← Nederland

Omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten (Rijssen-Holten)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan regelt diverse zaken binnen de gemeente Rijssen-Holten, zoals algemene bepalingen, afvalbeheer, en archeologie en bodem. Het stelt regels vast voor activiteiten die invloed hebben op de leefomgeving en de bescherming van archeologische waarden.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst
Obsah (4)Artikel 2Artikel 3Artikel 4Artikel 5

act/gemeente/2024/CVDR696501 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1742/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-03-20 2026-03-20 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696501/nld@2026-05-07 /join/id/proc

Artikel 2.1 Toepassingsbereik 1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

  1. De regels in hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing op: a. een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
  2. een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
  3. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt. b. het veroorzaken van afval door:
  4. wonen;
  5. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
  6. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
  7. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
  8. een evenement dat: I. plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels; II. evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.59; III. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; IV. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar; of
  9. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
  10. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; Artikel 2.2 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. doelmatig beheer van afvalstoffen. Afdeling 2.2 Afval Artikel 2.3 Afval: zwerfvuil Binnen een straal van 25 meter rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, wordt zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn. Hoofdstuk 3 Archeologie en bodem Afdeling 3.1 Algemene regels Paragraaf 3.1.1 Aanwijzing gebieden en locaties Subparagraaf 3.1.1.1 Functie Artikel 3.1 Archeologische verwachtingswaarden
  11. In het plan zijn locaties aangewezen met de functie AMK-terrein.
  12. In het plan zijn locaties aangewezen met de functie archeologische verwachtingswaarde - hoog.
  13. In het plan zijn locaties aangewezen met de functie archeologische verwachtingswaarde - middelhoog.
  14. In het plan zijn locaties aangewezen met de functie archeologische verwachtingswaarde. Artikel 3.2 Bodembeheergebied (gereserveerd) Artikel 3.3 Bodemfunctieklasse industrie (gereserveerd) Artikel 3.4 Bodemfunctieklasse landbouw/natuur (gereserveerd) Artikel 3.5 Bodemfunctieklasse wonen (gereserveerd) Paragraaf 3.1.2 Algemene indieningsvereisten,

Artikel 3.6 Toepassingsbereik 1.

De regels in deze afdeling gaan over: a. activiteiten in de bodem; of b. een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.

  1. De regels in hoofdstuk 3 zijn niet van toepassing op: a. een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
  2. een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
  3. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. b. het lozen van afvalwater op of in de bodem en grond- en graafwerkzaamheden bij of door:
  4. wonen;
  5. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
  6. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
  7. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
  8. een evenement dat: I. plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels; II. evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.59; III. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; IV. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar;of
  9. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
  10. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; Artikel 3.7 Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; c. het doelmatig beheer van afvalstoffen; d. het voorkomen van verontreiniging van de bodem (met bijvoorbeeld vetten, oliën en koelvloeistof). Artikel 3.8 Gegevens omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
  11. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de te gebruiken materialen; b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; en d. voor zover dat in het tijdelijk deel omgevingsplan, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.
  12. Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en d. het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet. Artikel 3.9 Gegevens voor de vangnetvergunning lozen op de bodem Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.10 voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en b. het soort afvalwater. Artikel 3.10 Vangnetvergunning lozen op de bodem
  13. Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van afdeling 3.3 is toegestaan.
  14. Het eerste lid is niet van toepassing voor: a. het lozen op of in de bodem waaraan:
  15. een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
  16. een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld; of b. een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  17. Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. Afdeling 3.2 Archeologie Artikel 3.11 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. archeologische monumentenzorg; b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Artikel 3.12 Onderzoekplicht voor archeologisch onderzoek bij mogelijk verstorende activiteiten bij een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of werkzaamheid
  18. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of een werkzaamheid is in de zone AMK-terrein noodzakelijk als die activiteit betrekking heeft op: a. een oppervlak van 50m2 of meer; en b. een diepte van meer dan 0,5 meter.
  19. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of een werkzaamheid is in de zone archeologische verwachtingswaarde - hoog noodzakelijk als die activiteit betrekking heeft op: a. een oppervlak van 100m2 of meer; en b. een diepte van meer dan 0,5 meter.
  20. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of een werkzaamheid is in de zone archeologische verwachtingswaarde - middelhoog noodzakelijk als die activiteit betrekking heeft op: a. een oppervlak van 250m2 of meer; en b. een diepte van meer dan 0,5 meter.
  21. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of een werkzaamheid is in de zone archeologische verwachtingswaarde noodzakelijk als die activiteit betrekking heeft op: a. een oppervlak van 2500m2 of meer; en b. een diepte van meer dan 0,5 meter. Artikel 3.13 Vrijstelling van archeologisch onderzoek bij mogelijk verstorende activiteiten bij een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of werkzaamheid
  22. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of een werkzaamheid is in de zone AMK-terrein niet noodzakelijk als die activiteit betrekking heeft op: a. een maximale diepte van 0,5 meter; en b. een oppervlakte van minder dan 50 m
  23. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of een werkzaamheid in de zone archeologische verwachtingswaarde - hoog is niet noodzakelijk als die activiteit betrekking heeft op: a. een maximale diepte van 0,5 meter; en b. een oppervlakte van minder dan 100 m
  24. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of een werkzaamheid in de zone archeologische verwachtingswaarde - middelhoog is niet noodzakelijk als die activiteit betrekking heeft op a. een maximale diepte van 0,5 meter; en b. een oppervlakte van minder dan 250 m
  25. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of een werkzaamheid in de zone archeologische verwachtingswaarde is niet noodzakelijk als die activiteit betrekking heeft op: a. een een maximale diepte van 0,5 meter en een oppervlakte van minder dan 2500 m2; b. bouwwerken of projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport dat niet ouder dan 5 jaar is, wordt overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld of; c. bouwwerken of projecten waarbij vervangende nieuwbouw op bestaande fundering plaatsvindt. Artikel 3.14 Bescherming archeologische verwachtingswaarden De in artikel 3.1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen, mede aangewezen voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Afdeling 3.3 Bodem Paragraaf 3.3.1 Bodembeheer en bodembedreigende activiteiten Subparagraaf 3.3.1.1 Acculader in werking hebben Artikel 3.15 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat. Artikel 3.16 Bodembeschermende voorziening en logboek acculader in werking hebben
  26. Het laden van een natte accu vindt boven een aaneengesloten bodemvoorziening plaats.
  27. Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Subparagraaf 3.3.1.2 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 3.17 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voor 1 januari 2024 een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor die datum, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is Artikel 3.18 Bodem: mitigerende maatregelen Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.17, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Subparagraaf 3.3.1.3 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels Artikel 3.19 Toepassingsbereik
  28. Deze subparagraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.
  29. Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. Artikel 3.20 Bodembeschermende voorziening fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels
  30. Het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren vindt plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
  31. Het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren mag ook in de buitenlucht plaatsvinden mits uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.
  32. Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Artikel 3.21 Informatieplicht voor het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.19 en 18.6 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
  33. de grenzen van het terrein;
  34. de ligging en de indeling van de gebouwen;
  35. het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
  36. de ligging van de bedrijfsriolering; en
  37. de plaats van de lozingspunten; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; d. per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:
  38. gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;
  39. een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en
  40. een beschrijving van het ventilatiesysteem; e. per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:
  41. een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en
  42. een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en f. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. Subparagraaf 3.3.1.4 Installeren van een gesloten bodemsysteem Artikel 3.22 Toepassingsbereik Subparagraaf 3.3.1.4 is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.23 Gegevens voor de vergunningplicht installeren gesloten bodemsysteem Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.24 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd; b. de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld; c. gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend; d. een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; e. informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en f. de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten. Artikel 3.24 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemsysteem
  43. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken: a. in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of b. met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.
