← Nederland

Omgevingsplan gemeente Rijswijk (Rijswijk)

In het kort

Dit omgevingsplan van de gemeente Rijswijk regelt de fysieke leefomgeving en stelt doelen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de bescherming van diverse waarden. Het omvat regels voor bouwwerken, woonruimte, infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696360 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0603/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-12-30 2025-12-30 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696360/nld@2026-01-27 /join/id/proc

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een hoofdgebouw voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.2 Hoofdgebouw bouwen Artikel 4.4 Bijbehorend bouwwerk bouwen 1. Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen - algemeen; en b. Paragraaf 5.2.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen. 2. Dit artikel is niet van toepassing op het bouwen van hoofdgebouwen,

Artikel 4.3.

Artikel 4.5 Overig gebouw bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.2, wordt bij het bouwen van een ander gebouw dan een hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.4 Overig gebouw bouwen. Artikel 4.6 Dakkapel bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een dakkapel voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.5 Dakkapel bouwen. Artikel 4.7 Pre-mantelzorghuisvesting bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.6 Pre-mantelzorghuisvesting bouwen. Artikel 4.8 Erf- en perceelafscheiding bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een erf- en perceelafscheiding voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.7 Erf- en perceelafscheiding bouwen. Artikel 4.9 Kozijn- en gevelwijzigingen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij verrichten van kozijn- en gevelwijzigingen voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.8 Kozijn- en gevelwijzigingen. Artikel 4.10 Ondergeschikt bouwdeel bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van ondergeschikte bouwdelen voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.9 Ondergeschikt bouwdeel bouwen. Artikel 4.11 Airconditioningsunit en warmtepomp bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij bouwen van een airconditioningsunit en warmtepomp voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.10 Airconditioningsunit en waterpomp bouwen. Artikel 4.12 Dakopbouw bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van dakopbouwen voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.11 Dakopbouw bouwen. Artikel 4.13 Dakterras bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van dakterrassen voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.12 Dakterras bouwen. Artikel 4.14 Overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.2, wordt bij het bouwen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.13 Overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen in het voor- of achtererfgebied Artikel 4.15 Gebruik van gebouwen voor seksbedrijf Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.2, wordt bij het gebruiken van gebouwen voldaan aan Paragraaf 5.2.15 Gebruik van gebouwen voor seksbedrijf. Artikel 4.16 Parkeerbehoefte veranderen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij het toevoegen of veranderen van een gebouw of terrein met parkeerbehoefte of het veranderen van het gebruik van dat gebouw of terrein voldaan aan Paragraaf 5.2.22 Parkeerbehoefte veranderen. Paragraaf 4.1.2 Woonruimte Artikel 4.17 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot woonruimte. Artikel 4.18 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot woonruimte gelden de volgende doelen: a. het behoud van de samenstelling van de woonruimtevoorraad; b. het vergroten van het aantal woningen in de woningbouwcategorieën sociale huur en middeldure huur; c. het behoud van de leefbaarheid; en d. het waarborgen van een geordend woon- en leefklimaat. Artikel 4.19 Woningen toevoegen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.18, wordt bij het toevoegen van woningen op Locaties voor woningbouwcategorieën voldaan aan Paragraaf 5.2.71 Woningen toevoegen. Artikel 4.20 Woonruimte wijzigen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.18, wordt bij het wijzigen van woonruimte voldaan aan Paragraaf 5.2.16 Woonruimte wijzigen. Artikel 4.21 Woonruimte gebruiken Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.18, wordt bij het gebruiken van woonruimte voldaan aan Paragraaf 5.2.17 Woonruimte gebruiken. Artikel 4.22 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.18, wordt bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis voldaan aan Paragraaf 5.2.18 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen. Artikel 4.23 Bed and Breakfast verzorgen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.18, wordt bij het verzorgen van een Bed and Breakfast voldaan aan Paragraaf 5.2.19 Bed and Breakfast verzorgen. Paragraaf 4.1.3 Infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied Artikel 4.24 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied. Artikel 4.25 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied gelden de volgende doelen: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; d. het beheren van infrastructuur; e. het beheren van watersystemen; f. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; g. het bevorderen van een aantrekkelijke en bereikbare stad; h. het behouden van een adequaat verkeers- en vervoersniveau; i. het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid; en j. het bevorderen van een hoge kwaliteit van het openbaar gebied. Artikel 4.26 Aanwijzing beperkingengebied lokaal spoor Er is een Beperkingengebied lokaal spoor als

artikel 5.164 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat bestaat uit: a. de Kernzone lokale spoorweg; b. de Beschermingszone lokale spoorweg; c. de Buitenste beschermingszone lokale spoorweg; en d. de Kernzone nood-, onderhouds- en gebruikerstoegangen. Artikel 4.27 Aanwijzing beperkingengebied regionale waterkeringen Er is een Beperkingengebied regionale waterkeringen, waar de regels gelden van hoofdstuk 4 van de Waterschapsverordening Delfland. Artikel 4.28 Aanwijzing bergingsgebied Er is een Bergingsgebied met een functie voor waterstaatkundige doeleinden, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van het watersysteem en waar de regels gelden van hoofdstuk 4 van de Waterschapsverordening Delfland. Artikel 4.29 Objecten plaatsen op de weg Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij plaatsen van objecten op de weg voldaan aan Paragraaf 5.2.20 Objecten plaatsen op de weg. Artikel 4.30 Terras aanbrengen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij het aanbrengen van een terras voldaan aan Paragraaf 5.2.21 Terras aanbrengen. Artikel 4.31 Parkeerexcessen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij het parkeren van voertuigen voldaan aan Paragraaf 5.2.23 Parkeerexcessen. Artikel 4.32 Standplaats innemen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij het innemen van een standplaats voldaan aan Paragraaf 5.2.24 Standplaats innemen. Artikel 4.33 Reclame plaatsen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij het plaatsen van reclame voldaan aan Paragraaf 5.2.25 Reclame plaatsen. Artikel 4.34 Opbreken en graven in openbaar gebied Met het oog op de doelen,

artikel Artikel 4.25, wordt bij het opbreken en graven in openbaar gebied en het aanleggen, in stand houden en verwijderen van een kabel of leiding in openbaar gebied in beheer bij de gemeente voldaan aan Paragraaf 5.2.26 Activiteiten in het openbaar gebied. Artikel 4.35 Activiteiten in het beperkingengebied leidingen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij het verrichten van activiteiten in het Beperkingengebied leidingen voldaan aan Paragraaf 5.2.27 Activiteiten in het beperkingengebied leidingen. Artikel 4.36 Opslag van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen, kampeermiddelen etc. Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij het opslaan van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen, kampeermiddelen, mest, gier, vuil, ingekuild gras, loof, pulp, ingekuilde afbraakmaterialen of oude materialen voldaan aan Paragraaf 5.2.28 Opslag van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen, kampeermiddelen etc. Artikel 4.37 Ligplaats innemen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij het innemen van een ligplaats door vaartuigen voldaan aan Paragraaf 5.2.29 Ligplaats innemen. Artikel 4.38 Andere activiteiten in of boven openbaar water Met het oog op de doelen

