← Nederland

CAR/UWO (Enschede)

In het kort

Deze regeling, de CAR/UWO (Enschede), beschrijft de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie van ambtenaren die werkzaam zijn bij de gemeente Enschede. Het definieert belangrijke begrippen en regelt wie wel en niet als ambtenaar wordt beschouwd onder deze bepalingen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt; overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand; Zvw: de Zorgverzekeringswet; CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; UWO: Uitwerkingsovereenkomst; functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking; LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; WIA:Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; WAJONG:Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; WAZ:Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; Waz :Wet arbeid en zorg; SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; WPA: de Wet privatisering ABP; FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt; ZW: de Ziektewet; ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. 2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Artikel 1:2 Geen ambtenaar 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening; de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg. 2 Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. 3Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing. Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar 1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. 2 Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. 4 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing. Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar. Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende. Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar. De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal 1. Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente. Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en 17. Artikel 1:2:3 Instapplan Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen. Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar. Artikel 1:3 Toepassing 1De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. 2Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel 1:3a Toepassing Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO 1Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. 2Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO 1Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. 2Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen. Artikel 1:5 Omvang van de betrekking Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. Artikel 1:6 Vrijstelling 1In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. 2De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. 2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst Artikel 2:0:0:0 Aanstelling en arbeidsovereenkomst Zie ook circulaires nr. 001 en 002. Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst 1 De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. 2Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit artikel. 3De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente. Artikel 2:1A:0:1 Inzetbaarheid Ambtenaren in algemene dienst zijn in principe inzetbaar binnen de gehele organisatie op passende structurele en passende tijdelijke functies en op projecten met passende werkzaamheden. Onder een passende functie wordt verstaan: een functie van gelijkwaardig werk- en denkniveau die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Artikel 2:1A:0:2 Termijnen Nieuw in dienst tredende en zittende ambtenaren waarvan de functiegebonden aanstelling per 1 januari 2013 van rechtswege wordt omgezet in een aanstelling in algemene dienst, worden voor een periode van maximaal 5 jaar in de functie geplaatst waarop ze respectievelijk hebben gesolliciteerd of die ze op de dag voor de omzetting vervulden. Uiterlijk een half jaar voorafgaand aan het verstrijken van de termijn als bedoeld in lid 1, neemt het College een besluit over verlenging van de plaatsing dan wel plaatsing in een andere passende functie. De termijn bedoeld in het eerste lid kan na afloop worden verlengd. Leidinggevende en ambtenaar bepalen in overleg de duur van de verlenging. De termijn wordt telkens automatisch met één jaar worden verlengd, indien de ambtenaar voor of met het aflopen van de termijn niet in een andere functie is geplaatst of ingeval er geen nieuwe afspraken zijn gemaakt over de termijn van voortzetting/verlenging van de plaatsing in de huidige functie. Artikel 2:1A:0:3 Jaarplancyclus Gesprekken over de inzetbaarheid van de ambtenaar binnen de gemeentelijke organisatie worden gevoerd binnen het kader van de Jaarplancyclus. Leidinggevende en ambtenaar maken jaarlijks concrete afspraken over ontwikkeling en opleiding gericht op inzetbaarheid in de huidige functie (effectiviteit) of over doorstroom naar een andere passende functie (loopbaanplan). De leidinggevende houdt bij het maken van de afspraken over ontwikkeling, opleiding of doorstroming, voor zover relevant, rekening met de persoonlijke situatie van de ambtenaar (leeftijd, gezondheid, gezinssituatie enz.) De leidinggevende faciliteert de ambtenaar in het realiseren van de afspraken over opleiding en ontwikkeling met inachtneming van het gestelde in Hoofdstuk 17 CAR. De ambtenaar kan een hem/haar aangeboden passende functie slechts in uitzonderlijke gevallen en onder overlegging van gegronde redenen weigeren. Artikel 2:1A:0:4 Ondersteuning De afdeling P&O ondersteunt de leidinggevende en de ambtenaar bij het opstellen en het realiseren van een loopbaanplan. Ambtenaren die zich willen oriënteren op een vervolgfunctie, worden in de gelegenheid gesteld een loopbaantest af te leggen. Artikel 2:1A:0:5 Voorkeurspositie Ambtenaren in algemene dienst die in overleg met hun leidinggevende een loopbaanplan hebben opgesteld, hebben na overplaatsingkandidaten (als gevolg van reorganisatie) en herplaatsingskandidaten (als gevolg van arbeidsongeschiktheid) een voorkeurspositie bij het vervullen van vacatures op hetzelfde niveau als de functie die zij vervullen, mits zij voldoen aan de functie-eisen. Artikel 2:1A:0:6 Hardheidsclausule In die gevallen waarin (de toepassing van) deze regeling voor de medewerker onbedoeld tot een onbillijke of onredelijke situatie leidt, kan het College van deze regeling afwijken. Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst 1De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. 2Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om: tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen; tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden; beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken. 3Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt. Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid 1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. 2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. 3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 2:2:0:1 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid Artikel 2:2, lid 4: zie ook circulaire nr. 003. Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek 1 Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. 2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Artikel 2:4 Duur van de aanstelling 1 De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk. 2 Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling. 3 Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter. 4 In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen. 5 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden. 6 Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling. Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling 1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst. 2 Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. 3 De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Artikel 2:4:1:0 Bericht van aanstelling Artikel 2:4:1: zie ook circulaire nr. 005. Artikel 2:4:2 Vacatures 1 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. 2 Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Artikel 2:4:2:1 EAR Onder personeel van de gemeente wordt in dit kader verstaan de personeelsleden van de gemeente Almelo, Borne, Enschede, Hengelo en Oldenzaal, samen operend als Netwerkstad Twente en het GBT en de Regio Twente. Personeelsleden van genoemde gemeenten en organisaties die reageren op een interne vacature in één van de genoemde organisaties, worden als interne kandidaten beschouwd en als zodanig gelijkelijk behandeld bij de vervulling van een vacature. De openstelling van de interne arbeidsmarkt wordt uiterlijk na 24 maanden geëvalueerd. Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst 1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. 2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. 3Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13. Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht 1 De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 . 2De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur. 3 Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Artikel 2:6 Overgangsrecht 1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden. 2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli 2001. 3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 . 4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 . Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur 1 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 2 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 3 Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie. Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur 1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. 2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; het salaris evenredig wordt verhoogd; de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd; instemming van de ambtenaar is vereist; artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. 4Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. 3 Salaris en vergoedingsregelingen Artikel 3:1 Bezoldiging 1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend. 2In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt: schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop; salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage. 3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage IIen IIa van de CAR. Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is. Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken. 4Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II . 5Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken: dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ; en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa . 6Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand. 7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. 8 Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Artikel 3:1:0:1 Bezoldiging Artikel 3:1, lid 6: zie ook circulaire nr. 007. Artikel 3:1:1 Bezoldiging 1 De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn. 2Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde. 3Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen. 4Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd. Artikel 3:1:2 Waarnemingstoelage 1De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid. 2De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald. 3De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1 . Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming. 4Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt. 5Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen. Artikel 3:2 Overwerkvergoeding De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin. Artikel 3:2:0:1 Overwerkvergoeding Artikel 3:2 zie ook circulaires nr. 006 en 008. Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding 1De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde. 2Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. 3Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met 100. 5Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt: 100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur 50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur; 50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur; 25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald. Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%. 6Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk.Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. 7Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen. 8Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. Artikel 3:2:1:0 Overwerkvergoeding Artikel 3:2:1: zie ook circulaires nr. 008 en 026. Artikel 3:2:1:1 Overwerkvergoeding Burgemeester en wethouders stellen ten aanzien van medewerkers, voor wie in verband met de aard hunner werkzaamheden bijzondere werktijdregelingen gelden, afzonderlijke regelen vast voor het toekennen van overwerkvergoeding. De ambtenaar die geen volledige betrekking vervult heeft aanspraak op het 1/156 gedeelte van zijn naar een volledige betrekking herberekende salaris per maand voor elk gewerkt uur buiten de voor zijn betrekking vastgestelde werktijden waarvoor hij krachtens het eerste lid van dit artikel geen aanspraak heeft op vergoeding. Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst 1De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op: maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur; zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur; zondag tussen 00.00 en 24.00 uur. 2In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld. 3In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld. 4In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3:3:1 Beschikbaarheidsdiensten Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 2:1B , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden. Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding. Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding 1Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde: feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven; werktijd, deze werktijd wordt verschoven. 2Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd. 3De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon. Artikel 3:4:1:1 Verschuivingsvergoeding Artikel 3:4:1, lid 2 is niet van toepassing. Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald: in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef; op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend. Artikel 3:5:0:1 Ambtsjubileumgratificatie Artikel 3:5: zie ook circulaire 009. Artikel 3:5:1 Ambtsjubileumgratificatie 1Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft.De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: op grond van artikel 8:3 ; op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; op grond van 8:11 indien en voorzover het een volledig ontslag betreft; en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend.Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. 2Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend. Artikel 3:5:1:1 Ambtsjubileumgratificatie In de eerste zin van artikel 3:5:1, lid 1, moet in de plaats van “de helft” gelezen worden “70%”. De ambtenaar, die, in verband met een beslissing waarbij hij gedeeltelijk medisch arbeidsongeschikt is verklaard, op de datum van zijn ambtsjubileum voor minder uren dan oorspronkelijk dan wel in een andere betrekking werkzaam is, ontvangt de gratificatie naar evenredigheid van de omvang van de betrekking vóór en na de datum van deze wijziging in de dienstbetrekking. Aan de ambtenaar die wegens functioneel leeftijdsontslag (FLO) de dienst verlaat en wiens 25-jarig jubileum valt tussen de datum van het FLO-ontslag en de 65-ste verjaardag wordt op de datum van zijn FLO-ontslag een gratificatie toegekend overeenkomende met 70% van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. Aan de ambtenaar die wegens FLO de dienst verlaat en wiens 40-jarig respectievelijk 50-jarig jubileum valt tussen de datum van zijn FLO-ontslag en de 65-ste verjaardag wordt op de datum van zijn FLO-ontslag een gratificatie toegekend overeenkomende met de gehele bezoldiging en de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering 1De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. 2De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. 3Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest. Artikel 3:7:1 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:2 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:3 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:4 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:5 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:6 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:7 Vervallen (Vervallen) Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage 1Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat. 2De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. Artikel 3a:0:1:1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ambtenaar: de ambtenaar in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder a, van deze regeling; functie: het samenstel van werkzaamheden waarmee de ambtenaar door of vanwege het college feitelijk is belast; functiewaardering: het op systematische wijze in rangorde plaatsen van functies volgens een door het college vast te stellen regeling; conversie: de vertaling van de uit functiewaardering voortkomende rangorde in schalen; salaris: het salaris als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling; salaris per uur: het 1/156e deel van het salaris bij een werkweek van gemiddeld 36 uren; bezoldiging: de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling; schaal: de schaal als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling; salarisnummer/stap: een getal of een letter en een getal, ter aanduiding van de bedragen waarin de schaal is onderverdeeld; periodiek: het bedrag liggend tussen twee opeenvolgende salarisnummers/stappen; maximumsalaris: de hoogste numerieke periodiek in de schaal. prestatieperiodiek : de periodiek die wordt toegekend na beoordeelde prestatie, aangeduid met P-periodiek. volledige werktijd: een werktijd van gemiddeld 36 uren per week; beoordeling: het periodiek geven van een oordeel over de wijze waarop de ambtenaar zijn functie vervult, volgens hoofdstuk 3c van deze regeling; eindoordeel: één van de kwalificaties als bedoeld in artikel 3c:0:1:2, vierde lid, van deze regeling, te verbinden aan een beoordeling; bijlage II : de salaristabel als bedoeld in artikel 3:1, lid 3 sub a van deze regeling. bijlage IIa : de salaristabel als bedoeld in artikel 3:1, lid 3 sub b van deze regeling. bijlage IIb : de Enschedese salaristabel die gehanteerd wordt bij medewerkers die op of na 1 oktober 2007 in dienst zijn gekomen of die op of na 1 oktober 2007 niet vallen onder het overgangsrecht of de medewerkers die op 1 oktober 2007 ingepast zijn in schaal 12 of hoger. bijlage IIc : de Enschedese salaristabel die gehanteerd wordt bij medewerkers met rechten op basis van overgangsrecht ex artikel 3a:0:1:20. bijlage IId : de Enschedese salaristabel die gehanteerd wordt bij medewerkers op wie artikel 3a:0:1:19 van toepassing is. Dit betreft de salaristabel als bedoeld in bijlage II, uitgebreid met de Enschedese periodieken zoals die golden voor 1 april 1996. Voor deze tabel telf. tst. 8855. horizontaal overstappen : overgang naar de naastgelegen schaal op hetzelfde bedrag en in geval van het ontbreken daarvan naar de eerstvolgende periodiek liggend zo dicht mogelijk bij het bedrag van de laatstgenoten periodiek. Artikel 3a:0:1:2 Duur van de bezoldiging Het recht op bezoldiging begint met de dag waarop de aanstelling van de ambtenaar ingaat; indien in het aanstellingsbesluit geen datum van ingang is vermeld, begint het recht op bezoldiging met de dag waarop de ambtenaar feitelijk in dienst is getreden. Het recht op bezoldiging eindigt, ingeval van ontslag, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat. Artikel 3a:0:1:3 Betaling en berekening De bezoldiging wordt in beginsel eens per kalendermaand aan de ambtenaar uitbetaald. Wanneer de bezoldiging of een onderdeel daarvan moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand. Artikel 3a:0:1:4 Bepaling salarisschaal Het college stelt nadere regels met betrekking tot de uitvoering van functiewaardering en de daarbij te hanteren methode. Het college bepaalt met inachtneming van de resultaten van functiewaardering en aan de hand van de vastgestelde conversie de voor een functie geldende salarisschaal, voor zover dat niet bij of krachtens de wet is geschied. De salarisschalen en de salarisnummers waarin de schalen zijn onderverdeeld staan weergegeven in de bijlagen IIb, IIc en IId van deze regeling. In de gevallen bedoeld in artikel 3a:0:1:16, eerste lid, van deze regeling wordt de bijlage door het college aangepast. Vervallen In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan het college