  44. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en b. er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie. Subparagraaf 3.3.1.5 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 3.25 Toepassingsbereik
  45. Deze subparagraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van: a. locaties waarvoor voor 1 januari 2024 een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor die datum, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of b. locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:
  46. een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijk deel omgevingsplan; of
  47. een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit. c. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; d. het tijdelijk opslaan van grond; en e. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
  48. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem. Artikel 3.26 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond Grond die bij het graven is vrijgekomen wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen. Artikel 3.27 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven De activiteit wordt milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. Artikel 3.28 Informatieplicht voor het begin van de activiteit kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
  49. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.25, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en c. de verwachte duur ervan.
  50. Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  51. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of b. op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Subparagraaf 3.3.1.6 Lozen van huishoudelijk afvalwater op de bodem Artikel 3.29 Toepassingsbereik
  52. Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.
  53. Subparagraaf 3.3.1.6 is niet van toepassing voor het lozen van huishoudelijk afvalwater: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 3.30 Informatieplicht voor het lozen van huishoudelijk afvalwater
  54. Ten minste vier weken voor het begin of een wijziging van de activiteit, bedoeld in artikel 3.29 en artikel 18.38, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin of wijziging van de activiteit.
  55. Het eerste lid geldt niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 3.31 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  56. Huishoudelijk afvalwater wordt alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a. 40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b. 100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c. 600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d. 1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e. 3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.
  57. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  58. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt. Artikel 3.32 Meet- en rekenbepalingen
  59. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  60. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  61. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO
  62. Artikel 3.33 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  63. Huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, wordt geleid via een zuiveringsvoorziening.
  64. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 9.2.3.
  65. Tabel 9.2.3.1 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l
  66. Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd. Subparagraaf 3.3.1.7 Nazorg na saneren van de bodem Artikel 3.34 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. Artikel 3.35 Nazorg na afloop van saneren van de bodem . De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op: a. het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag; of b. tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet. Subparagraaf 3.3.1.8 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Artikel 3.36 Toepassingsbereik
  67. Deze subparagraaf is van toepassing in het buitengebied en het gebied Oosterhof en omgeving volkspark Rijssen.
  68. Deze subparagraaf is van toepassing op het opslaan van: a. kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of b. vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m
  69. Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. Artikel 3.37 Bodembeschermende voorziening bij opslag kuilvoer
  70. Kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.
  71. Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.
  72. Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Artikel 3.38 Informatieplicht voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Ten minste vier weken voor het begin of het wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.36 en artikel 18.54 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
  73. de grenzen van het terrein;
  74. de ligging en de indeling van de gebouwen;
  75. het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
  76. de ligging van de bedrijfsriolering;
  77. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  78. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
  79. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit Subparagraaf 3.3.1.9 Opslaan van (vaste) mest Artikel 3.39 Toepassingsbereik
  80. Deze subparagraaf is van toepassing in het buitengebied en het gebied Oosterhof en omgeving volkspark Rijssen.
  81. Artikel 3.40 en 3.41 zijn van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3 .
  82. Deze subparagraaf is niet van toepassing: a. op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en b. als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; of c. op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.40 Informatieplicht voor het opslaan van vaste mest Ten minste vier weken voor het begin of het wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.39, 5.24 en artikel 18.58 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
  83. de grenzen van het terrein;
  84. de ligging en de indeling van de gebouwen;
  85. het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
  86. de ligging van de bedrijfsriolering;
  87. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
  88. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
  89. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit Artikel 3.41 Opslag en bodembeschermende voorziening
  90. Vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen op: a. een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of b. een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
  91. Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen: a. in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen; b. in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of c. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
  92. Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Subparagraaf 3.3.1.10 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen Artikel 3.42 Toepassingsbereik
  93. Deze paragraaf is van toepassing op: a. het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten; b. het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen; c. het uitsnijden van vis; of d. d. het uitsnijden en pekelen van organen.
  94. Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. Artikel 3.43 Bodembeschermende voorziening bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen
  95. Het pekelen van dierlijke bijproducten en organen vindt plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
  96. Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Artikel 3.44 Eindonderzoek bodem bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.
  97. Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
  98. Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.
  99. Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatieinstantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB
  100. Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat: a. de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht; b. de wijze waarop het onderzoek is verricht; c. de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; d. informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein; e. bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en f. als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt. Artikel 3.45 Herstel bodemkwaliteit bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.
  101. Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot: a. de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen; b. de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of c. de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
  102. Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB
  103. Artikel 3.46 Informatieplicht herstelwerkzaamheden
  104. Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.
  105. Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum. Artikel 3.47 Informatieplicht voor lozingen bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen Ten minste vier weken voor het begin of wijzigen van een activiteit als bedoeld in artikel 3.42, artikel 5.33 en artikel 18.63 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
  106. de grenzen van het terrein;
  107. de ligging en de indeling van de gebouwen;
  108. het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
  109. de ligging van de bedrijfsriolering; en
  110. de plaats van de lozingspunten; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. Artikel 3.48 Informatieplicht voor het beëindigen van de activiteit Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Subparagraaf 3.3.1.11 Verboden gebruik bouwwerken en gronden Artikel 3.49 Stalling of opslag van aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen Het is verboden gronden als stalling- of opslagplaats van een of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de functie gerichte gebruik of onderhoud te gebruiken of laten gebruiken. Artikel 3.50 Verbod opslaan afval Het is verboden afval , gevaarlijke stoffen of andere materialen of goederen in de openlucht op te slaan tenzij ze onderdeel zijn van de normale bedrijfsvoering. Subparagraaf 3.3.1.12 Wassen van motorvoertuigen Artikel 3.51 Toepassingsbereik
  111. Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.
  112. Deze paragraaf is niet van toepassing als a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; en b. op wassen van motorvoertuigen bij wonen. Artikel 3.52 Motorvoertuigen wassen
  113. Voertuigen worden gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.
  114. Voertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.
  115. Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen. Hoofdstuk 4 Bouwen en slopen van bouwwerken en gebruik van bouwwerken en gronden Afdeling 4.1 Algemene regels Paragraaf 4.1.1 Aanwijzing gebieden en locaties Subparagraaf 4.1.1.1 Functies Artikel 4.1 Molenbiotoop - aanwijzing Er is een beperkingengebied aangewezen als molenbiotoop. Artikel 4.2 Verblijfsrecreatie In het plan zijn locaties aangewezen met de functie verblijfsrecreatie. Artikel 4.3 Karakteristieke bouwwerken Er zijn locaties aangewezen met de functie karakteristiek. De karakteristieke waarden van het bouwwerk zijn opgenomen in de bijlage Karakteristieke waarden. Artikel 4.4 Centrumgebied Er is een gebied aangewezen als centrumgebied. Subparagraaf 4.1.1.2 Ruimtelijk gebruik Artikel 4.5 Buitengebied Er is een gebied aangewezen als buitengebied. Artikel 4.6 Woonwijken en centra Er zijn gebieden aangewezen als woonwijken en centra. Paragraaf 4.1.2 Algemene indieningsvereisten,

Artikel 4

.7 Toepassingsbereik hoofdstuk bouwen en slopen van bouwwerken en gebruik van bouwwerken en gronden Hoofdstuk 4 is van toepassing op het bouwen en slopen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en gronden. Artikel 4.8 Oogmerken De regels in de afdelingen 4.2, 4.3 en 4.4 zijn gesteld met het oog op: a. het veilig gebruik van gronden en bouwwerken; b. de energiezuinigheid van bouwwerken; c. de bescherming van het milieu; d. de stedenbouwkundige opzet en samenhang van bebouwing; e. het beschermen van het uiterlijk van bestaande of te bouwen bouwwerken; f. het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit van bouwwerken passend in de directe omgeving; g. het behoud van bestaande karakteristieke bouwwerken; h. het doelmatig aansluiten op distributienetten en het doelmatig afvoeren van afvalwater van bouwwerken; en i. het beschermen van de gezondheid. Afdeling 4.2 Bouwen Paragraaf 4.2.1 Algemene regels voor alle bouwactiviteiten Artikel 4.9 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij nog in procedure zijnde bestemmingsplannen

  1. In afwijking van artikel 4.26 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; b. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of c. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd;
  2. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Artikel 4.10 Anti-dubbeltelbepaling Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 4.11 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend, wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Paragraaf 4.2.2 Toestemmingsvrije bouwactiviteit (omgevingsplan) Artikel 4.12 Toepassingsbereik paragraaf
