← Nederland

Omgevingsplan gemeente Aalsmeer (Aalsmeer)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan van de gemeente Aalsmeer stelt regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, met als doel een evenwichtige toedeling van functies en het beschermen van onder andere woon- en leefklimaat, veiligheid en gezondheid. Het bevat algemene bepalingen, doelen, en specifieke regels voor diverse activiteiten en gebieden.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696290 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0358/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-12-17 2025-12-17 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696290/nld@2026-01-14 /join/id/proces/gm0358/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0358/2024/proceduree9e22d6f98e24375ad35d8ac99df3b83 /join/id/proces/gm0358/2024/proceduree338da1a01d6444f8ddf6ede2525c6ed 2026-01-14 2026-01-14 /akn/nl/act/gm0358/2020/omgevingsplan/nld@2025-12-15;09173214 /akn/nl/act/gm0358/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0358/2020/omgevingsplan/nld@2025-12-15;09173214 /join/id/stop/work_019 3 Omgevingsplan gemeente Aalsmeer Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  1. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan en de daarop berustende bevoegdheden.
  2. Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij in bijlage II bij dit omgevingsplan daarvan is afgeweken, dan wel in de regels een andere begripsbepaling is opgenomen.
  3. Voor zover regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, nog niet zijn komen te vervallen, dan zijn bij de toepassing van die regels de daarvoor relevante begripsbepalingen van toepassing zoals opgenomen in dat tijdelijk deel.
  4. In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn daar waar een TAM-IMRO omgevingsplan geldt de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-IMRO omgevingsplan van toepassing op de regels in dat TAM-IMRO omgevingsplan. Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen
  5. Ter plaatse van de aanduiding 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
  6. In aanvulling op het eerste lid zijn daar waar een TAM-IMRO omgevingsplan geldt de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-IMRO omgevingsplan van toepassing op de regels in dat TAM-IMRO omgevingsplan. Artikel 1.3 Normadressaat
  7. Aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
  8. Aan de regels wordt eveneens voldaan door degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel door degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert. Artikel 1.4 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 1.5 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  9. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.4, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
  10. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. Artikel 1.6 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag
  11. Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn.
  12. Op verzoek van het bevoegd gezag worden, in aanvulling op de aanvraagvereisten in dit omgevingsplan, de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de activiteit voldoet aan de beoordelingsregels uit dit omgevingsplan.
  13. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 1.7 Geografisch werkingsgebied van de regels
  14. De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Aalsmeer, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied beperkt is.
  15. Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van informatieobjecten. Artikel 1.8 Anti dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van het gebruik dan wel een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere (bouw)plannen buiten beschouwing. Hoofdstuk 2 Doelen Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; f. het tegengaan van klimaatverandering; g. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; h. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; i. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; j. het beheren van infrastructuur; k. het gebruiken van bouwwerken; l. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; m. het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen; n. het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; o. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling; p. het kunnen overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie; q. het bereikbaar en toegankelijk maken van gebieden; r. het beschermen en waar mogelijk vergroten van de openheid van het landschap; s. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing; t. het behouden en herstellen van waardevolle bouwwerken en landschappelijke elementen; u. het realiseren van een hoge architectonische kwaliteit van het openbaar gebied en van bebouwing. Hoofdstuk 3 Omgevingswaarden en programma's Afdeling 3.1 Omgevingswaarden Paragraaf 3.1.1 Verplichte omgevingswaarden Paragraaf 3.1.2 Facultatieve omgevingswaarden Afdeling 3.2 Programma's met programmatische aanpak Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 4.1 Thema's Paragraaf 4.1.1 Bouwwerken en andere werken Artikel 4.