← Nederland

UITVOERINGSREGELS BIJ DE KEUR HOOGHEEMRAADSCHAP DE STICHTSE RIJNLANDEN 2018 (Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden)

Kort samengevat

Deze uitvoeringsregels beschrijven de voorwaarden en procedures voor activiteiten die invloed hebben op waterlichamen, waterkeringen en grondwater binnen het gebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Ze zijn opgesteld om het watersysteem te beschermen en te beheren.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

UITVOERINGSREGELS BIJ DE KEUR HOOGHEEMRAADSCHAP DE STICHTSE RIJNLANDEN 2018Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Gezien het bestuursvoorstel d.d. 5 februari 2019 (1483299, 1447198); Gelet op artikel 56 van de Waterschapswet, artikel 6.13 van de Waterwet, de artikelen 3.2 en 3.3 van de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 en het besluit van het Algemeen Bestuur d.d. 19 december 2018 (1446665, 1475838); BESLUIT Vast te stellen de Uitvoeringsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 [en deze op 1 mei 2019 in werking te laten treden]. Inhoudsopgave Inleiding bij de uitvoeringsregels Deel 1: Uitvoeringsregels voor handelingen met betrekking tot oppervlaktewater Graven van of in oppervlaktewater Dempen van oppervlaktewater Duikers, dammen met duiker en dichte dammen in oppervlaktewater Bruggen in of over oppervlaktewater Steigers en vlonders bij oppervlaktewater Beschoeiingen en damwanden in of langs oppervlaktewater Uitstroomvoorzieningen en onttrekkingspunten in oppervlaktewater Lozen op en het onttrekken van oppervlaktewater Kabels en leidingen in, onder, over of langs oppervlaktewater Beplanting bij oppervlaktewater Objecten (hekwerken, rasters e.d.), wegen en paden langs oppervlaktewater Constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater Aanleggen van natuurvriendelijke oevers en/of het verrichten van handelingen daarin of daarboven Versneld afvoeren en lozen van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak op oppervlaktewater Bouwwerken langs oppervlaktewater Beweiden van gronden langs oppervlaktewater Grondboringen, sonderingen, peilbuizen en bodemenergiesystemen in of langs oppervlaktewater Evenementen in oppervlaktewater Op- of onderbemalingen en peilafwijkingen in oppervlaktewater Peilscheidende en peilregelende kunstwerken in en langs oppervlaktewater Verrichten van handelingen in of boven een vaarweg (Gereserveerd) (Gereserveerd) Deel 2: Uitvoeringsregels voor handelingen met betrekking tot een waterkering Graafwerkzaamheden bij een waterkering Aanbrengen van grond bij een waterkering Duikers, dammen met duiker en inlaatduikers bij een waterkering Bruggen bij een waterkering Steigers en vlonders bij een waterkering Beschoeiingen en damwanden bij een waterkering Uitstroomvoorzieningen en onttrekkingspunten bij een waterkering Kabels en leidingen bij een waterkering Beplanting bij een waterkering Hekwerken en schuttingen bij een waterkering Objecten bij een waterkering Bouwwerken bij een waterkering Beweiden van gronden bij een waterkering Afrasteringen bij een waterkering Bemesten van gronden bij een waterkering Bewerken van gronden bij een waterkering Vervangen van de grasmat bij een waterkering Grondboringen, sonderingen, peilbuizen en bodemenergiesystemen in of bij een waterkering Evenementen bij een waterkering Op- of onderbemaling en (tijdelijke) peilafwijkingen bij een waterkering Aanleggen van wegen en verharding op of bij een waterkering Werkzaamheden aan wegen en verhardingen op of bij een waterkering Stuwen in of bij een waterkering Sluizen in of bij een waterkering Seismisch onderzoek in of bij een waterkering Explosiegevaarlijk materiaal en explosiegevaarlijke inrichtingen op of bij een waterkering Werken met een overdruk van 10 bar of hoger op of bij een waterkering Het uitvoeren van werkzaamheden op of bij een waterkering (Gereserveerd) (Gereserveerd) Deel 3: Uitvoeringsregels voor handelingen met betrekking tot grondwater Leeswijzer Grondwateronttrekking in een bouwput Grondwateronttrekking in een sleuf Grondwateronttrekking voor grondwatersanering Grondwateronttrekking voor beheersmaatregel Grondwateronttrekkingen in een project Proefonttrekking Brandblusvoorziening Grondwateronttrekking voor bedrijfsmatige beregening / bevloeiing Grondwateronttrekking voor drinkwater voor vee Grondwateronttrekking voor menselijke consumptie Grondwateronttrekking voor bedrijfsmatige toepassingen Grondwateronttrekking voor huis, tuin en keuken en andere kleinschalige toepassingen Grondwateronttrekking voor drooghouden en beschermen van ondergrondse bebouwing/infrastructuur Permanente drainage percelen Infiltreren en water (terug) in de bodem brengen Onttrekken van grondwater in een kwetsbaar gebied Onttrekken van grondwater in of bij een waterkering 1 Inleiding bij de uitvoeringsregels 1.1 Inleiding Het waterschap is verantwoordelijk voor het beheer van het watersysteem en heeft daarom regels opgesteld om het watersysteem te beschermen. Dit is uitgewerkt in de Keur en in de bijbehorende documenten. Onder watersysteem wordt verstaan: het samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken. In hoofdstuk 2 van de Keur heeft het algemeen bestuur van het waterschap doelcriteria vastgesteld. Deze criteria zijn bepalend voor de vraag of een handeling in het watersysteem kan worden toegestaan of niet. Het college heeft deze doelcriteria voor concrete situaties uitgewerkt in stroomschema’s, vastgelegd in dit document “Uitvoeringsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018”. De uitvoeringsregels bestaan uit stroomschema’s, toelichting op de zorgplicht en algemene regels met bijbehorende toelichting. De afwegingskaders voor vergunningverlening zijn opgenomen in het document “Beleidsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018”. Voor de belangrijkste in de praktijk voorkomende handelingen zijn uitvoeringsregels opgesteld. Deze uitvoeringsregels zijn onderverdeeld in: Deel 1: uitvoeringsregels voor handelingen met betrekking tot oppervlaktewater (hoofdstuk 2 t/m 24) Deel 2: uitvoeringsregels voor handelingen met betrekking tot een waterkering (hoofdstuk 25 t/m 54) Deel 3: uitvoeringsregels met betrekking tot grondwater (hoofdstuk 55 t/m 72) Deel 4: bijlagen 1.2 Mogelijke uitkomsten stroomschema’s Bij het doorlopen van de stroomschema’s zijn verschillende uitkomsten mogelijk, te weten: er geldt alleen de zorgplicht; of er geldt een algemene regel (al dan niet met voorafgaande melding), met daarnaast de zorgplicht; of er geldt een vergunningplicht, met daarnaast de zorgplicht; of er geldt een algeheel verbod en de handeling is in het geheel niet toegestaan. De hoofdstukken kennen steeds eenzelfde opbouw en volgorde waarin de verschillende uitkomsten van het stroomschema worden behandeld. Alleen de stroomschema’s en de algemene regels hebben de status van regelgeving, waaraan de initiatiefnemer moet voldoen. De erbij gegeven toelichting en de overige paragrafen hebben de status van toelichting. Het is aan de initiatiefnemer zelf om na te gaan welke uitvoeringsregels en/of andere regelgeving van toepassing zijn. Iemand die water wil lozen op oppervlaktewater en daarvoor een uitstroomvoorziening wil realiseren, moet zowel het stroomschema voor het lozen op oppervlaktewater als die voor het aanleggen van een uitstroomvoorziening doorlopen. Per hoofdstuk is aangegeven dat mogelijk ook andere hoofdstukken met regelgeving van toepassing zijn. Indien is verwezen naar andere hoofdstukken is dat niet uitputtend bedoeld, maar slechts informatief. Het is voor het waterschap niet mogelijk een uitputtende opsomming te geven van alle mogelijk van toepassing zijnde regels. Voor één handeling kunnen meerdere uitvoeringsregels van toepassing zijn. Er kunnen beperkingen gelden vanwege oppervlaktewaterbelang (deel 1), waterkeringenbelang (deel 2) en grondwaterbelang (deel 3). Deze kunnen alle drie een andere uitkomst geven. De strengste regel geldt dan. Bijvoorbeeld: als vanuit het oppervlaktewaterbelang een algemene regel geldt, en vanuit het waterkeringbelang vergunningplicht, dan geldt voor deze handeling de vergunningplicht. Als voor een bepaalde handeling een specifieke uitvoeringsregel is gemaakt, dan behoeft de initiatiefnemer alleen die regel op te volgen, behoudens er daarnaast geen andere activiteiten worden uitgevoerd waarvoor aanvullend toch een andere uitvoeringsregel van toepassing is. Voorbeelden van specifieke uitvoeringsregels zijn: “bruggen in of over oppervlaktewater” (hoofdstuk 5) en ”steigers en vlonders bij oppervlaktewater” (hoofdstuk 6). Als een initiatiefnemer een brug of een steiger wil maken dan geldt dus alleen hoofdstuk 5 of 6. De hoofdstukken 13 (“constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater”) en 16 (“bouwwerken langs oppervlaktewater”), zijn in dat geval niet van toepassing. Hoofdstuk 13 is naast de specifieke regelgeving echter wel van toepassing indien de werkzaamheden vanaf het water worden uitgevoerd. 1.3 Ruime uitleg van het begrip “handeling” Zoals hierboven aangegeven is het vaak niet mogelijk om in de uitvoeringsregels uitputtend te zijn. Daarom moet de initiatiefnemer ruime uitleg geven aan de in de uitvoeringsregels genoemde handelingen. Zo moet onder aanleggen van bijvoorbeeld een dam met duiker of een brug ook worden verstaan: het verbreden of het verlengen van een reeds bestaande dam met duiker of brug, etc. Onder verwijderen van bijvoorbeeld een dam met duiker of een brug moet ook worden verstaan: het inkorten of het versmallen daarvan. Verder geldt de uitvoeringsregel niet alleen voor de activiteit op zich waarbij een object wordt aangelegd, maar ook voor het achteraf hebben van het gerealiseerde object. Als een initiatiefnemer een bestaand iets gaat vervangen voor iets nieuws, dan moet in het betreffende hoofdstuk worden gekeken naar zowel de regels voor het verwijderen van het object, als ook naar de regels voor het aanleggen van het object. 1.4 Zorgplicht Zoals hierboven aangegeven moet de initiatiefnemer altijd voldoen aan de zorgplicht. Met deze zorgplicht wordt invulling gegeven aan het “ja-mits”-uitgangspunt waar de nieuwe Keur op is gebaseerd. Handelingen en activiteiten die in het stroomschema zijn aangeduid met “zorgplicht”, zijn toegestaan mits wordt voldaan aan de zorgplicht. Per hoofdstuk is aangegeven wat in dat geval onder de zorgplicht kan worden verstaan. Dit zijn slechts voorbeelden. De initiatiefnemer moet altijd zelf nagaan wat in het concrete geval moet worden gedaan of nagelaten om aan de zorgplicht te voldoen. In artikel 3.1 van de Keur staan de nadelige effecten voor het watersysteem die met de zorgplicht moeten worden voorkomen. Bij een algemene regel en een verleende vergunning geldt naast de bijbehorende voorschriften dat ook aan de zorgplicht moet worden voldaan. Dit betekent dat de initiatiefnemer altijd zelf moet nagaan of zijn handeling geen nadelige gevolgen heeft voor het watersysteem; ook al voldoet hij aan de voorschriften. Daarnaast functioneert de zorgplicht als vangnet om te kunnen optreden tegen eventuele nadelige effecten van handelingen en activiteiten op het watersysteem, die niet op andere wijze zijn gereguleerd. 1.5 Algemene regel Naast de zorgplicht kan een algemene regel van toepassing zijn, genoemd in artikel 3.2 van de Keur. De algemene regels bestaan uit een set voorschriften behorende bij een unieke combinatie van criteria in de stroomschema’s. Elke algemene regel heeft zijn eigen “unieke code” (paragraafnummer) die in het stroomschema staat aangegeven en verwijst naar een blauw gekleurd kader in de tekst met de bijbehorende voorschriften. Dit heeft de status van regelgeving, waar aan moet worden voldaan. In sommige algemene regels is een voorafgaande meldplicht opgenomen. Voordat handelingen uitgevoerd mogen worden, moeten deze bij het waterschap worden gemeld. Dit is belangrijk omdat de voorgenomen handeling in het watersysteem bijvoorbeeld moet worden verwerkt in het beheerregister of de Legger. Ook kan het zijn dat om de handeling te mogen uitvoeren vooraf maatwerk voorschriften nodig zijn of dat een toezichthouder bij de uitvoering van de werkzaamheden aanwezig wil zijn. Het is dan van belang dat de melding tijdig wordt gedaan. Per geval kan een andere termijn gelden waarbinnen de melding moet worden gedaan. Indien van toepassing, is dit in de betreffende algemene regel aangegeven. De melding kan rechtstreeks bij het waterschap worden gedaan. Zie hiervoor de site van het waterschap (www.hdsr.nl). Tevens kan een melding digitaal worden gedaan via het omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). 1.6 Vergunningplicht Als volgens het stroomschema een vergunningplicht geldt, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd en moet hiervoor op grond van artikel 3.3 van de Keur eerst een vergunning zijn verleend. In de betreffende paragraaf is aangegeven hoe een vergunning kan worden aangevraagd. De vergunning kan bij het waterschap worden aangevraagd via het omgevingsloket (zie hiervoor www.hdsr.nl of www.omgevingsloket.nl). Het afwegingskader waar vergunningaanvragen aan worden getoetst is na te lezen in het document “Beleidsregels bij de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018”. 1.7 Algeheel verbod Tenslotte is het mogelijk dat een handeling in het geheel niet is toegestaan. In dat geval komt de initiatiefnemer bij het doorlopen van het stroomschema uit bij een rood vakje met algeheel verbod. Op grond van artikel 3.5 van de Keur is het dan niet toegestaan de handeling uit te voeren. Hiervoor kan geen vergunning worden verleend. Omdat de term “verbod” voor zich spreekt is dit in de hoofdstukken niet verder uitgewerkt. 1.8 Keuzevrijheid initiatiefnemer De initiatiefnemer kan aan de hand van het stroomschema keuzes maken in de manier van uitvoering van de voorgenomen handeling, waarmee de uitkomst kan worden beïnvloed. Door een bouwplan of voorgenomen handeling aan te passen, kan het doorlopen van het stroomschema een andere uitkomst geven. De uitkomst kan dan bijvoorbeeld zijn zorgplicht of een algemene regel, in plaats van een vergunningplicht. Verder heeft de initiatiefnemer de vrijheid, tenzij in dit document anders is aangegeven, om gecombineerde handelingen te splitsen of samen te voegen. De basis hiervoor ligt in artikel 3.4 van de Keur. Als een voorgenomen project uit meerdere handelingen bestaat waarbij voor één of meer van de handelingen een vergunningplicht geldt, dan kan de initiatiefnemer voor dat project een gecombineerde vergunning aanvragen, waarin dus ook de handelingen worden opgenomen waarvoor een algemene regel bestaat. Als in de gecombineerde aanvraag zowel tijdelijke als permanente handelingen en activiteiten voorkomen kan het waterschap ervoor kiezen deze apart in behandeling te nemen. 