  3. De regels in deze paragraaf gaan over het bouwen van toestemmingsvrije bouwwerken.
  4. Paragraaf 4.2.2 is niet van toepassing op activiteiten in, aan, of op monumenten of archeologische monumenten, voorbeschermde monumenten of voorbeschermde archeologische monumenten tenzij het gaat om: a. normaal onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.
  5. Artikelen 4.14, 4.15, 4.18 en 4.17 zijn niet van toepassing op activiteiten bij monumenten, voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten tenzij het gaat om: a. normaal onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of; b. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.
  6. Paragraaf 4.2.2 is vanwege externe veiligheid niet van toepassing op locaties als bedoeld in artikel 17.
  7. Paragraaf 4.2.2 is niet van toepassing bij een bouwwerk dat zonder omgevingsvergunning is gebouwd, in stand wordt gelaten of wordt gebruikt.
  8. Bij toepassing van het toestemmingsvrij bouwen, het in stand houden of gebruiken van een bouwwerk op basis van paragraaf 4.2.2, blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
  9. Bij toepassing van paragraaf 4.2.2 wordt binnen de molenbiotoop ten behoeve van de goede windvang van een molen de bouwhoogte beperkt tot: a. bij een afstand tot 100 meter van de molen: 5 meter; b. bij een afstand tussen 100 en 200 meter van de molen: 7 meter; c. bij een afstand tussen 200 en 300 meter van de molen: 9 meter; d. bij een afstand tussen 300 en 400 meter van de molen: 11 meter; of e. een bestaande afwijkende bouwhoogte bij vervangende nieuwbouw waarbij de hoogte niet toeneemt. Artikel 4.13 Toepasbare regels artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving Dit artikel bevat geen juridische regels. Het zorgt voor het mogelijk maken van dienstverlening in het Digitaal Stelsel Omgevingswet op van Rijkswege toestemmingsvrije activiteiten. De juridische regels zijn te vinden in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 4.14 Bijbehorend bouwwerk
  10. Dit artikel is niet van toepassing op een woonwagen.
  11. Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan in woonwijken en centra en op het bedrijventerrein is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. op de grond staand; b. gelegen in achtererfgebied; c. op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied; d. het toe te voegen oppervlak van het bijbehorende bouwwerk in het bebouwingsgebied is niet meer dan 50 m2; e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied is niet meer dan:
  12. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
  13. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en
  14. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en f. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; g. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; h. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
  15. 3,5 meter; of
  16. 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en
  17. het hoofdgebouw; i. voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw:
  18. indien voorzien van een plat dak niet hoger dan 3,5 meter; of
  19. voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 meter, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 meter en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [meter] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en
  20. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; en j. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
  21. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
  22. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
  23. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het tweede lid, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen sub i onder 3, van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.15 Bouwwerk veranderen Een te veranderen bouwwerk is in overeenstemming met het omgevingsplan als voldaan wordt aan de volgende eisen: a. geen uitbreiding van het bebouwde oppervlakte; b. geen uitbreiding van het bouwvolume; en c. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 4.16 Buisleiding Een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is, is in overeenstemming met het omgevingsplan. Artikel 4.17 Recreatief nachtverblijf
  24. Het bouwen, in stand houden of gebruiken van een recreatief nachtverblijf is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de locatie de functie verblijfsrecreatie heeft; b. het past binnen de aantallen en de typen die gesteld zijn in het locatie specifieke tweede tot en met het vijftiende lid; c. op de grond staand; d. onderkeldering is niet toegestaan; e. niet hoger dan 5 meter; f. de oppervlakte van:
  25. een recreatiewoning, stacaravan, tiny house, chalet en boomhut niet meer dan 50 m2; of
  26. een trekkershut of hooibergrecreatiewoning niet meer dan 36 m2; g. een minimale onderlinge afstand of afstand tot andere bouwwerken van 5 meter; en h. een minimale afstand tot de perceelsgrens van 5 meter, dan wel de bestaande afstand tot de perceelsgrens.
  27. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Biesterij 1 in Rijssen zijn: a. 70 stacaravans.
  28. De toegestane hoeveelheid en typen verblijfsrecreatie - Enterveenweg 10 in Rijssen zijn: a. 2 trekkershutten; en b. 2 hooibergrecreatiewoningen.
  29. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Enterveenweg 5a in Rijssen zijn: a. 3 stacaravans.
  30. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Evertjesweg 3/Brenderweg in Holten zijn: a. 30 stacaravans.
  31. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Holterstraatweg 186 I in Rijssen zijn: a. 5 recreatiewoningen.
  32. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Holterstraatweg 186 II in Rijssen zijn: a. 75 stacaravans, chalets, tiny houses, boomhutten, trekkershutten of hooibergrecreatiewoningen.
  33. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Kruisweg 2 in Rijssen zijn: a. 90 stacaravans; en b. 45 recreatiewoningen.
  34. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Langstraat 2 en 6 in Holten zijn: a. 35 stacaravans.
  35. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Schietbaanweg 8 in Rijssen zijn: a. 7 stacaravans.
  36. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Schreursweg 5 in Holten zijn: a. 35 stacaravans; en b. 2 trekkershutten.
  37. De tijdelijk toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Veendijk 3 in Rijssen zijn: a. 25 stacaravans.
  38. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Wildweg e.o. in Holten zijn: a. 54 recreatiewoningen, waarvan er maximaal 20 recreatiewoningen geschakeld mogen worden gebouwd.
  39. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Landuwerweg 17 in Holten zijn: a. 281 recreatiewoningen.
  40. De toegestane hoeveelheid en type verblijfsrecreatie - Camping De Holterberg zijn: a. 3 trekkershutten; en b. bestaande stacaravans en recreatiewoningen in de zone verblijfsrecreatie - Camping de Holterberg in Holten - stacaravans en recreatiewoningen. Artikel 4.18 Schutting, hekwerk of andere erf- en perceelafscheiding
  41. Een hekwerk of andere afscheiding voor het weiden van vee is in overeenstemming met het omgevingsplan als deze niet hoger is dan 1,5 meter.
  42. Een erf- en perceelafscheiding binnen het treinspoor Deventer - Almelo (ambtsgebied Rijssen-Holten) is in overeenstemming met het omgevingsplan als deze niet hoger is dan 4 meter.
  43. Een schutting of andere afscheiding in woonwijken voor niet-hoeksituaties en hoeksituaties die niet gericht zijn op de openbare weg of het openbaar groen, is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen: a. hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter; b. op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en c. achter de voorgevelrooilijn.