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken. Artikel 4.2 Doelen bouwwerken en andere werken Voor activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1: a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; c. het beschermen van cultuurhistorische waarden; d. het beschermen van de gezondheid; e. het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen; f. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling; g. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; en h. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken. Artikel 4.3 Hoofdgebouw bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een hoofdgebouw binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 6.2.1 - bouwen - algemeen; b. paragraaf 6.2.2 - bouwen van hoofdgebouwen; en c. paragraaf 6.2.6 - ondergronds bouwen. Artikel 4.4 Woonschepen bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een woonschip binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 6.2.1 - bouwen - algemeen; b. paragraaf 6.2.3 - woonschepen bouwen; en c. artikel 6.105 - vergunningplicht en verbod bijbehorende bouwwerken. Artikel 4.5 Woonarken bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een woonark binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 6.2.1 - bouwen - algemeen; b. paragraaf 6.2.4 - woonarken bouwen; en c. artikel 6.105 - vergunningplicht en verbod bijbehorende bouwwerken. Artikel 4.6 Woonwagen bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een woonwagen voldaan aan: a. paragraaf 6.2.1 - bouwen - algemeen; b. paragraaf 6.2.5 - woonwagen bouwen; en c. artikel 6.105 - vergunningplicht en verbod bijbehorende bouwwerken. Artikel 4.7 Bedrijfswoningen bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een bedrijfswoning voldaan aan: a. paragraaf 6.2.1 - bouwen - algemeen; b. paragraaf 6.2.7 - bedrijfswoning bouwen; en c. paragraaf 6.2.6 - ondergronds bouwen. Artikel 4.8 Bijbehorende bouwwerken bouwen
  16. Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 6.2.1 - bouwen - algemeen; b. paragraaf 6.2.8 - bijbehorend bouwwerk bouwen; c. paragraaf 6.2.6 - ondergronds bouwen; en d. paragraaf 8.1.6 - externe veiligheid.
  17. Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 6.2.1 - bouwen - algemeen; b. paragraaf 6.2.9 - bouwen van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg; c. paragraaf 6.2.6 - ondergronds bouwen; en d. paragraaf 8.1.6 - externe veiligheid. Artikel 4.9 Ander gebouw bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een ander gebouw, niet zijnde een hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk voldaan aan: a. paragraaf 6.2.1 - bouwen - algemeen; b. paragraaf 6.2.10 - andere gebouwen bouwen; en c. paragraaf 6.2.6 - ondergronds bouwen. Artikel 4.10 Bouwwerken, geen gebouw zijnde bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 6.2.1 - bouwen - algemeen; en b. paragraaf 6.2.12 - bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen. Artikel 4.11 Bouwwerken veranderen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het veranderen van een bouwwerk binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 6.2.1 - bouwen - algemeen; en b. paragraaf 6.2.11 - bouwwerk veranderen. Artikel 4.12 Slopen van bouwwerken [Gereserveerd] Artikel 4.13 Erven en terreinen gebruiken Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het gebruiken van open erven en terreinen voldaan aan afdeling 6.5 - activiteiten op open erven en terreinen. Paragraaf 4.1.2 Woonruimte Artikel 4.14 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot woonruimte. Artikel 4.15 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot woonruimte gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1: a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 4.16 Woonruimte gebruiken Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.15, wordt bij het gebruiken van woonruimte voldaan aan de regels in afdeling 6.6 - woonruimte gebruiken. Paragraaf 4.1.3 Infrastructuur en voor publiek toegankelijke ruimte Paragraaf 4.1.4 Milieu Paragraaf 4.1.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Paragraaf 4.1.6 Natuur Paragraaf 4.1.7 Cultureel erfgoed Afdeling 4.2 Gebiedstypen Paragraaf 4.2.1 Algemeen Paragraaf 4.2.2 Woongebied Paragraaf 4.2.3 Gemengd gebied Paragraaf 4.2.4 Bedrijventerrein Paragraaf 4.2.5 Centrumgebied stedelijk Paragraaf 4.2.6 Centrumgebied dorps Paragraaf 4.2.7 Buitengebied Paragraaf 4.2.8 Natuur en recreatie Paragraaf 4.2.9 Zorg en maatschappelijk gebied Paragraaf 4.2.10 Ontwikkelgebied Paragraaf 4.2.11 Hoofdinfrastructuur Hoofdstuk 5 Activiteiten en functies met gebruiksruimte Afdeling 5.1 Algemene bepalingen Artikel 5.1 Toepassingsbereik Met uitzondering van deze afdeling is een afdeling, paragraaf of subparagraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 4 is bepaald. Artikel 5.2 Specifieke zorgplicht
  18. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  19. De specifieke zorgplicht, bedoeld in het eerste lid houdt voor het gebruik van bouwwerken in dat: a. degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren; b. degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
  20. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;
  21. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en
  22. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  23. Het tweede lid aanhef en onder a, is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 5.3 Maatwerkvoorschriften
  24. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.