Artikel 4

.25, wordt bij het verrichten van activiteiten in op boven openbaar water, anders dan het innemen van een ligplaats, voldaan aan Paragraaf 5.2.70 Andere activiteiten in of boven openbaar water. Artikel 4.39 Evenement organiseren Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij het organiseren van een evenement voldaan aan Paragraaf 5.2.30 Evenement organiseren. Artikel 4.40 Activiteiten in het Beperkingengebied lokaal spoor Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.25, wordt bij het verrichten van activiteiten in het Beperkingengebied lokaal spoor voldaan aan Paragraaf 5.2.77 Activiteiten in het Beperkingengebied lokaal spoor. Paragraaf 4.1.4 Cultureel erfgoed Artikel 4.41 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed. Artikel 4.42 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed gelden de volgende doelen: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; en b. het behoud van cultureel erfgoed. Artikel 4.43 Aanwijzing monument als gemeentelijk monument Een monument op een locatie met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument' is aangewezen als gemeentelijk monument. Artikel 4.44 Activiteit in, bij of aan een gemeentelijk monument Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.42, wordt bij het verrichten van activiteiten in, bij of aan gemeentelijke monumenten voldaan aan Paragraaf 5.2.31 Activiteit in, bij of aan een gemeentelijk monument. Artikel 4.45 Aanwijzing gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Een locatie met de functie-aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is aangewezen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Artikel 4.46 Slopen van bouwwerken in een stads- of dorpsgezicht Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.42, wordt bij het slopen van bouwwerken in een stads- of dorpsgezicht voldaan aan Paragraaf 5.2.32 Slopen van een bouwwerk in stads- of dorpsgezicht. Artikel 4.47 Activiteit in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.42, wordt bij het verrichten van activiteiten in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde voldaan aan Paragraaf 5.2.33 Activiteiten in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde. Artikel 4.48 Ruimtelijke ontwikkelingen in de landgoedbiotoop Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.42, wordt bij het bouwen of slopen van bouwwerken in de Landgoedbiotoop voldaan aan Paragraaf 5.2.34 Activiteiten in de landgoedbiotoop. Artikel 4.49 Bebouwing en beplanting in de molenbiotoop Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.42, wordt bij het bouwen van een bouwwerk en het aanbrengen van beplanting in de Molenbiotoop voldaan aan Paragraaf 5.2.76 Bouwen of beplanting aanbrengen in de molenbiotoop. Paragraaf 4.1.5 Natuur Artikel 4.50 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot natuur. Artikel 4.51 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot natuur gelden de volgende doelen: a. het beschermen van landschappelijke waarden; b. de natuurbescherming; c. het beschermen van natuurgebieden; d. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden; en e. bestendig beheer en onderhoud van natuur. Artikel 4.52 Aanwijzing bebouwingscontour jacht De Bebouwingscontour jacht als

artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen op grond van paragraaf 11.2.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving de jacht niet wordt uitgeoefend met het geweer, is gelijk aan de gemeentegrens. Artikel 4.53 Aanwijzing bebouwingscontour houtkap Er is een Bebouwingscontour houtkap als

artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen de regels over houtopstanden van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn. Artikel 4.54 Bomen kappen en beschadigen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.51, wordt bij het kappen van bomen en het verrichten van andere handelingen die de dood van een boom kunnen veroorzaken voldaan aan Paragraaf 5.2.35 Bomen kappen en beschadigen. Artikel 4.55 Kamperen buiten kampeerterrein Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.51, wordt bij het recreatief kamperen buiten een kampeerterrein voldaan aan Paragraaf 5.2.36 Kamperen buiten kampeerterrein. Artikel 4.56 Activiteiten verrichten in het Natuurnetwerk Nederland Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.51, wordt bij het verrichten van activiteiten in het Natuurnetwerk Nederland ecoverbindingen en het Natuurnetwerk Nederland bestaand en nieuw voldaan aan Paragraaf 5.2.78 Activiteiten in het Natuurnetwerk Nederland. Paragraaf 4.1.6 Milieu Artikel 4.57 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot milieu. Artikel 4.58 Doelen Voor de activiteit met betrekking tot milieu gelden de volgende doelen: a. het beschermen van de gezondheid; b. het waarborgen van de veiligheid; c. het beschermen van de natuur; en d. het beperken van de luchtverontreiniging. Artikel 4.59 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken Met het oog op de doelen,

artikel Artikel 4.58, wordt bij het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu - algemeen; en b. Paragraaf 5.2.42 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken. Artikel 4.60 Afvalwater lozen Met het oog op de doelen,

artikel Artikel 4.58, wordt bij het lozen van afvalwater voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; b. Paragraaf 5.2.44 Afvalwater lozen – algemeen; c. Paragraaf 5.2.45 Afvloeiend hemelwater of grondwater bij ontwatering lozen; d. Paragraaf 5.2.46 Grondwater lozen bij sanering; e. Paragraaf 5.2.47 Huishoudelijk afvalwater lozen; f. Paragraaf 5.2.48 Koelwater lozen; g. Paragraaf 5.2.49 Afvalwater lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken; h. Paragraaf 5.2.50 Afvalwater lozen bij opslaan en overslaan van goederen; i. Paragraaf 5.2.51 Afvalwater lozen bij schoonmaken van drinkwaterleidingen; j. Paragraaf 5.2.52 Afvalwater lozen bij calamiteitenoefeningen; k. Paragraaf 5.2.53 Afvalwater lozen bij telen, kweken, spoelen en sorteren van gewassen; l. Paragraaf 5.2.54 Afvalwater lozen bij maken van betonmortel; en m. Paragraaf 5.2.55 Uitwassen van beton. Artikel 4.61 Recreatieve visvijvers exploiteren Met het oog op de doelen,

artikel Artikel 4.58, wordt bij het exploiteren van recreatieve visvijvers voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.56 Recreatieve visvijvers exploiteren. Artikel 4.62 Fotografisch materiaal ontwikkelen en afdrukken Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.58, wordt bij het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.57 Fotografisch materiaal ontwikkelen en afdrukken. Artikel 4.63 Motorvoertuigen wassen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.58, wordt bij het wassen van motorvoertuigen voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.58 Motorvoertuigen wassen. Artikel 4.64 Niet-industrieel voedsel bereiden Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.58, wordt bij het bereiden van voedingsmiddelen met de volgende apparatuur voldaan aan Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen en Paragraaf 5.2.59 Niet-industriële voedselbereiding: a. keukenapparatuur; b. grootkeukenapparatuur; c. een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of d. een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW. Artikel 4.65 Voedingsmiddelenbedrijf exploiteren Met het oog op de doelen,

artikel Artikel 4.58, wordt bij het verrichten van een activiteit als

artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.60 Voedingsmiddelenbedrijf exploiteren. Artikel 4.66 Dieren slachten, dierlijke bijproducten bewerken en vlees, vis of organen uitsnijden Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.58, wordt bij het slachten van dieren, het bewerken van dierlijke bijproducten en het uitsnijden van vlees, vis of organen voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.61 Dieren slachten, dierlijke bijproducten bewerken en vlees, vis of organen uitsnijden. Artikel 4.67 Elektriciteit opwekken met een windturbine Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.58, wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.62 Elektriciteit opwekken met een windturbine. Artikel 4.68 Acculader in werking hebben Met het oog op de doelen,

Artikel 4.58, wordt bij het in werking hebben van een acculader voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.43 Milieu - algemeen; en b. Paragraaf 5.2.63 Acculader in werking hebben. Artikel 4.69 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.58, wordt bij het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.64 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage. Artikel 4.70 Vaste mest opslaan Met het oog op de doelen,

artikel Artikel 4.58, wordt bij het opslaan van vaste mest voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.65 Vaste mest opslaan. Artikel 4.71 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.58, wordt bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.66 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan. Artikel 4.72 Kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen opslaan Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.58, wordt bij het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.67 Opslaan van kuilvoer en andere bijvoedermiddelen. Artikel 4.73 Landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels fokken, houden en trainen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.58, wordt bij het fokken, houden en trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.68 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Paragraaf 4.1.7 Bodem Artikel 4.74 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten met betrekking tot bodem. Artikel 4.75 Doelen Voor bodem gelden de volgende doelen: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de bodem- en grondwaterkwaliteit; c. het doelmatig benutten van de bodem; d. het zuinig gebruik van grondstoffen; en e. het doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 4.76 Bodemgevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen en gebruik wijzigen naar bodemgevoelig gebruik Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.75, wordt bij het bouwen en in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw en bij het wijzigen van het gebruik van een locatie naar bodemgevoelig gebruik voldaan aan Paragraaf 5.2.37 Bodemgevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen en gebruik wijzigen naar bodemgevoelig gebruik. Artikel 4.77 Grondwatergevoelig gebouw bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.75, wordt bij het bouwen en in gebruik nemen van een grondwatergevoelig gebouw voldaan aan Paragraaf 5.2.38 Grondwatergevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen. Artikel 4.78 Grond en baggerspecie toepassen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.75, wordt bij het toepassen van grond en baggerspecie voldaan aan Paragraaf 5.2.69 Grond en baggerspecie toepassen. Artikel 4.79 AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken toepassen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.75, wordt bij het toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken voldaan aan Paragraaf 5.2.74 AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken toepassen. Artikel 4.80 Thermisch gereinigde grond toepassen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.75, wordt bij het toepassen van thermisch gereinigde grond voldaan aan Paragraaf 5.2.75 Thermisch gereinigde grond toepassen. Artikel 4.81 Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.75, wordt bij het graven in de bodem voldaan aan Paragraaf 5.2.40 Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde, als het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3. Artikel 4.82 Grootschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.75, wordt bij het graven in de bodem voldaan aan Paragraaf 5.2.72 Grootschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. Artikel 4.83 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.75, wordt bij het verrichten van een activiteit op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico voldaan aan Paragraaf 5.2.41 Activiteit verrichten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Artikel 4.84 Saneren Met het oog op de doelen,

Artikel 4.75, wordt bij het saneren van de bodem voldaan aan Paragraaf 5.2.73 Saneren.