  44. Een schutting of andere afscheiding op aangewezen plekken met twee voorgevels is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter; b. op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en c. gelegen achter de in het plan aangegeven of beschreven voorgevels.
  45. Een schutting of andere afscheiding op bedrijventerreinen of in centra is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen: a. niet hoger dan 2 meter; en b. op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.
  46. Een schutting of andere afscheiding op sportparken of begraafplaatsen is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen: a. niet hoger dan 3 meter; en b. op een erf of perceel waarmee de afscheiding in functionele relatie staat. Artikel 4.19 Silo of ander bouwwerk ten behoeve of ter ondersteuning van agrarische bedrijfsvoering Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor agrarische bedrijfsvoering in het buitengebied of ter ondersteuning van agrarische bedrijfsvoering op de locatie Molendijk Zuid 3 in Rijssen, is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het een voeder- of kuntsmestsilo niet hoger dan 15 meter betreft; of b. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 meter. Artikel 4.20 Sport- en speeltoestel voor openbaar gebruik Een sport- of speeltoestel voor openbaar gebruik is in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 4 meter; b. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; en c. voor wat betreft geplaatst in de openbare ruimte met toestemming van de eigenaar van die ruimte. Artikel 4.21 Zwembad, bubbelbad of vijver Een zwembad, bubbelbad mits gelegen op de grond of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, is in overeenstemming met het omgevingsplan als deze niet van een overkapping is voorzien. Paragraaf 4.2.3 Omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsplan) Subparagraaf 4.2.3.1 Algemene beoordelingsregels omgevingsvergunning voor bouwactiviteit (omgevingsplan) Artikel 4.22 Toepassingsbereik De subparagrafen 4.2.3.1 en 4.2.3.2 zijn van toepassing op vergunningplichtige bouwactiviteiten voor het bouwen van bouwwerken. Artikel 4.23 Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken (vangnet) Tenzij paragraaf 4.2.2, 4.2.4 of subparagraaf 4.2.3.2 van toepassing zijn, is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten. Artikel 4.24 Omgevingsvergunning voor afwijken tijdelijk deel omgevingsplan
  47. Voor zover voor een activiteit in het tijdelijk deel omgevingsplan, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
  48. Als de in het eerste lid bedoelde vergunningplicht een verplichting bevat, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.
  49. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.23 die in strijd is met de in het tijdelijk deel omgevingsplan, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.
  50. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
  51. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.24 worden de volgende gegevens verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  52. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  53. de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  54. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  55. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  56. het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk. c. Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 4.25 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  57. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  58. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  59. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  60. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  61. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
  62. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  63. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  64. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  65. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
  66. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.20, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
  67. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.20, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.20, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Artikel 4.26 Algemene beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  68. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van artikel 17.20, artikel 17.22 en 17.30; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  69. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  70. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. in voldoende mate is voorzien in parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de parkeernormen Rijssen-Holten; e. in voldoende mate is voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen, overeenkomstig de parkeernormen Rijssen-Holten; en f. als niet in voldoende mate wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid of ruimte voor laden en lossen zoals bedoeld in sub d of e van het eerste lid, mits in dat geval sprake is van een integrale afweging en daarmee een ander, zwaarder wegend belang wordt gediend en dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte.
  71. Het college kan voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit om de vereiste bodemkwaliteit bij het bouwen van bodemgevoelig gebouwen op een bodemgevoelige locatie te borgen.
  72. Een woning wordt niet gebouwd of uitgebreid binnen een gebied waar de concentratie fijnstof (PM10) meer dan 20 µg/m3 jaargemiddelde grenswaarde is. Artikel 4.27 Algemene beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken in, aan, op of bij monumenten
  73. In aanvulling op artikel 4.26 wordt een omgevingsvergunning voor een (voorbeschermd) gemeentelijk monument alleen verleend als: a. het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet; en b. er advies van de adviescommissie omgevingskwaliteit is ingewonnen.
  74. Als de omgevingsvergunning ziet op een (voorbeschermd) kerkelijk monument neemt het bevoegd gezag niet eerder een beslissing: a. dan na overleg met de eigenaar; en b. voor zover het een beslissing betreft waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, er overeenstemming met de eigenaar is bereikt.
  75. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een (voorbeschermd) gemeentelijk monument. Artikel 4.28 Algemene beoordelingsregels bij omgevingsvergunning voor een voormalige wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  76. In afwijking van artikel 4.26, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel omgevingsplan.
  77. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 4.29 Nadere invulling algemene beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  78. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 4.26, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  79. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  80. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 4.30 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor het bouwen van bestaande bouwwerken in het tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Artikel 4.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 4.26, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 4.
  81. Subparagraaf 4.2.3.2 Specifieke beoordelingsregels omgevingsvergunning voor bouwactiviteit (omgevingsplan) Artikel 4.32 Toepassingsbereik (verhouding met algemene beoordelingsregels voor bouwactiviteiten) De regels in subparagraaf 4.2.3.2 gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels voor bouwactiviteiten van subparagraaf 4.2.3.
  82. Artikel 4.33 Bijbehorend bouwwerk - voormalige kruimellijst
  83. Voor een bijbehorend bouwwerk bij een woning in woonwijken en centra waarvoor op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan geen omgevingsvergunning verleend kan worden, wordt alsnog omgevingsvergunning verleend als deze: a. in het achtererfgebied is gelegen; b. niet tot gevolg heeft dat de oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken die mogelijk is op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan voor meer dan 50% wordt overschreden, met een maximum van 25 m²; c. op een afstand van tenminste 3 meter achter de oorspronkelijke voorgevel of het verlengde daarvan is gelegen; d. bij een uitbreiding van een vrijstaande woning aan tenminste één zijde een afstand van 2,5 meter tot de zijdelingse perceelsgrens heeft; e. voor wat betreft de overige maten en afmetingen aan de voorschriften van het tijdelijk deel omgevingsplan; f. geen balkon of dakterras heeft, tenzij het tijdelijk deel omgevingsplan dit toestaat.
  84. Als het bijbehorend bouwwerk gebruikt wordt of gebruikt gaat worden ten dienste van mantelzorg wordt een (eigen) verklaring overlegd waaruit de noodzaak voor mantelzorg blijkt. De mantelzorgsituatie wordt beëindigd als er geen mantelzorg meer wordt verleend.
