volgens de geldende wet- en regelgeving. • Is in staat het meetmiddel op de juiste wijze te installeren en te bedienen volgens de door de fabrikant meegeleverde, meest recente handleiding(en). • Kent de invloed van de omgeving in relatie tot het meten met het meetmiddel en houdt hier rekening mee. • Herkent storingen van het meetmiddel en lost deze op (laat deze oplossen). Houding, oordeelsvermogen De student: • Zorgt voor een veilige werkwijze. 15 Kwalificatiedossier Bloedspoorpatroonanalyse (BPA) KSP modaliteit 2 Kwalificatievereisten Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. Kwalificatievereisten – De student kan eenvoudige en/of enkelvoudige bloedspoorpatronen herkennen, duiden, classificeren en visueel vastleggen. – De student kan eenvoudige en/of enkelvoudige bloedspoorpatronen op een pd betrekken bij het pd-onderzoek en hanteert daarbij de geldende werkinstructies. – De student kan de bevindingen op de juiste wijze vastleggen in een proces-verbaal. 16 Kwalificatiedossier Bloodstain Pattern Analysis Advanced (BPA Advanced) KSP modaliteit 2 Kwalificatievereisten Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. Kwalificatievereisten – De student kan complexe bloedspoorpatronen herkennen en aan de hand van de juiste terminologie duiden, classificeren, uitleggen en visueel vastleggen conform de daarvoor geldende werkinstructies. – De student kan complexe bloedspoorpatronen op een pd betrekken bij het pd-onderzoek en hanteert daarbij de geldende werkinstructies. – De student heeft kennis van mogelijke vervolgonderzoeken bloedspoorverbeteringstechnieken en bloeddetectietechnieken en kan daar een gefundeerd advies over geven aan de forensisch coördinator of andere partners. – De student kan de verrichte handelingen en bevindingen op de juiste wijze vastleggen in een proces-verbaal en/of een rapport van bevindingen. 17 Kwalificatiedossier Brandonderzoek Advanced KSP modaliteit 2 Kwalificatievereisten Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. Kwalificatievereisten – De student kan een forensisch onderzoek naar een complexe brand zelfstandig uitvoeren met inachtneming van de daarbij geldende veiligheids- en werkinstructies. – De student kan het brandverloop duiden aan de hand van brandpatronen en -indicatoren op de plaats delict, kan deze analyseren en interpreteren. – De student kan brandoorzaken op een plaats delict betrekken bij het totale pd-onderzoek en hanteert daarbij de geldende werkinstructies. – De student kan ketenpartners betrekken bij en informeren over het pd-onderzoek en kan hierbij coördinerende taken voor zijn rekening nemen. – De student kan de verrichte handelingen en bevindingen op de juridisch juiste wijze visueel en schriftelijk in een proces verbaal e vastleggen. 18 Kwalificatiedossier Brand Basis KSP modaliteit 2 Kwalificatievereisten Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. Kwalificatievereisten – De student kan een forensisch onderzoek naar een eenvoudige brand zelfstandig uitvoeren met inachtneming van de daarbij geldende veiligheids- en werkinstructies. – De student kan het brandverloop duiden aan de hand van brandpatronen en -indicatoren op de plaats delict, kan deze analyseren en interpreteren en kan hierbij zo nodig ketenpartners inschakelen. – De student kan brandoorzaken op een plaats delict betrekken bij het totale pd-onderzoek en hanteert daarbij de geldende werkinstructies. – De student kan de verrichte handelingen en bevindingen zowel schriftelijk als visueel op de juiste wijze vastleggen. 19 Kwalificatiedossier Chauffeur binnen een ME-inzet Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren. Kerntaak Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de chauffeur van een ME- of AE-voertuig (opleidingen Besturen van een ME-voertuig ME en Besturen van een AE-voertuig), is er één kerntaak: Het besturen van een voertuig ten behoeve van een ME- of AE-inzet. Werkproces Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de chauffeur van een ME- of AE-voertuig kent drie werkprocessen. Kerntaken Werkprocessen