in bijzondere gevallen besluiten dat een functie met een vast salaris wordt gehonoreerd; de betreffende functies staan met het bijbehorende, eveneens door het college te bepalen salarisbedrag vermeld in bijlage B en C bij dit hoofdstuk Artikel 3a:0:1:5 Eerste vaststelling salaris Het salaris van de ambtenaar wordt, voorzover dat uit hoofde van zijn functie niet bij of krachtens de wet is geregeld, vastgesteld aan de hand van de schaal die voor zijn functie geldt; indien zijn functie behoort tot de functies die met een vast salaris worden gehonoreerd, zoals vermeld in bijlage B bij deze regeling, wordt zijn salaris op dat bedrag vastgesteld. Bij aanstelling kent het college de ambtenaar in principe het salaris toe dat is vermeld in de voor zijn functie geldende salarisschaal achter het salarisnummer 0. Hiervan kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris, indien daarvoor naar het oordeel van het college aanleiding bestaat. Van het bepaalde in het vorige lid kan worden afgeweken door toekenning van een schaal voorafgaand aan de functieschaal indien de ambtenaar nog niet voldoet aan de voor de functie benodigde eisen of competenties. Deze lagere inpassing gebeurt gedurende een afgesproken ontwikkelperiode. Na afloop van deze periode zal in principe de ambtenaar alsnog worden ingepast in de functieschaal. Indien deze inpassing samenvalt met het jaarlijkse beoordelingsmoment, zal er eerst zoveel mogelijk horizontaal worden overgestoken en vervolgens zullen eventuele periodieken voortvloeiende uit artikel 3a:0:1:6 worden toegekend. Het salaris van de ambtenaar met een niet volledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou gelden bij een volledige werktijd. Artikel 3a:0:1:6 Jaarlijkse vaststelling salaris In beginsel eenmaal per jaar, neemt het college een besluit inzake de hoogte van het salaris van de ambtenaar; dit besluit is gebaseerd op beoordeling van de ambtenaar van het afgelopen jaar met inachtneming van het in het volgende lid bepaalde. Indien er door omstandigheden geen beoordeling heeft plaatsgevonden, vindt er in principe geen salarisaanpassing plaats tenzij het college bij wijze van uitzondering anders beslist. Bij de eindoordelen “onvoldoende” en “matig” wordt geen periodiek toegekend; Het eindoordeel “goed” leidt tot verhoging van het salaris met één periodiek, zolang het numerieke maximum van de schaal nog niet is bereikt. Het eindoordeel “zeer goed” of “uitmuntend” leidt in ieder geval tot verhoging van het salaris met één periodiek, zolang het numerieke maximum van de voor de functie geldende schaal nog niet is bereikt. Als de grondslag van het eindoordeel ligt in de ontwikkeling op inhoud van en competenties behorende bij de functie, kan daarnaast een bijzondere beloning in de vorm van één of twee extra periodieken worden toegekend indien daardoor het numerieke maximum van de voor de functie geldende schaal niet wordt overschreden. Met inachtneming van het gestelde onder c kan, indien het numerieke maximum van de schaal is bereikt, het eindoordeel “zeer goed”of “uitmuntend leiden tot een prestatieperiodiek P1 of P2, wanneer de grondslag van het eindoordeel is gelegen in naar het oordeel van de leidinggevende en de directeur zichtbare meerwaarde in de doelen van het betreffende organisatieonderdeel. De prestatieperiodieken P3 en P4 van de schaal worden slechts toegekend wanneer aan de beoordeling het eindoordeel “zeer goed “ of “uitmuntend” is verbonden én uit de beoordeling blijkt, dat de ambtenaar een voorbeeldfunctie vervult in de kerncompetenties van de organisatie. Deze periodieken worden voor de duur van maximaal een jaar toegekend. Herhaalde toekenning van genoemde periodieken is mogelijk, indien opnieuw is voldaan aan genoemde voorwaarden. Artikel 3a:0:1:7 Wijziging salarisschaal Zonder voorafgaande ontheffing uit zijn functie kan voor een ambtenaar geen schaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende schaal. Artikel 3a:0:1:8 Minimumsalaris Indien het salaris van de ambtenaar minder is dan het maandbedrag van het minimumloon, dat krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag (Stb. 1968, 657) geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als de ambtenaar, wordt hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil. Voor de ambtenaar met een niet volledige werktijd wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het minimumloon bij een volledige werktijd. Artikel 3a:0:1:9 Bijzondere beloning Op grond van het bepaalde in artikel 15:1:28 van deze regeling kan aan de ambtenaar, indien zijn functioneren c.q. een door hem geleverde prestatie daartoe aanleiding geeft, incidenteel een bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van extra verlof of een gratificatie, in geld of anderszins. Een incidentele bijzondere beloning kan los van het jaarlijkse besluit omtrent het salaris worden toegekend. Het college kan nadere regels stellen omtrent aard en omvang van de bijzondere beloningen als bedoeld in het eerste lid. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de bijzondere beloning in de vorm van een gratificatie in de vorm van geld in ieder geval niet minder is dan een brutobedrag van 1% van het brutojaarsalaris en in principe niet uitkomt boven 5% van het brutojaarsalaris. Bedragen die boven het laatst genoemde percentage uitkomen, kunnen alleen als gratificatie worden uitgereikt na een afzonderlijk daartoe door het college genomen besluit. Indien de beoordeling van de ambtenaar daartoe aanleiding geeft kan aan de ambtenaar, zolang hij het numerieke maximum van zijn schaal nog niet heeft bereikt, structureel een bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van één of twee extra periodieken. Een structurele bijzondere beloning wordt bij het jaarlijkse besluit omtrent het salaris toegekend. Artikel 3a:0:1:10 Arbeidsmarkttoelage Zie ook circulaire nr. 011. Indien de situatie op de arbeidsmarkt daartoe naar het oordeel van het college aanleiding geeft, kan in uitzonderlijke gevallen aan een ambtenaar of aan een groep ambtenaren een toelage worden toegekend, teneinde de betrokken(

  1. en)voor de gemeente te kunnen behouden dan wel werven. Het college stelt in voorkomend geval nadere regels omtrent hoogte en duur van de in het eerste lid bedoelde toelage, met dien verstande dat de toelage niet hoger mag zijn dan 10 procent van het salaris van de betrokken ambtenaar en dat de som van het salaris en de toelage niet mag uitgaan boven het hoogste bedrag van de naasthogere schaal. Artikel 3a:0:1:11 Toelage onregelmatige werktijden Aan ambtenaren, wier functie is ingedeeld in schaal 10 of lager en voor wie werktijden zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt door het college een toelage toegekend. De in het vorige lid bedoelde toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur; dit percentage bedraagt: 20 voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6.00 en 8.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur, met dien verstande dat deze vergoeding slechts wordt toegekend indien het werk is begonnen voor 7.00 uur respektievelijk is beëindigd na 19.00 uur; 40 voor de uren op zaterdag tussen 6.00 en 22.00 uur en voor de uren op maandag tot en met zaterdag tussen 0.00 en 6.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur; 65 voor de uren op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1, derde lid, van deze regeling; met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij schaal 5, P2 van bijlage IIb van deze regeling. In bijzondere gevallen kan het college een regeling treffen die het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt. Dit artikel is niet van toepassing op ambtenaren van de Brandweer, voorzover werkzaam in 24-uurs rooster. Artikel 3a:0:1:12 Afbouw toelage onregelmatige werktijden Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 3a:0:1:11 een blijvende verlaging ondergaat, wordt door het college een aflopende toelage toegekend, indien: die blijvende verlaging tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage en; de ambtenaar de toelage, als bedoeld in artikel 3a:0:1:11, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 60 jaar of ouder, wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in artikel 3a:0:1:11, een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend indien de ambtenaar de toelage, als bedoeld in artikel 3a:0:1:11, direct voorafgaande aan het tijdstip vanvorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt en hij, onmiddellijk voor de aanvang van die toelage, gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage, als bedoeld in artikel 3a:0:1:11, heeft genoten, over in een blijvende toelage, als bedoeld in het tweede lid. Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden. Het college stelt voor de uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Artikel 3a:0:1:13 Toelage beschikbaarheidsdiensten Onder beschikbaarheidsdiensten wordt verstaan het buiten de voor de ambtenaar geldende werktijd zich beschikbaar houden voor het onmiddellijk kunnen verrichten van werkzaamheden. Aan de ambtenaar aan wiens functie beschikbaarheidsdiensten zijn verbonden wordt door het college een toelage toegekend van 2,5% van het uurloon, afgeleid van schaal 4, P2 van bijlage IIb van deze regeling voor uren liggend tussen 22.00 en 6.00 uur, 5% voor uren liggend tussen 6.00 en 22.00 uur en 8,75% voor uren liggend tussen 6.00 en 22.00 uur op een zaterdag, zondag of feestdag als genoemd in artikel 4:2:1, derde lid van deze regeling, met dien verstande dat een periode van minder dan een half uur buiten beschouwing wordt gelaten en een periode tussen een half uur en een uur voor een vol uur wordt gerekend. Indien tijdens beschikbaarheidsdiensten werkzaamheden moeten worden verricht, wordt de daaraan bestede tijd als overwerk vergoed overeenkomstig artikel 3:2:1 van deze regeling. De ambtenaar aan wie, anders dan wegens vervanging, een toelage voor beschikbaarheidsdiensten is toegekend, behoudt deze toelage indien hij wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:1 van deze regeling, indien hij de toelage gedurende tenminste 10 achtereenvolgende maanden heeft genoten. In bijzondere gevallen kan het college een regeling treffen die het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt. Dit artikel is niet van toepassing op ambtenaren van de Brandweer, voorzover werkzaam in 24-uurs rooster. Artikel 3a:0:1:14 Afbouw toelage beschikbaarheidsdiensten Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van de toelage voor