  85. Voor overkappingen en carports gelden in aanvulling op het eerste lid de volgende voorwaarden: a. de maximale bouwhoogte is 3,5 meter; b. de overkapping of carport tenminste 1 meter achter de voorgevel of het verlengde daarvan wordt opgericht; c. per bouwperceel maximaal 25 m2 aan overkappingen is toegelaten; en d. per bouwperceel maximaal één carport met een maximale oppervlak van 25 m2 is toegelaten. Artikel 4.34 Bouwwerk ten behoeve van mantelzorg Voor een bouwwerk dat in het kader van mantelzorg in het buitengebied wordt gebouwd wordt omgevingsvergunning verleend als: a. het bouwwerk door niet meer dan twee personen gebruikt gaat worden; b. de situering van een mantelzorgsituatie in een nieuw te bouwen bouwwerk plaatsvindt op basis van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten; c. de afstand van de bijbehorende (bedrijfs)woning tot de mantelzorgsituatie niet meer dan 25 meter bedraagt; d. de totale oppervlakte aan mantelzorgruimten niet groter is dan 75 m2; e. de mantelzorgsituatie enkellaags is; f. een (eigen) verklaring waaruit de noodzaak voor mantelzorg blijkt; en g. de mantelzorgsituatie wordt beëindigd als er geen mantelzorg meer wordt verleend. Artikel 4.35 Dakkapel in het voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak - voormalig lokaal dakkapellenbeleid Voor een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak wordt omgevingsvergunning verleend als deze: a. voor de maatvoering voldoet aan de volgende voorwaarden:
  86. zijkanten meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak;
  87. niet hoger dan 1,5 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel;
  88. de onderzijde meer dan 0,5 meter en minder dan 1 meter boven de dakvoet;
  89. de breedte van de dakkapel aan de voorzijde ten hoogste 50% van de grootste breedte van het dak; en
  90. bovenzijde meer dan 0,5 meter onder de daknok gelegen; b. voorzien is van een plat dak, tenzij een andere vorm de architectuur versterkt; c. geen dichte panelen of borstwering onder en boven de raamkozijnen bevat en de voorzijde overwegend transparant is (glas); d. qua vorm en afmetingen afgestemd is op bestaande dakkappelen; en e. niet boven een bestaande dakkapel wordt geplaatst. Artikel 4.36 Erker - voormalige kruimellijst
  91. Voor een erker bij een woning waarvoor op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan geen omgevingsvergunning verleend kan worden, wordt alsnog omgevingsvergunning verleend als deze: a. in het voorerfgebied is gelegen; b. een breedte van ten hoogste 2/3 deel van de oorspronkelijke voorgevelbreedte heeft, met een maximum van 4 meter; c. bij ligging aan de zijgevel; een maximale breedte heeft van ten hoogste 4 meter; d. maximaal 1,5 meter vóór de voor- of zijgevel gevel van de woning ligt, met dien verstande dat deze afstand voor eventuele luifels 1 meter bedraagt; e. tenminste 2,5 meter van het openbaar toegankelijk gebied is gelegen; f. niet meer dan 25 centimeter boven de 1e verdiepingsvloer uitkomt; en g. niet voorzien is van een balkon of dakterras.
  92. Van de maten zoals genoemd in het eerste lid onder a en b kan in geringe mate worden afgeweken als de bestaande gevelopeningen dit noodzakelijk maken. Artikel 4.37 Familiewoning of pré-mantelzorgwoning in bestaand bouwwerk
  93. Voor het bouwen en in gebruik nemen van een familiewoning of pré-mantelzorgwoning wordt omgevingsvergunning verleend als: a. het in gebruik te nemen bouwwerk legaal is gerealiseerd; b. het in gebruik te nemen bouwwerk op een locatie aangewezen voor 'wonen' met uitzondering van (agrarische) bedrijfswoningen en recreatiewoningen is gelegen; c. pré-mantelzorg of familiewoning alleen op de begane grond plaatsvindt; d. het maximale oppervlak van bedraagt 75 m2 bedraagt; e. er per bouwperceel maar één familiewoning of pré-mantelzorgwoning is toegelaten; f. er een extra parkeerplaats op het perceel wordt aangelegd; g. er geen dakterras of balkon wordt gerealiseerd; en h. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  94. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  95. het straat- en bebouwingsbeeld;
  96. de verkeersveiligheid; en
  97. de milieusituatie.
  98. Een omgevingsvergunning voor een pré-mantelzorgwoning als bedoelt in het eerste lid wordt voor een periode van maximaal 10 jaar verleend gerekend vanaf de dag van de aanvraag.
  99. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over de termijn en wijze van het verwijderen van het bouwwerk of het staken van het gebruik na afloop van de verleende omgevingsvergunning. Artikel 4.38 Familiewoning of pré-mantelzorgwoning in nieuw bouwwerk
  100. Voor het bouwen en in gebruik nemen van een familiewoning of pré-mantelzorgwoning wordt omgevingsvergunning verleend als: a. het bouwen en in gebruik nemen plaats vindt op een locatie aangewezen voor 'wonen' met uitzondering van (agrarische) bedrijfswoningen en recreatiewoningen; b. het bouwwerk past binnen de bouwregels van paragraaf 4.2.2 of het tijdelijk deel omgevingsplan; c. pré-mantelzorg of een familiewoning alleen op de begane grond plaatsvindt; d. het maximale oppervlak 75 m2 bedraagt; e. er per bouwperceel maar één familiewoning of pré-mantelzorgwoning of is toegelaten; f. er een extra parkeerplaats op het perceel wordt aangelegd; g. er geen dakterras of balkon wordt gerealiseerd; en h. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  101. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  102. het straat- en bebouwingsbeeld;
  103. de verkeersveiligheid; en
  104. de milieusituatie.
  105. Een omgevingsvergunning voor een pré-mantelzorgwoning als bedoelt in het eerste lid wordt voor een periode van maximaal 10 jaar verleend gerekend vanaf de dag van de aanvraag.
  106. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over de termijn en wijze van het verwijderen van het bouwwerk of het staken van het gebruik na afloop van de verleende omgevingsvergunning. Artikel 4.39 Gebouw ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen - voormalige kruimellijst Voor een bouwwerk ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen, waarvoor op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan geen omgevingsvergunning verleend kan worden, wordt alsnog omgevingsvergunning verleend als deze; a. niet hoger dan 5 meter is; en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m² is. Artikel 4.40 Schutting, hekwerk of andere erf- en perceelafscheiding
  107. Voor het bouwen van een schutting of andere afscheiding in woonwijken en centra bij hoeksituaties gericht op de openbare weg of openbaar groen wordt omgevingsvergunning verleend als deze: a. tot 3 meter achter het verlengde van de voorste voorgevel niet hoger dan 1 meter en daarna niet hoger dan 2 meter; b. op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en c. voorzien van groen.
  108. Voor het bouwen van een schutting of andere afscheiding in het buitengebied, anders dan een schutting of andere afscheiding als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, wordt omgevingsvergunning verleend als deze: a. past binnen het gebiedstype en de functie van de locatie en; b. landschappelijk is ingepast.
  109. Voor het bouwen van een schutting of andere afscheiding in woonwijken en centra wordt een omgevingsvergunning verleend als deze: a. is gesitueerd voor de voorgevel, of bij hoeksituaties de eerste 3 meter achter de voorgevel, b. niet hoger dan 1,30 meter is; en c. geen belemmeringen geeft voor verkeersveiligheid.
  110. Voor het bouwen van een hekwerk ter plaatse van de functie brandgang wordt omgevingsvergunning verleend als deze: a. niet hoger is dan 2,5 meter; b. er geen aantasting plaatsvindt van de bereikbaarheid van het (achterliggende) gebied of de aangrenzende percelen voor hulpdiensten of ontvluchting; c. er schriftelijk advies is gevraagd bij de Veiligheidsregio Twente; d. het hekwerk geopend kan worden met een universele sleutel; en e. de ruimtelijke kwaliteit niet wordt aangetast.