Artikel 4.85 Nazorg verrichten na saneren van de bodem Met het oog op de doelen, bedoel in Artikel 4.75, wordt bij het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden voldaan aan Paragraaf 5.2.39 Nazorg verrichten na saneren van de bodem. Afdeling 4.2 Gebiedstypen Paragraaf 4.2.1 Algemeen Artikel 4.86 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over de volgende activiteiten met gebruiksruimte: a. agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. detailhandelsactiviteiten; d. dienstverleningsactiviteiten; e. horeca-activiteiten; f. infrastructuuractiviteiten; g. kantooractiviteiten; h. maatschappelijke activiteiten; i. recreatie-activiteiten; j. sportactiviteiten; en k. woonactiviteiten. Artikel 4.87 Doelen Voor gebiedstypen gelden de volgende doelen: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van het milieu; f. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; g. het bieden van voldoende woonruimte; h. het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden; en i. het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling. Artikel 4.88 Aanwijzing bebouwingscontour geur Er is een bebouwingscontour geur als

artikel 5.97 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 4.2.2 Centrumgebied Artikel 4.89 Aanwijzing Er is een gebiedstype Centrumgebied. Artikel 4.90 Doelen Binnen het Centrumgebied gelden de volgende doelen : a. een levendige stad; b. <PM uit omgevingsvisie halen>; en c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 4.91 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.90, worden binnen het Centrumgebied, voor zover het gaat om de activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.86, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

detailhandelsactiviteiten; b. dienstverleningsactiviteiten; c. horeca-activiteiten; d. infrastructuuractiviteiten; e. kantooractiviteiten; f. maatschappelijke activiteiten; en g. woonactiviteiten. Paragraaf 4.2.3 Woongebied Artikel 4.92 Aanwijzing Er is een gebiedstype Woongebied. Artikel 4.93 Doelen Binnen het Woongebied gelden de volgende doelen : a. een prettig woon- en leefklimaat; b. <PM uit omgevingsvisie halen>; en c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 4.94 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.93, worden binnen het Woongebied, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.86, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

bedrijfsactiviteiten, uitsluitend in de vorm van het exploiteren van een warmteoverslagstation; b. dienstverleningsactiviteiten; c. horeca-activiteiten; d. infrastructuuractiviteiten; e. maatschappelijke activiteiten; f. sportactiviteiten; en g. woonactiviteiten. Paragraaf 4.2.4 Werkgebied Artikel 4.95 Aanwijzing Er is een gebiedstype Werkgebied. Artikel 4.96 Doelen Binnen het Werkgebied gelden de volgende doelen: a. een economisch sterke stad; b. <PM uit omgevingsvisie halen>; en c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 4.97 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.96, worden binnen het Werkgebied, voor zover het gaat om de activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.86, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

bedrijfsactiviteiten; b. detailhandelsactiviteiten; c. dienstverleningsactiviteiten; d. horeca-activiteiten; e. infrastructuuractiviteiten; en f. kantooractiviteiten. Paragraaf 4.2.5 Werk-woongebied Artikel 4.98 Aanwijzing Er is een gebiedstype Werk-woongebied. Artikel 4.99 Doelen Binnen het Werk-woongebied gelden de volgende doelen : a. een economisch sterke stad met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; b. <PM uit omgevingsvisie halen>; en c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 4.100 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.99, worden binnen het Werk-woongebied, voor zover het gaat om de activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.86, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

bedrijfsactiviteiten; b. detailhandelsactiviteiten; c. dienstverleningsactiviteiten; d. horeca-activiteiten; e. infrastructuuractiviteiten; f. kantooractiviteiten; g. maatschappelijke activiteiten; en h. woonactiviteiten. Paragraaf 4.2.6 Groengebied Artikel 4.101 Aanwijzing Er is een gebiedstype Groengebied. Artikel 4.102 Doelen Binnen het Groengebied gelden de volgende doelen : a. een aantrekkelijke groene omgeving; b. het verhogen van natuurwaarden; c. <PM uit omgevingsvisie halen>; en d. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 4.103 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.102, worden binnen het Groengebied, voor zover het gaat om de activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.86, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

horeca-activiteiten; b. infrastructuuractiviteiten; c. recreatie-activiteiten; en d. woonactiviteiten. Hoofdstuk 5 Activiteiten Afdeling 5.1 Algemene bepalingen Artikel 5.1 Toepassingsbereik Met uitzondering van Afdeling 5.1 en Paragraaf 5.3.1 is een paragraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in Hoofdstuk 4 is bepaald. Artikel 5.2 Normadressaat Aan Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 5.3 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels voor activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald. 2. Een vergunningvoorschrift als

artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als

dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.

  1. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daartegen verzet.
  2. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als

dit hoofdstuk kan worden verbonden.

  1. Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  2. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen.
  3. Op het stellen van maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften over de regels in dit hoofdstuk, waarmee instructieregels van hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of hoofdstuk 7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn verwerkt, zijn die instructieregels van overeenkomstige toepassing. Artikel 5.4 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als

dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 5.5 Algemene gegevens bij een melding Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres, de kadastrale aanduiding of de coördinaten van de locatie waar de activiteit wordt verricht; d. als de melding elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van degene die de activiteit verricht; e. als de melding wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer, woonplaats en e-mailadres van de gemachtigde; en f. de dagtekening. Artikel 5.6 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres, de kadastrale aanduiding of de coördinaten van de locatie waar de activiteit wordt verricht; d. als de gegevens en bescheiden elektronisch worden ingediend: het e-mailadres van degene die de activiteit verricht; en e. de dagtekening. Artikel 5.7 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat 1. Voordat de naam of het adres,

de artikelen Artikel 5.5 of Artikel 5.6, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  1. Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 5.8 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  2. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in dit hoofdstuk en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  3. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 5.9 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning [Gereserveerd] Artikel 5.10 Gelijkwaardige maatregelen (algemeen) [Gereserveerd] Artikel 5.11 Informeren over een ongewoon voorval Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval bij de volgende activiteiten: a. hoofdgebouw bouwen als

Paragraaf 5.2.2; b. bijbehorend bouwwerk bouwen als

Paragraaf 5.2.3; c. dakkapel bouwen als

Paragraaf 5.2.5; d. pre-mantelzorghuisvesting bouwen als

Paragraaf 5.2.6; e. dakopbouw bouwen als

Paragraaf 5.2.11; f. dakterras bouwen als

Paragraaf 5.2.12; g. overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen als

Paragraaf 5.2.13; h. objecten plaatsen op de weg als

Paragraaf 5.2.20; i. activiteiten in een beperkingengebied leidingen als

Paragraaf 5.2.27; j. bouwwerk slopen als

Paragraaf 5.2.32; k. milieubelastende activiteiten als

Paragraaf 5.2.43; l. activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.86; anders dan wonen.

Artikel 5.12 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval 1. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen, indien van toepassing; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als

artikel 19.1, eerste lid, van de wet. 2. Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.13 Informeren over bijzondere omstandigheden die geen ongewoon voorval zijn [Gereserveerd] Artikel 5.14 Maatregelen bij bijzondere omstandigheden in de fysieke leefomgeving [Gereserveerd] Artikel 5.15 Omgevingsvergunning afwijken van regels in dit omgevingsplan [Gereserveerd] Artikel 5.16 Algemene beoordelingsregel [Gereserveerd] Afdeling 5.2 Thematische activiteiten Paragraaf 5.2.1 Bouwen - algemeen Artikel 5.17 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over: a. het bouwen van hoofdgebouwen; b. het bouwen van bijbehorende bouwwerken; c. het bouwen van dakkapellen; d. het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting; e. het bouwen van erf- en perceelafscheidingen; f. het wijzigen van kozijnen en gevels; g. het bouwen van ondergeschikte bouwdelen; h. het bouwen van airconditioningsunits en warmtepompen; i. het bouwen van dakopbouwen; j. het bouwen van dakterrassen; en k. het bouwen van overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Artikel 5.18 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties; e. het beschermen van de gezondheid; en f. het stimuleren van van klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Artikel 5.19 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt voor de activiteiten,

Artikel 5

.17, in ieder geval in dat bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 5.20 Meetbepalingen