beschikbaarheidsdienst, een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een aflopende toelage toegekend, indien: de blijvende verlaging tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage en; de ambtenaar de toelage gedurende tenminste twee jaren direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of verlaging zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden. Het college stelt voor de uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Artikel 3a:0:1:15 Inhouding op de bezoldiging Voor het van gemeentewege aan de ambtenaar verstrekte genot van woning, energie en/of water wordt op zijn bezoldiging een korting toegepast op de voet van de bepalingen geldend voor personeel in dienst van de rijksoverheid. In geval van gemeentelijke voorzieningen c.q. faciliteiten waarvoor de ambtenaar bij gebruik een financiële bijdrage is verschuldigd, kan het college bepalen dat betaling van de bijdrage zal plaatsvinden door middel van inhouding op de bezoldiging van de ambtenaar. Artikel 3a:0:1:16 Algemene salarismaatregelen Indien in de salarissen van het gemeentelijk personeel een wijziging wordt aangebracht welke een algemeen karakter draagt, wordt door het college met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat een overeenkomstige wijziging aangebracht in de bijlagen IIb, IIc en IId bij deze regeling. Van de wijziging bedoeld in het voorgaande lid geeft het college kennis aan de raad, alsmede aan de commissie voor georganiseerd overleg. Artikel 3a:0:1:17 Bijzondere gevallen Het college kan, indien daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat, een toelage- dan wel een vergoedingsregeling treffen voor bepaalde functies of werkzaamheden. Voor gevallen, waarin deze verordening niet of niet naar billijkheid voorziet, treft het college een bijzondere regeling. Artikel 3a:0:1:18 Garantiebepaling 1992 (n.a.v. invoering gewijzigd systeem van beoordelen en belonen in 1992) Voor de ambtenaar die op 31 december 1991 vast is aangesteld dan wel voor wie per diezelfde datum een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt in een betrekking met een functionele salarisschaal van 6 en hoger, blijft artikel 3a:0:1:6, tweede lid, onder d van deze regeling buiten toepassing, een en ander met inachtneming van de volgende leden. Aan de in het vorige lid bedoelde ambtenaar wordt de drie en twee na laatste periodiek van de voor de functie geldende schaal toegekend, wanneer aan de beoordeling tenminste het eindoordeel “goed” is verbonden. Zodra op of na 1 januari 1992 voor de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een hogere salarisschaal gaat gelden als gevolg van een promotie, treedt artikel 3a:0:1:6, tweede lid, onder d, van deze regeling volledig in werking. Het voor de datum van inwerkingtreding van de wijziging van dit artikel toegekende eindoordeel “normaal goed” geldt als eindoordeel “goed”. Artikel 3a:0:1:19 Toelage 1996 (behorende bij de herziening van salarisstructuur a.g.v. arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997) De ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage IId bij deze regeling ontvangt, zodra hij op grond van artikel 3:1, vijfde lid, van deze regeling een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIc bij deze regeling een toelage, indien en voor zover het maximum bedrag van bijlage IIc, waarin hij wordt ingepast lager is dan het op hem van toepassing zijnde oude maximumbedrag van bijlage IId bij deze regeling. Deze toelage wordt geïncorporeerd zodra de ambtenaar een volgende periodieke verhoging wordt toegekend. Artikel 3a:0:1:20 Overgangs- en slotbepalingen (behorende bij resultaatgericht- en afhankelijk beloningsbeleid ingevoerd in 2007) De op 30 september 2007 in dienst zijnde ambtenaar, behoudt de alsdan voor hem geldende salarisperspectieven als bedoeld in bijlage IIc, tot het moment dat hij wordt geplaatst in een functie met een hogere salarisschaal. Hierbij gelden de uitgangspunten als neergelegd in artikel 3a:0:1:6 van deze regeling. Voor de op 30 september 2007 in dienst zijnde ambtenaar, die op of vóór 31 december 2010 wordt ingepast in een hogere salarisschaal, blijven de salarisperspectieven van toepassing als bedoeld in bijlage IIc. Hierbij gelden de uitgangspunten als neergelegd in artikel 3a:0:1:6 van deze regeling. Op de op 30 september 2007 in dienst zijnde ambtenaar, die op die datum is ingedeeld in een functiegroep, waarvoor een vastgesteld en schriftelijk vastgelegd individueel ontwikkeltraject geldt, en die op of voor 1 januari 2013 in het kader van het ontwikkeltraject wordt ingepast in een hogere salarisschaal, blijven de salarisperspectieven bedoeld in bijlage IIc van toepassing. Hierbij gelden de uitgangspunten als neergelegd in artikel 3a:0:1:6 van deze regeling. Indien en zodra toepassing van de nieuwe salarisstructuur op 1 oktober 2007 leidt tot een vergelijkbaar dan wel gunstiger salarisperspectief voor de ambtenaar dan het op 30 september 2007 voor hem geldende salarisperspectief, wordt de ambtenaar direct ingepast in de op 1 oktober 2007 geldende salarisstructuur. Inpassing in een hogere salarisschaal leidt in ieder geval tot een gunstiger salarisperspectief. Artikel 3a:0:1:21 Toetsingscommissie overgangsrecht Indien toepassing van het overgangsrecht de medewerker naar zijn oordeel ten onrechte wordt onthouden, dan wel naar zijn oordeel niet juist wordt toegepast, wendt hij zich schriftelijk tot het College met het gemotiveerd verzoek de beslissing te herzien. Bij voortdurend verschil van inzicht tussen de medewerker en het College over de toekenning van het overgangsrecht, kan de medewerker zich schriftelijk wenden tot de toetsingscommissie overgangsrecht. Het verzoek schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht. De toetsingscommissie overgangsrecht wordt ingesteld en samengesteld door het College. Het College stelt een reglement met de voor de toetsingscommissie overgangsrecht geldende werkwijze vast. Artikel 3a:0:1:22 Hardheidsclausule In gevalllen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, kan het College een bijzondere regeling treffen. Artikel 3a:0:1:23 Citeertitel De artikelen 3a:0:1:1 tot en met 3a:0:1:21 kunnen worden aangehaald als Bezoldigingsregeling 2007. Artikel 3a:0:2:1 Algemeen Het college, of het diensthoofd naar door het college te stellen regels, kan aan medewerkers, belast met de in artikel 3a:0:2:2 genoemde functie of werkzaamheden een toelage toekennen. Deze toelage wordt behalve bij tijdelijke vervanging schriftelijk toegekend en ook ingetrokken. De toelage wordt niet uitgekeerd indien en voor zover de werkzaamheden reeds krachtens enig artikel van deze regeling worden gehonoreerd. Artikel 3a:0:2:2 Inhoud en hoogte Nader te bepalen. Artikel 3a:0:2:3 Beëindiging De toelage wordt ingetrokken indien de gronden waarop deze werd toegekend niet meer aanwezig zijn. De medewerker die op eigen verzoek of door eigen schuld of toedoen niet langer belast wordt met de in het vorige artikel genoemde functie of werkzaamheden verliest het recht op de toelage met ingang van de dag van beëindiging van bedoelde werkzaamheden. Het college kan toegekende toelagen intrekken indien het college de medewerker niet langer geschikt acht om de hem opgedragen werkzaamheden naar behoren uit te voeren, dan wel om andere redenen in het belang van de dienst. Aan de medewerker die wegens ziekte verhinderd is de in artikel 3a:0:2:2 genoemde werkzaamheden te verrichten wordt de toelage doorbetaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:3 van deze regeling. De medewerker die anders dan op eigen verzoek zonder dat hem daaromtrent enig verwijt kan worden gemaakt niet langer met werkzaamheden onder artikel 3a:0:2:2 wordt belast, ontvangt een aflopende toelage volgens de artikelen 3a:0:4:1 tot en met 3a:0:4:3 van deze regeling, indien de blijvende vermindering ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage en; hij de toelage gedurende tenminste 2 jaren direct voorafgaande aan de vermindering zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Artikel 3a:0:2:4 Overgangsbepaling Medewerkers die thans in het genot zijn van een functionele toelage en niet vallen onder artikel 3a:0:2:2 behouden de hun toegekende vergoeding of toelage indien en zolang de reden voor toekenning blijft voortbestaan. Overige persoonlijke toelagen worden geacht te zijn toegekend op grond van artikel 3a:0:1:17 van deze regeling. De artikelen 3a:0:2:1 tot en met 3a:0:2:4 kunnen worden aangehaald als Regeling toelage bijzondere werkzaamheden. Artikel 3a:0:3:1 Algemeen Het college, of het hoofd van dienst naar door het college te stellen regels, kunnen aan medewerkers een vergoeding toekennen, niet behorend tot de bezoldiging, voor de in het volgende artikel genoemde functies of werkzaamheden. Deze vergoeding wordt, behalve bij tijdelijke vervanging schriftelijk toegekend en ook ingetrokken. De vergoeding wordt niet uitgekeerd indien en voor zover de werkzaamheden reeds krachtens enig artikel van deze regeling worden gehonoreerd. Artikel 3a:0:3:2 Inhoud en hoogte Zie ook circulaire nr. 012 en 023. Aan de medewerker belast met (de functie van): wordt een vergoeding toegekend ter grootte van: a. bedrijfszelfbeschermingstaken, met inbegrip van oefeningen, vallende buiten de normale werktijden de overeenkomstige rijksregeling voor het bezit van een EHBO-diploma b. (vervallen) c. ambtenaar burgerlijke stand belast met het sluiten van huwelijken € 70,-- netto per jaar d. (vervallen) e. (vervallen) f. 1. het opgraven en ontkisten van lijken voor herbegraving of gerechtelijk onderzoek en daarmee gelijk te stellen werkzaamheden 2% van schaal 2, periodiek P3 van bijlage IIb van deze regeling per graf per groep daarvoor aangewezen medewerkers 2. het delven van een graf op een reeds geruimd vak 0,5% van schaal 2, periodiek P3 van bijlage IIb van deze regeling per keer per groep daarvoor aangewezen medewerkers 3. het schouwen door hoofdtuinlieden van stoffelijke resten die het karakter dragen van een opgraving als bedoeld onder 1 idem als 2 per keer Artikel 3a:0:3:3 Beëindiging De vergoeding wordt ingetrokken indien de gronden waarop deze werd toegekend niet meer aanwezig zijn. De medewerker die op eigen verzoek of door eigen schuld of toedoen niet langer belast wordt met de in het vorige artikel genoemde functie of werkzaamheden verliest het recht op de vergoeding met ingang van de dag van beëindiging van bedoelde werkzaamheden. Het college kan een toegekende vergoeding intrekken indien het college de medewerker niet