- Het besturen van een voertuig ten behoeve van een ME- of AE-inzet. 1.1 Voorbereiden van de inzet 1.2 Uitvoeren van de inzet ME Uitvoeren van de inzet AE 1.3 Afronden van de inzet Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de chauffeur van een ME- of AE-voertuig wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de chauffeur van een ME- of AE-voertuig uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR. Werkproces 1: Voorbereiden van de inzet Omschrijving Competenties De chauffeur zorgt er voor dat hijzelf, zijn uitrustingsstukken, technische hulpmiddelen, verstrekte geweldsmiddelen en het voertuig inzet gereed zijn, zodat de chauffeur zelf en het voertuig direct kunnen worden ingezet als de situatie dat vereist. • Accuratesse • Leervermogen Gedrag De chauffeur: • controleert zijn uitrustingsstukken, technische hulpmiddelen en verstrekte geweldsmiddelen op de juiste werking en reageert adequaat op mankementen • kent de techniek van het voertuig en controleert de werking van het voertuig en de volledigheid van de inhoud en toerusting van het voertuig, waarbij hij adequaat reageert bij mankementen • oriënteert zich op de locatie van de inzet en mogelijke aanrijroutes • neemt actief deel aan de briefing Werkproces 2: Uitvoeren van de inzet ME Omschrijving Competenties De chauffeur van een ME-voertuig is verantwoordelijk voor het veilig verplaatsen van inzittenden van het voertuig, het waarborgen van de verkeersveiligheid en de veilig besturen van zijn voertuig in wisselende omstandigheden. Hij neemt deel aan de ME-inzet door ME-procedures toe te passen en het voertuig tactisch in te zetten. Hij werkt in zijn optreden samen en maakt een constante afweging tussen eigen beslissingen en de hiërarchische aansturing. • Samenwerken • Initiatief • Oordeelsvorming • Stressbestendigheid • Flexibel gedrag Gedrag De ME-chauffeur: • communiceert effectief verbaal en non-verbaal met betrokkenen bij de inzet, ook in hectische omstandigheden • laat zich functioneel en hiërarchisch aansturen en voert commando’s uit, ook in hectische omstandigheden en neemt zelfstandig beslissingen waar situationeel nodig • handelt volgens opdracht, draagt binnen de grenzen van de opdracht oplossingen aan en functioneert zelfstandig binnen de gestelde kaders en tolerantiegrenzen • accepteert de gevolgen van het spanningsveld tussen zijn eigen specialistische deskundigheid en hiërarchische verantwoordelijkheid • werkt samen met eigen en andere eenheden, ook multidisciplinair en voert op een veilige manier manoeuvres uit in samenwerking met andere eenheden • gaat verantwoord om met mede-inzittenden, andere weggebruikers en omstanders en komt tot een goed samenspel met andere weggebruikers waarbij hij nuttig gebruik maakt van vrijstellingen politievoertuigen en doorlopend rekening houdt met de veiligheid • houdt tijdens het besturen van het voertuig rekening met de gedragingen van andere weggebruikers en anticipeert op hun (mogelijke) reacties en de omstandigheden tijdens de inzet (wegdek, weer, voertuig, omgeving) • speelt vlot in op (veranderende) situaties en handelt daarbij flexibel en inventief waarbij hij rekening houdt met de gevolgen en mogelijke juridische consequenties van zijn handelen • schakelt tussen verschillende geweldsniveaus en past zijn mindset hierop aan • kan multitasken tijdens het rijden (communicatie, navigatie, oriëntatie en gebruik verbindingsmiddelen), waarbij de veiligheid te allen tijde gegarandeerd wordt • beheerst verschillende locatie-oriëntatietechnieken en bepaalt op basis van de situatie en informatievoorziening zijn route • kan in colonne rijden en opereren in ME-formaties • draagt de kernwaarden van de Politie actief uit Werkproces 2: Uitvoeren van de inzet AE Omschrijving Competenties De chauffeur van een AE-voertuig is verantwoordelijk voor het veilig verplaatsen van inzittenden van het voertuig, het waarborgen van de verkeersveiligheid en de veilig besturen van zijn voertuig in wisselende omstandigheden, waarbij het voertuig ook tactisch moet worden ingezet bij aanhoudings- en afschermingssituaties. Hij werkt in zijn optreden samen en maakt een constante afweging tussen eigen beslissingen en de hiërarchische aansturing. • Samenwerken • Initiatief • Besluitvaardigheid • Oordeelsvorming • Stressbestendigheid • Flexibel gedrag Gedrag De AE-chauffeur: • communiceert effectief verbaal en non-verbaal met betrokkenen bij de inzet, ook in hectische omstandigheden • laat zich functioneel en hiërarchisch aansturen en voert commando’s uit, ook in hectische omstandigheden en neemt zelfstandig beslissingen waar situationeel nodig • handelt volgens opdracht, draagt binnen de grenzen van de opdracht oplossingen aan en functioneert zelfstandig binnen de gestelde kaders en tolerantiegrenzen • accepteert de gevolgen van het spanningsveld tussen zijn eigen specialistische deskundigheid en hiërarchische verantwoordelijkheid • werkt samen met eigen en andere eenheden, ook multidisciplinair en voert op een veilige manier manoeuvres uit in samenwerking met andere eenheden • gaat verantwoord om met mede-inzittenden, andere weggebruikers en omstanders en komt tot een goed samenspel met andere weggebruikers waarbij hij nuttig gebruik maakt van vrijstellingen en doorlopend rekening houdt met de veiligheid • houdt tijdens het besturen van het voertuig rekening met de gedragingen van andere weggebruikers en anticipeert op hun (mogelijke) reacties en de omstandigheden tijdens de inzet (wegdek, weer, voertuig, omgeving) • speelt vlot in op (veranderende) situaties en handelt daarbij flexibel en inventief waarbij hij rekening houdt met de gevolgen en juridische consequenties van zijn handelen • schakelt tussen verschillende geweldsniveaus en past zijn mindset hierop aan • kan multitasken tijdens het rijden (communicatie, navigatie, oriëntatie en gebruik verbindingsmiddelen) waarbij de veiligheid te allen tijde gegarandeerd wordt • beheerst verschillende oriëntatietechnieken en bepaalt op basis van de situatie en informatievoorziening zijn route • kan in colonne rijden • participeert met gebruikmaking van het voertuig tactisch en veilig in aanhoudings- en afschermingssituaties en neemt actief de omgeving waar om relevante signalen hiertoe te herkennen. • draagt de kernwaardes van de Politie actief uit Werkproces 3: Afronden van de inzet Omschrijving Competenties De chauffeur neemt, als onderdeel van de groep, deel aan de debriefing en is daarbij in staat om feedback te geven en ontvangen. Ten aanzien van het voertuig en zijn persoonlijke middelen en uitrustingsstukken zorgt hij voor een zorgvuldige controle op geschiktheid voor een volgende inzet. • Samenwerken • Zelfreflectie Gedrag De chauffeur: • neemt actief deel aan de debriefing • reflecteert op eigen handelen en trekt daar lering uit • kan evaluatiepunten ten aanzien van de inzet formuleren en ontvangen • verzorgt zijn uitrustingsstukken, technische hulpmiddelen en verstrekte geweldsmiddelen en reageert adequaat op mankementen • controleert het voertuig op schades en mankementen als gevolg van de inzet en reageert adequaat op gebreken 20 Kwalificatiedossier Chauffeur Waterwerper De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren. Kerntaken geven de belangrijkst