  1. Bij het bouwen van bouwwerken wordt op de volgende wijze gemeten: a. bebouwingsgebied: achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw; b. beukmaat: de breedte van hart op hart van de woningscheidende muur; c. bouwhoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen; en d. straatpeil:
  2. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang met dien verstande dat, indien een bouwwerk is gelegen aan meerdere wegen, de laagste weg bepalend is;
  3. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het aansluitend afgewerkt terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; en
  4. voor een bouwwerk boven water: het plaatselijk aan te houden waterpeil.
  5. Ondergeschikte bouwonderdelen als

het eerste lid zijn: a. toegangen van bouwwerken, stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen, funderingen; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, voor zover deze niet dieper zijn dan 0,2 m ten opzichte van de gevel; c. luchtbehandelingskasten, liftschachten en technische ruimten op het dak, voor zover deze niet hoger zijn dan 4 m ten opzichte van het dak en architectonisch meeontworpen worden; d. gevel en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen en galerijen, voor zover deze niet dieper zijn dan 0,50 m ten opzichte van de gevel; e. luifels, voor zover deze niet dieper zijn dan 2 m ten opzichte van de gevel; f. erkers, voor zover deze niet dieper zijn dan 1,50 m ten opzichte van de gevel; g. balkons, voor zover deze niet dieper zijn dan 2,50 m ten opzichte van de gevel; h. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze niet dieper zijn dan 1,5 m ten opzichte van het straatpeil; en i. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand ten opzichte van de voorgevelbouwgrens dieper zijn dan 1 m. 3. Er wordt geen maatwerkvoorschrift gesteld over de meetbepalingen. Artikel 5.21 Verboden bouwactiviteiten Het is verboden een bouwactiviteit als

artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving te verrichten, als daarbij niet wordt voldaan aan de eisen in: a. dat artikel; en b. Paragraaf 5.2.2 tot en met Paragraaf 5.2.13. Artikel 5.22 Repressief welstand Het uiterlijk van de volgende bouwwerken is niet in ernstige mate in strijd met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 5.23 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt niet begonnen voordat: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet door het bevoegd gezag; en b. het straatpeil is uitgezet door het bevoegd gezag. Artikel 5.24 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit, als: a. de aansluitafstand niet groter is dan 100 m; of b. de aansluitafstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 5.25 Aansluiting op distributienet voor gas
  3. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand:
  4. niet groter is dan 40 m; of
  5. groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  6. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 5.26 Aansluiting op distributienet voor warmte
  7. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand:
  8. niet groter is dan 40 m; of
  9. groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  10. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  11. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  12. Als voor de inwerkingtreding van de wet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 5.27 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als: a. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m; of b. de aansluitafstand groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 5.28 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  13. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  14. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  15. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  16. Bij maatwerkvoorschrift als

Artikel 5.3 kan in ieder geval worden bepaald: a.

als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als

artikel 2.16, derde lid, van de wet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 5.29 Eigendom aansluitleiding

  1. De grens tussen het gemeentelijk eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluitleiding ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in de rioolaansluiting.
  2. De grens ligt ter plaatse van de aansluiting op de pompput, als een rioolwaterpomp voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater is vereist.
  3. De grens ligt in de rioolaansluitleiding op een afstand van 0,5 m buiten de perceelgrens, als er geen ontstoppingsstuk of rioolwaterpomp is. Artikel 5.30 Beheer, onderhoud, renovatie en vervanging aansluitleiding
  4. Het beheer, onderhoud, de renovatie of vervanging van de gemeentelijke aansluitleiding komt voor rekening van de gemeente en wordt door of namens de gemeente uitgevoerd.
  5. Onder renovatie wordt ook verstaan een wijziging in de gemeentelijke voorzieningen voor het beheer van afvalwater.
  6. Het eerste lid geldt niet bij onjuist gebruik van de particuliere aansluitleiding.
  7. Er is sprake van onjuist gebruik als: a. het lozen van stoffen die verstoppingen in de aansluitleiding of de voorzieningen voor het beheer van afvalwater kunnen veroorzaken; b. het lozen het stoffen die de constructie van de aansluitleiding kunnen aantasten; of c. het lozen van afvalwater op een niet daarvoor bedoeld openbaar riool.
  8. De kosten voor het onderhoud van de particuliere aansluitleiding komen voor rekening van de eigenaar.
  9. De kosten voor onderhoud van de particuliere aansluitleiding komen voor rekening van de gemeente als de noodzaak tot onderhoud veroorzaakt is door de gemeente. Artikel 5.31 Verstopping of andere storing
  10. De zakelijk gerechtigde of gebruiker toont bij een verstopping of storing aan of er sprake is van een probleem in de particuliere aansluitleiding of in de gemeentelijke aansluitleiding.
  11. De eigenaar, zakelijk gerechtigde of gebruiker neemt bij een verstopping of ander probleem in de gemeentelijke aansluitleiding contact op met de gemeente, zodat de gemeente in de gelegenheid wordt gesteld voor het verrichten van noodzakelijke werkzaamheden.
  12. De eigenaar, zakelijk gerechtigde of gebruiker zorgt bij een verstopping of andere storing in de particuliere aansluitleiding dat het probleem wordt verholpen.
  13. De kosten voor het onderzoek als

het eerste lid komen voor rekening van de eigenaar of gebruiker.

  1. In afwijking van het vierde lid vergoedt de gemeente maximaal € 200,- voor het onderzoek als de oorzaak bij de gemeente ligt. Artikel 5.32 Bluswatervoorziening
  2. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  3. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als

artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  1. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 5.33 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  2. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  4. Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  5. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte,

het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  1. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 5.34 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  2. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  4. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als

artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte,

Artikel 5.33, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  1. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 5.35 Eisen aan tekeningen
  2. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als

deze afdeling hebben tekeningen een schaal die kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 10.000 m2; en c. 1:200, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van 10.000 m2 of groter.

  1. Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
  2. Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen. Artikel 5.36 Plattegrond, doorsnede en aanzicht
  3. Bij een aanvraag waarbij plattegronden worden verstrekt, worden deze plattegronden verstrekt met een doorsnede van een bouwlaag op 1.200 mm boven vloerniveau waarop zijn aangegeven: a. uitwendige en inwendige scheidingsconstructies, met inbegrip van de materiaalaanduiding; b. peilmaten van de vloer; c. trappen en hellingbanen; d. binnen- en buitenkozijnen; e. kokers, schachten, kanalen en schoorstenen; f. alle oppervlakken die een directe relatie hebben met of behoren tot:
  4. gebruiksfuncties;
  5. gebruiksoppervlakten en vloeroppervlakten;
  6. verwarmde en onverwarmde zones;
  7. gebruiksgebieden, functiegebieden en verblijfsgebieden;
  8. verkeersruimten; en
  9. toegankelijkheidssectoren; en g. overige gegevens die zich hiervoor lenen, waaronder in ieder geval toiletruimten, badruimten, buitenbergingen, buitenruimten, liften, stallingsruimten, technische ruimten, opslagruimten en opstelplaatsen van het aanrecht en kook-, stook- en warmwatertoestellen.
  10. De vloerpeilen ten opzichte van het straatpeil en de hoogte van het maaiveld zijn aangeduid ter plaatse van de entree van het bouwwerk.
  11. Plattegronden en doorsneden zijn voorzien van maatvoering en hoogtelijnen.
  12. Alle aanzichten, met inbegrip van geveltekeningen, worden in loodrechte verticale projectie weergegeven. Paragraaf 5.2.2 Hoofdgebouw bouwen Artikel 5.37 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van hoofdgebouwen. Artikel 5.38 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en c. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.39 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen. Artikel 5.40 Bijzondere aanvraagvereisten
  13. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; c. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; e. een landschapsplan en een plan voor ecologische voorzieningen in de omgeving en aan de gebouwen; en f. een plan met de voorzieningen voor klimaatadaptatie.
  14. Voor de toetsing aan de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking. Artikel 5.41 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet; en c. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast. Artikel 5.42 Stedenbouwkundige omgevingskwaliteit Een goede omgevingskwaliteit als

Artikel 5.41 houdt in ieder geval in dat: a.

het aangevraagde bouwwerk aansluit op bestaande stedenbouwkundige structuren en een kwaliteitsimpuls is voor de omgeving; b. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal woningen’: niet meer woningen worden gerealiseerd dan aangegeven bij die aanduiding; c. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum dichtheid’: niet meer woningen per hectare worden gerealiseerd dan aangegeven bij die aanduiding; of d. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte’: de bouwhoogte niet hoger is dan aangegeven bij die aanduiding. Artikel 5.43 Aanvullende beoordelingsregel vanwege provinciale instructieregels 1. Onverminderd Artikel 5.41 wordt de omgevingsvergunning voor een hoofdgebouw alleen verleend, als dat verenigbaar is met de instructieregels,

de volgende paragrafen van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening: a. paragraaf 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen; b. paragraaf 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit; c. paragraaf 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen; en d. paragraaf 7.3.8a Wonen.