langer geschikt acht om de hem opgedragen werkzaamheden naar behoren uit te voeren, dan wel om andere redenen in het belang van de dienst. De medewerker die anders dan op eigen verzoek en zonder dat hem daaromtrent enig verwijt kan worden gemaakt niet langer belast wordt met de werkzaamheden genoemd in het vorige artikel, ontvangt een aflopende toelage volgens de de artikelen 3a:0:4:1 tot en met 3a:0:4:3 van deze regeling indien de salarisvermindering tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de vergoeding bedoeld in het vorige artikel en; indien de ambtenaar de vergoeding gedurende de laatste 10 maanden zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Onder wezenlijke onderbreking wordt verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden. Artikel 3a:0:4:1 Afbouw toelagen In daartoe aangewezen gevallen kan een medewerker een aflopende toelage worden toegekend tot een percentage en voor een aantal maanden als hieronder aangegeven: Aantal jaren werkzaamheden verricht hoogte toelagen in % van laatstgenoten bedrag aan toelage 2 jaar en minder 2 - 5 jaar 5 - 10 jaar 10 - 15 jaar 15 - 20 jaar 20 - 25 jaar 25 jaar en meer tijdsduur en percentage voor aflopende toelage per maand 1 2 4 6 9 12 15 80 % 1 2 4 6 9 12 15 60 % 1 2 4 6 9 12 15 40 % 1 2 4 6 9 12 15 20 % Als berekeningsbasis van deze regeling geldt de gemiddelde toelage welke over de laatste drie maanden voorafgaande aan de datum van beëindiging van de toelage werd genoten. Artikel 3a:0:4:2 Afbouw toelagen In afwijking van het bepaalde in het vorige artikel wordt aan de medewerker die de 60-jarige leeftijd heeft of zal hebben bereikt de oorspronkelijke toelage gehandhaafd tot de datum van ontslag indien betrokkene de oorspronkelijk toelage gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Wanneer tijdens de duur van de aflopende toelage de medewerker de 60-jarige leeftijd bereikt en hij onmiddellijk voorafgaande aan deze toelage gedurende tenminste 10 jaren de oorspronkelijke toelage heeft genoten, wordt de toelage gehandhaafd op het dan geldende percentage tot de datum van ontslag. De helft van de oorspronkelijke toelage wordt gehandhaafd tot de datum van ontslag, indien de oorspronkelijke toelage tenminste 10 jaren is genoten en de som van leeftijd en toelagejaren tenminste 65 bedraagt. Artikel 3a:0:4:3 Afbouw toelagen Indien de medewerker een functie gaat vervullen waaraan een hoger salaris is verbonden, wordt de aflopende toelage verminderd met het bedrag van de salarisverhoging. Hetzelfde geldt wanneer de medewerker weer incidenteel een vergoeding ontvangt voor werkzaamheden waarvoor de oorspronkelijke toelage werd toegekend. Artikel 3a:0:5:1 Begripsomschrijvingen Zie ook circulaire nr. 008. Voor de toepassing van de artikel 3a:0:5:2 wordt verstaan onder: medewerker: de ambtenaar, bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder a, van deze regeling; leiding geven: het begeleiden van één of meer medewerkers in hun werkzaamheden en het dragen van de verantwoordelijkheid voor het resultaat van die werkzaamheden. Artikel 3a:0:5:2 Overwerk De medewerker, wiens functie is ingedeeld in salarisschaal 10 of hoger, heeft geen aanspraak op vergoeding voor verricht overwerk. Evenmin komt voor overwerkvergoeding in aanmerking de leidinggevende medewerker die zelf namens het hoofd van dienst de opdracht tot het verrichten van overwerk heeft gegeven, dan wel op wiens advies daartoe is besloten. Artikel 3a:0:6:1 Begripsomschrijvingen In artikel 3a:0:6:2 wordt verstaan onder: ziekte: ziekte in de zin van hoofdstuk 7 van deze regeling voor zover deze langer duurt dan 5 aaneengesloten werkdagen; medewerker: de medewerker die gedurende ten minste twee jaren voorafgaande aan het intreden van zijn ziekte regelmatig heeft overgewerkt en daarvoor gemeten over die periode gemiddeld ten minste 5% van zijn salaris aan overwerkvergoeding heeft genoten. Voorzover de betrokken medewerker korter dan twee jaren in dienst is, geldt de periode vanaf de indiensttreding indien bij de indiensttreding vaststond dat het regelmatig verrichten van een aanzienlijke hoeveelheid overwerk inherent was aan de functie; toelage: een toelage in de zin van artikel 3a:0:1:13 van deze regeling. Artikel 3a:0:6:2 Toekenning en hoogte van de toelage Aan de medewerker, die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, wordt vanaf de dag waarop de verhindering is ontstaan een toelage toegekend. De toelage bedraagt 80% van de gemiddeld genoten overwerkvergoeding in het laatste jaar voorafgaande aan de verhindering. Artikel 3a:0:7:1 Begripsomschrijvingen In artikel 3a:0:7:2 wordt verstaan onder: medewerker: de medewerker die gedurende ten minste twee jaren in een aanzienlijke mate overwerk heeft verricht en die anders dan op eigen verzoek niet meer belast wordt met het verrichten van overwerk; onder "anders dan op eigen verzoek" dient te worden begrepen: de beëindiging van overwerk bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd of op advies van de ARBO-dienst, dan wel ten gevolge van overplaatsing in de zin van hoofdstuk 20 van deze regeling; derven van overwerkvergoeding: door een medewerker derven van een overwerkvergoeding van gemiddeld ten minste 5% van zijn salaris gemeten over de twee jaren voorafgaande aan het niet meer belast worden met overwerk; laatstgenoten overwerkvergoeding: de gemiddeld genoten overwerkvergoeding in het laatste jaar voorafgaande aan het niet meer belast worden met overwerk; toelage: een toelage in de zin van artikel 3a:0:1:13 van deze regeling. Artikel 3a:0:7:2 Toekenning en hoogte van de toelage Wegens derven van overwerkvergoeding wordt de medewerker een toelage toegekend gedurende een periode en tot een percentage als hieronder aangegeven: aantal jaren waarin in een aanzienlijke mate overwerk is verricht toelagen in % van de laatstgenoten overwerkvergoeding 2-5 jaar 5 - 10 jaar 10 - 15 jaar 15 - 20 jaar 20 - 25 jaar 25 jaar en meer tijdsduur en percentage voor aflopende toelage per maand 2 4 6 9 12 15 80 % 2 4 6 9 12 15 60 % 2 4 6 9 12 15 40 % 2 4 6 9 12 15 20 % Bijlage A bij Bezoldigingsregeling Salarisschalen verbonden aan de functies van secretaris en hoofden van dienst (artikel 3a:0:1:4, vierde lid). Secretaris/Algemeen directeur schaal 18 Directeur Dienst Stedelijke Ontwikkeling en Beheer schaal 17 Directeur Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling schaal 17 Directeur Dienst voor de Complementaire Werkgelegenheid schaal 17 Directeur Dienstverlening voor Publiek en Gemeentelijke Organisatie schaal 17 Commandant Brandweer schaal 16 Bijlage B bij Bezoldigingsregeling Betrekkingen waarvoor een vast bedrag geldt (artikel 3a:0:1:4, vijfde lid). Op dit moment is hiervoor niets vastgesteld. Bijlage C bij Bezoldigingsregeling De beloning van de schoonmakers van de gymlokalen is opgebouwd uit een basisdeel en een deel dat heet "verenigingstoelage" (toelage afhankelijk van de intensiteit van het gebruik van het gymlokaal door verenigingen e.a.). De beloning wordt als volgt vastgesteld: maandsalaris: 40,5 x het uurloon behorend bij loongroep 2 met 0 functiejaren van de CAO schoonmaak- en glazenwassersbedrijf; "verenigingstoelage": genoemd uurloon x 0,325 x gebruiksfactor. De gebruiksfactor is afhankelijk van de intensiteit van het gebruik van de gymlokalen en is als volgt opgebouwd: aantal gebruiksuren per dag factor 1 19 2 26 3 31 4 36 5 41 6 46 7 51 8 56 9 61 10 66 11 71 12 76 13 81 14 86 15 91 Algemeen Wijziging van de Bezoldigingsverordening 1992 werd in 2007 noodzakelijk door het nieuwe systeem van resultaatgericht en –afhankelijke beloning, dat met ingang van 1 oktober 2007 in werking is getreden. De belangrijkste verandering betrof de overstap naar LOGA-schalen, waarbij de numerieke periodieken overeenkomen met de LOGA-salaristabel. De zogenaamde aanloopperiodieken zijn komen te vervallen. Daarnaast zijn bovenop de basisstructuur prestatieperiodieken geplaatst, geletterd P1 tot en met P4. De meeste bedragen, inclusief de prestatieperiodieken, komen met invoering van de nieuwe structuur dus exact overeen met de bedragen genoemd in de LOGA-salaristabel. De bedragen behorende bij de prestatieperiodiek P4 in schaal 17 en de prestatieperiodieken P1 tot en met P4 in schaal 18 worden aangepast conform de landelijk overeengekomen procentuele salarisverhogingen. Voor een overzicht is een referentietabel opgesteld.Schaal 1 kent geen prestatieperiodieken. Dit is de schaal die wordt gehanteerd voor leer-/werkplekken e.d. In de regel zullen dit bovenformatieve plaatsingen zijn. Hierbij kan sprake zijn van een voorgeschreven maximale salarisdoorloop. In verband met het overgangsrecht zijn er twee ontwikkelingslijnen in de salarisschalen waar te nemen, namelijk de ontwikkelingslijn op grond van bijlage IIb en de ontwikkelingslijn op basis van bijlage IIc. Kortgezegd houdt het verschil in, dat iedereen die valt onder het overgangsrecht de ontwikkelingslijn op grond van bijlage IIc volgt, mits is voldaan aan de toekenningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 3a:0:1:6. Degene die geen aanspraken op grond van het overgangsrecht kan maken, volgt de ontwikkelingslijn op grond van bijlage IIb, mits is voldaan aan de toekenningsvoorwaarden neergelegd in artikel 3a:0:1:6. Daarnaast is er nog een bijlage IId, die rechten geeft aan medewerkers die op of voor 1 april 1996 reeds in dienst waren en die op dat moment in aanmerking kwamen voor een toelage als bedoeld in artikel 3a:0:1:19. Artikel 3a:0:1:1 De begripsomschrijvingen zijn op verschillende punten aangepast. Als nieuwe begrippen zijn toegevoegd bijlage IIb en bijlage IIc en bijlage IId. In de begripsomschrijving staan nog genoemd de begrippen bijlage II en IIa. Deze begrippen komen terug in onder meer artikel 3:1. Hiermee worden de salaristabellen die zijn vastgesteld door het LOGA bedoeld. Dit betreft een CAR-artikel waarvan niet kan worden afgeweken. In de praktijk worden deze salaristabellen in Enschede niet in dezelfde vorm gehanteerd. De salaristabel als bedoeld in bijlage IIb komt overeen met de salaristabel als bedoeld in bijlage IIa, met dien verstande dat de salaristabel als bedoeld in bijlage IIb is uitgebreid met prestatieperiodieken. Artikel 3a:0:1:2 Is ongewijzigd overgenomen. Artikel 3a:0:1:3 Aan het oude artikel is een nieuw eerste lid toegevoegd inzake de wijze van betaling van de bezoldiging. Artikel 3a:0:1:4 Het artikel geeft in de huidige vorm in eerste instantie aan wat de normale wijze van inschaling van een functie is: via het elders te regelen functiewaarderingssysteem (eerste lid) worden de functies gerangordend en vervolgens middels conversie ingedeeld in schalen (tweede lid). Het artikel geldt niet voor functies waarvoor de salarisschaal bij wet is vastgesteld (met name de functie van gemeentesecretaris). De schalen zijn uitgewerkt in de bijlagen IIb, IIc en IId bij de regeling (derde lid). In afwijking van het normale systeem heeft het college de mogelijkheid om in bijzondere gevallen te besluiten dat een functie niet wordt ingeschaald, maar met een vast bedrag wordt gehonoreerd (vijfde lid), welke functies in bijlage B en C zijn opgenomen. Artikel 3a:0:1:5 Dit is gedeeltelijk een nieuw artikel 5. Bij dit artikel gaat het om de eerste inpassing in de salarisschaal, dus op het moment van de aanstelling. Van aanstelling moet in dit kader de benoeming worden onderscheiden. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de (reeds aangestelde) medewerker in een andere functie wordt geplaatst. In dat geval volgt een benoemingsbesluit met een inpassing in de bij de functie behorende salarisschaal. Bij aanstelling wordt de nieuwe medewerker in principe ingepast in periodiek 0 van de bij zijn functie behorende salarisschaal. Afhankelijk van de gemaakte afspraken bij de indiensttreding kan hiervan worden afgeweken. Het artikel biedt in lid 3 ook de mogelijkheid de medewerker tijdelijk in een schaal voorafgaand aan de bij de functie behorende schaal in te delen. Het gaat daarbij om medewerkers, die nog niet voldoen aan de voor de functie benodigde eisen en competenties. Uiteraard bestaat de verwachting, dat men dit binnen afzienbare tijd wel zal doen en de bedoeling is dan ook dat er duidelijk afspraken worden gemaakt over de ontwikkel- cq inwerkperiode. Voor nieuwe medewerkers zal deze periode zich beperken tot een periode van ruim anderhalf jaar; indien het gaat om interne mobiliteit is de periode gekoppeld aan het afgesproken ontwikkeltraject. Dit kan in de praktijk betekenen dat bijvoorbeeld een nieuwe medewerker die in het begin van een jaar in dienst treedt, het jaar daarop wel aan de functie-eisen voldoet, maar pas bij de volgende beoordelingsronde per 1 januari van het daarop volgende jaar wordt ingepast in de bij de functie behorende salarisschaal. Voldoet iemand daarna (nog) niet, dan is eventueel verlenging van de termijn mogelijk afhankelijk van een eventuele stijgende lijn of zullen trajecten gestart moeten worden zoals plaatsing in een andere functie of in een andere schaal dan die bij de functie hoort of een traject leidend tot beëindiging van het dienstverband. De hoofdregel is, dat medewerkers doorstromen naar de bij hun functie behorende functieschaal, tenzij er sprake is van onvoldoende ontwikkeling. Artikel 3a:0:1:6 In dit artikel zijn de consequenties van het beoordelings- en beloningsbeleid uitgewerkt; het vormt de kern van de nieuwe beloningssystematiek. Uitgangspunt is de koppeling van de beloning aan het functioneren van de ambtenaar, blijkend uit zijn beoordeling. De beoordeling vindt in beginsel eenmaal per jaar plaats, hetgeen leidt tot een jaarlijks besluit inzake de hoogte van het salaris. Uit praktische overwegingen maar ook gelet op de decentralisatie van de personeelskostenbudgetten en op de bevoegdheid inzake beoordeling (die aan de lijn is toegekend), dient die jaarlijkse vaststelling van het salaris aan het diensthoofd te worden gemandateerd. Voor een uitgebreide toelichting op het bepaalde in het tweede lid zij hier ter bekorting verwezen naar de nota " Resultaatgericht en –afhankelijk beloningsbeleid" (van 2007). Voor het overige kan hier worden volstaan met enkele nadere opmerkingen. Uitgangspunt is, dat een periodiek alleen wordt toegekend, wanneer de medewerker minimaal ‘goed’ heeft gepresteerd. Met andere woorden, de periodiek moet altijd worden verdiend. Medewerkers die onvoldoende of matig presteren, worden direct geconfronteerd met een salarisstilstand. Het mag duidelijk zijn dat salarisstilstand in feite slechts incidenteel als reactie op onvoldoende of matig functioneren kan worden gesteld. Bij structureel onvoldoende of matig functioneren zullen andere maatregelen moeten worden getroffen (denk bijvoorbeeld aan overplaatsing, ontslag wegens ongeschiktheid of plaatsing in een geschikte andere functie met aangepaste beloning). In het kader van deze toelichting wordt daarop echter niet nader ingegaan. Zolang men het numerieke maximum niet heeft bereikt, wordt het salaris met een periodiek verhoogd. Sub c - eindoordeel “zeer goed”of “uitmuntend” en nog niet op het numerieke maximum:Het bepaalde sub c van het tweede lid biedt de mogelijkheid tot extra beloning bij beoordelingen met als eindresultaat "zeer goed" of “uitmuntend”. Uitgangspunt is, dat zolang nog niet het numerieke maximum van de voor de functie geldende schaal is bereikt, een eindoordeel “zeer goed” of “uitmuntend” altijd leidt tot in ieder geval een verhoging met één periodiek conform lid b. Daarnaast kan een leidinggevende kiezen voor een incidentele beloning overeenkomstig het bepaalde in artikel 3a:0:1:9. Echter, wanneer het eindoordeel berust op een ontwikkeling op inhoud en competenties van de functie, kan de leidinggevende in plaats van een incidentele beloning ook kiezen voor een structurele beloning in de vorm van één of twee extra periodieken, echter tot en met maximaal het numerieke maximum. Als door de toekenning van die periodieken het numerieke maximum van de schaal nog niet is bereikt, is op dit punt grote vrijheid aan de dienstleiding gelaten. Bij het vaststellen van de daadwerkelijke beloning zal in ieder geval een rol moeten spelen in welke mate en gedurende welke periode de beoordeling boven "goed" uitgaat, maar ook andere omstandigheden kunnen wellicht nog van invloed zijn. Ook moet duidelijk worden aangegeven op grond van welke ontwikkelingen men tot het eindoordeel boven “goed” is gekomen. De grote vrijheid impliceert wel dat het besluit goed gemotiveerd moet zijn, en ook moet terdege rekening worden gehouden met de onderlinge verhouding van de besluiten: gelijke gevallen verdienen een gelijke behandeling; als de leiding van mening is dat gevallen niet gelijk zijn moet zij ook kunnen aangeven waarom dat zo is. Gezien de uiteindelijke mogelijkheid van beroep op de Arrondissementsrechtbank (Sector Bestuursrecht) dienen de besluiten aan kwalitatief hoge eisen te voldoen. Sub d - eindoordeel “zeer goed” of “uitmuntend” en al wel het numerieke maximum bereikt, P1 en P2:In sub d wordt bepaald, dat men bij inschaling op het numerieke maximum van de schaal, alleen een prestatieperiodiek kan verkrijgen, wanneer men het eindoordeel “zeer goed” of “uitmuntend” heeft gekregen en daarbij door zowel de leidinggevende als de directeur is aangegeven, dat de betrokken medewerker een zichtbare meerwaarde heeft bijgedragen aan de doelen van het betreffende organisatieonderdeel. Men verkrijgt dan structureel een letterperiodiek, P1 of P2. Het is niet mogelijk om meerdere letterperiodieken tegelijkertijd te verkrijgen. Sub e - eindoordeel ‘zeer goed’ of ‘uitmuntend’ en mogelijkheid voor P3 en P4:In sub f wordt geregeld dat de laatste twee periodieken, P3 en P4 alleen kunnen worden toegekend, wanneer men naast ‘zeer goed’ of ‘uitmuntend’ ook nog een belangrijke voorbeeldfunctie vervult in de kerncompetenties van de organisatie. Hierbij moet worden gedacht aan competenties die passen in de enschedese manier van werken, innovatief vermogen en samenwerking. Het gaat hier altijd om toekenning voor de duur van één jaar.De concrete mogelijkheden voor extra beloning, zowel van incidentele als van structurele aard, zijn uitgewerkt in artikel 3a:0:1:9. Artikel 3a:0:1:8 Is het oude artikel 13. Artikel 3a:0:1:9 Hier staan de mogelijkheden opgesomd die ter beschikking staan om de ambtenaar, die meer dan "goed" functioneert, te belonen. In de eerste plaats betreft het incidenteel toe te kennen beloningen, waarvoor de basis is te vinden in artikel 15:1:28 van deze regeling. Een dergelijke beloning hoeft niet per se aan het jaarlijkse salarisbesluit te worden gekoppeld en hoeft ook niet te berusten op de formele beoordeling van de ambtenaar. Een incidentele beloning kan dus tussentijds worden toegekend: een bijzondere prestatie moet direct kunnen worden beloond. Bij koppeling aan de beoordeling is de incidentele beloning vooral een geschikt middel als men zich nog geen beeld heeft kunnen vormen van het structureel functioneren van de betrokken medewerker.De meest voor de hand liggende vorm van incidentele beloning is de gratificatie in de vorm van kleine geldbedragen, maar verschillende andere mogelijkheden zijn denkbaar: (buitengewoon) verlof, studiefaciliteiten, een geschenkbon, een uitstapje of een extra bijdrage in de levensloopregeling. Een en ander hangt vanzelfsprekend af van de te belonen prestatie, de medewerker en de fantasie van de betrokken leidinggevende. Naar aanleiding van de beoordelingsprocedure kan het college een nadere regeling treffen inzake incidentele beloningen, waarbij met name moet worden gedacht aan het stellen van financiële grenzen. Als uitgangspunt geldt hierbij, dat gratificaties in de vorm van geld (niet zijnde waardebonnen) minimaal een brutobedrag van 1% en maximaal 5% van het brutojaarsalaris bedragen. Het is mogelijk om hier ten gunste van de medewerker van af te wijken, mits daartoe in een afzonderlijk besluit door het college is besloten. Deze bevoegdheid is gemandateerd aan de gemeentesecretaris/algemeen directeur. Structurele bijzondere beloningen in de vorm van één of twee extra periodieken kunnen slechts plaatsvinden op grond van de (formele) beoordeling en moeten altijd worden gekoppeld aan het jaarlijkse salarisbesluit (vierde en vijfde lid van het artikel). Op deze wijze kunnen medewerkers die meer dan "goed" functioneren, sneller groeien in hun functieschaal. Voor de duidelijkheid wordt hier opgemerkt, dat het moet gaan om medewerkers die nog niet het numerieke maximum van de bij hun functie behorende schaal hebben bereikt. Medewerkers die in de prestatieperiodieken P1 tot en met P3 zijn ingedeeld, kunnen alleen naar een volgende prestatieperiodiek als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Medewerkers ingedeeld in de prestatieperiodiek P4, hebben in het geheel geen recht op een structurele extra beloning in de vorm van een of twee periodieken, omdat het aantal prestatieperiodieken beperkt is tot vier. Incidentele beloningen kunnen uiteraard wel worden toegekend volgens de daarvoor geldende voorwaarden. Artikel 3a:0:1:10 De