  25. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.
  26. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
  27. Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  28. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling, paragraaf of subparagraaf zijn gesteld, in acht genomen. Artikel 5.4 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 5.5 Verbod zonder benodigde omgevingsvergunning Voor zover een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 6.2 is vereist, is het verboden het te bouwen bouwwerk in gebruik te nemen zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Artikel 5.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning ingebruiknemen van een bouwwerk De omgevingsvergunning voor het in gebruik nemen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.5 wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van afdeling 6.
  29. Hoofdstuk 6 Thematische activiteiten Afdeling 6.1 Algemene bepalingen Artikel 6.1 Toepassingsbereik Met uitzondering van deze afdeling is een afdeling, paragraaf of subparagraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 4 is bepaald. Artikel 6.2 Normadressaat Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 6.3 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 6.4 Maatwerkvoorschriften
  30. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.
  31. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.
  32. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
  33. Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  34. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling, paragraaf of subparagraaf zijn gesteld, in acht genomen. Artikel 6.5 Gegevens op verzoek [Gereserveerd] Artikel 6.6 Informeren over een ongewoon voorval [Gereserveerd] Artikel 6.7 Algemeen toepassingsbereik milieubelastende activiteit [Gereserveerd] Artikel 6.8 Voorrangsbepaling milieubelastende activiteit [Gereserveerd] Afdeling 6.2 Bouwen van een bouwwerk Paragraaf 6.2.1 Algemeen Artikel 6.9 Toepassingsbereik
  35. Deze afdeling is van toepassing op: a. het bouwen van hoofdgebouwen; b. het bouwen van woonschepen; c. het bouwen van woonarken; d. het bouwen van woonwagens; e. het bouwen van bedrijfswoningen; f. het bouwen van bijbehorende bouwwerken; g. het bouwen van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg; h. het bouwen van andere gebouwen; i. het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde; j. ondergronds bouwen; en k. het veranderen van bouwwerken.
  36. Deze afdeling is niet van toepassing op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is. Artikel 6.10 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen, behoud, herstel en ontwikkelen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen, behoud, herstel en ontwikkelen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen, behoud, herstel en ontwikkelen van het woon- en leefklimaat; en d. het beschermen van de gezondheid. Artikel 6.11 Voorrangsbepaling
  37. De regels in deze afdeling zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  38. De regels in deze afdeling zijn niet van toepassing voor locaties waar een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, en tevens het tijdelijke deel van het omgevingsplan niet meer geldt, met uitzondering van: a. de regels over het uiterlijk van een bouwwerk; b. de beoordelingsregels voor bodemgevoelige gebouwen; c. de regels in de artikelen 6.13 tot en met 6.26; d. de bouwwerken waarvoor in de paragrafen 6.2.8 t/m 6.2.12 van dit omgevingsplan is bepaald dat voor het bouwen van een bouwwerk geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist, tenzij in een TAM-IMRO omgevingsplan is opgenomen dat het bouwwerk niet is toegestaan of anders is bepaald; e. onverminderd het bepaalde onder d, de regels over de aanwijzing van vergunningplichtige gevallen; f. het geval dat in een TAM-IMRO omgevingsplan is bepaald dat regels van deze afdeling wel gelden, uitgezonderd de regels als bedoeld onder a, b en c; g. de regels in artikel 6.12, eerste en derde lid.
  39. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de paragrafen 6.2.8 t/m 6.2.12 van dit omgevingsplan is bepaald dat voor het bouwen van een bouwwerk geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is benodigd. Artikel 6.12 Vangnetbepaling regels bouwwerken
  40. Het is verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dit hoofdstuk opgenomen regels over bouwwerken.
  41. Ter plaatse van de 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt in afwijking van het eerste lid dat het verboden is een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over bouwwerken en het gebruik daarvan, met uitzondering van het bepaalde in artikel 6.11, derde lid.