  1. Voor de toepassing van het eerste lid zijn de oogmerken, in aanvulling op Artikel 5.38, de oogmerken die blijken uit de instructieregels. Artikel 5.44 Aanvullende beoordelingsregel vanwege rijksinstructieregels
  2. Onverminderd Artikel 5.41 wordt de omgevingsvergunning voor een hoofdgebouw alleen verleend, als dat verenigbaar is met de instructieregels,

paragraaf 5.1.5.4 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  1. Voor de toepassing van het eerste lid zijn de oogmerken, in aanvulling op Artikel 5.38, de oogmerken die blijken uit de instructieregels. Paragraaf 5.2.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen Artikel 5.45 Toepassingsbereik
  2. Deze paragraaf gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken, met inbegrip van mantelzorgwoningen, anders dan bij: a. een woonwagen; b. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben; en c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
  3. Deze paragraaf gaat niet over: a. het bouwen van een dakkapel,

Paragraaf 5.2.5; b. het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting,

Paragraaf 5.2.6; en c. het bouwen van een dakopbouw,

Paragraaf 5.2.

  1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Artikel 5.46 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en c. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.47 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen in het voorerfgebied.
  3. Het verbod geldt niet voor het bouwen van een fietsenberging of scootmobielbox, als: a. het achtererfgebied alleen via het hoofdgebouw bereikbaar is; b. deze een oppervlakte heeft van ten hoogste 4 m2; c. deze een bouwhoogte heeft van ten hoogste 1,25 m; d. deze op een afstand van minimaal 0,25 m van openbaar gebied wordt gebouwd; en e. het dak ervan met sedum wordt uitgevoerd.
  4. Het verbod geldt niet voor het bouwen van een erker of toegangsportaal, als: a. er niet meer dan één erker of één toegangsportaal wordt gebouwd; b. de breedte ervan niet meer bedraagt dan 30% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw; c. de afstand ervan tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 0,5 m bedraagt, tenzij sprake is van een gezamenlijke erker of toegangsportaal met het naastgelegen hoofdgebouw; d. de diepte ervan ten opzichte van de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,20 m; en e. de bouwhoogte ervan niet meer bedraagt dan:
  5. de hoogte de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en
  6. 3 m. Artikel 5.48 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  7. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; c. een situatietekening van de bestaande toestanden een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; en d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil.
  8. Voor de toetsing aan de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking. Artikel 5.49 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

  1. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het bouwwerk: a. identiek is aan een ander bijbehorend bouwwerk in hetzelfde aaneengesloten bouwblok waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend, als deze aanwezig is; en b. een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw is.
  2. Onverminderd het eerste lid wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk alleen verleend, als het bijbehorend bouwwerk: a. een grondgebonden toevoeging is van ten hoogste één bouwlaag; b. wordt gebouwd aan:
  3. een oorspronkelijke voorgevel en op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied; of
  4. een zijgevel, op meer dan 1 m achter de voorkant van het hoofdgebouw en op meer dan 1 m van het openbaar toegankelijk gebied; c. niet hoger is dan:
  5. 4 m; en
  6. 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; d. niet breder is dan:
  7. aan de voorgevel: de breedte van het kozijn of de kozijnen waaraan het bijbehorend bouwwerk wordt geplaatst; en
  8. aan de zijgevel: 3 m; e. niet dieper is dan:
  9. aan de voorgevel: 1 m; en
  10. aan een zijgevel: van 1 m achter de voorgevel tot 4 m achter de oorspronkelijke achtergevelrooilijn; f. vormgegeven wordt:
  11. aan een voorgevel: als een erker met kozijnen;
  12. aan een zijgevel: op een rechthoekige wijze;
  13. met een plat dak of dakvorm afgestemd op de dakvorm van het hoofdgebouw; en
  14. zonder doorgetrokken dakvlakken vanaf het hoofdgebouw over de aan- of uitbouw; en g. voor wat betreft het materiaal- en kleurgebruik van de zichtbare delen is afgestemd op het hoofdgebouw.
  15. In afwijking van het tweede lid wordt de vergunning voor een bijbehorend bouwwerk aan de zijgevel van een hoekwoning alleen verleend, als: a. de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied ten minste 1 m is; b. de afstand tot de voorgevel en het verlengde van de voorgevel ten minste 1 m is; en c. de bouwhoogte ten hoogste:
  16. de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw is; en
  17. 3 m is.
  18. In afwijking van het tweede lid wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een grondgebonden toevoeging met een hoogte van ten hoogste 1,20 m alleen verleend als deze: a. gebouwd wordt op meer dan 0,3 m van openbaar toegankelijk gebied; b. een oppervlakte heeft van niet meer dan 4 m2; c. duidelijk rechthoekig is vormgegeven met een sobere detaillering; en d. is uitgevoerd:
  19. in metselwerk of hout; en
  20. zonder opvallend kleurgebruik. Artikel 5.50 Algemene regels achtererfgebied
  21. Dit artikel gaat over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied.
  22. Het bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied.
  23. Voor zover wordt gebouwd op een afstand van ten hoogste 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk niet hoger dan: a. het hoofdgebouw; b. 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; en c. 5 m.
  24. Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw en voor zover het bijbehorend bouwwerk hoger is dan 3 m: a. wordt deze voorzien van een schuin dak; b. is de dakvoet niet hoger dan 3 m; en c. wordt de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) +
  25. Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
  26. De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan: a. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; b. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en c. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m
  27. Paragraaf 5.2.4 Overig gebouw bouwen Artikel 5.51 Toepassingsbereik
  28. Deze paragraaf gaat over het bouwen van overige gebouwen.
  29. Deze paragraaf gaat niet over: a. het bouwen van een hoofdgebouw,

Paragraaf 5.2.2; b. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk,

Paragraaf 5.2.

  1. Artikel 5.52 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en c. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.53 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen overig gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen. Artikel 5.54 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning overig gebouw
  2. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een overig gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; c. een situatietekening van de bestaande toestanden een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; en d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil.
  3. Voor de toetsing aan de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking. Artikel 5.55 Beoordelingsregel omgevingsvergunning overig gebouw De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet; en c. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast. Artikel 5.56 Stedenbouwkundige omgevingskwaliteit Een goede omgevingskwaliteit als

Artikel 5.55 houdt in ieder geval in dat: a.

het aangevraagde bouwwerk aansluit op bestaande stedenbouwkundige structuren en een kwaliteitsimpuls is voor de omgeving; b. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal woningen’: niet meer woningen worden gerealiseerd dan aangegeven bij die aanduiding; c. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum dichtheid’: niet meer woningen per hectare worden gerealiseerd dan aangegeven bij die aanduiding; en d. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte’: de bouwhoogte niet hoger is dan aangegeven bij die aanduiding. Artikel 5.57 Aanvullende beoordelingsregel vanwege provinciale instructieregels 1. Onverminderd Artikel 5.55 wordt de omgevingsvergunning voor een overig gebouw alleen verleend, als dat verenigbaar is met de instructieregels,

de volgende paragrafen van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening: a. paragraaf 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen; b. paragraaf 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit; c. paragraaf 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen; en d. paragraaf 7.3.8a Wonen.