1.9 Vragen? Bij het opstellen van de regels is er naar gestreefd dit op een zo klantvriendelijk mogelijke manier te doen. Indien een en ander toch niet duidelijk is, is het raadzaam voorafgaand aan het uitvoeren van de handeling, te informeren bij de afdeling Vergunningverlening en Handhaving van het waterschap. Deel 1: Uitvoeringsregels voor handelingen met betrekking tot oppervlaktewater 2 Graven van of in oppervlaktewater 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk is de handeling ‘het graven van oppervlaktewater’ uitgewerkt. Onder deze handeling verstaan we: het aanleggen van een nieuwe watergang; het verlengen van een bestaande watergang; het verbreden van een bestaande watergang; het verdiepen van een bestaande watergang; het uitvoeren van diepere ontgravingen (bijvoorbeeld zand- en kleiwinputten). Het graven van oppervlaktewater is niet zonder meer toegestaan. Het graven van oppervlaktewater kan immers gevolgen hebben voor het peilbeheer door het waterschap, maar ook voor het grondwater, waardoor (elders) wateroverlast of -schaarste kan ontstaan. Als u van plan bent om oppervlaktewater te graven, doorloop dan het stroomschema opgenomen in dit hoofdstuk. U ziet dan of de handeling is toegestaan en welke regels van toepassing zijn. Daar waar in het stroomschema één van bovenstaande vormen van het graven van oppervlaktewater expliciet wordt genoemd, dan gaat het uitsluitend om die vorm van het graven van oppervlaktewater. Stroomschema Het stroomschema is opgebouwd uit een aantal vragen (criteria). De vragen in het stroomschema zijn nader toegelicht in de toelichting. Als het stroomschema doorlopen is, resulteert dat in een bepaalde uitkomst. Deze uitkomst kan zijn: zorgplicht; zorgplicht en algemene regel zonder meldplicht; zorgplicht en algemene regel met meldplicht; zorgplicht en vergunningplicht. Deze uitkomsten zijn in dit hoofdstuk nader toegelicht en uitgewerkt in regelgeving die van toepassing is. Als u een handeling gaat uitvoeren, dient u de voorschriften en regelgeving die in de betreffende paragrafen zijn uitgewerkt na te leven. Aanvullende regelgeving Naast de regelgeving die in dit hoofdstuk is opgenomen kan er ook nog andere regelgeving van toepassing zijn. Ook die regelgeving moet dan worden opgevolgd. Zo kan bijvoorbeeld de volgende regelgeving van toepassing zijn: Hoofdstuk 3 ‘Dempen van oppervlaktewater’ Hoofdstuk 13 ‘Constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater’. Hoofdstuk 25 ‘Graafwerkzaamheden bij een waterkering’. Verder kan er naast de regelgeving die in dit hoofdstuk wordt uitgewerkt c.q. benoemd, ook nog andere wet- en regelgeving van toepassing zijn (de genoemde regelgeving is dus niet limitatief). Het is aan de initiatiefnemer zelf om na te gaan of hij ook nog aan andere uitvoeringsregels en/of andere regelgeving moet voldoen. 2.2 Stroomschema graven van of in oppervlaktewater Voor het stroomschema wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting bij vraag 1 Geïsoleerde watergangen en waterpartijen (bijvoorbeeld op zichzelf staande vijvers of plassen) maken geen onderdeel uit van het bergend vermogen van het watersysteem en zijn niet direct aangesloten op een andere watergang. Het waterschap heeft bij deze geïsoleerde watergangen geen kwantiteitsbelang. Daarom vallen deze watergangen onder de zorgplicht. Toelichting bij vraag 2 Wanneer te graven oppervlaktewater zich geheel of gedeeltelijk bevindt in de beschermingszone K van een kunstwerk, dan kan dit ten koste gaan van bijvoorbeeld de stabiliteit van dat kunstwerk. Ook kan het graven onderloopsheid van het kunstwerk tot gevolg hebben. Daarom geldt hiervoor een vergunningplicht zodat kan worden onderzocht wat de gevolgen van de graafwerkzaamheden voor het betreffende kunstwerk zijn. Toelichting bij vraag 3 Soms moet ten behoeve van een project tijdelijk een nieuwe watergang worden aangelegd of een bestaande watergang worden verbreed. Na afloop van het project wordt de gegraven watergang weer gedempt. In dat geval is de algemene regel zonder meldplicht van toepassing. Toelichting bij vraag 4 Voor primaire en secundaire watergangen die vanaf de oever worden onderhouden en die een beschermingszone hebben, moet per geval worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van het verbreden van de watergang voor de uitvoering van het onderhoud. Als u deze handeling wilt gaan uitvoeren dient u een vergunning aan te vragen. Deze vergunningplicht geldt ook voor het aanleggen van een (deel van een) nieuwe primaire of secundaire watergang. Toelichting bij vraag 5 Bij het verlengen, verbreden en/of verdiepen van een bestaande watergang worden er geen eisen gesteld aan de afmetingen van deze verbreding, tenzij de handeling wordt uitgevoerd vanwege een compensatie van een demping of een compensatie voor versnelde afvoer van nieuw verhard oppervlak. Daarom is voor deze handeling een algemene regel met meldplicht van toepassing. Toelichting bij vraag 6 Het oppervlaktewater in het beheergebied van het waterschap is in de Legger opgenomen. Periodiek wordt al het oppervlaktewater gecontroleerd en beoordeeld of het voldoet aan de minimale afmetingen die in de Legger zijn vastgelegd. Nieuw aan te leggen oppervlaktewater dient ook te voldoen aan minimale afmetingen. Als er redenen zijn om van deze minimale afmetingen af te wijken dan moet per geval worden beoordeeld of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht. De minimale afmetingen van watergangen zijn aangegeven in onderstaande tabel. Tabel 2.1 Minimale afmetingen watergangen Voor de tabel wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Figuur 2.1 Indeling deelgebieden Voor de figuur wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage Toelichting bij vraag 7 In het gebied van de Utrechtse Heuvelrug (zie kaart 7) komen grote grondwaterstands-verschillen voor. Als er een nieuwe watergang wordt aangelegd en deze watergang wordt aangesloten op een watergang met een bepaald peil, dan kan het voorkomen dat de grondwaterstand ter plaatse van de nieuw aan te leggen watergang grote verschillen vertoont met dit peil. Het kan dan nodig zijn de nieuwe watergang te voorzien van één of meerdere stuwen. Als dit niet gebeurt dan kan de watergang gaan werken als drain voor de omgeving. In dat geval kan er verdroging of (elders) vernatting optreden. Omdat per geval moet worden beoordeeld of er stuwen of andere voorzieningen moeten worden aangelegd, geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. 2.3 Zorgplicht De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de handelingen die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn. Zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat: bij het graven van oppervlaktewater, het werk na afloop van de werkzaamheden in nette staat wordt achtergelaten. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd, indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden; er rekening mee wordt gehouden dat er altijd de mogelijkheid moet zijn om maaisel uit de watergang te kunnen ontvangen door de aangelande; er rekening mee wordt gehouden dat de gegraven watergang kan worden onderhouden; en/of bij diepere ontgravingen (bijvoorbeeld zand- en kleiwinputten) het aspect kwel en wegzijging een grote rol kan spelen. Als dit aan de orde is, is het aan de initiatiefnemer om dit in een vroeg stadium in een ontwerpplan met het waterschap (en/of met andere overheden) af te stemmen. In het ontwerpplan kan beschreven worden welke maatregelen getroffen worden om het ongewenste effect tegen te gaan. Zo nodig zal de initiatiefnemer dit over een langere periode monitoren. Hierbij kunnen grenswaarden en mitigerende maatregelen worden vastgesteld. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan. 2.4 Algemene regel In het stroomschema wordt verwezen naar één of meer algemene regels, zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Keur. Deze algemene regel(

  1. s)is/(zijn) hieronder uitgewerkt. Naast de algemene regel is ook altijd de zorgplicht van toepassing. Als u het stroomschema heeft doorlopen en u komt uit bij het vakje ‘Algemene regel zonder meldplicht’ of ‘Algemene regel met meldplicht’, dient u te voldoen aan de regelgeving uitgewerkt in de betreffende algemene regel. 2.4.1 Algemene regel zonder meldplicht Om te voldoen aan deze algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in het volgende artikel. Artikel1.Voorschriften uitvoering a.Door het graven van oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan. b.Indien de tijdelijk te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een onderhoudsroute van het waterschap doorkruist (zie beschermingszone A op kaart 2A), moeten met het waterschap afspraken gemaakt worden over de bereikbaarheid van deze onderhoudsroute. c.Alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden. d.Bij het graven en in stand houden van het gegraven oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden. e.Bij het graven van oppervlaktewater moeten er zodra een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. De ligging van de peilgebieden en de desbetreffende peilen zijn terug te vinden in de verschillende peilbesluiten. De peilbesluiten zijn te raadplegen via de site van het waterschap: www.hdsr.nl/bestuur-organisatie/regelgeving. Watergangen met verschillende peilen mogen niet met elkaar worden verbonden. Het kan noodzakelijk zijn dat in de tijdelijk te graven watergang ter plaatse van de onderhoudsroute een tijdelijke dam met duiker wordt aangelegd. Deze moet dan voldoen aan de regelgeving voor het aanleggen van een dam met duiker, met uitzondering van het gestelde: maximaal één dam met duiker per zijde van het betreffende perceel. De aanleg van zo’n dam met duiker is niet altijd nodig. Daarom is het raadzaam om vooraf contact op te nemen met het waterschap. Voor uw specifieke situatie kunnen dan afspraken worden gemaakt. De initiatiefnemer kan bij het waterschap informeren wanneer onderhoudswerkzaamheden gepland zijn. Als een watergang te diep wordt gegraven bestaat het risico dat door de grondwaterdruk de bodem opbarst. Dit moet worden voorkomen. Grondwater kan zich dan vermengen met oppervlaktewater. Ook kan de watergang vollopen met sediment. Aan de hand van boringen en/of sonderingen kan vooraf een inschatting worden gemaakt van het risico. Een extra maatregel die kan worden getroffen om wegzijging te voorkomen, als blijkt dat schade ontstaat door verdroging of als onevenredig veel water wordt afgevoerd, is bijvoorbeeld het aanbrengen van een klei-afdekking. Te denken valt ook aan het minder diep graven van een watergang. 2.4.2 Algemene regel met meldplicht Om te voldoen aan deze algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in de volgende artikelen. Artikel1.Voorschriften uitvoering a.Door het graven van nieuw oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan. b.Indien de te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een onderhoudsroute van het waterschap doorkruist (zie beschermingszone A op kaart 2 A), moet in de te graven watergang ter plaatse van deze onderhoudsroute een dam met duiker worden aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 meter. De aan te leggen dam met duiker voldoet aan de regelgeving voor het aanleggen van een dam met duiker, met uitzondering van het gestelde; maximaal één dam met duiker per zijde van het betreffende perceel. c.Indien ter plaatse van het te graven oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in hoofdstuk 10 ‘Kabels en leidingen in, onder of langs oppervlaktewater’. d.Alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden. e.Bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden. f.Bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen. g.Het college kan met betrekking tot de verplichting, bedoeld in lid f, maatwerkvoorschriften stellen op grond van artikel 3.2 van de Keur. h.Het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de Legger anders is vastgelegd. Artikel2.Voorschriften meldplicht a.Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een melding gedaan bij het waterschap. b.Aan de melding wordt de volgende informatie toegevoegd: een duidelijke locatietekening van het te graven oppervlaktewater; dwarsprofiel(
  2. en)van het oppervlaktewater in de eindsituatie. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. De ligging van de peilgebieden en de desbetreffende peilen zijn terug te vinden in de verschillende peilbesluiten. De peilbesluiten zijn te raadplegen via de site van het waterschap: www.hdsr.nl/bestuur-organisatie/regelgeving. Watergangen met verschillende peilen mogen niet met elkaar worden verbonden. De initiatiefnemer kan bij het waterschap informeren wanneer de onderhoudswerkzaamheden gepland zijn. Als een watergang te diep wordt gegraven bestaat het risico dat door de grondwaterdruk de bodem opbarst. Dit moet worden voorkomen. Grondwater kan zich dan vermengen met oppervlaktewater. Ook kan de watergang vollopen met sediment. Aan de hand van boringen en/of sonderingen kan vooraf een inschatting worden gemaakt van het risico. Een extra maatregel die kan worden getroffen om wegzijging te voorkomen, als blijkt dat schade ontstaat door verdroging of als onevenredig veel water wordt afgevoerd, is bijvoorbeeld het aanbrengen van een klei afdekking op de bodem van de watergang. Te denken valt ook aan het minder diep graven van een watergang. De onderhoudsplicht wordt in principe geregeld in de Legger. Zolang de Legger nog niet is aangepast geldt dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het onderhoud van de watergang. Toelichting bij artikel 2 Het graven van nieuw oppervlaktewater dient vooraf te worden gemeld. Het betreft een wijziging in het watersysteem, die moet worden geregistreerd in de Legger. Ook moet het waterschap kunnen controleren of de handeling goed wordt uitgevoerd. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.