  42. In aanvulling op het eerste lid is daar waar een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, het verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over bouwwerken en het gebruik daarvan, met uitzondering van het bepaalde in artikel 6.11, tweede lid onder d. Artikel 6.13 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 6.3 houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.9, in ieder geval in dat: a. beschadiging van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; b. belemmering van het gebruik van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en c. bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouwterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 6.14 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en peil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend, wordt, onverminderd de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het peil is uitgezet. Artikel 6.15 Meetbepalingen
  43. Voor de toepassing van deze afdeling worden de waarden die in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het peil; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  44. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 6.16 Algemene afbakeningseisen
  45. Het zonder omgevingsvergunning bouwen of veranderen van een bouwwerk dat is toegestaan op grond van de algemene regels, bedoeld in deze afdeling, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  46. Bij de toepassing van de paragrafen 6.2.8 tot en met 6.2.9 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het om een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan in het achtererfgebied of een bestaand bouwwerk, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 6.17 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  47. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 meter of groter is dan 100 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 meter.
  48. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 6.18 Aansluiting op distributienet voor gas
  49. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 meter of groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter.
  50. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 6.19 Aansluiting op distributienet voor warmte
  51. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 meter of groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter.
  52. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  53. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  54. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 6.20 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 meter of groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter. Artikel 6.21 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  55. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  56. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  57. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  58. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 6.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen Artikel 6.22 Bluswatervoorziening
  59. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  60. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 meter.
  61. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 6.23 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  62. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  63. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  64. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 meter; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter; en d. een doeltreffende afwatering.
  65. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  66. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 6.24 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  67. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  68. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  69. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 meter.
  70. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 6.23, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  71. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 6.25 Inperkingen vanwege cultureel erfgoed
  72. Dit artikel is van toepassing op: a. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in het achtererfgebied als bedoeld in artikel 6.110; b. het bouwen van een recreatief nachtverblijf als bedoeld in artikel 6.154; c. het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak als bedoeld in artikel 6.125; d. het bouwen van een berging of overkapping in het voorerfgebied als bedoeld in artikel 6.113; e. het bouwen van een erker als bedoeld in de artikelen 6.116 en 6.117; f. het bouwen van een entreeportaal als bedoeld in artikel 6.121; g. het bouwen van een dakkaper als bedoeld in artikel 6.128; h. het bouwen van een dakterras als bedoeld in artikel 6.139; i. het bouwen van penanten en toegangspoorten als bedoeld in artikel 6.172; j. het bouwen van een sport- of speeltoestel als bedoeld in paragraaf 6.185; k. het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening als bedoeld in artikel 6.177; l. het bouwen van een erf- op perceelafscheiding, als bedoeld in artikel 6.169; m. het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om een silo of een ander bouwwerk niet hoger dan 2 meter, als bedoeld in artikel 6.191; n. het bouwen van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of o. het veranderen van een bouwwerk zoals bedoeld in artikel 6.
  73. Als activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument zijn de regels over de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing.
  74. De in het tweede lid opgenomen inperking geldt niet voor gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd.
  75. Als activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument zijn alleen de regels over de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder k tot en met p, van toepassing.
  76. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduidinggemeentelijk of rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  77. De regels over activiteiten, bedoeld in het eerste lid zijn ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 15.1 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 15.1 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 6.26 Inperkingen vanwege externe veiligheid De regels over het vergunningvrij bouwen, in standhouden, gebruiken van bijbehorende bouwwerken, bedoeld in de artikelen 6.110, 6.116 en 6.117 en het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor mantelzorg, bedoeld in artikel 6.143 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
  78. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
  79. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  80. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  81. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  82. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  83. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  84. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  85. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  86. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  87. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  88. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  89. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is.
  90. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
  91. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Paragraaf 6.2.2 Hoofdgebouwen bouwen Artikel 6.27 Toepassingsbereik
  92. Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een hoofdgebouw.