  1. Voor de toepassing van het eerste lid zijn de oogmerken, in aanvulling op Artikel 5.52, de oogmerken die blijken uit de instructieregels. Artikel 5.58 Aanvullende beoordelingsregel vanwege rijksinstructieregels
  2. Onverminderd Artikel 5.56 wordt de omgevingsvergunning voor een overig gebouw alleen verleend, als dat verenigbaar is met de instructieregels,

paragraaf 5.1.5.4 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  1. Voor de toepassing van het eerste lid zijn de oogmerken, in aanvulling op Artikel 5.52, de oogmerken die blijken uit de instructieregels. Paragraaf 5.2.5 Dakkapel bouwen Artikel 5.59 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van dakkapellen. Artikel 5.60 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en c. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.61 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen dakkapel Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gelegen zijdakvlak te bouwen. Artikel 5.62 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning dakkapel Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand, met daarop de maatvoering en afstanden vanaf de randen van het dak en de perceelsgrenzen; b. een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil; e. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; f. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; g. kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; h. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan; en i. als het eigendom van het gebouw is verdeeld in appartementsrechten: een bewijs van de toestemming van de Vereniging van Eigenaren. Artikel 5.63 Beoordelingsregels omgevingsvergunning dakkapel
  2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de dakkapel identiek is aan een andere dakkapel in hetzelfde aaneengesloten bouwblok waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend, als deze aanwezig is.
  3. Onverminderd het eerste lid wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel alleen verleend, als: a. de geleding en plaatsing van de dakkapel gerelateerd is aan het stramien, de geleding en de indeling van de gevel; b. de indeling en profielen van de dakkapel in overeenstemming zijn met de indeling en de profielen van de ramen en kozijn van de gevel; c. het materiaal en kleurgebruik van de dakkapel zijn afgestemd op de gevel en het hoofdgebouw; en d. het uiterlijk of de plaatsing van de dakkapel zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet. Artikel 5.64 Algemene regels plaatsing dakkapel

  1. Dit artikel heeft betrekking op een dakkapel die niet in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gelegen zijdakvlak wordt gebouwd
  2. Een dakkapel wordt niet op een bijbehorend bouwwerk gebouwd.
  3. Alle dakkapellen in hetzelfde dakvlak worden naast elkaar gebouwd.
  4. Bij het bouwen van een dakkapel wordt de dakkapel voorzien van een plat dak.
  5. De dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet hoger dan 1,75 m.
  6. De onderzijde van de dakkapel ligt verticaal gemeten meer dan 0,5 m maar niet meer dan 1 m boven de dakvoet.
  7. De bovenzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,5 m onder de daknok.
  8. De zijkanten van de dakkapel liggen meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.
  9. De breedte is in totaal niet meer dan 2/3 van de beukmaat van het dakvlak.
  10. Onverminderd het eerste lid wordt de dakkapel in een meerlaags dakvlak onder in het dakvlak gebouwd.
  11. De hoogte van de boeiboord is ten hoogste 0,25 m. Artikel 5.65 Algemene regel detaillering, materiaal en kleur Het voorvlak is gevuld met glas. Artikel 5.66 Algemene regels kapvorm
  12. Bij het plaatsen van een dakkapel op een schilddak, tentdak, piramidedak of mansardedak is de afstand tot hoekkepers minimaal 1 m.
  13. Bij een mansardedak wordt een dakkapel geplaatst in het onderste deel van het dakvlak onder de knik, waarbij de bovenkant van de dakkapel gelijk is aan de knik in het dakvlak. Paragraaf 5.2.6 Pre-mantelzorghuisvesting bouwen Artikel 5.67 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting. Artikel 5.68 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de omgevingskwaliteit; b. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en c. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.69 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning pre-mantelzorghuisvesting te bouwen. Artikel 5.70 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  14. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; c. een situatietekening van de bestaande toestanden een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil; en e. informatie over de situatie van en sociale relatie met de toekomstige hulpbehoevende.
  15. Voor de toetsing aan de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking. Artikel 5.71 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting wordt alleen verleend als: a. de toekomstige zorgbehoevende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of een progressieve ziekte heeft; b. er sprake is van een directe verwantschap tussen de eigenaar van de grond en de toekomstige zorgbehoevende; c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet; d. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast; en e. de pre-mantelzorghuisvesting niet leidt tot verslechtering van de woonsituatie. Paragraaf 5.2.7 Erf- en perceelafscheiding bouwen Artikel 5.72 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van erf- en perceelafscheidingen hoger dan 1 m. Artikel 5.73 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de omgevingskwaliteit; en b. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.74 Algemene regels erf- of perceelafscheiding

  1. Bij het bouwen van een erf-of perceelafscheiding is deze niet hoger dan 2 m.
  2. De erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd op gebouwerf waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.
  3. De erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen. Paragraaf 5.2.8 Kozijn- en gevelwijzigingen Artikel 5.75 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het wijzigen van kozijnen en gevels in het voorerfgebied of het naar openbaar toegankelijk gekeerd zijerf. Artikel 5.76 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; en d. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.77 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het voorerfgebied of het naar openbaar toegankelijk gekeerd zijerf: a. kozijnen te vervangen, voor zover het profiel van het kozijn wijzigt; of b. gevelopeningen te wijzigen. Artikel 5.78 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een kozijn- of gevelwijziging worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening waarop aangegeven de gevel waarop de aanvraag betrekking heeft en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; b. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe de kozijn- of gevelwijziging in de directe omgeving past; c. principedetails van het bouwwerk; d. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en e. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan. Artikel 5.79 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een kozijn- of gevelwijziging wordt alleen verleend als: a. deze identiek is aan een andere kozijn- of gevelwijziging in hetzelfde aaneengesloten bouwblok waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend, of b. als dat niet het geval is:
  4. de maatvoering en plaatsing is afgestemd op het hoofdgebouw;
  5. de kleur- en materiaalgebruik is afgestemd op de gevel;
  6. de detaillering is afgestemd op de gevel en kozijnen; en
  7. alleen gebruik wordt gemaakt van kunststof als de profilering op hout lijkt. Paragraaf 5.2.9 Ondergeschikt bouwdeel bouwen Artikel 5.80 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van ondergeschikte bouwdelen. Artikel 5.81 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; en d. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.82 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen ondergeschikte bouwdelen
  8. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ondergeschikt bouwdeel te bouwen.
  9. Het verbod geldt niet voor ondergeschikte bouwdelen die kleiner zijn dan 1,5 m, tenzij deze zich uitstrekken tot in het openbaar gebied. Artikel 5.83 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende foto met daarop de locatie van het ondergeschikte bouwdeel, de maatvoering en de afstanden tot de perceelsgrenzen; b. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan; en c. als het eigendom van het gebouw is verdeeld in appartementsrechten: een bewijs van de toestemming van de Vereniging van Eigenaren. Artikel 5.84 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel wordt alleen verleend als: a. een situatietekening waarop aangegeven de locatie van het ondergeschikte bouwdeel, de maatvoering en de afstanden tot de perceelsgrenzen; b. het ondergeschikte bouwdeel past binnen de stedenbouwkundige structuur; c. de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht; en d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet. Paragraaf 5.2.10 Airconditioningunit en warmtepomp bouwen Artikel 5.85 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van airconditioningunits en warmtepompen. Artikel 5.86 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.87 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een airconditioningunit of warmtepomp te bouwen als niet wordt voldaan aan Artikel 5.90 of Artikel 5.91, tenzij de airconditioningunit of warmtepomp voldoet aan de in artikel 2.29, aanhef en onder r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving opgenomen eisen. Artikel 5.88 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een airconditioningunit of warmtepomp worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening waarop aangegeven de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; b. tekeningen van alle zijden van het bouwwerk, waaruit blijkt hoe het bouwwerk in de directe omgeving past; c. principedetails van het bouwwerk; d. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en e. een opgave van de toe te passen materialen en de kleur daarvan. Artikel 5.89 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een airconditioningunit of warmtepomp wordt alleen verleend als het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit. Artikel 5.90 Algemene regels airconditioningsunits en warmtepompen