  111. Een schutting of andere afscheiding in bijzondere gebieden als wordt voldaan aan de regels voor erf- en perceel afscheidingen zoals opgenomen in het tijdelijk deel omgevingsplan. Artikel 4.41 Uitbreiden van of bij een hoofdgebouw niet zijnde een woning - voormalige kruimellijst Voor het uitbreiden van of een bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw, anders dan zijnde een woning of recreatiewoning, waarvoor op basis van het tijdelijk deel omgevingsplan geen omgevingsvergunning verleend kan worden, wordt alsnog omgevingsvergunning verleend als deze: a. niet tot gevolg heeft dat het aansluitende terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd; b. niet tot gevolg heeft dat de oppervlakte die op grond van het tijdelijk deel omgevingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 25% wordt overschreden; en c. voor wat betreft de functie niet afwijkt van het bestaande gebruik van het hoofdgebouw. Artikel 4.42 Vaste parasolvoet en parasol ten behoeve van horeca in centra Voor het het verankeren van een parasolvoet en het daarin plaatsen van een parasol ten behoeve van (dag)horeca in het centrumgebied wordt omgevingsvergunning verleend als: a. er voor de parasolvoet in de grond geen belemmeringen zijn ten aanzien van kabels en leidingen; b. de parasol mag, in uitgeklapte toestand, het buurterras of de rijbaan nooit overdekken of overkappen; c. de vrije hoogte onder de parasol minimaal 2,20 meter bedraagt; d. de hoogte van de parasol niet meer dan 3,5 meter bedraagt; e. er één type parasol per terras wordt gebruikt; f. er één effen basiskleur per terras wordt gebruikt; g. een parasol mag niet aan de gevel of andere (vaste) elementen worden bevestigd; h. verankerde parasolvoeten in de grond moeten gelijk aan het maaiveld worden aangelegd; i. de parasols moeten worden ingeklapt als het terras niet open is; j. de parasols worden verwijderd als het terras niet uitstaat; en k. de voet wordt voorzien van afdekking als het terras niet uitstaat. Artikel 4.43 Vrijstaande antenne-installatie - voormalige kruimellijst Voor het bouwen van een vrijstaande antenne-installatie wordt omgevingsvergunning verleend als deze: a. niet op bestaande (hoge) bebouwing gebouwd kan worden; b. niet hoger dan 40 meter is; c. niet nabij een gemeentelijk monument of in de molenbiotoop gelegen is; en d. er in landschappelijk waardevolle gebieden (natuurgebieden en waardevolle cultuurlandschappen), open landschappen of bebouwde gebieden met een woonfunctie er geen alternatieve locatie te vinden is. Artikel 4.44 Zonnepanelen in veldopstelling
  112. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een zelfstandige opstelling van zonnepanelen in de vorm van kleinschalige installaties op erven van woningen te bouwen.
  113. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een zelfstandige opstelling van zonnepanelen in de vorm van kleinschalige installaties op erven van bedrijven en agrarische bedrijven te bouwen.
  114. Een omgevingsvergunning als bedoelt in het eerste wordt verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit het tijdelijk deel omgevingsplan. Paragraaf 4.2.4 Verboden bouwactiviteit (omgevingsplan) Artikel 4.45 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op niet toegelaten activiteiten. Artikel 4.46 Schutting andere afscheiding - locatie Stokmansveldweg 9 e.o in Rijssen Het is op de locatie Stokmansveldweg 9 e.o. in Rijssen verboden een hekwerk, schutting of andere erf- of perceelafscheiding op te richten of in stand te houden. Artikel 4.47 Silo of ander bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering
  115. Het is verboden om in woonwijken en centra of op bedrijventerrein een silo of ander agrarisch bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering op te richten of in stand te houden.
  116. Het is verboden om in het buitengebied of op de locatie Molendijk Zuid 3 in Rijssen een silo hoger dan 15 meter of ander agrarisch bouwwerk, geen gebouw zijnde hoger dan 2 meter op te richten of in stand te houden. Artikel 4.48 Sport- en speeltoestel voor openbaar gebruik Het is verboden een sport- of speeltoestel voor openbaar gebruik op te richten of in stand te houden dat: a. hoger is dan 4 meter; of b. niet functioneert met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens. Artikel 4.49 Verbod bouwwerken op aangewezen brandgangen Het is verboden om op gronden met de functie brandgang andere bouwwerken op te richten of in stand te houden dan beschreven in artikel 4.40, vierde lid. Paragraaf 4.2.5 Welstand Artikel 4.50 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat regels over de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken. Artikel 4.51 Repressief welstand Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot 1 januari 2024 gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Afdeling 4.3 Gebruiksdoel van bouwwerken en gronden Paragraaf 4.3.1 Oogmerken, toepassingsbereik, vangnet vergunningplicht en zorgplichten Artikel 4.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gebruik bouwwerken of gronden Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het gebruiken van bouwwerken of gronden wordt de omgevingsvergunning verleend als: a. in voldoende mate is voorzien in parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de parkeernormen Rijssen-Holten; b. in voldoende mate is voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen, overeenkomstig de parkeernormen Rijssen-Holten; en c. als niet in voldoende mate wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid of ruimte voor laden en lossen zoals bedoeld in sub a of b, mits in dat geval sprake is van een integrale afweging en daarmee een ander, zwaarder wegend belang wordt gediend en dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte. Artikel 4.53 Strijdig gebruik (vangnet) Het is verboden bouwwerken of gronden in afwijking van een in het omgevingsplan of het tijdelijk deel omgevingsplan gegeven functie of gebruiksdoel: a. in stand te houden; of b. te gebruiken. Paragraaf 4.3.2 Toestemmingsvrije gebruiksactiviteiten Artikel 4.54 Bijbehorend bouwwerk Het in stand houden of gebruiken van een bijbehorend bouwwerk in overeenstemming met het omgevingsplan als wordt voldaan aan de eisen van artikel 4.
  117. Paragraaf 4.3.3 Verboden gebruik bouwwerken en gronden Artikel 4.55 Verbod op permanente bewoning verblijfsrecreatie
  118. Het is verboden een recreatief nachtverblijf te gebruiken of te laten gebruiken voor permanente bewoning.
  119. Het eerste lid is niet van toepassing op locaties waarvoor een persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing is. Artikel 4.56 Verbod nieuwvestiging agarisch bedrijf Het is verboden een nieuw (intensief) agrarisch bedrijf te vestigen. Artikel 4.57 Verbod nieuwvestigen of uitbreiden supermarkt Het is verboden een nieuwe supermarkt te vestigen of een bestaande supermarkt uit te breiden. Artikel 4.58 Verbod gebruiken grond of bouwwerk in afwijking van geldende parkeerbehoefte Het is verboden gronden of bouwwerken met een parkeerbehoefte dan wel een behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen te gebruiken zonder dat hierin in voldoende mate is voorzien overeenkomstig de geldende parkeernormen Rijssen-Holten. Paragraaf 4.3.4 Toevoegen andere functie Artikel 4.59 Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van een evenement - voormalige kruimellijst
  120. Met een omgevingsvergunning kan tijdelijk een evenement worden mogelijk gemaakt als dit: a. niet tot een hogere geluidsbelasting dan 85 dB(A) op de gevel van de dichtstbij gelegen woning leidt; b. inclusief op- en afbouw niet langer dan 15 dagen duurt; c. op een locatie plaatsvindt waarvoor niet vaker dan 4 keer per kalenderjaar al omgevingsvergunning voor een evenement is verleend.
  121. In afwijking van het eerste lid geldt de termijn voor op- en afbouw niet voor het snoeiafval voor paas- en vreugdevuren. Artikel 4.60 Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van opvang van vluchtelingen - voormalige kruimellijst Met een omgevingsvergunning kan voor een periode van maximaal 10 jaar opvang voor vluchtelingen worden mogelijk gemaakt als dit: a. geen onevenredige afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld; b. niet leidt tot onevenredige verslechtering van de kwaliteit van de woonomgeving; c. de verkeersveiligheid niet onevenredig in gevaar brengt; d. de sociale veiligheid niet onevenredig in gevaar brengt; e. de landschappelijke of natuurlijke waarden niet onevenredig aantast worden; f. de cultuurhistorische waarden niet onevenredig aantast worden; g. de milieusituatie niet onevenredig aantast wordt; h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig aantast worden; en i. de aanvraag niet in strijd is met de bestaande gemeentelijke visie(s) (waaronder de Omgevingsvisie, het gemeentelijk woningbouwprogramma, horecavisie, visies voor de centra en de regels voor parkeernormen) Artikel 4.61 Bestaande functie tijdelijk wijzigen ten behoeve van een woonunit bij vervangende nieuwbouw of een unit bij maatschappelijke functies - voormalige kruimellijst
  122. Binnen het woonwijken en centra is het met omgevingsvergunning mogelijk om een woonunit te plaatsen als deze: a. niet langer dan 2 jaar in stand wordt gehouden; en b. de bestaande (bedrijfs)woning vanwege vervangen ver- of nieuwbouw niet bewoonbaar is.