  93. Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het bouwen van een woonschip. Hierop is paragraaf 6.2.3 van toepassing; b. het bouwen van een woonark. Hierop is paragraaf 6.2.4 van toepassing; c. het bouwen van een woonwagen. Hierop is paragraaf 6.2.5 van toepassing; d. het bouwen van een hoofdgebouw, voor zover er sprake is van ondergronds bouwen. Hierop is paragraaf 6.2.6 van toepassing; e. het bouwen van een bedrijfswoning. Hierop is paragraaf 6.2.7 van toepassing; f. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hierop is paragraaf 6.2.8 van toepassing; g. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg. Hierop is paragraaf 6.2.9 van toepassing; h. het bouwen van een ander gebouw, niet zijnde een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.10 van toepassing; i. het veranderen van een hoofdgebouw, waarbij het volume niet toeneemt. Hierop is paragraaf 6.2.11 van toepassing; en j. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Hierop is paragraaf 6.2.12 van toepassing. Artikel 6.28 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het regelen van de ruimtelijke hoofdvolumes; b. het bewaken van de eenheid van het stedenbouwkundig ensemble; c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; d. het beschermen van cultuurhistorische waarden; e. het beschermen van het woon- en leefklimaat; f. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en g. het beschermen van de gezondheid. Artikel 6.29 Aanwijzen vergunningplichtige gevallen bouwen hoofdgebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen of te veranderen. Artikel 6.30 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen hoofdgebouw Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een hoofdgebouw worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  94. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  95. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  96. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  97. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  98. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het hoofdgebouw ten opzichte van het peil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet:
  99. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  100. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  101. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  102. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Artikel 6.31 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
  103. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 6.36, derde tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt getroffen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
  104. in aanvulling op het eerste lid, onder a wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodem-vreemd materiaal;
  105. in aanvulling op het eerste lid, wordt op locaties binnen de 'locatie uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelige gebouwen' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem;
  106. het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen;
  107. de resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 6.32 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen hoofdgebouw [Gereserveerd] Artikel 6.33 Beoordelingsregels omgevingsvergunning met betrekking tot het uiterlijk van een hoofdgebouw
  108. De omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een hoofdgebouw wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  109. Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
  110. Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
  111. Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  112. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een hoofdgebouw kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang. Artikel 6.34 Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit
  113. Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.29 schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 6.
  114. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn en het betreffende bouwwerk binnen een dergelijk gebied of binnen een aangewezen categorie valt; of b. is bepaald dat uitsluitend ambtelijke toetsing plaats kan vinden in plaats van door de gemeentelijke adviescommissie. Artikel 6.35 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen of veranderen hoofdgebouw tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, veranderen, in standhouden en gebruiken van een hoofdgebouw alleen wordt verleend als dit niet in strijd is met de in deze paragraaf en de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels over het bouwen van een hoofdgebouw. Artikel 6.36 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties
  115. Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt de omgevingsvergunning voor bouwen of veranderen van een hoofdgebouw alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld onder b, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
  116. Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt onder een sanerende of andere beschermende maatregel verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of afdeling 1.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing onder a.
  117. Voor het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
  118. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  119. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  120. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  121. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  122. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Artikel 6.37 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  123. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.36, eerste lid, onder b, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
  124. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.36, eerste lid, onder b, kan het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
  125. Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht. Artikel 6.38 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen hoofdgebouw bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  126. In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan, met uitzondering van de artikelen 5.2, 5.4, 6.3 en 6.201 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
  127. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 6.39 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen hoofdgebouw met betrekking tot een voorbereidingsbesluit, aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht of een bestemmings- of inpassingsplan
  128. In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een hoofdgebouw geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet van kracht is; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
  129. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Paragraaf 6.2.3 Woonschepen bouwen Artikel 6.40 Toepassingsbereik
  130. Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of veranderen van een woonschip.