arbeidsmarkttoelage was tot nu toe slechts in een nota geregeld (nota van burgemeester en wethouders aan de diensthoofden d.d. 06-01-88 nr. 93480 p&o/plf). Het leek juist om hieraan in deze regeling een formele basis te geven, hetgeen is geschied in het nieuwe artikel 3a:0:1:10. Voor de hoogte en de duur van de toelage is, overeenkomstig de bestaande praktijk, aansluiting gezocht bij het bepaalde in het tweede lid van het oude artikel 12. Artikel 3a:0:1:11 Is het oude artikel 14. De berekeningsbasis is thans, mede in verband met de verandering van de salarisschalen, aangegeven met het betreffende schaalnummer en de stap in de schaal. Artikel 3a:0:1:12 Is het oude artikel 15. Artikel 3a:0:1:13 Is het oude artikel 16, met dien verstande dat de indeling van het artikel enigszins is gewijzigd en dat de afbouw van de toelage (zesde lid van het oude artikel 16) thans in een apart artikel (artikel 14 nieuw) is ondergebracht. Artikel 3a:0:1:14 Zie de toelichting bij artikel 3a:0:1:13. Uit systematisch oogpunt leek het juister om de afbouwregeling in een apart artikel op te nemen, evenals dat bij de toelage onregelmatige werktijden het geval is. Het tweede en derde lid van het artikel komen overeen met het vierde en vijfde lid van artikel 3a:0:1:12 inzake de afbouw van de toelage onregelmatige werktijden. Artikel 3a:0:1:15 Het eerste lid is het oude artikel 19. Het tweede lid is een nieuwe bepaling waarmee een formele basis wordt gegeven aan een in de praktijk al lange tijd voorkomende figuur, bijvoorbeeld bij de regeling kinderopvang. Artikel 3a:0:1:16 Is het oude artikel 20. Artikel 3a:0:1:17 Is een algeheel vangnet-artikel en treedt als zodanig in de plaats van de oude artikelen 17 en 21. Het oude artikel 18 is als een overbodige bepaling niet meer in de nieuwe verordening opgenomen. Artikel 3a:0:1:18 In dit artikel zijn rechten opgenomen die zijn toegekend naar aanleiding van de invoering van een gewijzigd systeem naar aanleiding van de nota beoordelen en belonen in 1992. Per 1 januari 1992 zijn de schalen verlengd met extra periodieken. Artikel 3a:0:1:19 De in dit artikel opgenomen garantiebepaling is in april 1996 tussengevoegd in verband met een structurele herziening van de salarisstructuur als onderdeel van het arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997. Artikel 3a:0:1:20 Door inpassing in de nieuwe schaal overeenkomstig de nieuwe salarisstructuur kan het voor de op 30 september 2007 reeds in dienst zijnde medewerkers tot resultaat hebben dat ze er in salarisperspectief op achteruit gaan. Voor die gevallen is er overgangsrecht in het leven geroepen. Dit overgangsrecht is drieledig. Ten eerste de situatie in lid 1, waarin de medewerker op 30 september 2007 in dienst is. Voor deze medewerker geldt, dat hij zijn salarisperspectief blijft houden, dat op 30 september 2007 voor hem geldt als dat gunstiger voor hem is. Dat betekent het salarisperspectief als bedoeld in de ontwikkelingslijn als bedoeld in de bijlage IIc. Deze ontwikkelingslijn betreft de ‘oude’ salarisdoorloop geldend voor 1 oktober 2007: bij een beoordeling van ‘goed’ of hoger een jaarlijkse toekenning van tenminste één periodiek tot en met de periodiek in de nieuwe salaristabel die overeenkomt met de hoogste numerieke periodiek van de huidige schaal. Verdere doorloop in de nieuwe schaal is mogelijk tot en met de periodiek die overeenkomt met de Pd-periodiek in de schaal als bedoeld in bijlage IIc. Het overgangsrecht geldt onbeperkt in duur, tenzij er sprake is van promotie naar een functie waarvoor een andere (lees: hogere) salarisschaal is vastgesteld. Opgemerkt wordt, dat de beoordelingstoets als neergelegd in het (nieuwe) artikel 3a:0:1:6 onverkort op deze groep medewerkers van toepassing is. Dit betekent, dat medewerkers die zijn ingepast volgens bijlage IIc volgens de spelregels van artikel 3a:0:1:6 kunnen doorgroeien naar de prestatieperiodieken Pa tot en met Pd. De tweede situatie (lid 2) betreft die van de medewerker die op 30 september 2007 in dienst is en die op of voor 31 december 2010 wordt ingepast in een functie, waarvoor een hogere schaal geldt, ongeacht de reden van plaatsing in de hogere salarisschaal. Ook die medewerker verkrijgt het salarisperspectief op grond van de ontwikkelingslijn als bedoeld in bijlage IIc (het overgangsrecht), dat voor hem geldt op 30 september 2007, als dat gunstiger voor hem is dan het salarisperspectief op grond van de ontwikkelingslijn als bedoeld in bijlage IIb. Als de plaatsing in een functie met een hogere salarisschaal plaatsvindt op of voor 31 december 2010, is het overgangsrecht van onbeperkte duur. Maar zodra deze medewerker op of na 1 januari 2011 een andere functie met een hogere salarisschaal gaat vervullen, vervallen alle garanties op basis van het overgangsrecht. Op deze medewerker wordt de structuur op basis van de ontwikkelingslijn als bedoeld in bijlage IIb van toepassing. Ook op deze groep medewerkers is de beoordelingstoets als neergelegd in het (nieuwe) artikel 3a:0:1:6 onverkort van toepassing. Ook hier betekent dit, dat medewerkers die zijn ingepast volgens bijlage IIc volgens de spelregels van artikel 3a:0:1:6, kunnen doorgroeien naar de prestatieperiodieken Pa tot en met Pd. De derde situatie (lid 3) ziet op die van de functiegroepen waarvoor op 30 september 2007 een ontwikkeltraject is vastgesteld. Dit ontwikkeltraject moet op 30 september 2007 centraal zijn vastgesteld en voor de individuele medewerker schriftelijk zijn vastgelegd. Te denken valt bijvoorbeeld aan de functiegroepen van brandwacht en bijstandsconsulent. Als de medewerker in de bedoelde groepen in het kader van zijn ontwikkeltraject in de periode tot en met 1 januari 2013 doorstroomt naar een hogere salarisschaal, blijft het overgangsrecht van toepassing. Dit ongeacht het aantal plaatsingen in een hogere schaal. De plaatsing moet dan wel uiterlijk 1 januari 2013 zijn geëffectueerd. Als de plaatsing in een hogere schaal in het kader van een bedoeld groepsontwikkeltraject in werking treedt op 2 januari 2013 of later, komen de garanties op basis van het overgangsrecht te vervallen. Ook op deze groep medewerkers is de beoordelingstoets als neergelegd in het (nieuwe) artikel 3a:0:1:6 onverkort van toepassing. Ook hier betekent dit, dat medewerkers die zijn ingepast volgens bijlage IIc volgens de spelregels van artikel 3a:0:1:6, kunnen doorgroeien naar de prestatieperiodieken Pa tot en met Pd. Terzijde wordt nog opgemerkt, dat het moet gaan om plaatsingen in een functie met een hogere salarisschaal. Als het gaat om plaatsingen in een lagere schaal (denk aan herplaatsing in geval van ziekte), dienen de leidinggevende en de medewerker nadere afspraken te maken. Deze afspraken kunnen dan ook het overgangsrecht betreffen. In het vierde lid is bepaald, dat het overgangsrecht niet geldt als de nieuwe per 1 oktober 2007 in werking getreden structuur leidt tot een beter of vergelijkbaar perspectief dan het op 30 september 2007 voor de ambtenaar geldende salarisperspectief. In dat geval wordt de medewerker direct- dus zonder toepassing van het overgangsrecht- ingepast volgens de nieuwe salarisstructuur. In het vijfde lid is neergelegd dat de medewerker er bij inpassing in een hogere salarisschaal altijd op vooruit moet kunnen gaan. Als het tegendeel waar blijkt te zijn, kunnen hierover tussen de leidinggevende en de medewerker nadere afspraken worden gemaakt. Te denken valt bijvoorbeeld aan toekenning van een (persoonlijke) toelage. Artikel 3a:0:1: 21 Bij de salarisinpassing naar de nieuwe structuur zal het bestuursorgaan de medewerkers ook moeten inlichten over het al dan niet van toepassing zijnde overgangsrecht. Als een medewerker meent ten onrechte niet te vallen onder het overgangsrecht, of meent dat het overgangsrecht niet juist wordt toegepast, kan hij het College schriftelijk verzoeken om herziening van dat besluit. Bij de inpassing in oktober 2007 is uit praktische overwegingen gekozen voor een termijn van twee weken voor het indienen van een verzoek tot herziening. Aangezien de bevoegdheid tot het herzien van de beslissing (bedoeld in artikel 3a:0:1:21, lid 1) is gemandateerd aan het diensthoofd, zal in de praktijk het diensthoofd een gemotiveerd besluit nemen. Als deze beslissing niet of nauwelijks verschilt van het oorspronkelijke besluit, kan de medewerker de toetsingscommissie overgangsrecht om uitsluitsel vragen. Deze commissie spreekt zich alleen uit over de vraag of het overgangsrecht in een individuele situatie van toepassing is of niet. Het advies is bindend; de bevoegdheid tot het treffen van het definitieve besluit is gemandateerd aan de functionele wethouder. Als de medewerker zich niet kan verenigen met het het uiteindelijke besluit (en dus impliciet ook het advies), staat de weg tot bezwaar bij de Commissie bezwaarschriften en vervolgens beroep bij de rechtbank open. De toetsingscommissie overgangsrecht wordt ingesteld door het College. Het College benoemt de leden van de toetsingscommissie en stelt het reglement vast. In dit reglement zijn onder meer bepalingen opgenomen over de samenstelling en de werkwijze van de toetsingscommissie. Op schriftelijk voorstel van de toetsingscommissie kan het reglement door het College worden gewijzigd. artikel 3a:0:6:1 en 3a:0:6:2 Voor de definitie van ziekte wordt aansluiting gezocht bij het formele begrip zoals dat in hoofdstuk 7 van deze regeling gestalte krijgt. De periode van twee jaar in artikel 3a:0:6:1 onder b en het percentage van 80 in artikel 3a:0:6:2 lopen parallel met de afbouwregeling van structurele overwerkvergoedingen. Het gemiddelde van een jaar in artikel 3a:0:6:2, tweede lid, is bedoeld om pieken, seizoeninvloeden en dergelijke te vereffenen. De medewerker komt eerst voor de toelage in aanmerking indien de ziekte langer dan 5 aaneengesloten werkdagen heeft geduurd. Met het meer dan 5 dagen afwezig zijn loopt de overwerkvergoeding terug tot beneden de norm van 80% in artikel 3a:0:6:2, lid 2.Bovendien wordt de regeling onuitvoerbaar als voor elk ziektegeval een toelage moet worden berekend. Artikel 3b:0:0:1 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ambtenaar: De ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 onder a EAR. College: Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Enschede. Directie: De directie als bedoeld in het Organisatiebesluit. Directeur: De directeur als bedoeld in het Organisatiebesluit. Directeurenberaad: Het directeurenberaad als bedoeld in het Organisatiebesluit. Bezwarencommissie: De commissie bezwaren