  3. nl)of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). 2.4.3 Algemene regel met meldplicht Om te voldoen aan deze algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in de volgende artikelen. Artikel1.Voorschriften uitvoering a.Door het graven van nieuw oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan. b.Indien de nieuw te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een doorgaande onderhoudsroute van het waterschap doorkruist (zie beschermingszone A op kaart 2 A), moet in de nieuw te graven watergang ter plaatse van deze onderhoudsroute een dam met duiker worden aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 meter. De aan te leggen dam met duiker voldoet aan de regelgeving voor het aanleggen van een dam met duiker, met uitzondering van het gestelde; maximaal één dam met duiker per zijde van het betreffende perceel. c.Indien ter plaatse van het te graven oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in hoofdstuk 10 ‘Kabels en leidingen in, onder of langs oppervlaktewater’. d.De onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden. e.Indien het gaat om het compenseren van een demping moet de verbreding vooraf door de initiatiefnemer worden uitgezet. Voordat wordt begonnen met graven moet de uitgezette verbreding zijn goedgekeurd door het waterschap. f.Bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden. g.Bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen. Het college kan hiervoor maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.2 van de Keur opleggen. h.Het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de Legger anders is vastgelegd. Artikel2.Voorschriften meldplicht a.Minimaal twee weken voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een melding gedaan bij het waterschap. b.Aan de melding wordt de volgende informatie toegevoegd: een duidelijke locatietekening van het te graven oppervlaktewater; een duidelijk overzicht van de hoeveelheid te graven oppervlaktewater in m²; de startdatum van de werkzaamheden; dwarsprofiel(
  4. en)van het oppervlaktewater in de eindsituatie. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. De ligging van de peilgebieden en de desbetreffende peilen zijn terug te vinden in de verschillende peilbesluiten. De peilbesluiten zijn te raadplegen via de site van het waterschap: www.hdsr.nl/bestuur-organisatie/regelgeving. Watergangen met verschillende peilen mogen niet met elkaar worden verbonden. De initiatiefnemer kan bij het waterschap informeren wanneer onderhoudswerkzaamheden zijn gepland. De verbreding dient eerst te worden uitgezet middels piketpalen. Daarna mag de initiatief-nemer de handeling pas uitvoeren als het waterschap de verbreding heeft goedgekeurd. Als een watergang te diep wordt gegraven bestaat het risico dat door de grondwaterdruk de bodem opbarst. Dit moet worden voorkomen. Grondwater kan zich dan vermengen met oppervlaktewater. Ook kan de watergang vollopen met sediment. Aan de hand van boringen en/of sonderingen kan vooraf een inschatting worden gemaakt van het risico. Een extra maatregel die kan worden getroffen om wegzijging te voorkomen, als blijkt dat schade ontstaat door verdroging of als onevenredig veel water wordt afgevoerd, is bijvoorbeeld het aanbrengen van een klei-afdekking op de bodem van de watergang. Te denken valt ook aan het minder diep graven van een watergang. De onderhoudsplicht wordt in principe geregeld in de Legger. Zolang de Legger nog niet is aangepast geldt dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het onderhoud van de watergang. Toelichting bij artikel 2 Het graven van nieuw oppervlaktewater dient vooraf te worden gemeld. Het betreft een wijziging in het watersysteem, die moet worden geregistreerd in de Legger. Ook moet het waterschap kunnen controleren of de handeling goed wordt uitgevoerd. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.
  5. nl)of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). 2.5 Vergunningplicht Als u in het stroomschema uitkomt bij het gekleurde vakje waarin is aangegeven dat naast de zorgplicht een vergunningplicht geldt, dan mag de voorgenomen handeling niet zondermeer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend, zoals bedoeld in artikel 3.3 van de Keur. De vergunning kan bij het waterschap worden aangevraagd (zie hiervoor www.hdsr.nl of www.omgevingsloket.nl). Na het indienen van het formulier zal uw aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventueel op te treden nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in artikel 3.1 van de Keur. Het afwegingskader waar vergunningaanvragen aan worden getoetst kunt u nalezen in het document ‘Beleidsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018’. Indien u nog verdere vragen heeft, kunt u ook contact opnemen met de afdeling Vergunningverlening & Handhaving van het waterschap. 3 Dempen van oppervlaktewater 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk is de handeling het dempen van oppervlaktewater uitgewerkt. Onder deze handeling verstaan we: - het volledig dempen van oppervlaktewater; - het versmallen van oppervlaktewater; - het verondiepen van oppervlaktewater. Het dempen van oppervlaktewater is niet zonder meer toegestaan. Mede vanwege het verlies aan waterbergend vermogen en de verstoring van de doorstroming die hierdoor ontstaat. De regelgeving opgenomen in dit hoofdstuk is van toepassing op de kernzone van watergangen. Daar waar in het stroomschema één van bovenstaande vormen van het dempen van oppervlaktewater wordt genoemd, dan gaat het uitsluitend om die vorm van het dempen van oppervlaktewater. Elk verlies aan waterbergend vermogen van de watergang weegt daarbij mee. Dit hoofdstuk is ook van toepassing op het dempen van een deel van de watergang ten behoeve van het aanleggen van een beschoeiing. Als u van plan bent om een watergang te dempen, doorloop dan het stroomschema opgenomen in dit hoofdstuk. U ziet dan of de handeling is toegestaan en welke regels van toepassing zijn. Stroomschema Het stroomschema is opgebouwd uit een aantal vragen (criteria). De vragen in het stroomschema zijn nader toegelicht in de toelichting. Als het stroomschema doorlopen is, resulteert dat in een bepaalde uitkomst. Deze uitkomst kan zijn: zorgplicht; zorgplicht en algemene regel met meldplicht; zorgplicht en vergunningplicht. Deze uitkomsten zijn in dit hoofdstuk nader toegelicht en uitgewerkt in regelgeving die van toepassing is. Als u een handeling gaat uitvoeren, dient u de voorschriften en regelgeving die in de betreffende paragrafen zijn uitgewerkt na te leven. Aanvullende regelgeving Naast de regelgeving die in dit hoofdstuk is opgenomen kan er ook nog andere regelgeving van toepassing zijn. Ook die regelgeving moet dan worden opgevolgd. Zo kan bijvoorbeeld de volgende regelgeving van toepassing zijn: Hoofdstuk 13 ‘Constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater’. Hoofdstuk 14 ‘Aanleggen van natuurvriendelijke oevers en/of het verrichten van handelingen daarin of daarboven’. Hoofdstuk 22 ‘Verrichten van handelingen in of boven een vaarweg’. Verder kan er naast de regelgeving die in dit hoofdstuk wordt uitgewerkt c.q. benoemd, ook nog andere wet- en regelgeving van toepassing zijn (de genoemde regelgeving is dus niet limitatief). Het is aan de initiatiefnemer zelf om na te gaan of hij ook nog aan andere uitvoeringsregels en/of andere regelgeving moet voldoen. 3.2 Stroomschema dempen van oppervlaktewater Voor het stroomschema wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting bij vragen 1 en 2 Wanneer het gaat om het verondiepen van een watergang, waarbij niet verder dan tot vermelde waterdiepte wordt verondiept, dan geldt uitsluitend de zorgplicht. In de ‘Legger oppervlaktewateren’ is de diepte opgenomen waar rekening mee moet worden gehouden. De Legger is te vinden op de site van het waterschap www.hdsr.nl/bestuur-organisatie/regelgeving. Wordt er wel verder verondiept dan tot leggerdiepte dan geldt er een vergunningplicht. Toelichting bij vraag 3 In het geval een tijdelijk gegraven watergang ten behoeve van een project wordt gedempt, dan is uitsluitend de zorgplicht van toepassing. Van belang hierbij is dat het om een bij het waterschap aangemeld project gaat, waarvan de eindsituatie bij het waterschap bekend is. Onder ‘aangemeld project’ wordt in ieder geval verstaan: dat een vergunning is verleend voor het project, of dat een melding voor het project is gedaan in het kader van de algemene regels, of dat een overleg over het project met het waterschap heeft plaatsgevonden waarvan een verslag is opgemaakt en waarbij overeenstemming is over de te nemen maatregelen ten behoeve van het watersysteem. Toelichting bij vraag 4 Het dempen van (een deel van) primaire en secundaire watergangen kan er toe leiden dat de wateraan- en -afvoer wordt bemoeilijkt. Dit kan uiteraard niet zonder meer worden toegestaan en moet per geval worden beoordeeld. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Toelichting bij vraag 5 Het volledig dempen van belangrijke tertiaire watergangen, aangegeven op kaart 11, is ongewenst. Hierdoor kan de aan- en afvoer van oppervlaktewater in het gedrang komen. In dat geval moet per situatie beoordeeld worden wat de gevolgen van de demping zijn. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Toelichting bij vragen 6, 7 en 8 Tertiaire watergangen die op kaart 11 staan hebben behalve een bergende functie ook een belangrijke functie in de wateraan- of -afvoer. Het versmallen van dergelijke watergangen is dan ook niet zonder meer toegestaan. Per geval moet worden beoordeeld of dit kan worden toegestaan. Daarom geldt hiervoor een vergunningplicht. Als de te versmallen watergang niet op kaart 11 staat, dan moet het overgebleven profiel van de watergang na versmalling voldoen aan de minimale afmetingen die zijn aangegeven in onderstaande tabel. Kan daar niet aan worden voldaan dan geldt er een vergunningplicht. De minimale afmetingen van tertiaire watergangen zijn aangegeven in onderstaande tabel. Tabel 3.1 Minimale afmetingen watergangen in drie deelgebieden Voor de tabel wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Figuur 3.1 Indeling deelgebieden Voor de figuur wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting bij vraag 9 Om het negatieve effect van de demping op de waterberging te beperken, bestaat er een compensatieverplichting. In sommige gevallen kan hiervan worden afgeweken. Dit moet per geval apart worden beoordeeld. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Toelichting bij vraag 10 Compensatie moet plaatsvinden in hetzelfde peilgebied als waar de demping plaats vindt of in een peilgebied dat daar direct naast ligt, met hetzelfde of een lager peil. Toelichting bij vragen 11 en 12 Klei op veen- en veengronden zijn zogenaamde zettingsgevoelige gronden. Vooral wanneer de grondwaterspiegel onder de bovenkant van het veen komt te liggen bestaat het gevaar dat het veenpakket inklinkt en krimpt met als gevolg dat het maaiveld zal dalen. De grondwaterstand (ontwateringsdiepte) in een perceel wordt mede bepaald door het waterpeil in de sloot en de afstand tot de sloot. Uitgaande van een zelfde slootpeil zal in brede percelen in perioden van neerslagtekort in het midden van het perceel de ontwateringsdiepte groter zijn dan in smallere percelen. Als gevolg hiervan zal het maaiveld met name in het midden van het perceel ook sneller gaan dalen (versnelde maaivelddaling). Uit onderzoek blijkt dat een optimale grondwaterstand wordt bereikt bij een perceelsbreedte van circa 60 meter. In het veen-weidegebied is de gemiddelde perceelsbreedte circa 50 meter. Het waterschap hanteert dan ook als beleid dat in klei op veen- en veengronden het dempen van een watergang niet mag leiden tot een perceelsbreedte breder dan 60 meter. Natuurlijk zijn er ook percelen, die aanzienlijk smaller zijn dan 50 meter. Algemeen kan worden aangenomen, dat een perceel smaller dan 30 meter niet meer landbouwkundig is te gebruiken. Hieruit kan de behoefte ontstaan om dit perceel door slootdemping aan het naastliggende toe te voegen. Hierbij zal een nieuw perceel ontstaan van circa 80 meter breed. Hoewel dit bredere perceel zal leiden tot de hierboven genoemde nadelige waterhuishoudkundige effecten, mag in dergelijke gevallen – om landbouwkundig gebruik mogelijk te maken – worden afgeweken van de maximale breedte van 60 meter. Hierbij hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: de totale perceelsbreedte mag niet breder worden dan 80 meter; tenminste één van de twee samen te voegen percelen is smaller dan 30 meter. Voor bebouwd of toekomstig bebouwd gebied (percelen waar gebouwen op staan of gebouwen op gebouwd gaan worden) is bovenstaande minder relevant aangezien de waterhuishouding in dergelijke gebieden op een andere wijze is of wordt geregeld. Bovendien zijn dergelijke gebieden heel anders ingericht dan de open weidegebieden met langssloten en passen dergelijke sloten niet in de inrichting van de openbare ruimte. 3.3 Zorgplicht De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de handelingen die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn. Zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat: bij het dempen van oppervlaktewater het werk na afloop van de werkzaamheden in nette staat wordt achtergelaten; er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd, zoals bijvoorbeeld kanoroutes of officiële schaatsroutes; en/of er rekening wordt gehouden met de flora en fauna in de te dempen watergang. Dit houdt onder andere in dat vissen en andere levende organismen de gelegenheid krijgen (of hierbij geholpen worden) te ontsnappen, voordat de demping plaats vindt. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan. 3.4 Algemene regel In het stroomschema wordt verwezen naar één of meer algemene regels, zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Keur. Deze algemene regel(