  131. Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het bouwen van een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.2 van toepassing; b. het bouwen van een woonark. Hierop is paragraaf 6.2.4 van toepassing; c. het bouwen van een woonwagen. Hierop is paragraaf 6.2.5 van toepassing; d. het bouwen van een hoofdgebouw, voor zover er sprake is van ondergronds bouwen. Hierop is paragraaf 6.2.6 van toepassing; e. het bouwen van een bedrijfswoning. Hierop is paragraaf 6.2.7 van toepassing; f. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hierop is paragraaf 6.2.8 van toepassing; g. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg. Hierop is paragraaf 6.2.9 van toepassing; h. het bouwen van een ander gebouw, niet zijnde een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.10 van toepassing; i. het veranderen van een hoofdgebouw, waarbij het volume niet toeneemt. Hierop is paragraaf 6.2.11 van toepassing; en j. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Hierop is paragraaf 6.2.12 van toepassing. Artikel 6.41 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van een evenwichtige verdeling tussen wonen en de waterbeleving; b. het regelen van de ruimtelijke hoofdvolumes; c. het bewaken van de eenheid van het stedenbouwkundig ensemble; d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; e. het beschermen van cultuurhistorische waarden; f. beschermen van het woon- en leefklimaat; g. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en h. g.het beschermen van de gezondheid. Artikel 6.42 Aanwijzen vergunningplichtige gevallen bouwen woonschip Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning een woonschip te bouwen of te veranderen. Artikel 6.43 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen woonschip Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonschip worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  132. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  133. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  134. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  135. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  136. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het woonschip ten opzichte van het waterpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet:
  137. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  138. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  139. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  140. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Artikel 6.44 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
  141. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 6.49, derde tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt getroffen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
  142. in aanvulling op het eerste lid, onder a wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodem-vreemd materiaal;
  143. in aanvulling op het eerste lid, wordt op locaties binnen de 'locatie uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelige gebouwen' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem;
  144. het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen;
  145. de resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 6.45 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen woonschip [Gereserveerd] Artikel 6.46 Beoordelingsregels omgevingsvergunning met betrekking tot het uiterlijk van een woonschip
  146. De omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonschip wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  147. Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
  148. Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
  149. Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  150. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonschip kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang. Artikel 6.47 Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit
  151. Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.42 schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 6.
  152. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn en het betreffende bouwwerk binnen een dergelijk gebied of binnen een aangewezen categorie valt; of b. is bepaald dat uitsluitend ambtelijke toetsing plaats kan vinden in plaats van een beoordeling door de gemeentelijke adviescommissie. Artikel 6.48 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen woonschip tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, veranderen, in standhouden en gebruiken van een woonschip alleen wordt verleend als dit niet in strijd is met de in deze paragraaf en de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels over het bouwen van een woonschip. Artikel 6.49 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties
  153. Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt de omgevingsvergunning voor bouwen of veranderen van een woonschip alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld onder b, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
  154. Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt onder een sanerende of andere beschermende maatregel verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of afdeling 1.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing onder a.
  155. Voor het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
  156. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  157. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  158. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  159. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  160. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Artikel 6.50 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  161. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.49, eerste lid, onder b, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
  162. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.49, eerste lid, onder b, kan het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
  163. Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht. Artikel 6.51 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen woonschip bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  164. In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan, met uitzondering van de artikelen 5.2, 5.4, 6.3 en 6.201 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonschip toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
  165. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 6.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen woonschip met betrekking tot een voorbereidingsbesluit, aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht of een bestemmings- of inpassingsplan
  166. In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonschip geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet van kracht is; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
  167. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Paragraaf 6.2.4 Woonarken bouwen Artikel 6.53 Toepassingsbereik
  168. Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een woonark.
  169. Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het bouwen van een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.2 van toepassing; b. het bouwen van een woonschip. Hierop is paragraaf 6.2.3 van toepassing; c. het bouwen van een woonwagen. Hierop is paragraaf 6.2.5 van toepassing; d. het bouwen van een hoofdgebouw, voor zover er sprake is van ondergronds bouwen. Hierop is paragraaf 6.2.6 van toepassing; e. het bouwen van een bedrijfswoning. Hierop is paragraaf 6.2.7 van toepassing; f. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hierop is paragraaf 6.2.8 van toepassing; g. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg. Hierop is paragraaf 6.2.9 van toepassing; h. het bouwen van een ander gebouw, niet zijnde een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.10 van toepassing; i. het veranderen van een hoofdgebouw, waarbij het volume niet toeneemt. Hierop is paragraaf 6.2.11 van toepassing; en j. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Hierop is paragraaf 6.2.12 van toepassing. Artikel 6.54 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van een evenwichtige verdeling tussen wonen en de waterbeleving; b. het regelen van de ruimtelijke hoofdvolumes; c. het bewaken van de eenheid van het stedenbouwkundig ensemble; d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; e. het beschermen van cultuurhistorische waarden; f. beschermen van het woon- en leefklimaat; g. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en h. het beschermen van de gezondheid. Artikel 6.55 Aanwijzen vergunningplichtige gevallen bouwen woonark Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning een woonark te bouwen. Artikel 6.56 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen woonark Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonark worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  170. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  171. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  172. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  173. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  174. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van de woonark ten opzichte van het waterpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet:
  175. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  176. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  177. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  178. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Artikel 6.57 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
  179. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 6.62, derde tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt getroffen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
  180. in aanvulling op het eerste lid, onder a wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodem-vreemd materiaal;
  181. in aanvulling op het eerste lid, wordt op locaties binnen de 'locatie uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelige gebouwen' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem;
  182. het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen;
  183. de resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 6.58 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een woonark [Gereserveerd] Artikel 6.59 Beoordelingsregels omgevingsvergunning met betrekking tot het uiterlijk van een woonark
  184. De omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonark wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  185. Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
  186. Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
  187. Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  188. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonark kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang. Artikel 6.60 Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit
  189. Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.55 schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 6.