  1. Een airconditioningunit of warmtepomp wordt alleen gebouwd aan de achtergevel van een hoofdgebouw met ten hoogste 3 bouwlagen.
  2. De oppervlakte van de voorkant van een airconditioningunit of warmtepomp is niet meer dan 0,75 m
  3. Een airconditioningunit of warmtepomp steekt maximaal 0,4 m uit de achtergevel. Artikel 5.91 Algemene regels airconditioningunits en warmtepompen op een plat dak Bij het bouwen van een airconditioningunit of warmtepomp op een plat dak: a. is de afstand tot aan een dakrand groter of gelijk aan 1,4 maal de hoogte van de airconditioningunit of warmtepomp; b. is de hoogte maximaal 2 m; en c. is de oppervlakte maximaal 4 m
  4. Paragraaf 5.2.11 Dakopbouw bouwen Artikel 5.92 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van dakopbouwen. Artikel 5.93 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; en d. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.94 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakopbouw te bouwen. Artikel 5.95 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakopbouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de maatvoering van de dakopbouw, de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; b. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; c. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; d. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; e. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en f. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan. Artikel 5.96 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  5. De omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakopbouw wordt alleen verleend als: a. de dakopbouw gelijk is aan de trendsetter, als deze aanwezig is; b. op het betreffende dakvlak nog geen dakopbouw is geplaatst; c. de dakopbouw tussen bestaande schoorstenen of woningscheidende wanden wordt geplaatst; d. bij het plaatsen van een dakopbouw bij een eindwoning, de dakopbouw doorloopt tot aan de zijgevel; e. de afstand van een dakopbouw tot een hoek- of kilkeper meer dan 1 m bedraagt; f. de maatverhoudingen van de dakopbouw zijn gerelateerd aan de vormgeving van de gevel; g. het materiaal- en kleurgebruik en de vormgeving van de dakopbouw aansluit bij de rest van de woning en de bebouwing in de omgeving, waarbij karakteristieke goot- en daklijnen behouden worden; h. in de periode van 19 februari tot 21 oktober, in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van ieder naastgelegen gebouw, ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag zijn als gevolg van de dakopbouw; i. geen onevenredige aantasting van de privacy van omliggende woningen plaatsvindt; j. de dakopbouw niet wordt gebouwd:
  6. aan de randen van de wijk: aan de achterzijde van de bebouwing; en
  7. op beeldbepalende punten; en k. de gevelwand zich voor kappen leent.
  8. In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, wordt de vergunning voor het bouwen van een dakopbouw in het Havenkwartier alleen verleend, als in de periode van 19 februari tot 21 oktober in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van ieder naastgelegen gebouw ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag zijn.
  9. Onverminderd het eerste lid wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van de dakopbouw zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet. Paragraaf 5.2.12 Dakterras bouwen Artikel 5.97 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van dakterrassen. Artikel 5.98 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; en d. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.99 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakterras te bouwen. Artikel 5.100 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakterras worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de maatvoering van het dakterras, de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; b. aanzichten van de borstwering; c. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil; d. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; e. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; f. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan; en g. als het eigendom van het gebouw is verdeeld in appartementsrechten: een bewijs van de toestemming van de Vereniging van Eigenaren. Artikel 5.101 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakterras wordt alleen verleend als: a. het dakterras niet zichtbaar is vanaf het openbaar toegankelijk gebied, voor zover het gaat om een dakterras op een hoofdgebouw; b. de opgang vanaf de onderliggende verdieping niet meer dan 2 m hoog is en het oppervlakte niet meer is dan 4 m2, voor zover het gaat om een dakterras op een hoofdgebouw; c. het dakterras in het achtererf is gelegen, voor zover het gaat om een dakterras op een bijbehorend bouwwerk; d. het dakterras gemeten vanuit de achtergevel niet meer dan 4 m diep is, voor zover het gaat om een dakterras op een bijbehorend bouwwerk; e. de bouwhoogte van de borstwering van het dakterras niet hoger is dan 1,20 m; en f. de bouwhoogte van privacyschermen tussen dakterrassen niet meer is dan 2 m. Paragraaf 5.2.13 Overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Artikel 5.102 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Artikel 5.103 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; en d. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. Artikel 5.104 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat niet voldoet aan de eisen van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving te bouwen. Artikel 5.105 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil; c. tekeningen van aanzichten van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; d. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; e. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en f. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen inclusief kleur van het bouwwerk. Artikel 5.106 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, wordt alleen verleend als: a. het uiterlijk van bouwwerken niet in ernstige mate in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 Ow; en b. de belangen,

Artikel 5.103, niet onevenredig worden geschaad.

Paragraaf 5.2.14 Gebruik van open erven en terreinen Artikel 5.107 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het gebruiken van open erven en terreinen. Artikel 5.108 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als

tabel 5.1 aanwezig. ADR-klasse Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximumhoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diëthylzink4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter Tabel 5.1 Aanwezigheid brandgevaarlijke stof

  1. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 5.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  2. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  3. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  4. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  5. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; d. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; e. en brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  6. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid,

het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend. 5. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als

dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Artikel 5.109 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 5.2.15 Gebruik van gebouwen als seksbedrijf Artikel 5.110 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het gebruik van gebouwen als seksbedrijf. Artikel 5.111 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en b. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.112 Verbod Het is verboden in een gebouw een seksbedrijf te exploiteren. Paragraaf 5.2.16 Woonruimte wijzigen Artikel 5.113 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het wijzigen van woonruimte. Artikel 5.114 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van de samenstelling van de woonruimtevoorraad; b. het tegengaan van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte; c. het behoud van de leefbaarheid; en d. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 5.115 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een woonruimte te verbouwen of te splitsen tot twee of meer zelfstandige woonruimten of in die verbouwde of gesplitste staat te houden; b. een woonruimte met andere woonruimte samen te voegen of samengevoegd te houden; c. een woonruimte geheel of gedeeltelijk aan de woonruimtevoorraad te onttrekken of onttrokken te houden, met inbegrip van short stay; of d. een woonruimte geheel of gedeeltelijk om te zetten van zelfstandige in twee of meer onzelfstandige woonruimten in dezelfde woning of in die staat te houden, met inbegrip van het gebruiken voor kamergewijze verhuur, woningdelen of inwoning. 2. Het verbod,

het eerste lid, onder d, geldt niet voor het geheel of gedeeltelijk omzetten van zelfstandige woonruimte naar onzelfstandige woonruimte bij: a. inwoning door niet meer dan één persoon bij het bestaande huishouden van de betreffende woonruimte; of b. woningdelen door niet meer dan twee personen die geen duurzaam gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 5.116 Bijzondere aanvraagvereisten Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw in de huidige en beoogde situatie; b. de wijze waarop het terrein ontsloten wordt; c. de volgende gegevens over de huidige situatie:

  1. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw;
  2. de huur- of koopprijs;
  3. het aantal kamers;
  4. de gebruiksoppervlakte; en
  5. de staat van onderhoud; d. de volgende gegevens over de beoogde situatie:
  6. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw;
  7. het aantal kamers; en
  8. een situatietekening waaruit de situering van het gebouw ten opzichte van de in de nabijheid gelegen bouwwerken blijft; e. bij een voorgenomen samenvoeging: de verwachte huur- of koopprijs; f. de volgende gegevens bij een voorgenomen splitsing:
  9. een splitsingsplan dat voldoet aan artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek en het op basis van dat artikel vastgestelde besluit over splitsing in appartementsrechten, waarin de indeling en met de splitsing bedoelde eigendomswijzigingen zijn aangegeven op ten minste de schaal 1:100;
  10. een bouwkundig rapport niet ouder dan 6 maanden waaruit blijkt dat de toestand van het gebouw zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud niet tegen splitsing verzet, dan wel hoe het gebouw hiertoe zal worden aangepast;
  11. een funderingsrapport niet ouder dan 6 maanden waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat de fundering binnen 25 jaar geen onderhoud nodig heeft; en
  12. een keuringsrapport gas en elektra niet ouder dan 6 maanden van een erkend keuringsbedrijf waaruit blijkt dat de gas- en elektra-installatie voldoet aan de eisen gesteld in het Besluit bouwwerken leefomgeving; en g. als het eigendom van het gebouw is verdeeld in appartementsrechten: een bewijs van de toestemming van de Vereniging van Eigenaren. Artikel 5.117 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  13. De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. de samenstelling van de woonruimtevoorraad; b. de leefbaarheid; of c. het woon- en leefklimaat.
  14. Bij de toepassing van het eerste lid wordt gebruik gemaakt van de Beleidsregels wijzigen samenstelling woonruimtevoorraad gemeente Rijswijk 2023 of de eventuele rechtsopvolgers daarvan. Paragraaf 5.2.17 Woonruimte gebruiken Artikel 5.118 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het gebruiken van woonruimte. Artikel 5.119 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het behoud van de leefbaarheid; en c. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 5.120 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  15. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woonruimte te gebruiken voor huisvesting anders dan voor één afzonderlijk huishouden.
  16. Het verbod geldt niet voor: a. inwoning door niet meer dan één persoon bij het bestaande huishouden van de betreffende woonruimte; of b. woningdelen door niet meer dan twee personen die geen duurzaam gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 5.121 Bijzondere aanvraagvereisten Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van het gewenste woonruimtegebruik; b. bij verhuur een document waaruit blijkt dat:
  17. voldaan is aan goede participatie met omwonenden;
  18. er afspraken gemaakt zijn over regels opgelegd aan huurders; en
  19. omwonenden te allen tijde de verhuurder kunnen aanspreken bij klachten; en c. als het eigendom van het gebouw is verdeeld in appartementsrechten: een bewijs van de toestemming van de Vereniging van Eigenaren. Artikel 5.122 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  20. De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. de samenstelling van de woonruimtevoorraad; b. de leefbaarheid; of c. het woon- en leefklimaat.
  21. Bij de toepassing van het eerste lid wordt gebruik gemaakt van de Beleidsregels wijzigen samenstelling woonruimtevoorraad gemeente Rijswijk 2023 of de eventuele rechtsopvolgers daarvan. Artikel 5.123 Algemene regel overbewoning woonruimte
  22. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  23. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin opvang aan asielzoekers wordt aangeboden door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Artikel 5.124 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 5.2.18 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen Artikel 5.125 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. Artikel 5.126 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid; en c. ruimte bieden aan economische activiteiten. Artikel 5.127 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt voor het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis in ieder geval in dat: a. onevenredige toename van de verkeersbelasting in de omgeving wordt voorkomen; en b. geluidhinder wordt voorkomen of beperkt. Artikel 5.128 Algemene regels beroep of bedrijf aan huis