  6. s)is/(zijn) hieronder uitgewerkt. Naast de algemene regel is ook altijd de zorgplicht van toepassing. Als u het stroomschema heeft doorlopen en u komt uit bij het vakje ‘Algemene regel zonder meldplicht’ of ‘Algemene regel met meldplicht’, dient u te voldoen aan de regelgeving uitgewerkt in de betreffende algemene regel. 3.4.1 Algemene regel met meldplicht Om te voldoen aan deze algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in de volgende artikelen. Artikel 1. Voorschriften uitvoering a.De watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na de demping gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt. Het waterschap kan deze aanvullende afspraken vastleggen middels maatwerkvoorschriften. b. Bij het dempen van een watergang voorkomt initiatiefnemer dat baggerspecie uit de te dempen watergang in het resterende deel van de watergang terecht komt. c.De wateraan- en de waterafvoer van achterliggende percelen of achterliggend gebied wordt niet belemmerd als gevolg van de demping. d.Indien er als het gevolg van een demping een stuk geïsoleerd water overblijft, wordt ook het oppervlak van dat overgebleven gedeelte geïsoleerd water gecompenseerd volgens de daarvoor geldende regelgeving. Artikel2.Voorschriften meldplicht a.Minimaal twee weken voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een melding gedaan bij het waterschap. b.Aan de melding wordt de volgende informatie toegevoegd: een duidelijke locatietekening van het te dempen oppervlaktewater en de te realiseren compensatie; een duidelijk overzicht van de hoeveelheid te dempen oppervlaktewater en de te realiseren compensatie in m²; de startdatum van de werkzaamheden. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschrift nader toegelicht. Uiterlijk 4 maanden nadat de demping is uitgevoerd moet de watercompensatie zijn gerealiseerd. Door het stellen van deze termijn krijgt initiatiefnemer ruimschoots de gelegenheid het werk uit te voeren. Bij het dempen van een watergang wordt voorkomen dat er baggerspecie in de aangrenzende watergang terecht komt. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen, zoals bijvoorbeeld het aan beide zijden aanbrengen van een dam. Overgebleven geïsoleerd water, dat niet meer verbonden is met de rest van het watersysteem, heeft geen functie meer in de piekopvang, bijvoorbeeld bij hevige regenval. Daarom moet dit oppervlak ook worden gecompenseerd, als ware het gedempt. Toelichting bij artikel 2 Het dempen van oppervlaktewater dient vooraf te worden gemeld, omdat dit een wijziging in het watersysteem behelst, die moet worden geregistreerd in de Legger. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.
  7. nl)of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). 3.4.2 Algemene regel met meldplicht Zie paragraaf 3.4.1. 3.5 Vergunningplicht Als u in het stroomschema uitkomt bij het gekleurde vakje waarin is aangegeven dat naast de zorgplicht een vergunningplicht geldt, dan mag de voorgenomen handeling niet zondermeer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend, zoals bedoeld in artikel 3.3 van de Keur. De vergunning kan bij het waterschap worden aangevraagd (zie hiervoor www.hdsr.nl of www.omgevingsloket.nl). Na het indienen van het formulier zal uw aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventueel op te treden nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in artikel 3.1 van de Keur. Het afwegingskader waar vergunningaanvragen aan worden getoetst kunt u nalezen in het document ‘Beleidsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018’. Indien u nog verdere vragen heeft, kunt u ook contact opnemen met de afdeling Vergunningverlening & Handhaving van het waterschap. 4 Duikers, dammen met duiker en dichte dammen in oppervlaktewater 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk staan duikers, dammen met duiker en dichte dammen centraal. De regels omtrent het aanleggen van duikers, dammen met duiker en dichte dammen en het verwijderen van duikers, dammen met duiker en dichte dammen binnen het beheergebied van het waterschap worden hierin uitgewerkt. Dit hoofdstuk is bijvoorbeeld van toepassing bij het aanleggen van een toegangsweg naar een perceel over een watergang, waarbij de watergang deels wordt gedempt middels een dam met duiker. Dit hoofdstuk is ook van toepassing op verbindingsduikers of als een bestaande (dam met) duiker wordt verbreed of verlengd. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op peilscheidende of peilregelende kunstwerken, zoals bijvoorbeeld inlaatduikers of dichte peilscheidende dammen. Het aanleggen of het verwijderen van duikers, dammen met duiker en dichte dammen is niet zonder meer toegestaan. Door het plaatsen van een duiker, dam met duiker of dichte dam kan bijvoorbeeld de doorstroming van de watergangen in gevaar komen. Om die reden heeft het waterschap regels opgesteld om deze handelingen te monitoren. Het verbreden of verlengen van een bestaande duiker, dam met duiker of dichte dam wordt in de regels gelijkgesteld met de aanleg van een nieuwe, tenzij met een vergunning kan worden aangetoond dat de bestaande dam met duiker of dichte dam al eerder is gecompenseerd. Dus als de bestaande dam (met duiker) 20 m2 water wegneemt en het nieuwe deel 10 m2 water wegneemt, dan moet er 30 m2 water worden gecompenseerd, tenzij kan worden aangetoond dat de eerste 20 m2 al eerder is gecompenseerd. Als u van plan bent om een duiker, dam met duiker of dichte dam aan te leggen, te verbreden of te verwijderen, doorloop dan het desbetreffende stroomschema opgenomen in dit hoofdstuk. U ziet dan of de handeling is toegestaan en welke regels van toepassing zijn. Stroomschema’s De stroomschema’s zijn opgebouwd uit een aantal vragen (criteria). De vragen in de stroomschema’s zijn nader toegelicht in de toelichting. Als het stroomschema doorlopen is, resulteert dat in een bepaalde uitkomst. Deze uitkomst kan zijn: zorgplicht en algemene regel met meldplicht; zorgplicht en vergunningplicht. Deze uitkomsten zijn in dit hoofdstuk nader toegelicht en uitgewerkt in regelgeving die van toepassing is. Als u een handeling gaat uitvoeren, dient u de voorschriften en regelgeving die in de betreffende paragrafen zijn uitgewerkt na te leven. Aanvullende regelgeving Naast de regelgeving die in dit hoofdstuk is opgenomen kan er ook nog andere regelgeving van toepassing zijn. Ook die regelgeving moet dan worden opgevolgd. Zo kan bijvoorbeeld de volgende regelgeving van toepassing zijn: Hoofdstuk 2 ‘Graven van of in oppervlaktewater’. Hoofdstuk 13 ‘Constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater’. Hoofdstuk 14 ‘Aanleggen van natuurvriendelijke oevers en/of het verrichten van handelingen daarin of daarboven’. Hoofdstuk 22 ‘Verrichten van handelingen in of boven een vaarweg’. Hoofdstuk 27 ‘Duikers, dammen met duiker en inlaatduikers bij een waterkering’ Verder kan er naast de regelgeving die in dit hoofdstuk wordt uitgewerkt c.q. benoemd, ook nog andere wet- en regelgeving van toepassing zijn (de genoemde regelgeving is dus niet limitatief). Het is aan de initiatiefnemer zelf om na te gaan of hij ook nog aan andere uitvoeringsregels en/of andere regelgeving moet voldoen. 4.2 Aanleggen van duikers, dammen met duiker en dichte dammen in oppervlaktewater 4.2.1 Stroomschema aanleggen van duikers, dammen met duiker en dichte dammen in oppervlaktewater Voor het stroomschema wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting bij vraag 1 Voor peilscheidende en peilregelende kunstwerken geldt aparte regelgeving. Daarom moet hoofdstuk 21 ‘Peilscheidende en peilregelende kunstwerken in oppervlaktewater’ worden geraadpleegd. Het kan bijvoorbeeld gaan om een inlaatduiker of om een dichte peilscheidende dam. Toelichting bij vraag 2 Het aanleggen van een duiker of een dam met duiker in een primaire en secundaire watergang kan de doorstroming bemoeilijken en leiden tot onacceptabele opstuwing ter plaatse van de dam met duiker. Dit kan uiteraard niet zonder meer worden toegestaan, maar moet per geval worden beoordeeld. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Toelichting bij vraag 3 Het gaat hier om een dichte dam zonder duiker die niet peilscheidend is. Het oppervlaktewater wordt niet gestremd aangezien het aan beide zijden van de dam in open verbinding staat met het watersysteem. Per geval moet beoordeeld worden of zo’n dichte dam kan worden toegestaan. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Toelichting bij vraag 4 Bij een minimale diameter van de duiker van 0,50 meter is er in de meeste tertiaire watergangen weinig gevaar voor opstuwing. Daar waar dit gevaar wel bestaat geldt een minimale diameter van 0,80 meter (zie kaart 5). Dit geldt bijvoorbeeld voor duikers in het Kromme Rijngebied. De diameter wijkt hier af omdat in dat gebied tertiaire watergangen een belangrijke rol kunnen spelen in de aanvoer van water ten behoeve van de beregening (zowel voor droogte- als nachtvorstbestrijding) voor de fruitteelt. Als duikers worden vervangen dan moet altijd een duiker van gelijke diameter of groter worden gebruikt. Bijvoorbeeld: er ligt een duiker van 0,60 meter terwijl 0,50 meter is voorgeschreven, dan moet toch een duiker van minstens 0,60 meter worden aangelegd. Als er een duiker ligt van 0,40 meter terwijl 0,50 meter is voorgeschreven, dan moet de duiker worden vervangen door een duiker van minstens 0,50 meter. Duikers moeten met 20 tot 35 procent lucht worden gelegd ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit. Dus bij een buis van 0,50 meter ligt hiervan maximaal 0,40 meter onder water en minimaal 0,10 meter boven water. Als de duiker minder dan 0,10 meter boven het water uitsteekt bestaat de kans dat drijfvuil ophoopt voor de duiker. Daarnaast wordt een grens gesteld aan de maximale lengte van duikers. De maximale lengte bestaat omdat duikers een negatief effect hebben op de waterkwaliteit. De grens voor de algemene regel is op 10 meter gesteld. In sommige gevallen kan van voorgenoemde maatvoering worden afgeweken. Dat moet per geval worden beoordeeld. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Toelichting bij vraag 5 De afstand tussen dammen met duiker en peilregelende kunstwerken moet minimaal 10 meter bedragen, omdat een dam met duiker vanwege de verminderde doorstroming de werking van een peilregelend kunstwerk in negatieve zin kan beïnvloeden. De minimale afstand is niet van toepassing op verbindingsduikers, aangezien die dwars op de watergang liggen en niet van invloed zijn op de werking van peilregelende kunstwerken. Toelichting bij vragen 6 en 7 Als de dam met duiker niet meer dan 25 m2 oppervlaktewater wegneemt (demping) dan geldt een algemene regel met meldplicht. Neemt de dam met duiker wel meer dan 25 m2 weg dan geldt de algemene regel alleen als er wordt gecompenseerd conform de regelgeving in hoofdstuk 3 (Dempen van oppervlaktewater). Wordt er niet gecompenseerd conform hoofdstuk 3 dan geldt een vergunningplicht. 4.2.2 Zorgplicht De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de handelingen die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn. Zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat: bij het dempen van oppervlaktewater het werk na afloop van de werkzaamheden in nette staat wordt achtergelaten. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden; en/of er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet te veel worden belemmerd, zoals bijvoorbeeld kanoroutes of officiële schaatsroutes. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan. 4.2.3 Algemene regel met meldplicht In het stroomschema wordt verwezen naar één of meer algemene regels, zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Keur. Deze algemene regel(
  8. s)is/(zijn) hieronder uitgewerkt. Naast de algemene regel is ook altijd de zorgplicht van toepassing. Als u het stroomschema heeft doorlopen en u komt uit bij het vakje ‘Algemene regel zonder meldplicht’ of ‘Algemene regel met meldplicht’, dient u te voldoen aan de regelgeving uitgewerkt in de betreffende algemene regel. Om te voldoen aan deze algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in de volgende artikelen. Artikel 1. Voorschriften uitvoering b.Het toepassen van uitlogende materialen is niet toegestaan, met uitzondering van bevestigingsmiddelen. c.De duikerbuizen dienen in een rechte lijn te liggen en gronddicht op elkaar te worden aangesloten. d.Door het aanleggen van een duiker ontstaat geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden. e.Er dienen zodanige maatregelen getroffen te worden dat er geen grond of puin vanaf de dam in de naastliggende watergang kan raken. f.Wanneer de duiker of dam met duiker niet meer wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is aangelegd, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen en het oorspronkelijk profiel te herstellen. Artikel2.Voorschriften meldplicht a.Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een melding gedaan bij het waterschap. b.Aan de melding wordt de volgende informatie toegevoegd: een duidelijke locatietekening van de aan te leggen dam met duiker; de lengte en de breedte van de dam ter hoogte van de waterlijn; de lengte en diameter van de duiker. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. a. Hierbij wordt verwezen naar uitlogende materialen. Hieronder verstaan we onder andere zink, gecreosoteerd hout of gewolmaniseerd hout. Met bevestigingsmiddelen wordt bedoeld verzinkte of koperen schroeven of spijkers etc. Het gebruik van uitlogende materialen bij bevestigingsmiddelen is wel toegestaan. d. Een voorbeeld hiervan is het plaatsen van een grondkering of een erosiebestendige afdekking. e. Dammen en duikers in de watergang zorgen voor opstuwing. Indien de dammen niet meer worden gebruikt moeten ze worden weggehaald. Toelichting bij artikel 2 Het plaatsen van een (dam met) duiker dient vooraf te worden gemeld, omdat dit een wijziging in het watersysteem behelst. Een wijziging in het watersysteem moet worden geregistreerd in de Legger. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.