  190. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn en het betreffende bouwwerk binnen een dergelijk gebied of binnen een aangewezen categorie valt; of b. is bepaald dat uitsluitend ambtelijke toetsing plaats kan vinden in plaats van een beoordeling door de gemeentelijke adviescommissie. Artikel 6.61 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen woonark tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, veranderen, in standhouden en gebruiken van een woonark alleen wordt verleend als dit niet in strijd is met de in deze paragraaf en de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels over het bouwen van een woonark. Artikel 6.62 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties
  191. Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt de omgevingsvergunning voor bouwen of veranderen van een woonark alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; b. als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld onder b, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
  192. Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt onder een sanerende of andere beschermende maatregel verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of afdeling 1.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing onder a.
  193. Voor het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
  194. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  195. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  196. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  197. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  198. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Artikel 6.63 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  199. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.62, eerste lid, onder b, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
  200. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.62, eerste lid, onder b, kan het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
  201. Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht. Artikel 6.64 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen woonark bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  202. In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan, met uitzondering van de artikelen 5.2, 5.4, 6.3 en 6.201 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonark toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
  203. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 6.65 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen woonark met betrekking tot een voorbereidingsbesluit, aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht of een bestemmings- of inpassingsplan
  204. In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonark geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet van kracht is; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
  205. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Paragraaf 6.2.5 Woonwagen bouwen Artikel 6.66 Toepassingsbereik
  206. Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of veranderen van een woonwagen.
  207. Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het bouwen van een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.2 van toepassing; b. het bouwen van een woonschip. Hierop is paragraaf 6.2.3 van toepassing; c. het bouwen van een woonark. Hierop is paragraaf 6.2.4 van toepassing; d. het bouwen van een hoofdgebouw, voor zover er sprake is van ondergronds bouwen. Hierop is paragraaf 6.2.6 van toepassing; e. het bouwen van een bedrijfswoning. Hierop is paragraaf 6.2.7 van toepassing; f. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hierop is paragraaf 6.2.8 van toepassing; g. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg. Hierop is paragraaf 6.2.9 van toepassing; h. het bouwen van een ander gebouw, niet zijnde een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.10 van toepassing; i. het veranderen van een hoofdgebouw, waarbij het volume niet toeneemt. Hierop is paragraaf 6.2.11 van toepassing; en j. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Hierop is paragraaf 6.2.12 van toepassing. Artikel 6.67 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het regelen van de ruimtelijke hoofdvolumes; b. het bewaken van de eenheid van het stedenbouwkundig ensemble; c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; d. het beschermen van cultuurhistorische waarden; e. beschermen van het woon- en leefklimaat; f. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en g. het beschermen van de gezondheid. Artikel 6.68 Aanwijzen vergunningplichtige gevallen bouwen woonwagen Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning een woonwagen te bouwen of te veranderen. Artikel 6.69 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen woonwagen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonwagen worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  208. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  209. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  210. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  211. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  212. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van de woonwagen ten opzichte van het peil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet:
  213. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  214. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  215. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  216. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Artikel 6.70 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
  217. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 6.75, derde tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt getroffen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
  218. in aanvulling op het eerste lid, onder a wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodem-vreemd materiaal;
  219. in aanvulling op het eerste lid, wordt op locaties binnen de 'locatie uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelige gebouwen' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem;
  220. het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen;
  221. de resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 6.71 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen woonwagen [Gereserveerd] Artikel 6.72 Beoordelingsregels omgevingsvergunning met betrekking tot het uiterlijk van een woonwagen
  222. De omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonwagen wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  223. Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
  224. Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
  225. Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  226. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonwagen kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang. Artikel 6.73 Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit
  227. Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.68 schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 6.