  1. Een beroep of bedrijf aan huis wordt door de bewoner zelf uitgeoefend.
  2. De bruto oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend is ten hoogste 40% van de bruto vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 40 m
  3. Artikel 5.129 Algemene regels verkoop van producten
  4. Bij het beroep of bedrijf aan huis worden alleen producten aan huis verkocht die ter plaatse zijn vervaardigd, verwerkt of bewerkt.
  5. Er is geen winkel- of uitstallingsruimte van producten ten behoeve van de activiteit. Paragraaf 5.2.19 Bed and Breakfast verzorgen Artikel 5.130 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verzorgen van een bed and breakfast. Artikel 5.131 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat; b. het behoud van de samenstelling van de woonruimtevoorraad; c. het tegengaan van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte; d. het beschermen van de gezondheid; e. het bevorderen van toerisme; en f. het bieden van ruimte aan economische activiteiten. Artikel 5.132 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een Bed and Breakfast te verzorgen. Artikel 5.133 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal kamers dat ter beschikking wordt gesteld als slaapvertrek voor de bed and breakfast; b. het bruto vloeroppervlak van de bed and breakfast ten opzichte van het vloeroppervlak van de gehele woning; c. een plattegrond van iedere verdieping van de woning; en d. een document waaruit blijkt dat de bewoners van de betreffende woning zelf woonachtig zijn op het adres van de bed and breakfast. Artikel 5.134 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen,

Artikel 5.131, niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 5.135 Algemene regels Bed and Breakfast verzorgen

  1. Per woning wordt niet meer dan één Bed and Breakfast geëxploiteerd.
  2. De Bed and Breakfast wordt verzorgd door de bewoners van de betreffende woning, die ook zelf in die woning wonen.
  3. Het bruto vloeroppervlak van de Bed and Breakfast is ten hoogste 40% van het bruto vloeroppervlak van de gehele woning.
  4. Er maken niet meer dan vier meerderjarigen tegelijkertijd gebruik van de Bed and Breakfast.
  5. Er worden niet meer dan twee kamers ter beschikking gesteld als slaapvertrek voor de Bed and Breakfast.
  6. De Bed and Breakfast wordt niet gebruikt voor particuliere vakantieverhuur. Paragraaf 5.2.20 Objecten plaatsen op de weg Artikel 5.136 Toepassingsbereik
  7. Deze paragraaf gaat over het plaatsen van objecten op of boven de openbare weg in beheer bij de gemeente.
  8. Deze paragraaf gaat niet over: a. terrassen als

Paragraaf 5.2.21; b. parkeren als

Paragraaf 5.2.23; c. standplaatsen als

Paragraaf 5.2.24; d. reclame als

Paragraaf 5.2.25; en e. evenementen als

Paragraaf 5.2.30. Artikel 5.137 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van gevaar voor de veiligheid, de volksgezondheid of het milieu; b. het voorkomen van schade aan de weg, belemmering van de bruikbaarheid van de weg, dan wel de belemmering van het beheer of onderhoud van de weg; c. het beschermen van het uiterlijk aanzien van het openbaar toegankelijk gebied; en d. het voorkomen van hinder of overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Artikel 5.138 Specifieke zorgplicht objecten plaatsen De specifieke zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt voor het plaatsen van objecten op de openbare weg in ieder geval in dat: a. rekening wordt gehouden met de overzichtelijkheid van straten, voetpaden en kruisingen; en b. er geen verkeersgevaarlijke situaties ontstaan. Artikel 5.139 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een object op de openbare weg te plaatsen.
  2. Het verbod geldt niet voor de volgende objecten: a. uitstallingen tot maximaal 1,00 meter uit de gevel; b. hoogwerkers; c. goederenliften; d. puinafvalcontainers; e. bouwafvalcontainers; en f. containers voor de tijdelijke opslag van waren in het kader van de uitoefening van detailhandel. Artikel 5.140 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van het object; b. de lengte, breedte en hoogte van het object; c. de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen; en d. een verkeersplan als de straat moet worden afgesloten. Artikel 5.141 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen,

Artikel 5.137, niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 5.142 Meldingsplicht plaatsen containers, hoogwerkers en goederenliften

  1. Het is verboden een puinafvalcontainer, bouwafvalcontainer, container voor de tijdelijke opslag van waren in het kader van de uitoefening van detailhandel, hoogwerker of goederenlift voor meer dan 31 dagen op de openbare weg te plaatsen zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden.
  2. Een melding bevat: a. de locatie van het object; b. de lengte, breedte en hoogte van het object; en c. de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen. Artikel 5.143 Algemene regels plaatsen containers
  3. Met het oog op het bevorderen van de verkeersveiligheid is de container voorzien van goed zichtbare markeringen die voldoen aan de volgende eisen: a. op ieder zijvlak en op het kopstuk is aan de buitenzijde een duidelijk zichtbare markering aanwezig; b. de markeringen zijn vast bevestigd, dat wil zeggen niet verwijderbaar; en c. de markeringen bestaan uit retro-reflecterend materiaal, in de kleuren rood of rood-wit.
  4. De eventueel in de nabijheid van de container aanwezige brandkraan of brandput is vrij toegankelijk voor de brandweer.
  5. Er is te allen tijde voldoende ruimte voor de hulpdiensten, inhoudende dat: a. bij eenrichtingsverkeer: er ten minste 3,5 meter ruimte vrij voor verkeer is; b. bij tweerichtingsverkeer: er ten minste 4,5 meter ruimte vrij voor verkeer is; en c. bij voetpaden, voetgangersgebieden en erven: er ten minste 1,5 meter vrije ruimte gewaarborgd is. Artikel 5.144 Algemene regels hoogwerkers en goederenliften
  6. Met het oog op het bevorderen van de verkeersveiligheid is de hoogwerker of goederenlift voorzien van goed zichtbare markeringen.
  7. Er is minimaal 3,5 m breedte en 4,20 m hoogte aan vrije ruimte op de openbare weg aanwezig tot aan de hoogwerker of goederenlift voor de vrije doorgang bestemd voor brandweer, ambulance, politie en voor een opstelplaats voor blusvoertuigen van de brandweer.
  8. Bij het plaatsen van de hoogwerker of goederenlift wordt gewerkt volgens richtlijn CROW 96B. Artikel 5.145 Algemene regels uitstallingen
  9. Een uitstalling is enkel aanwezig op de tijden dat de in het pand gevestigde onderneming voor het publiek geopend is.
  10. De blindengeleidestrook blijft vrij van obstakels.
  11. Er worden geen verwijsborden geplaatst.
  12. De uitstalling wordt niet aan de weg verankerd, wordt niet aan openbare voorzieningen zoals banken, paaltjes, fietsenrekken, lantarenpalen en openbaar groen bevestigd of aan gevels en is direct verplaatsbaar.
  13. Er is maximaal één uitstalling per ingang van het pand.
  14. Er vindt geen verkoop plaats vanuit de uitstalling.
  15. De uitstalling vormt geen belemmering voor de etalages van aangrenzende winkels. Artikel 5.146 Algemene regels positionering uitstallingen
  16. De uitstalling staat recht voor de betreffende onderneming.
  17. Bij een pand dat aan meerdere straten grenst, kunnen meerdere uitstallingen worden geplaatst als dat pand aan iedere betreffende straat ten minste 1 ingang heeft.
  18. Een geveluitstalling, met inbegrip van zitelementen en tafels, is maximaal 1 meter uit de gevel aanwezig.
  19. Er wordt maximaal 1 aanvullende solitaire uitstalling per onderneming geplaatst als er ruimte is buiten de uitstallingsstrook van 1 m en buiten de vrije doorgangsruimte,

Artikel 5.147.

5. Een uitstalling vorm

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.