  9. nl)of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). 4.2.4 Vergunningplicht Als u in het stroomschema uitkomt bij het gekleurde vakje waarin is aangegeven dat naast de zorgplicht een vergunningplicht geldt, dan mag de voorgenomen handeling niet zondermeer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend, zoals bedoeld in artikel 3.3 van de Keur. De vergunning kan bij het waterschap worden aangevraagd (zie hiervoor www.hdsr.nl of www.omgevingsloket.nl). Na het indienen van het formulier zal uw aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventueel op te treden nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in artikel 3.1 van de Keur. Het afwegingskader waar vergunningaanvragen aan worden getoetst kunt u nalezen in het document ‘Beleidsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018’. Indien u nog verdere vragen heeft, kunt u ook contact opnemen met de afdeling Vergunningverlening & Handhaving van het waterschap. 4.3 Verwijderen van duikers, dammen met duiker en dichte dammen in oppervlaktewater 4.3.1 Stroomschema verwijderen van duikers, dammen met duiker en dichte dammen in oppervlaktewater Voor het stroomschema wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting bij vraag 1 Voor inlaatduikers en peilregelende kunstwerken gelden aparte regels. Daarvoor moet hoofdstuk 21 ‘Peilscheidende en peilregelende kunstwerken in oppervlaktewater’ worden geraadpleegd. Toelichting bij vraag 2 Het is zonder vergunning niet toegestaan om een duiker te verwijderen en de dam te laten liggen. De wateraan- en -afvoer kan dan in het gedrang komen. Toelichting bij vraag 3 Het kan gaan om een dam, die speciaal is aangelegd om schouw en/of onderhoud van watergangen mogelijk te maken (als een watergang een onderhoudsroute van het waterschap doorkruist zie beschermingszone A op kaart 2A). Ook kan het gaan om een dam die in een toegangsweg ligt naar een kunstwerk of gebouw in beheer en onderhoud van het waterschap. Als het gaat om de hiervoor genoemde situaties dan kan zo’n dam niet zonder meer worden verwijderd. Indien er toch een dringende reden is om zo’n dam met duiker te verwijderen moeten er maatregelen worden getroffen om de bereikbaarheid van het schouwpad te garanderen. In zo’n geval moet een vergunning worden aangevraagd waarin een en ander kan worden geregeld. De beschermingszone A is terug te vinden op kaart 2A. Of het gaat om een dam in een toegangsweg naar een kunstwerk of gebouw in beheer en onderhoud van het waterschap staat niet op kaart, maar een initiatiefnemer wordt verondersteld hiervan op de hoogte te zijn. 4.3.2 Zorgplicht De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de handelingen die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn. Zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat: bij het verwijderen van de dam het werk na afloop van de werkzaamheden in nette staat wordt achtergelaten. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan. 4.3.3 Algemene regel met meldplicht In het stroomschema wordt verwezen naar één of meer algemene regels, zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Keur. Deze algemene regel(
  10. s)is/(zijn) hieronder uitgewerkt. Naast de algemene regel is ook altijd de zorgplicht van toepassing. Als u het stroomschema heeft doorlopen en u komt uit bij het vakje ‘Algemene regel zonder meldplicht’ of ‘Algemene regel met meldplicht’, dient u te voldoen aan de regelgeving uitgewerkt in de betreffende algemene regel. Om te voldoen aan de algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in het volgende artikel. Artikel 1. Voorschriften meldplicht a.Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een melding gedaan bij het waterschap. b.Aan de melding wordt de volgende informatie toegevoegd: een duidelijke locatietekening van de te verwijderen dam met duiker. Toelichting bij artikel 1 Het verwijderen van een (dam met) duiker dient vooraf te worden gemeld, omdat dit een wijziging in het watersysteem behelst, die moet worden geregistreerd in de Legger. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.
  11. nl)of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). 4.3.4 Vergunningplicht Als u in het stroomschema uitkomt bij het gekleurde vakje waarin is aangegeven dat naast de zorgplicht een vergunningplicht geldt, dan mag de voorgenomen handeling niet zondermeer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend, zoals bedoeld in artikel 3.3 van de Keur. De vergunning kan bij het waterschap worden aangevraagd (zie hiervoor www.hdsr.nl of www.omgevingsloket.nl). Na het indienen van het formulier zal uw aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventueel op te treden nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in artikel 3.1 van de Keur. Het afwegingskader waar vergunningaanvragen aan worden getoetst kunt u nalezen in het document ‘Beleidsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018’. Indien u nog verdere vragen heeft, kunt u ook contact opnemen met de afdeling Vergunningverlening & Handhaving van het waterschap. 5 Bruggen in of over oppervlaktewater 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk staan bruggen centraal. Hiertoe wordt ook gerekend het verbreden van bruggen en het vervangen van het brugdek. Dit wordt gelijkgesteld met de aanleg van een nieuwe brug. Onder een brug verstaan we bijvoorbeeld een verbinding van een weg van de ene kant van de watergang naar de andere kant, die al dan niet met pijlers of palen in de watergang wordt ondersteund. Het verbreden van een brug wordt gelijk gesteld met de aanleg van een nieuwe brug. Als u van plan bent om een brug aan te leggen, te verbreden of te verwijderen, doorloop dan het betreffende stroomschema opgenomen in dit hoofdstuk. U ziet dan of de handeling is toegestaan en welke regels van toepassing zijn. Stroomschema’s De stroomschema’s zijn opgebouwd uit een aantal vragen (criteria). De vragen in de stroomschema’s zijn nader toegelicht in de toelichting. Als het stroomschema doorlopen is, resulteert dat in een bepaalde uitkomst. Deze uitkomst kan zijn: zorgplicht; zorgplicht en algemene regel zonder meldplicht; zorgplicht en vergunningplicht. Deze uitkomsten zijn in dit hoofdstuk nader toegelicht en uitgewerkt in regelgeving die van toepassing is. Als u een handeling gaat uitvoeren, dient u de voorschriften en regelgeving die in de betreffende paragrafen zijn uitgewerkt na te leven. Aanvullende regelgeving Naast de regelgeving die in dit hoofdstuk is opgenomen kan er ook nog andere regelgeving van toepassing zijn. Ook die regelgeving moet dan worden opgevolgd. Zo kan bijvoorbeeld de volgende regelgeving van toepassing zijn: Hoofdstuk 13 ‘Constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater’. Hoofdstuk 14 ‘Aanleggen van natuurvriendelijke oevers en/of het verrichten van handelingen daarin of daarboven’. Hoofdstuk 22 ‘Verrichten van handelingen in of boven een vaarweg’. Hoofdstuk 28 ‘Bruggen bij een waterkering’. Verder kan er naast de regelgeving die in dit hoofdstuk wordt uitgewerkt c.q. benoemd, ook nog andere wet- en regelgeving van toepassing zijn (de genoemde regelgeving is dus niet limitatief). Het is aan de initiatiefnemer zelf om na te gaan of hij ook nog aan andere uitvoeringsregels en/of andere regelgeving moet voldoen. 5.2 Aanleggen, verbreden van bruggen en vervangen van een brugdek in of over oppervlaktewater 5.2.1 Stroomschema aanleggen, verbreden van bruggen en vervangen van een brugdek in of over oppervlaktewater Voor het stroomschema wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting bij vraag 0 Deze regelgeving is alleen van toepassing wanneer er een brug wordt aangelegd, verbreed of wordt onderhouden in de kernzone of beschermingszone A van een watergang, de beschermingszone B van een beschoeiing of in de beschermingszone K van een kunstwerk. Hierbuiten geldt alleen de zorgplicht. Toelichting bij vraag 1 Wanneer alleen het dek van een brug wordt vervangen dan geldt de zorgplicht. Voorwaarde is wel dat de vrije ruimte onder de brug niet wordt verkleind. Met de vrije ruimte wordt de afstand tussen het brugdek en de watergang bedoeld. Wordt een brug in zijn geheel vervangen dan moet worden voldaan aan zowel de regelgeving voor het verwijderen van bruggen als aan de regelgeving voor het aanleggen van bruggen. Toelichting bij vraag 2 Wanneer het een primaire of secundaire watergang betreft en deze versmald wordt als gevolg van de aanleg van de brug door bijvoorbeeld de landhoofden, dan kan de doorstroming van de watergang teveel worden belemmerd. Mochten er toch redenen zijn om het doorstroomprofiel met de aanleg van de brug te versmallen dan moet van geval tot geval worden beoordeeld wat de effecten zijn en welke maatregelen er moeten worden getroffen om nadelige consequenties voor de doorstroming zoveel mogelijk te voorkomen. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Een eventuele versmalling van de watergang moet voorafgaand of gelijktijdig met de versmalling van de watergang worden gecompenseerd. Toelichting bij vraag 3 Als er een brug met palen of pijlers wordt aangelegd in een watergang met een groot afvoerdebiet dan kunnen deze palen of pijlers een goede doorstroming in de weg staan. Daarom moet per geval worden beoordeeld of een dergelijke brug kan worden toegestaan en geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. De betreffende (delen van) watergangen zijn aangegeven op kaart 12. Toelichting bij vraag 4 Voor primaire en secundaire watergangen geldt dat als er palen of pijlers in de watergang worden geplaatst, dit ten koste kan gaan van de doorstroming. Het waterschap staat toe dat twee sets ondersteunende palen of pijlers in de watergang worden geplaatst, waarbij een set uit meerdere palen/pijlers kan bestaan die in de stromingsrichting van de watergang zijn geplaatst. Op deze manier wordt de doorstroming het minst beperkt. Voor tertiaire watergangen is de doorstroming van minder belang en om die reden worden daar geen eisen aan gesteld. Toelichting bij vraag 5 Bij watergangen waarop varend onderhoud van de watergang kan plaatsvinden (zie kaart 1B) worden eisen gesteld aan de doorvaartbreedte en –hoogte van bruggen. Bij niet-varend onderhoud is bij primaire en secundaire watergangen een vrije hoogte onder de brug van 0,30 meter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil volgens het peilbesluit gewenst. Dit in verband met lichttoevoer, ecologie en onderhoud onder de brug en om eventuele stijging van het waterpeil te kunnen doorstaan. In sommige gevallen kan van deze eisen worden afgeweken. Dit moet echter van geval tot geval worden beoordeeld. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Bij tertiaire watergangen die niet op kaart 1B staan, geldt deze laatst eis (vrije hoogte onder de brug 0,30 meter) niet omdat deze watergangen niet door het waterschap worden onderhouden. Ook tertiaire watergangen kunnen op kaart 1B staan. Het gaat dan meestal om aanvaarroutes van een inlaatplaats voor de maaiboot naar een primaire watergang toe. Toelichting bij vraag 6 Bij primaire en secundaire watergangen mag een brug niet in de beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk worden aangelegd om de mogelijkheid te hebben om deze kunstwerken in de toekomst te kunnen vervangen. In sommige gevallen kan van deze eisen worden afgeweken. Dit moet echter van geval tot geval worden beoordeeld. Daarom geldt voor die gevallen een vergunningplicht. Voor tertiaire watergangen geldt dat het meestal om kleinere peilregelende kuntswerken gaat en wordt deze eis niet gesteld. Wel geldt hier natuurlijk altijd nog wel de zorgplicht. Toelichting bij vraag 7 Als een brug te dicht op een ander kunstwerk ligt, is het niet meer mogelijk om het stukje water tussen de brug en dat kunstwerk vanaf de oever met een maaikorf te onderhouden. Daarom schrijft het waterschap bij primaire en secundaire watergangen die (mogelijk) vanaf de oever worden onderhouden, en dus een beschermingszone A hebben, een minimale afstand van 7 meter voor. Toelichting bij vraag 8 Als er bij de aanleg van de brug geen oppervlaktewater wordt gedempt (bijvoorbeeld voor de aanleg van landhoofden die de watergang versmallen), dan geldt voor de aanleg van de brug een algemene regel zonder meldplicht. Toelichting bij vragen 9 en 10 Als er door de aanleg van de brug niet meer dan 25 m2 oppervlaktewater weggenomen wordt (demping als gevolg van bijvoorbeeld de aanleg van landhoofden in de watergang) dan geldt een algemene regel met meldplicht. Wordt er door de aanleg van de brug wel meer dan 25 m2 weggenomen dan geldt de algemene regel alleen als er wordt gecompenseerd conform de regelgeving in hoofdstuk 3 (Dempen van oppervlaktewater). Wordt er niet gecompenseerd conform hoofdstuk 3 dan geldt een vergunningplicht. Let op dat als er gecompenseerd moet worden conform hoofdstuk 3 dit alsnog kan leiden tot meldplicht of vergunningplicht. 5.2.2 Zorgplicht De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de handelingen die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn. Zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat: bij het aanleggen, verbreden of onderhouden van een brug het werk na afloop van de werkzaamheden in nette staat wordt achtergelaten. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden; er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden. Dit doet zich voor bij onder andere het gebruik van de volgende materialen: gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal; en/of er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd, zoals bijvoorbeeld: kanoroutes, officiële schaatsroutes, varen op vaarwegen en overig vaarwater. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan. 5.2.3 Algemene regel In het stroomschema wordt verwezen naar één of meer algemene regels, zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Keur. Deze algemene regel(