  123. In het buitengebied is het met omgevingsvergunning mogelijk om een woonunit te plaatsen als deze: a. niet langer dan 2 jaar in stand wordt gehouden; en b. de bestaande (bedrijfs)woning vanwege vervangen ver- of nieuwbouw niet bewoonbaar is; of c. er een nieuwe woning wordt gebouwd.
  124. Binnen het woonwijken en centra is het met omgevingsvergunning mogelijk een tijdelijke unit te plaatsen als deze: a. ten dienste is van de maatschappelijke functie uit het tijdelijk deel omgevingsplan; b. voor een periode van ten hoogste van 5 jaar; en c. de noodzakelijkheid van de tijdelijke unit onderbouwd is. Artikel 4.62 Andere functie toevoegen - voormalige kruimellijst Met omgevingsvergunning is het mogelijk om in woonwijken en centra aan een locatie een andere functie toe te voegen als de nieuwe functie: a. geen onevenredige afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld; b. niet leidt tot onevenredige verslechtering van de kwaliteit van de woonomgeving; c. de verkeersveiligheid niet onevenredig in gevaar komt; d. de sociale veiligheid niet onevenredig in gevaar komt; e. de landschappelijke of natuurlijke waarden niet onevenredig aangetast worden; f. de cultuurhistorische waarden niet onevenredig aangetast worden; g. de milieusituatie niet onevenredig aangetast wordt; h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig aangetast worden; en i. de aanvraag niet in strijd is met het bestaande gemeentelijk visie(s) (waaronder de Omgevingsvisie, het gemeentelijk woningbouwprogramma, horecavisie, visies voor de centra en de regels voor parkeernormen) Paragraaf 4.3.5 Wonen Subparagraaf 4.3.5.1 Aanwijzing functies en locaties Artikel 4.63 Wonen
  125. Er zijn locaties aangewezen voor wonen
  126. Locaties aangewezen voor mogen worden gebruikt voor voor het wonen in een woning. Subparagraaf 4.3.5.2 Toestemmingsvrij gebruik bestaand bouwwerken mantelzorg Artikel 4.64 Gebruiken bestaand bouwwerk voor mantelzorg Het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is in overeenstemming met het omgevingsplan. Als het bijbehorend bouwwerk gebruikt wordt of gebruikt gaat worden ten dienste van mantelzorg wordt een (eigen) verklaring overlegd waaruit de noodzaak voor mantelzorg blijkt. Subparagraaf 4.3.5.3 Omgevingsvergunning functies bouwwerken en gronden (omgevingsplan) Artikel 4.65 Omzetten van een inwoonsituatie naar een zelfstandige woning Met omgevingsvergunning is het mogelijk om in het buitengebied een woning toe te voegen als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van een vergunde inwoonsituatie met als peildatum 27-08-2021; b. het te splitsen gebouw is geen bedrijfswoning of recreatiewoning; c. na splitsing ontstaan twee woningen ieder met een zelfstandige woonruimte waarbij;
  127. iedere woonruimte een eigen ingang heeft; en
  128. er is sprake van een woningscheidende wand; d. de maatvoering van de verleende vergunning voor inwoning is het maximum voor het oppervlak van de toe te voegen woning; e. de verdeling van de (vergunde) bestaande bebouwing wordt door de aanvrager notarieel vastgelegd; f. het geheel wordt landschappelijk ingepast. De landschappelijke inpassing vindt plaats volgens een vooraf goed te keuren landschapsplan. De inpassing moet in elk geval voldoen aan de volgende voorwaarden:
  129. er blijft sprake van één bouwmassa;
  130. er blijft sprake van één erf; en
  131. het bestaande voor- en achtererf worden visueel versterkt; g. bij vervangende nieuwbouw van het hoofdgebouw, blijven de toetsingsvoorwaarden onder d en g van toepassing; h. het toevoegen niet tot een onevenredige afbreuk leidt van de beeldkwaliteit en de landschappelijke, cultuurhistorische en monumentale waarden; i. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; en j. er ontstaan geen aanvullende milieubelemmeringen op omliggende gronden. Afdeling 4.4 Slopen Paragraaf 4.4.1 Omgevingsplanactiviteit slopen bouwwerk Artikel 4.66 Omgevingsvergunning slopen karakteristiek bouwwerk Het is verboden zonder omgevingsvergunning een karakteristiek bouwwerk te slopen. Artikel 4.67 Omgevingsvergunning slopen gemeentelijke monumenten Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument te slopen. Artikel 4.68 Beoordelingsregels slopen van een karakteristiek bouwwerk
  132. De omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 4.66 wordt alleen verleend als: a. aannemelijk is gemaakt dat herbouw in dezelfde of een ter plaatse passende nieuwe karakteristiek zal plaatsvinden, of b. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, geen mogelijkheid is om verval van het karakteristieke bouwwerk tegen te gaan.
  133. Aan een te verlenen omgevingsvergunning wordt in ieder geval als voorwaarde verbonden dat de karakteristieke hoofdvorm, dan wel een passend alternatief, wordt herbouwd en dat binnen zes maanden na het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal worden gestart met de bouw. Deze verplichting geldt niet als het college van oordeel is dat verval van het karakteristieke pand niet is tegen te gaan. Artikel 4.69 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of archeologisch monument
  134. De omgevingsvergunning voor een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of archeologisch monument kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.
  135. Als de omgevingsvergunning ziet op een kerkelijk monument neemt het bevoegd gezag niet eerder een beslissing dan na overleg met de eigenaar. Voor zover het een beslissing betreft waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, neemt het bevoegd gezag geen beslissing dan in overeenstemming met de eigenaar.
  136. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 13.
  137. Hoofdstuk 5 Emissies naar de lucht Afdeling 5.1 Algemene regels Paragraaf 5.1.1 Aanwijzing gebieden en locaties Subparagraaf 5.1.1.1 Functie Artikel 5.1 Bebouwingscontour geur Er is een gebied aangewezen als bebouwingscontour geur. Artikel 5.2 Buiten bebouwingscontour geur Er is een gebied aangewezen als buiten de bebouwingscontour geur. Artikel 5.3 Concentratiegebied (gereserveerd) Paragraaf 5.1.2 Algemene indieningsvereisten,

Artikel 5.4 Toepassingsbereik 1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet.