functiewaardering zoals bedoeld in artikel 3b:0:0:8 van deze regeling. Generieke functiebeschrijving: De functiebeschrijving (een geselecteerde normbeschrijving en/of lokale beschrijving) die krachtens een algemeen verbindend voorschrift door het college als zodanig is vastgesteld voor één of meerdere gelijkwaardige functies. De functiebeschrijving vloeit logisch voort uit de organisatiestructuur en verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen de gemeente Enschede. De functiebeschrijving is een resultaatgerichte beschrijving van aard, overwegend karakter, niveau en complexiteit van taken. Normbeschrijving: Een functiebeschrijving zoals opgenomen in het normbestand van HR21. De normbeschrijving is voorzien van een vaste waardering (puntenaantal). Normbestand van HR21 Het totaal van alle normbeschrijvingen, zoals opgenomen in het functiewaarderingssysteem HR21. Lokale beschrijving: De volgens het format van HR21 lokaal gewijzigde normbeschrijving of toegevoegde (nieuwe) beschrijving. Functieboek: De verzameling van generieke functiebeschrijvingen. Functie: Het samenstel van feitelijke taken en/of werkzaamheden dat de ambtenaar op basis van een (generieke) functiebeschrijving dient uit te voeren. Functiewaardering: Het bepalen van de relatieve functiewaarde (uitgedrukt in punten) van een functiebeschrijving aan de hand van de in HR21 vastgelegde waarderingsmethode. Conversietabel: De tabel waarmee de punten van de waarderingen van alle generieke functiebeschrijvingen omgezet worden naar salarisschalen. Externe deskundige: Een door de systeemhouder (VNG) erkend deskundige inzake de ontwikkeling, toepassing en werking van HR21, niet werkzaam bij de gemeente Enschede. Gecertificeerde gebruiker: De volgens de normering van de extern deskundige opgeleide lokale gebruiker die geautoriseerd is om te werken met HR21. Artikel 3b:0:0:2 Vaststelling generieke functiebeschrijvingen De gecertificeerde gebruiker maakt voor elke functie een voorselectie uit het normbestand van HR 21. Indien de normbeschrijving voor de functie onvolledig is, dan wel een voor de functie dekkende normbeschrijving niet beschikbaar is, stelt hij een lokale beschrijving op. De directie, of in opdracht de directeuren, selecteert op basis hiervan in samenspraak met de gecertificeerde gebruiker per functie de normbeschrijving en/of lokale beschrijving. De geselecteerde normbeschrijving(
  2. en)en/of lokale beschrijving(en), wordt/worden besproken binnen het directeurenberaad en door of namens de directie voorlopig vastgesteld. De voorlopig vastgestelde functiebeschrijving(
  3. en)wordt/worden door de directie ter informatie aangeboden aan de ondernemingsraad (OR). Indien sprake is van een organisatiebrede functiebeschrijvingsronde, of indien sprake is van een organisatorische verandering zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 van de WOR, dan stelt de directie de OR in de gelegenheid advies uit te brengen over de voorgenomen selectie van de generieke functiebeschrijvingen (voorlopig functieboek). Met inachtneming van het bepaalde in lid 2 of 3, legt de directie de beschrijvingen als bedoeld in lid 2 dan wel het voorlopig functieboek ter vaststelling voor aan het college. Het college stelt de beschrijvingen als bedoeld in de lid 2 dan wel de functiebeschrijvingen opgenomen in het functieboek bij algemeen verbindend voorschrift vast. Artikel 3b:0:0:3 Wijziging generieke functiebeschrijvingen Bij wijziging van de structuur, taken of doelstellingen van de organisatie wordt, onder verantwoordelijkheid van het college, door of namens de directie bezien of het functieboek volledig en/of toereikend is. Het selecteren, wijzigen of opstellen van nieuwe generieke functiebeschrijvingen verloopt volgens de procedure als beschreven in artikel 3b:0:0:2. Een verzoek tot heroverweging van de bestaande generieke functiebeschrijvingen kan ook worden ingediend door de OR. Artikel 3b:0:0:4 Functiewaardering lokale functies In opdracht van het college stelt de gecertificeerde gebruiker, aan de hand van de in HR21 vastgelegde functiewaarderingsmethode, een waarderingsvoorstel op voor alle lokale beschrijvingen. De waarderingsvoorstellen worden ter toetsing aangeboden aan de externe deskundige. De waarderingsvoorstellen worden met inachtneming van het advies van de externe deskundige opgenomen in een eindadvies functiewaardering aan het college. Het waarderingsadvies bevat in ieder geval: Een motivering, gerubriceerd per invalshoek en dimensie, van de subscores en de totaalscore per lokale beschrijving; Een overzicht van de functiewaarderingsresultaten van alle lokale beschrijvingen; Een totaaloverzicht van de functiewaarderingsresultaten van alle generieke functiebeschrijvingen. Het college stelt de waarderingen vast met inachtneming van het eindadvies functiewaardering. Afwijking van het advies kan slechts plaatsvinden op basis van zwaarwegende argumenten. Het college stelt de waarderingen van de lokale beschrijvingen bij algemeen verbindend voorschrift vast. Artikel 3b:0:0:5 Conversietabel Het college stelt op basis van de vastgestelde gemeentelijke salarisstructuur een conversietabel vast, na verkregen overeenstemming binnen de commissie voor Georganiseerd Overleg. Onder toepassing van de vastgestelde conversietabel worden de waarderingen van alle geselecteerde normbeschrijvingen en lokale beschrijvingen omgezet naar salarisschalen. Artikel 3b:0:0:6 Voorbereiding indelingsadvies, indelingsbesluit, bezwaar en beroep De gecertificeerde gebruikers adviseren de directie over de indeling van de functies in generieke functiebeschrijvingen. De directie neemt, gehoord het directeurenberaad, een voorlopig besluit over de indelingen in de generieke functiebeschrijvingen met inachtneming van de adviezen van de gecertificeerde gebruikers. Afwijking van het advies kan slechts plaatsvinden op basis van zwaarwegende argumenten. De directie maakt aan de ambtenaar schriftelijk bekend welke generieke functiebeschrijving zij voornemens is op de functie van toepassing te verklaren (indelingsbesluit). In het voorgenomen indelingsbesluit zijn tevens de gevolgen opgenomen voor de inschaling, het salaris en/of de bezoldiging. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld zijn/haar zienswijze over de indeling in een generieke functiebeschrijving kenbaar te maken. De termijn voor het kenbaar maken van de zienswijze bedraagt drie weken. De zienswijze wordt mondeling of schriftelijk en gemotiveerd kenbaar gemaakt aan de directie. De directie legt de zienswijze ter advisering voor aan de betreffende directeur. Na het verstrijken van de termijn als bedoeld in lid 4, maakt de directie schriftelijk en gemotiveerd aan de ambtenaar bekend in welke generieke functiebeschrijving de functie van de ambtenaar is ingedeeld alsmede de daarmee gepaard gaande gevolgen zijn voor de inschaling, het salaris en/of bezoldiging. De directie betrekt de in lid 4 bedoelde zienswijze van de ambtenaar en het advies van de directeur. Artikel 3b:0:0:7 Nieuwe en gewijzigde taken Indien aan een ambtenaar, door of namens directie, structureel nieuwe of gewijzigde taken worden opgedragen, dan heroverweegt de directie, na en met inachtneming van het advies van het directeurenberaad, de indeling in de generieke functiebeschrijving. Indien de heroverweging leidt tot een nieuw indelingsbesluit, dan is het bepaalde in artikel 3b:0:0:6 van overeenkomstige toepassing. In het geval dat de heroverweging niet leidt tot een nieuw indelingsbesluit, dan wordt de ambtenaar hiervan onverwijld in kennis gesteld. Artikel 3b:0:0:8 Commissie bezwaren functiewaardering Er is een onafhankelijke adviescommissie bezwaren functiewaardering ingesteld ingevolge artikel 7:13 AWB. De commissie bestaat uit: een (plaatsvervangend) lid aan te wijzen door het college, niet zijnde een bestuurder van de gemeente Enschede of anderszins werkzaam voor of bij de gemeente Enschede; een (plaatsvervangend) lid aan te wijzen door de werknemersdelegatie vanuit de commissie voor Georganiseerd Overleg, niet werkzaam bij of voor de gemeente Enschede of vaste adviseur van de werknemersdelegatie in de Commissie voor Georganiseerd Overleg; een voorzitter, aan te wijzen door de leden, genoemd onder a en b. De commissie hanteert de werkwijze voorgeschreven in de verordening inzake de behandeling van bezwaarschriften voor wat betreft de kamer personeelszaken van de Gemeente Enschede. Artikel 3b:0:0:9 Overgangs- en slotbepalingen Het college kan nadere regels stellen omtrent hetgeen in deze procedureregeling is neergelegd voor zover aard en strekking van deze regeling zich daartegen niet verzet. Indien en voor zover bij nadere regels van deze regeling wordt afgeweken, dient hierover voorafgaand instemming te worden gevraagd aan de ondernemingsraad. In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet beslist het college. Deze regeling, die kan worden aangehaald als ‘Procedureregeling functiebeschrijving en -waardering gemeente Enschede’, treedt terstond in werking na publicatie / bekendmaking dezes en vervangt hoofdstuk 3b ‘Functiewaardering’ van de EAR. 4 Arbeidsduur en werktijden Artikel 4:0:0:0 Arbeidsduur en werktijden Zie ook circulaire nr.013. Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden 1Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden. 2 De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. 3 Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft. Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden 1 In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld. 2 Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen: dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is; dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt; dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken; dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te ontwijken. 3 Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen. Artikel 4:2:1 Arbeidsduur en werktijden 1 Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. 2 Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2 , tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. 3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd. 4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. 5 Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend. Artikel 4:2:2 Arbeidsduur en werktijden Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. Artikel 4:3 Spaarmogelijkheid 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het om

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.