  12. s)is/(zijn) hieronder uitgewerkt. Naast de algemene regel is ook altijd de zorgplicht van toepassing. Als u het stroomschema heeft doorlopen en u komt uit bij het vakje ‘Algemene regel zonder meldplicht’ of ‘Algemene regel met meldplicht’, dient u te voldoen aan de regelgeving uitgewerkt in de betreffende algemene regel. 5.2.3.1 Algemene regel zonder meldplicht Om te voldoen aan de algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften het volgende artikel. Artikel 1. Voorschriften uitvoering a.De onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden. De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap. b.Binnen het natte talud onder de brug mogen geen constructiedelen aangebracht worden, met uitzondering van de toegestane palen of pijlers. c.Eventuele beschoeiingen in beheer en onderhoud bij het waterschap komen over een afstand van 5 meter voor de brug tot 5 meter na de brug in beheer en onderhoud bij de initiatiefnemer. d.Delen van een eventueel aanwezige vervangen brug, voor zover deze geen deel uitmaken van de nieuwe brug en/of in strijd zijn met de voorschriften, worden verwijderd. e.Wanneer de brug niet meer wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is aangelegd, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel, inclusief eventuele landhoofden, te verwijderen en het profiel te herstellen. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. b. Constructiedelen in het water kunnen de doorstroming belemmeren. e. Bruggen met landhoofden in de watergang zorgen voor opstuwing. Indien de bruggen niet meer worden gebruikt moeten deze compleet met landhoofden worden weggehaald. 5.2.3.2 Algemene regel met meldplicht Om te voldoen aan de algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in de volgende artikelen. Artikel 1. Voorschriften uitvoering a.De onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden. De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap. b.Binnen het natte talud onder de brug mogen geen constructiedelen aangebracht worden, met uitzondering van de toegestane palen of pijlers. c.Eventuele beschoeiingen in beheer en onderhoud bij het waterschap komen over een afstand van 5 meter voor de brug tot 5 meter na de brug in beheer en onderhoud bij de initiatiefnemer. d.Delen van een eventueel aanwezige vervangen brug, voor zover deze geen deel uitmaken van de nieuwe brug en/of in strijd zijn met de voorschriften, worden verwijderd. e.Wanneer de brug niet meer wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is aangelegd, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel, inclusief eventuele landhoofden, te verwijderen en het profiel te herstellen. Artikel2.Voorschriften meldplicht a.Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een melding gedaan bij het waterschap. b.Aan de melding wordt de volgende informatie toegevoegd: een duidelijke locatietekening van de aan te leggen brug; de omvang van de demping (versmalling van de watergang). Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. c. Constructiedelen in het water kunnen de doorstroming belemmeren. e. Bruggen met landhoofden in de watergang zorgen voor opstuwing. Indien de bruggen niet meer worden gebruikt moeten deze compleet met landhoofden worden weggehaald. Toelichting bij artikel 2 Het aanleggen van een brug waarbij oppervlaktewater wordt gedempt dient vooraf te worden gemeld, omdat dit een wijziging in het watersysteem behelst. Een wijziging in het watersysteem moet worden geregistreerd in de Legger. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.
  13. nl)of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). 5.2.4 Vergunningplicht Als u in het stroomschema uitkomt bij het gekleurde vakje waarin is aangegeven dat naast de zorgplicht een vergunningplicht geldt, dan mag de voorgenomen handeling niet zondermeer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend, zoals bedoeld in artikel 3.3 van de Keur. De vergunning kan bij het waterschap worden aangevraagd (zie hiervoor www.hdsr.nl of www.omgevingsloket.nl). Na het indienen van het formulier zal uw aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventueel op te treden nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in artikel 3.1 van de Keur. Het afwegingskader waar vergunningaanvragen aan worden getoetst kunt u nalezen in het document ‘Beleidsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018’. Indien u nog verdere vragen heeft, kunt u ook contact opnemen met de afdeling Vergunningverlening & Handhaving van het waterschap. 5.3 Verwijderen van bruggen bij oppervlaktewater 5.3.1 Stroomschema verwijderen van bruggen bij oppervlaktewater Voor het stroomschema wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting Het verwijderen van bruggen is een handeling die geen grote impact heeft op watergangen. Daarom geldt voor deze handeling uitsluitend de zorgplicht. 5.3.2 Zorgplicht De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de handelingen die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn. Zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat: bij het verwijderen van bruggen het werk na afloop van de werkzaamheden in nette staat wordt achtergelaten. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden; en/of ook eventueel aanwezige landhoofden worden verwijderd en het profiel wordt hersteld. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan. 6 Steigers en vlonders bij oppervlaktewater 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk staan steigers en vlonders centraal (zie ook figuur 6.1). Het aanleggen en het wijzigen van steigers en vlonders en het verwijderen van steigers en vlonders worden hierin uitgewerkt. Onder een steiger wordt verstaan een werk dat over de watergang hangt. Het kan worden ondersteund middels palen in de watergang. Met een vlonder wordt een werk bedoeld dat wordt aangebracht boven land en dus niet over een watergang hangt. Het wijzigen van een steiger of vlonder wordt gelijk gesteld met de aanleg van een nieuwe steiger of vlonder. De regelgeving opgenomen in dit hoofdstuk is ook van toepassing op het realiseren van constructies zoals een balkon, die over de watergang hangt. Dergelijke constructies worden hier beschouwd als een steiger. Vanwege het feit dat de doorstroming en het onderhoud van de watergang kan worden belemmerd door het hebben dan wel het verwijderen van een steiger of vlonder, zijn deze handelingen niet zonder meer toegestaan. Als u van plan bent om een steiger of vlonder aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in, boven of naast een watergang, doorloop dan het desbetreffende stroomschema opgenomen in dit hoofdstuk. U ziet dan of de handeling is toegestaan en welke regels van toepassing zijn. Stroomschema’s De stroomschema’s zijn opgebouwd uit een aantal vragen (criteria). De vragen in de stroomschema’s zijn nader toegelicht in de toelichting. Als het stroomschema doorlopen is, resulteert dat in een bepaalde uitkomst. Deze uitkomst kan zijn: zorgplicht; zorgplicht en algemene regel zonder meldplicht; zorgplicht en vergunningplicht. Deze uitkomsten zijn in dit hoofdstuk nader toegelicht en uitgewerkt in regelgeving die van toepassing is. Als u een handeling gaat uitvoeren, dient u de voorschriften en regelgeving die in de betreffende paragrafen zijn uitgewerkt na te leven. Aanvullende regelgeving Naast de regelgeving die in dit hoofdstuk is opgenomen kan er ook nog andere regelgeving van toepassing zijn. Ook die regelgeving moet dan worden opgevolgd. Zo kan bijvoorbeeld de volgende regelgeving van toepassing zijn: Hoofdstuk 13 ‘Constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater’. Hoofdstuk 14 ‘Aanleggen van natuurvriendelijke oevers en/of het verrichten van handelingen daarin of daarboven’. Hoofdstuk 22 ‘Verrichten van handelingen in of boven een vaarweg’. Hoofdstuk 29 ‘Steigers en vlonders bij een waterkering’. Hoofdstuk 16 ‘Bouwwerken langs oppervlaktewater’. Verder kan er naast de regelgeving die in dit hoofdstuk wordt uitgewerkt c.q. benoemd, ook nog andere wet- en regelgeving van toepassing zijn (de genoemde regelgeving is dus niet limitatief). Het is aan de initiatiefnemer zelf om na te gaan of hij ook nog aan andere uitvoeringsregels en/of andere regelgeving moet voldoen. 6.2 Aanleggen van steigers en vlonders bij oppervlaktewater 6.2.1 Stroomschema aanleggen van steigers en vlonders bij oppervlaktewater Voor het stroomschema wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting bij vraag 0 Deze regelgeving is alleen van toepassing wanneer er een steiger of vlonder wordt aangelegd in de kernzone of beschermingszone A van een watergang, de beschermingszone B van een beschoeiing of in de beschermingszone K van een kunstwerk. Hierbuiten geldt alleen de zorgplicht. Toelichting bij vraag 1 Tertiaire watergangen worden niet door het waterschap onderhouden. Of er sprake is van een tertiaire watergang kunt u herleiden uit de Legger oppervlaktewateren (zie kaart 1 A). Vanwege het feit dat tertiaire watergangen niet door het waterschap worden onderhouden, worden door het waterschap geen eisen gesteld aan steigers en vlonders. Ook worden geen eisen gesteld aan de maximale breedte van het overstek van de steiger. Overigens kan het bij een tertiaire watergang zo zijn dat wanneer deze in eigendom is van de gemeente er varend onderhoud wordt gepleegd door deze gemeente. Met dit onderhoud dient de initiatiefnemer wel rekening te houden. In die gevallen is het verstandig toestemming te vragen voor de aanleg van de steiger bij de betreffende gemeente. Figuur 6.1 Verschil tussen een vlonder en een steiger Voor de figuur wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting bij vragen 2, 3 en 4 Als er sprake is van een vlonder (zie figuur 6.1), dan is de invloed op watergangen minimaal. De doorstroming wordt niet belemmerd, omdat er geen palen in het water staan en er geen sprake van een overstek over de watergang. Wel moet worden nagegaan of de vlonder zich bevindt in de beschermingszone A van een watergang. Als dat het geval is dan moet de vlonder zodanig geconstrueerd zijn dat deze overrijdbaar is door onderhoudsvoertuigen die maaionderhoud aan de watergang uitvoeren. Is de vlonder niet overrijdbaar voor onderhoudsvoertuigen dan moet per geval worden nagegaan of zo’n vlonder in de beschermingszone kan worden toegestaan. Daarom geldt voor die gevallen een vergunningplicht. Als de vlonder niet in de beschermingszone A van een watergang ligt, maar wel in de beschermingszone B van beschoeiingen of in de beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk, en overrijdbaar is voor onderhoudsvoertuigen, dan moet alleen nog worden nagegaan of de vlonder zich bevindt bij een beschoeiing of peilregelend kunstwerk die in beheer en onderhoud is bij het waterschap. Is dat het geval dan gelden er voorschriften voor het aanleggen van die vlonder. Daarom geldt in die gevallen een algemene regel, waarbij er geen meldingsplicht is. In andere gevallen geldt alleen de zorgplicht. Toelichting bij vraag 5 Bij primaire en secundaire watergangen worden er eisen gesteld aan de afstand van de onderzijde van de steiger tot het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit. Peilbesluiten kunt u inzien op de site van het waterschap (zie www.hdsr.nl/bestuur-organisatie/regelgeving). Of een watergang primair of secundair is, staat op kaart 1A. De maat van 0,30 meter heeft als achtergrond dat deze afstand voldoende is om de meeste peilstijgingen van watergangen te kunnen opvangen zonder dat steeds de steiger onder water loopt en er allerlei losliggende voorwerpen in de watergang terecht komen. Bij steigers in de openbare ruimte (bijvoorbeeld kanosteigers) bevinden zich over het algemeen geen losliggende voorwerpen op de steiger en zijn bovengenoemde risico’s dus niet aan de orde. Daarom geldt hier geen maat van 0,30 meter. Ook bij steigers die zich niet in de openbare ruimte bevinden, zou een kleinere maat dan 0,30 meter in sommige gevallen kunnen worden toegestaan. Er worden dan wel aanvullende eisen gesteld. Dit moet echter van geval tot geval worden beoordeeld. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Toelichting bij vraag 6 Wanneer er sprake is van een primaire of secundaire watergang en deze watergang wordt door het waterschap vanaf de kant (beschermingszone A) onderhouden dan vormen steigers een lastig obstakel bij dit onderhoud. Of zo’n steiger toch wordt toegestaan moet per situatie beoordeeld worden. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht omdat moet worden bekeken of het onderhoud niet te veel wordt belemmerd. Toelichting bij vragen 7 en 8 Wanneer de watergang vanaf de andere oever wordt onderhouden en dus niet vanaf het water (watergang staat niet op kaart 1B), dan hoeft geen rekening te worden gehouden met de doorvaartbreedte voor een maaiboot. De lengte van het overstek van de steiger over het water mag dan per oever 1/6 deel zijn van de waterlijn bij het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit, met een maximale breedte van 1 meter. Bij deze breedte blijft altijd 2/3 deel van de breedte op de waterlijn vrij, waardoor de schaduwwerking, die door de steiger wordt veroorzaakt, beperkt blijft. Het plaatsen van palen in een primaire of secundaire watergang is ongewenst vanwege doorstroming, drijfvuil en onderhoud. Als er toch dringende redenen zijn om groter overstek over het water aan te leggen of om palen onder een steiger in de watergang te zetten dan moet per geval beoordeeld worden of dit kan worden toegestaan. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Toelichting bij vragen 9, 10, en 11 In de legger oppervlaktewateren worden onder andere watergangen aangegeven die varend kunnen worden onderhouden. In het geval er vanaf het water onderhoud kan worden uitgevoerd middels een boot, spreken we van onderhoudsvaarwater. Bij varend onderhoud, bijvoorbeeld door het waterschap, gelden er eisen aan de doorvaartbreedte ten behoeve van de maaiboot. Dit geldt ook voor (andere) watergangen die toegankelijk moeten zijn voor de maaiboot. Voor de bepaling van het overstek van de steiger boven het water gelden twee uitgangspunten. Manoeuvreerbreedte maaiboot: om goed te kunnen manoeuvreren heeft een maaiboot een breedte nodig van minimaal 3 meter. Gelijke rechten voor initiatiefnemers op beide oevers: het mag niet zo zijn dat als er op de ene oever een steiger wordt aangelegd, dat dit dan op de tegenoverliggende oever niet meer mogelijk is. Voor het bepalen van de lengte van het overstek van de steiger over het water onderscheiden we vier gevallen waarbij de breedte van de watergang op de waterlijn bij het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit leidend is, te weten: De watergang is breder dan 7 meter: aan beide zijden mag een steiger worden aangelegd met een overstek over het water van 1 meter. Er is aan beide zijden dan ook nog de mogelijkheid om een klein bootje of kano aan de steiger aan te leggen, mits dit ook vanuit andere regelgeving is toegestaan. Hierbij moet er rekening mee worden gehouden dat er te allen tijde een vrije doorvaartopening overblijft van minimaal 3 meter ten behoeve van de maaiboot. De watergang heeft een breedte tussen 5 en 7 meter. Alles wat de watergang breder is dan 5 meter mag gelijk verdeeld worden over beide oevers. Dus bij een watergang met een breedte van 6 meter mag de lengte van het overstek over het water maximaal 0,50 meter zijn. Ook in dit geval is er nog voldoende ruimte over om aan beide zijden een klein bootje of kano aan de steiger aan te leggen, mits dit ook vanuit andere regelgeving is toegestaan. Ook hier geldt weer dat er te allen tijde een vrije doorvaartopening overblijft van 3 meter ten behoeve van de maaiboot. De watergang heeft een breedte tussen 3 en 5 meter. Alles wat de watergang breder is dan 3 meter mag gelijk verdeeld worden over beide oevers. Dus bij een watergang met een breedte van 4 meter mag de lengte van het overstek over het water maximaal 0,50 meter zijn. In dit geval mag er geen bootje of kano aan de steiger worden aangelegd omdat dan de doorvaartbreedte voor de maaiboot smaller zou worden dan 3 meter. De watergang is smaller dan 3 meter. Er is geen overstek over het water toegestaan. Indien een groter overstek van de steiger over het water gewenst is, dan moet per geval worden beoordeeld of dit mogelijk is. Dat geldt ook voor het plaatsen van palen onder de steiger in de watergang. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. 6.2.2 Zorgplicht De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de handelingen die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn. Zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat: bij het aanleggen van een steiger of vlonder wordt het werk na afloop van de werkzaamheden in nette staat achtergelaten. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd, indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden; vanuit het oogpunt van ecologie, het van belang is dat een steiger niet zodanig groot is dat over een grote lengte of breedte lichttoetreding onder de steiger onmogelijk wordt gemaakt; er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden. Dit doet zich voor bij onder andere het gebruik van de volgende materialen: gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal; er rekening mee wordt gehouden dat maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd, zoals bijvoorbeeld kanoroutes of officiële schaatsroutes; dat onderhoud van de watergang mogelijk blijft; en/of bij de aanleg van een steiger geen waterberging mag worden weggenomen. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan. 6.2.3 Algemene regel In het stroomschema wordt verwezen naar één of meer algemene regels, zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Keur. Deze algemene regel(
  14. s)is/(zijn) hieronder uitgewerkt. Naast de algemene regel is ook altijd de zorgplicht van toepassing. Als u het stroomschema heeft doorlopen en u komt uit bij het vakje ‘Algemene regel zonder meldplicht’ of ‘Algemene regel met meldplicht’, dient u te voldoen aan de regelgeving uitgewerkt in de betreffende algemene regel. 6.2.3.1 Algemene regel zonder meldplicht Om te voldoen aan de algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in het volgende artikel. Artikel 1. Voorschriften uitvoering a.De vlonder wordt niet bevestigd aan en rust niet op een aanwezige beschoeiing van het waterschap (zie kaart 1D) of aan een peilregelend kunstwerk (zie kaart 1C). b.Delen van een aanwezige vervangen vlonder, voor zover deze geen functie meer hebben en geen deel uitmaken van de nieuwe vlonder en/of in strijd zijn met deze voorschriften, worden verwijderd. c.De vlonder moet in overleg met het waterschap op eigen kosten worden weggehaald als het waterschap de beschoeiing of het peilregelende kunstwerk of delen hiervan, moet vervangen en de vlonder daarvoor in de weg ligt. De vlonder mag daarna op eigen kosten worden teruggeplaatst. d.Wanneer de vlonder niet meer wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is aangelegd, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen en het profiel te herstellen. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. a. Een vlonder mag niet worden bevestigd aan de beschoeiing of aan een peilregelend kunstwerk van het waterschap. De reden hiervoor is dat de constructie hier niet op is berekend. Het aanbrengen van een vlonder kan daarmee de stabiliteit en levensduur van de beschoeiing of het kunstwerk negatief beïnvloeden. c. Als het waterschap (groot) onderhoud moet uitvoeren, waarbij de vlonder in de weg ligt, dan moet de initiatiefnemer deze weghalen. Na afloop van de werkzaamheden mag de vlonder weer worden teruggeplaatst. d. Vlonders kunnen het onderhoud belemmeren. Indien deze niet meer worden gebruikt moeten ze worden weggehaald. 6.2.3.2 Algemene regel zonder meldplicht Om te voldoen aan de algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in het volgende artikel. Artikel 1. Voorschriften uitvoering a.De steiger wordt niet bevestigd aan een aanwezige beschoeiing van het waterschap (zie kaart 1D) of aan een peilregelend kunstwerk (zie kaart 1C). Dit betekent dat de constructie niet rust op of is verankerd aan de beschoeiing of het peilregelende kunstwerk. b.Delen van een aanwezige vervangen steiger, voor zover deze geen deel uitmaken van de nieuwe steiger en/of in strijd zijn met deze voorschriften, worden verwijderd. c.De steiger moet in overleg met het waterschap op eigen kosten worden weggehaald als het waterschap de beschoeiing of het peilregelende kunstwerk of delen hiervan moet vervangen en de steiger daarvoor in de weg ligt. De steiger mag daarna op eigen kosten worden teruggeplaatst. d.Wanneer de steiger niet meer wordt gebruikt, dan dient de initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen en het profiel te herstellen. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. b. Een steiger mag niet worden bevestigd aan de beschoeiing of aan een peilregelend kunstwerk van het waterschap. De reden hiervoor is dat de constructie hier niet op is berekend. Het aanbrengen van een steiger kan daarmee de stabiliteit en levensduur van de beschoeiing of het kunstwerk negatief beïnvloeden. c. Als het waterschap (groot) onderhoud moet uitvoeren, waarbij de steiger in de weg ligt, dan moet de initiatiefnemer deze weghalen. Na afloop van de werkzaamheden mag de steiger weer worden teruggeplaatst. d. Steigers in de watergang zorgen voor opstuwing en kunnen het onderhoud belemmeren. Indien deze niet meer worden gebruikt moeten ze worden weggehaald. 6.2.3.3 Algemene regel zonder meldplicht zie paragraaf 6.2.3.2 6.2.3.4 Algemene regel zonder meldplicht zie paragraaf 6.2.3.2 6.2.3.5 Algemene regel zonder meldplicht zie paragraaf 6.2.3.2 6.2.4 Vergunningplicht Als u in het stroomschema uitkomt bij het gekleurde vakje waarin is aangegeven dat naast de zorgplicht een vergunningplicht geldt, dan mag de voorgenomen handeling niet zondermeer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend, zoals bedoeld in artikel 3.3 van de Keur. De vergunning kan bij het waterschap worden aangevraagd (zie hiervoor www.hdsr.nl of www.omgevingsloket.nl). Na het indienen van het formulier zal uw aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventueel op te treden nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in artikel 3.1 van de Keur. Het afwegingskader waar vergunningaanvragen aan worden getoetst kunt u nalezen in het document ‘Beleidsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018’. Indien u nog verdere vragen heeft, kunt u ook contact opnemen met de afdeling Vergunningverlening & Handhaving van het waterschap. 6.3 Verwijderen van steigers en vlonders bij oppervlaktewater 6.3.1 Stroomschema verwijderen van steigers en vlonders bij oppervlaktewater Voor het stroomschema wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting Het verwijderen van steigers en vlonders is een handeling die geen grote impact heeft op watergangen. Daarom geldt voor deze handeling uitsluitend de zorgplicht. 6.3.2 Zorgplicht De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de handelingen die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn. Zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat: het werk na afloop van de werkzaamheden in nette staat wordt achtergelaten. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd, indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden; en/of het profiel van de watergang wordt hersteld. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan. 7 Beschoeiingen en damwanden in of langs oppervlaktewater 7.1 Inleiding In dit hoofdstuk staan beschoeiingen en damwanden centraal. Het plaatsen en verwijderen van beschoeiingen en damwanden wordt hierin uitgewerkt. Onder een beschoeiing of damwand wordt verstaan een constructie die wordt aangebracht langs de oever ter bescherming van het afkalven van het achterliggende land of ter bescherming van de waterkering. Het plaatsen en het verwijderen van een beschoeiing of damwand is niet zonder meer toegestaan. Als een nieuwe beschoeiing of damwand in de watergang wordt geplaatst kan wateroppervlakte en dus bergingscapaciteit verloren gaan. Er is dan sprake van een demping. Dit is niet altijd toegestaan. Ook kan mogelijk verkeerd materiaal worden gebruikt dat niet geschikt is voor een beschoeiing of dat uitloging in oppervlaktewater veroorzaakt. Verder moet worden voorkomen dat grond of schadelijke stoffen in de watergang terecht komen. Om die reden zijn er regels opgesteld voor het materiaal dat kan worden gebruikt en zijn er regels opgesteld ten behoeve van de compensatie van de demping die ten gevolge van het plaatsen van de beschoeiing of damwand plaatsvindt. Als u van plan bent om een oeverbeschoeiing of een damwand te plaatsen of te verwijderen, doorloop dan het desbetreffende stroomschema opgenomen in dit hoofdstuk. U ziet dan of de handeling is toegestaan en welke regels van toepassing zijn. Indien u een nieuwe beschoeiing of damwand strak langs de oever plaatst en daarbij de oude beschoeiing of damwand verwijdert, dan dient u enkel het stroomschema voor het plaatsen van een beschoeiing en damwanden te doorlopen. Stroomschema’s De stroomschema’s zijn opgebouwd uit een aantal vragen (criteria). De vragen in de stroomschema’s zijn nader toegelicht in de toelichting. Als het stroomschema doorlopen is, resulteert dat in een bepaalde uitkomst. Deze uitkomst kan zijn: zorgplicht; zorgplicht en algemene regel zonder meldplicht; zorgplicht en algemene regel met meldplicht; zorgplicht en vergunningplicht. Deze uitkomsten zijn in dit hoofdstuk nader toegelicht en uitgewerkt in regelgeving die van toepassing is. Als u een handeling gaat uitvoeren, dient u de voorschriften en regelgeving die in de betreffende paragrafen zijn uitgewerkt na te leven. Aanvullende regelgeving Naast de regelgeving die in dit hoofdstuk is opgenomen kan er ook nog andere regelgeving van toepassing zijn. Ook die regelgeving moet dan worden opgevolgd. Zo kan bijvoorbeeld de volgende regelgeving van toepassing zijn: Hoofdstuk 2 ‘Graven van of in oppervlaktewater’. Hoofdstuk 3 ‘Dempen van oppervlaktewater’. Hoofdstuk 13 ‘Constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater’. Hoofdstuk 14 ‘Aanleggen van natuurvriendelijke oevers en/of het verrichten van handelingen daarin of daarboven’. Hoofdstuk 30 ‘Beschoeiingen bij een waterkering’. Verder kan er naast de regelgeving die in dit hoofdstuk wordt uitgewerkt c.q. benoemd, ook nog andere wet- en regelgeving van toepassing zijn (de genoemde regelgeving is dus niet limitatief). Het is aan de initiatiefnemer zelf om na te gaan of hij ook nog aan andere uitvoeringsregels en/of andere regelgeving moet voldoen. 