  1. De regels in hoofdstuk 5 zijn niet van toepassing op: a. een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan;
  2. een voor 1 januari 2024 onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
  3. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt; of b. geur op of in een geurgevoelig gebouw veroorzaakt door:
  4. wonen;
  5. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
  6. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
  7. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
  8. een evenement dat; I. plaatsvindt op een locatie aangewezen in afdeling 14.2 en past binnen de in deze afdeling gestelde regels; II. evenementen waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 4.59; III. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; of IV. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar;
  9. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is;
  10. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; c. geurgevoelige gebouwen die op basis van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar Artikel 5.5 Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het voorkomen of het beperken van geurhinder; c. het beschermen van de kwaliteit van de lucht. Afdeling 5.2 Stoffen in de lucht (gereserveerd) Afdeling 5.3 Geur Paragraaf 5.3.1 Algemene of activiteit overstijgende regels Artikel 5.6 Geur: cumulatie Bij de waarden, bedoeld in de subparagraaf 5.3.2.2 en paragraaf 5.3.3, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 5.3.2.1 en 5.3.2.2 en artikel 5.26, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Artikel 5.7 Geur: eerbiedigende werking
  11. In afwijking van artikel 5.4, tweede lid, onder c, zijn de waarden, bedoeld in subparagraaf 5.3.2.2 en paragraaf 5.3.3, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 5.3.2.1 en 5.3.2.2 en artikel 5.26, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten: a. in het tijdelijk deel omgevingsplan; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
  12. In afwijking van artikel 5.4, tweede lid, onder c, zijn de waarden bedoeld in bedoeld in subparagraaf 5.3.2.2 en paragraaf 5.3.3, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 5.3.2.1 en 5.3.2.2 en artikel 5.26, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van: a. het tijdelijk deel omgevingsplan; of b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 5.8 Geur: functionele binding De waarden, bedoeld in subparagraaf 5.3.2.2 en paragraaf 5.3.3, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 5.3.2.1 en 5.3.2.2 en artikel 5.26, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig gebouw een functionele binding heeft met de activiteit. Artikel 5.9 Geur: voormalige functionele binding Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in subparagraaf 5.3.2.2 en paragraaf 5.3.3, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 5.3.2.1 en 5.3.2.2 en artikel 5.26, niet van toepassing op een geurgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijk deel omgevingsplan, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn. Artikel 5.10 Geur: waar afstanden gelden De afstanden in subparagraaf 5.3.2.1 en 5.3.2.2 voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden: a. tot de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw; b. tot de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; c. en in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonwagen, tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van die woonwagen. Paragraaf 5.3.2 Agrarische activiteiten Subparagraaf 5.3.2.1 Andere agrarische activiteiten Artikel 5.11 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
  13. Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m
  14. Dit artikel is niet van toepassing op: a. groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is; of b. het opslaan van compost of groenafval als:
  15. al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
  16. de afstand tussen de compost of opslag van groenafval en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand in het derde of vierde lid;
  17. verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd; en
  18. de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afneemt.
  19. De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 100 meter.
  20. De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 50 meter. Artikel 5.12 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
  21. De afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3 is vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 5.3.2.
  22. Tabel 5.3.2.1 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Afstand tot geurgevoelig gevoelig gebouw Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2 50 meter 25 meter Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2 100 meter 50 meter
  23. Het eerste lid is niet van toepassing bij het opslaan van drijfmest, digestaat en dunne fractie als: a. het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; b. de afstand tussen het opslaan van drijfmest, digestaat en dunne fractie en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand in het eerste lid; c. verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.; en d. de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afneemt. Artikel 5.13 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
  24. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3 ; of b. meer dan 600 m3 vaste mest op te slaan.
  25. Voor opslag in een mestbassin bedraagt de minimumafstand tot een geurgevoelig object de in tabel 5.3.2.2 aangegeven afstand. Tabel 5.3.2.2 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Afstand tot geurgevoelig gevoelig gebouw Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Gezamenlijke inhoud meer dan 2.500 m3 of oppervlakte meer dan 750 m2 100 meter 50 meter
  26. Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
  27. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins; b. het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters; en c. een plattegrondtekening met daarop aangegeven de locatie van het mestbassin. Artikel 5.14 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
  28. Dit artikel is van toepassing op het opslaan van: a. kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3 ; en b. vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3 .
  29. Dit artikel is niet van toepassing op: a. in plasticfolie verpakte veevoederbalen; of b. het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als:
  30. opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
  31. de afstand tussen het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand in het derde lid;
  32. verplaatsing van de opslagplaats redelijkerwijs niet kan worden gevergd; en
  33. de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afneemt.
  34. De afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw, is niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 5.3.2.3 Tabel 5.3.2.
  35. Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Afstand Niet afgedekt opslaan 50 meter Afgedekt opslaan 25 meter Artikel 5.15 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand
  36. Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m
  37. Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing bij het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong als: a. opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond; b. de afstand tussen gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand in het derde of vierde lid; c. verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd; en d. de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afneemt.
  38. De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 100 meter.
  39. De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 50 meter. Artikel 5.16 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
  40. Dit artikel is van toepassing op het opslaan van: a. vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden; b. champost; of c. dikke fractie.
  41. Dit artikel is niet van toepassing op: a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder; b. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; c. het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest; en d. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie als;
  42. opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
  43. de afstand tussen opslag van vaste mest, champost of dikke fractie en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand in het derde en vierde lid;
  44. verplaatsing van de opslagplaats redelijkerwijs niet kan worden gevergd; en
  45. de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afneemt.
  46. De afstand voor het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 100 meter.
  47. De afstand voor het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 50 meter. Artikel 5.17 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand
  48. Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  49. Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  50. De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 100 meter.
  51. De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur is niet kleiner dan 50 meter. Subparagraaf 5.3.2.2 Het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf Artikel 5.18 Toepassingsbereik
  52. Deze paragraaf is van toepassing op het in een dierenverblijf houden van: a. landbouwhuisdieren; en b. paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.
  53. Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren. Artikel 5.19 Geur vanaf waar afstanden gelden Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.20 Geur: waar waarden gelden De waarden in subparagraaf 5.3.2.2 gelden voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden: a. als het gaat om een geurgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en c. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van de woonwagen. Artikel 5.21 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden en afstanden
  54. Bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor is de geur op een geurgevoelig gebouw binnen de bebouwingscontour geur door de activiteit niet hoger dan de norm binnen de bebouwingscontour geur (landbouwhuisdieren met emissiefactor).
  55. Bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor is de geur op een geurgevoelig gebouw buiten de bebouwingscontour geur door de activiteit niet hoger dan de norm buiten de bebouwingscontour geur (landbouwhuisdieren met emissiefactor).
  56. Bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor is de geur op de rand van de tijdelijke geurcontour Oosterhofweg 125 in Rijssen door de activiteit niet hoger dan 14,0 ouE/m
  57. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 5.1.2.1 in het vijfde lid, tot de volgende geurgevoelige gebouwen: a. een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; b. een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; c. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
  58. op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;
  59. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en
  60. in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en d. een geurgevoelig gebouw dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.
  61. Tabel 5.1.2.1 Afstand tot een geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor Geurgevoelig gebouw met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000 Afstand Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 meter Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 meter
  62. Als voor 1 januari 2024 de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, mag bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: a. het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, en b. de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.
  63. Voor gevallen als bedoeld in het zesde lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als: a. een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en b. de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 5.21, eerste lid en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.
  64. Op het berekenen van de geur, bedoeld in artikel 5.21, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing. Artikel 5.22 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf
  65. Onverminderd de artikelen 5.21 en 5.23 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, is de afstand tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur niet kleiner dan 50 meter.
  66. Onverminderd de artikelen 5.21 en 5.23 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, is de afstand tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur niet kleiner dan 25 meter.
  67. In afwijking van artikel 5.19 geldt de afstand, bedoeld in het eerste of het tweede lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
  68. Als voor 1 januari 2024 voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in het eerste lid, mag bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: a. die afstand niet afnemen; b. de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw niet toenemen; en c. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen.
  69. Als voor 1 januari 2024

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.