  228. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn en het betreffende bouwwerk binnen een dergelijk gebied of binnen een aangewezen categorie valt; of b. is bepaald dat uitsluitend ambtelijke toetsing plaats kan vinden in plaats van een beoordeling door de gemeentelijke adviescommissie. Artikel 6.74 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen woonwagen tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, veranderen, in standhouden en gebruiken van een woonwagen alleen wordt verleend als dit niet in strijd is met de in deze paragraaf en de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels over het bouwen van een woonwagen. Artikel 6.75 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties
  229. Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt de omgevingsvergunning voor bouwen of veranderen van een woonwagen alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; b. als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld onder b, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
  230. Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt onder een sanerende of andere beschermende maatregel verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of afdeling 1.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing onder a.
  231. Voor het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
  232. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  233. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  234. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  235. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  236. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Artikel 6.76 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  237. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.75, eerste lid, onder b, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
  238. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.75, eerste lid, onder b, wordt ook het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, een sanerende of beschermende maatregel is uitgevoerd. a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
  239. Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht. Artikel 6.77 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen woonwagen bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  240. In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan, met uitzondering van de artikelen 5.2, 5.4, 6.3 en 6.201 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonwagen toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
  241. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 6.78 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen woonwagen met betrekking tot een voorbereidingsbesluit, aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht of een bestemmings- of inpassingsplan
  242. In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonwagen geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet van kracht is; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
  243. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Paragraaf 6.2.6 Ondergronds bouwen Artikel 6.79 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of veranderen van een ondergronds bouwwerk. Artikel 6.80 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van waterbergend vermogen en tegengaan van wateroverlast; b. beheer van grondwaterstanden; c. het anticiperen op klimaatadaptatie en hittestress; d. het voldoen aan parkeernormen; e. het bieden van meer gebruiksruimte. Artikel 6.81 Aanwijzen vergunningplichtige gevallen ondergronds bouwwerk Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning een ondergronds bouwwerk te bouwen of te veranderen. Artikel 6.82 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning ondergronds bouwen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een ondergronds bouwwerk worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  244. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  245. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  246. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  247. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  248. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Artikel 6.83 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
  249. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 6.87, derde tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt getroffen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
  250. in aanvulling op het eerste lid, onder a wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodem-vreemd materiaal;
  251. in aanvulling op het eerste lid, wordt op locaties binnen de 'locatie uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelige gebouwen' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem;
  252. het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen;
  253. de resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 6.84 Beoordelingsregels omgevingsvergunning ondergronds bouwwerk bij een niet-woning [Gereserveerd] Artikel 6.85 Beoordelingsregels omgevingsvergunning ondergronds bouwwerk bij een woning binnen het achtererfgebied [Gereserveerd] Artikel 6.86 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen ondergronds bouwwerk tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, veranderen, in standhouden en gebruiken van een ondergronds bouwwerk alleen wordt verleend als dit niet in strijd is met de in deze paragraaf en de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels over ondergronds bouwen. Artikel 6.87 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties
  254. Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt de omgevingsvergunning voor ondergronds bouwen alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld onder b, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
  255. Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt onder een sanerende of andere beschermende maatregel verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of afdeling 1.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing onder a.
  256. Voor het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
  257. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  258. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  259. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  260. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  261. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Artikel 6.88 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  262. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.87 eerste lid, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
  263. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.87, eerste lid, onder b, kan het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
  264. Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht. Artikel 6.89 Beoordelingsregel omgevingsvergunning ondergronds bouwen bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  265. In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan, met uitzondering van de artikelen 5.2, 5.4, 6.3 en 6.201 kan de omgevingsvergunning voor ondergronds bouwen toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
  266. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.