7.2 Plaatsen van beschoeiingen en damwanden in of langs oppervlaktewater 7.2.1 Stroomschema plaatsen van beschoeiingen en damwanden in of langs oppervlaktewater Voor het stroomschema wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting bij vraag 1 Als de beschoeiing wordt geplaatst in een tertiaire watergang, waarbij eventuele aanwezige oude beschoeiingen worden verwijderd en er dus geen demping plaats vindt als gevolg van het plaatsen van de beschoeiing, dan geldt de algemene regel zonder meldplicht. Toelichting bij vraag 2 Als de beschoeiing wordt geplaatst in een tertiaire watergang en er vindt wel demping plaats als gevolg van het plaatsen van de beschoeiing dan moet worden gecompenseerd middels het graven van nieuw oppervlaktewater. Daarom moet ook hoofdstuk 3 voor het dempen van oppervlaktewater geraadpleegd worden. Er geldt dan een meldplicht in het kader van de algemene regels. Deze situatie doet zich voor als de nieuwe beschoeiing tegen de oude beschoeiing wordt geplaatst, of als de nieuwe beschoeiing niet op de oeverlijn maar in het water wordt geplaatst. Toelichting bij vraag 3 Als de beschoeiing wordt geplaatst in een primaire of secundaire watergang en er vindt geen demping plaats als gevolg van het plaatsen van de beschoeiing dan geldt er een meldingsplicht in het kader van de algemene regels. Aangezien het waterschap een groot belang heeft bij voldoende doorstroming van deze watergangen wil het waterschap hier actief op toezien. Daarom moet een melding worden gedaan. Als de beschoeiing voor de bestaande beschoeiing moet worden geplaatst, wordt de watergang versmald en gaat er bergingscapaciteit verloren. Dit wordt beschouwd als een demping. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of deze demping acceptabel is. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. 7.2.2 Zorgplicht De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de handelingen die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn. Zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat: na afloop van de werkzaamheden het werk in nette staat wordt achtergelaten. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden; en/of er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden. Dit doet zich voor bij onder andere het gebruik van de volgende materialen: gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan. 7.2.3 Algemene regel In het stroomschema wordt verwezen naar één of meer algemene regels, zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Keur. Deze algemene regel(
  15. s)is/(zijn) hieronder uitgewerkt. Naast de algemene regel is ook altijd de zorgplicht van toepassing. Als u het stroomschema heeft doorlopen en u komt uit bij het vakje ‘Algemene regel zonder meldplicht’ of ‘Algemene regel met meldplicht’, dient u te voldoen aan de regelgeving uitgewerkt in de betreffende algemene regel. 7.2.3.1 Algemene regel zonder meldplicht Om te voldoen aan de algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in het volgende artikel. Artikel 1. Voorschriften uitvoering a.Duikers en andere uitstroomvoorzieningen die op het te beschoeien gedeelte zijn aangesloten, worden tot buiten de beschoeiing verlengd met een buis die een inwendige diameter heeft die groter of gelijk is aan de bestaande buis. b.De beschoeiing wordt gronddicht (zonodig met worteldoek) afgewerkt, zodanig dat geen grond en/of puin vanachter de beschoeiing in de watergang kan raken. c.De onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden. De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap. d.De beschoeiing wordt zodanig op de bestaande oever(bescherming) aangesloten, dat uitspoeling of afkalving van de oever wordt voorkomen. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. a. Bij verlenging van duikers en uitstroomvoorzieningen moet de buis tot buiten de beschoeiing worden verlengd. De reden hiervoor is dat de duiker of uitstroomvoorziening moet blijven functioneren en dat voorkomen moet worden dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt en in de watergang terecht komt. De buis moet minimaal van gelijke diameter zijn als de bestaande buis om te voorkomen dat deze gemakkelijk verstopt raakt. b. Doel van dit voorschrift is dat wordt voorkomen dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt en in de watergang terecht komt. c. De werkzaamheden aan de beschoeiing mogen het onderhoud van de watergang door het waterschap niet belemmeren. Bij het waterschap kan worden nagevraagd wanneer het onderhoud wordt uitgevoerd. d. Doel van dit voorschrift is dat wordt voorkomen dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt en in de watergang terecht komt. 7.2.3.2 Algemene regel met meldplicht Om te voldoen aan deze algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in de volgende artikelen. Artikel 1. Voorschriften uitvoering a.Duikers en andere uitstroomvoorzieningen die op het te beschoeien gedeelte zijn aangesloten, worden tot buiten de beschoeiing verlengd met een buis die een inwendige diameter heeft die groter of gelijk is aan de bestaande buis. b.De beschoeiing wordt gronddicht (zonodig met worteldoek) afgewerkt, zodanig dat geen grond en/of puin vanachter de beschoeiing in de watergang kan raken. c.De onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden. De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap. d.De beschoeiing wordt zodanig op de bestaande oever(bescherming) aangesloten, dat uitspoeling of afkalving van de oever wordt voorkomen. Artikel2.Voorschriften meldplicht a.Minimaal twee weken voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een melding gedaan bij het waterschap. b.Aan de melding wordt de volgende informatie toegevoegd: een duidelijke locatietekening van de te plaatsen beschoeiing, waarop het gehele te beschoeiien gedeelte is aangegeven; een duidelijk overzicht van de hoeveelheid te dempen en te compenseren oppervlaktewater als gevolg van de te plaatsen beschoeiing in m²; een duidelijke locatietekening van het te compenseren oppervlaktewater; de startdatum van de werkzaamheden. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. a. Bij verlenging van duikers en uitstroomvoorzieningen moet de buis tot buiten de beschoeiing worden verlengd. De reden hiervoor is dat de duiker of uitstroomvoorziening moet blijven functioneren en dat voorkomen moet worden dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt en in de watergang terecht komt. De buis moet minimaal van gelijke diameter zijn als de bestaande buis om te voorkomen dat deze gemakkelijk verstopt raakt. b. Doel van dit voorschrift is dat wordt voorkomen dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt en in de watergang terecht komt. c. De werkzaamheden aan de beschoeiing mogen het onderhoud van de watergang door het waterschap niet belemmeren. Bij het waterschap kan worden nagevraagd wanneer het onderhoud wordt uitgevoerd. d. Doel van dit voorschrift is dat wordt voorkomen dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt en in de watergang terecht komt. Toelichting bij artikel 2 Het plaatsen van een beschoeiing dient te worden gemeld, omdat dit een wijziging in het watersysteem kan betekenen waar het waterschap op moet controleren. Eventueel moet zo’n wijziging in de Legger worden geregistreerd. Ook moet het waterschap kunnen controleren of de beschoeiing op de juiste wijze is aangelegd. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.
  16. nl)of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). 7.2.3.3 Algemene regel met meldplicht Om te voldoen aan deze algemene regel dient de initiatiefnemer te voldoen aan de voorschriften in de volgende artikelen. Artikel 1. Voorschriften uitvoering a.Duikers en andere uitstroomvoorzieningen die op het te beschoeien gedeelte zijn aangesloten, worden tot buiten de beschoeiing verlengd met een buis die een inwendige diameter heeft die groter of gelijk is aan de bestaande buis. b.De beschoeiing wordt gronddicht (zo nodig met worteldoek) afgewerkt, zodanig dat geen grond en/of puin vanachter de beschoeiing in de watergang kan raken. c.De onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden. De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap. d.De beschoeiing wordt zodanig op de bestaande oever(bescherming) aangesloten, dat uitspoeling of afkalving van de oever wordt voorkomen. e.De beschoeiing wordt voldoende diep in de bodem van de watergang aangelegd, zodat deze bij het uitvoeren van onderhouds- en baggerwerkzaamheden tot de vaste bodem, zijn grondkerende functie behoudt en niet bezwijkt. Artikel2.Voorschriften meldplicht a.Minimaal twee weken voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een melding gedaan bij het waterschap. b.Aan de melding wordt de volgende informatie toegevoegd: een duidelijke locatietekening van de te plaatsen beschoeiing, waarop het gehele te beschoeiien gedeelte is aangegeven; de startdatum van de werkzaamheden. Toelichting bij artikel 1 In dit artikel zijn de voorschriften opgesomd waaraan de uit te voeren werkzaamheden dienen te voldoen. Hieronder worden enkele voorschriften nader toegelicht. a. Bij verlenging van duikers en uitstroomvoorzieningen moet de buis tot buiten de beschoeiing worden verlengd. De reden hiervoor is dat de duiker of uitstroomvoorziening moet blijven functioneren en dat voorkomen moet worden dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt en in de watergang terecht komt. De buis moet minimaal van gelijke diameter zijn als de bestaande buis om te voorkomen dat deze gemakkelijk verstopt raakt. b. Doel van dit voorschrift is dat wordt voorkomen dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt en in de watergang terecht komt. c. De werkzaamheden aan de beschoeiing mogen het onderhoud van de watergang door het waterschap niet belemmeren. Bij het waterschap kan worden nagevraagd wanneer het onderhoud wordt uitgevoerd. d. Doel van dit voorschrift is dat wordt voorkomen dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt en in de watergang terecht komt. e. De beschoeiing moet voldoende diep tot aan de vaste bodem worden aangebracht om te voorkomen dat beschoeiing omvalt bij baggerwerkzaamheden of het uitdiepen van de watergang. In de Legger oppervlaktewateren kan worden nagegaan wat de onderhoudsdiepte van de watergang is (zie www.hdsr.nl/bestuur-organisatie/regelgeving). Toelichting bij artikel 2 Het plaatsen van een beschoeiing dient te worden gemeld, omdat dit een wijziging in het watersysteem kan betekenen, die moet worden geregistreerd in de Legger. Ook moet het waterschap kunnen controleren of de beschoeiing op de juiste wijze is aangelegd. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.
  17. nl)of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). 7.2.4 Vergunningplicht Als u in het stroomschema uitkomt bij het gekleurde vakje waarin is aangegeven dat naast de zorgplicht een vergunningplicht geldt, dan mag de voorgenomen handeling niet zondermeer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend, zoals bedoeld in artikel 3.3 van de Keur. De vergunning kan bij het waterschap worden aangevraagd (zie hiervoor www.hdsr.nl of www.omgevingsloket.nl). Na het indienen van het formulier zal uw aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventueel op te treden nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in artikel 3.1 van de Keur. Het afwegingskader waar vergunningaanvragen aan worden getoetst kunt u nalezen in het document ‘Beleidsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018’. Indien u nog verdere vragen heeft, kunt u ook contact opnemen met de afdeling Vergunningverlening & Handhaving van het waterschap. 7.3 Verwijderen van beschoeiingen en damwanden in of langs oppervlaktewater 7.3.1 Stroomschema verwijderen van beschoeiingen en damwanden in of langs oppervlaktewater Voor het stroomschema wordt verwezen naar de pdf versie van deze regeling in de bijlage. Toelichting bij vraag 1 Als het een beschoeiing betreft die in een beschermingszone B ligt dan betekent dit dat deze beschoeiing in beheer en onderhoud is bij het waterschap. Het waterschap wil bij zo’n beschoeiing per geval bekijken of deze verwijderd mag worden en zo ja, onder welke voorwaarden. Daarom geldt in die gevallen een vergunningplicht. Is de beschoeiing niet in beheer en onderhoud bij het waterschap dan is bij het uitvoeren van de handeling de zorgplicht van toepassing. 7.3.2 Zorgplicht De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de handelingen die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn. Zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat: na afloop van de werkzaamheden het werk in nette staat wordt achtergelaten. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan. 7.3.3 Vergunningplicht Als u in het stroomschema uitkomt bij het gekleurde vakje waarin is aangegeven dat naast de zorgplicht een vergunningplicht geldt, dan mag de voorgenomen handeling niet zondermeer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend, zoals bedoeld in artikel 3.3 van de Keur. De vergunning kan bij het waterschap worden aangevraagd (zie hiervoor www.hdsr.nl of www.omgevingsloket.nl). Na het indienen van het formulier zal uw aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventueel op te treden nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgpli

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.